De Betoverde Weereld  

From The Art and Popular Culture Encyclopedia

Jump to: navigation, search

"Men heeft het geensins vreemd te achten 't gene van 't misbruik der Filosofie in desen deele seggen wil: 't verspreid sich overal. Wanneer Copernicus den stistand van de Son, en des Aardkloots beweginge met kragt van redenen beweerde; de genen die 't met Ptolemeus hielden meinden, datse 't klaarlik met de Schrift weerleggen konden. Maar die voor 't andere gevoelen stonden, wisten mede raad tot de schriftuurplaatsen, om die anders te verklaren."--De Betoverde Weereld (1691) by Balthasar Bekker

{{Template}} De Betoverde Weereld (1691), or The World Bewitched (1695) is a book by Balthasar Bekker. In it, he critically examines the phenomena generally ascribed to spiritual agency. He attacked the belief in sorcery and "possession" by the devil. Indeed, he questioned the devil's very existence. He applied the doctrine of accommodation to account for the biblical passages traditionally cited on the issue. The book had a sensational effect and was one of the key works of the Early Enlightenment in Europe. It was almost certainly the most controversial.

The publication of the book led to Bekker's deposition from the ministry. The orthodox among Dutch theologians saw his views as placing him among notorious atheists: Thomas Hobbes, Adriaan Koerbagh, Lodewijk Meyer and Baruch Spinoza. Eric Walten came to his defence, attacking his opponents in extreme terms. Bekker was tried for blasphemy, maligning the public Church, and spreading atheistic ideas about Scripture. Some towns banned the book, but Amsterdam and the States of Holland never did, continuing his salary, without formally stripping him of his post.

The World Bewitched is now considered interesting as an early study in comparative religion.

Full text in Dutch (first 75%)

DE BETOVERDE WEERELD, Zynde een GRONDIG ONDERSOEK

Van 't gemeen gevoelen aangaande de GEESTEN, deselver Aart en Vermogen, Bewind en Bedrijf: als ook 't gene de Menschen door derselver kraght en gemeenschap doen.

In vier Boeken ondernomen

Van BALTHASAR BEKKER S.T.D.

Predikant tot Amsterdam.

{== afbeelding

           AL DAALENDE.
       ==} {>>afbeelding<<}
   


t' AMSTERDAM, By DANIEL VAN DEN DALEN, Boekverkoper op't Rockin, bezyden de Beurs. 1691.

{==*2r==} {>>pagina-aanduiding<<}

DER BETOVERDE WEERELD,

Het EERSTE BOEK,

       Waar in de Gevoelens en Gewoonten van alle Volkeren, die sy t'allen tyden ontrent God en de Geesten gehad hebben, ende als noch zijn hebbende, aangewesen staan.
       

{==1v==} {>>pagina-aanduiding<<}


{==*2v==} {>>pagina-aanduiding<<}

Bericht.

ALso voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o. by Hero Nauta tot Leewaarden een acte van Privilagie staat, op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage, ende daar in gemeld word, dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur hier met sijne eigene hand, dat hy Barend Beek niet en kent, ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders dan aan Daniel vanden Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne, dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn.


{==*3r==} {>>pagina-aanduiding<<}

Voorrede Op 't geheele Werk, en bysonderlik het eerste Boek. Aan den Leser.


Den Bescheidenen en opmerkenden Leser Saligheid!

INdien ooit schryver nodig vond, enig beright vooraf te doen over een werk dat hy aan't licht gaf: so dunkt my, dat ik, in sulk ene gelegentheid als dese is, niet anders soude mogen doen. Want ik daar toe boven anderen en twee besondere redenen hebbe: waar van d'eene de omstandigheden, by't uitgeven des werx voorgevallen, en d'andere den inhoud desselfs betreft. Beide vreemd en ongewoon, en't laatste noch voor vreemder aangesien door middel van het eerste. Dies wil ik hier den gunstigen waarheid lievenden Leeser beright afdoen; eerst van 't een, daar na van 't ander. Hoe ik dan allereerst tot die gedachten quam, dat ik iets ter sake dienende, daar dit boek van spreekt, in't licht geven soude: heb ik over acht jaren, op 't einde mijner Voorrede over 't werk van de Kometen, met weinig woorden aangewesen; 't gene ik nu, tot beright des Lesers, wat omstandigliker sal verklaren. Besig zijnde in't verhandelen van den Profeet Daniel op den Predikstoel; en gekomen tot het 11. vers des 2. hoofdstuks, daar de Tovenaars, also genaamd, hen selfs belijden niet bequaam te zijn, om des Konings droom te melden: zo besloot ik daar uit, wat men van des Duivels kennisse, hem gemeenlik toegeschreven, volgens desen te geloven heeft. Ende want my dochte, dat het niet ondienstig wesen soude, sijn vermogen insgelijx te ondersoeken; of dat so groot wel moghte zijn alsmen van hem seit: so trad ik eens ter syden, ende nam ter naast volgende gelegentheid tot mijnen text voor het gene men Ex.8:18 leest; de reden soekende, waarom die Tovenaars niet so wel luisen als vorschen of slangen voortbrengen konden. De Heer Tamminga, lofliker en saliger gedachtenisse, Heere van Bellingweer ens. een geleerd en godvruchtig edelman, was dies tyds in de kerk; en had in die verhandelinge groten smaak. Ende also sijne Hoogh Ed. oordeelde, dat daar iets in was, 't welk gelesen zijnde, gelijk het nu gehoord was, by geoefende verstanden

{==*3v==} {>>pagina-aanduiding<<}

toestemminge verdienen, en den ongeoefenden onderrightinge geven konde:

   heeft my deselve dikmaals, so door anderen als in eigener persoon, aangemaand, om het te doen drukken. Ondertusschen nooit sonder werk zijnde, (waar af ook gedrukte boeken, so van andere die ik hielp in de weereld brengen, als van mijne eigene hand, getuigen moeten) schoon ik 't niet afsloeg; so ging dat noch so haast niet voort. Zedert evenwel noch tweemaal over sulke stoffe gepredikt hebbende, van Sauls Waarsegster in de Niewe, en van Jobs Duivel in de Wester Kerk: gaf dat niewe gelegentheid aan meer anderen, om my tot het uitgeven van enige mijne betragtingen over die stoffe aan te porren. Noch eens is het te pas gekomen, dat ik tegen 't einde des jaars 1689. den text Gal. 5:19. in enige lessen vervolgens verhandelende; in de Gasthuis kerke iets van dese stoffe te melden hadde over 't Grieksche woort Φαζμαχεια, 't welk onse Oversetters venijngevinge vertaald hebben. Om my echter niet ten breedsten daar op uit te laten, beriep ik my op 't gene daar af in korten stond aan 't licht te komen:

also dit werk doe al onder handen was. Waarom niet eerder, dat heb ik reeds geseid: maar hoe 't by komt, dat het dus lang onderwege blyft, heb ik myne Leser verder te berigten. Wanneer ik over sestien jaren uit Friesland, met mijn beroep van Franeker na Loenen trok; deed ik mijnen Drukker H. Nauta tot afschied dese belofte, dat hy 't eerste werk, groot of klein, dat ik, nu in Holland komende, mogte komen uit te geven, tot onderhoudinge der oude kennis hem te drukken geven soude. Daar toe quam ik eerder niet, dan wanneer de Komeet, die 't jaar 1680. en 1681. scheen, my stof tot schryven gaf: welke ik in een boexken, Ondersoek over de Kometen genaamd, begreep, dat in 't jaar 1683 in 't licht quam. Doch mitsdien dat hy 't gaarn wat groter hadde, ende het my ongelegen was veel over zee, en verre van de hand te laten drukken: so beloofde ik hem nader, dat ik 't selfde werksken by 't herdrukken vergroten, of met een aanhangsel van enig ander werk vermeerderen soude. Tot het eerst vond ik geene reden: also my niemant, mondeling noch schriftelik, eenige niewe stoffe, 't zy tot nadere verklaringe, 't zy tot bevestinge, 't zy ook tot verbeteringe, heeft toegebragt, of voorgeworpen. Des heb ik mijne beloften willen quyten, door iets anders by het voorige te voegen, datter niet qualik by passen mogte, en al lange by my ernstig overwogen was. So

{==*4r==} {>>pagina-aanduiding<<}

had ik dan een Ondersoek over 't stuk der Tovery en Spokery gereed gemaakt, dat ontrent soo veel bladen besloeg, als dat van de Kometen: ende liet hem dit in den herfst des voorledenen jaars herdrukken, in meininge 't ander daar dan by te voegen. Doch hebbende (als geseid is) al eenigen tijd te voren, ende noch jongst den 27. van Slaghtmaand 1689. 't gemeen gevoelen opentlik op stoel weersproken; soo quam my effen twee dagen daar na een Verhaal van ontdekte Tovery (somen 't noemde) uit Engeland ter handen; so als het daar, als wat besonders, in druk uitgegeven was. 't Welk bevindende van sulken inhoud te zijn, dat het nadrukken desselfs in onse tale, vermits de niewsgierigheid der menschen, eerlang onvermijdelik te verwachten stond, ende mijn gevoelen echter regelreght strijdig was met het gene daar in wierd geacht bewesen te zijn: so sagh ik te gemoete, dat lichtelik daar door enig vooroordeel tegen mijne gedachten, noch so versch ter preke verklaard, en so vryborstig uitgesproken, dat uit soude gevat worden; met onvermogen, om de kraght van 't bewijs, 't welk sich hier in dat werk scheen op te doen, te wederstaan. Dies wierd ik te rade, het liever self in onse taal aan 't licht te brengen, eer het een ander dede: mits daar byvoegende enige mijne Aanmerkingen, dienstig om den Leser de oge te openen; waar mede hy alle diergelijke vertellingen ten gronden toe beschouwende, geenen nood meer hebben mochte, om daar door in de gemeene dolinge versterkt te worden. Met dat Beright versocht ik doe den Leser, sich voor eerst te willen behelpen, tot dat de druk van 't voorschreven werk, belangende de Tovery, geëindigd ware; waar toe ik meinde dat ik geen langer tijd als tot in d' andere maand behoeven soude. Maar 't ongemak des winter-tijds en der plaatse over zee, mitsgaders 't werk van Ainsworth, op deselfde pers gedrukt, bragt daar enigen hinder aan: waar mede de tijd vast lengende, mijn werk, gedurig voor ogen zijnde, onder de hand aanwies; en dat van de Kometen verre over't hoofd. Met een quamen middelertijd door 't verbreiden van 't vooruigesonden Engelsch Verhaal verscheidene brieven van geoefende verstanden; en wierd ik overal daar't pas gaf, ook mondeling door geleerde luiden over dit stuk aangesproken, so die tegen als die met my hielden. Daar door wierd my so veel stoffe, 't zy tot nader onderzoek, het zy tot bevestiging of verklaringe, ook tot verdere uitstrekkinge mijns gevoelens, aan

{==*4v==} {>>pagina-aanduiding<<}

de hand gegeven; dat ik 't werk noch eens vermeerde, en in andere orde schikte; so verre dat het gene nauwelix een boexken was tot een volslagen boek gegroeid is. Ondertusschen ging my de druk tot Leeuwarden niet alleen te langsaam voort: maar ook te lastig, om de verbeteringe der drukfouten, die noch maar te veel in 't eerste deel gebleven zijn. Om die beide oorsaken bragt ik 't werk met het begin des tweden deels hier t'Amsterdam over: daar ook al enige tijd doorliep eer 't aan den gang raakte; echter, uit voorseide reden, beter ging na mijnen sin. Middelertijd wist een ander niet, waarom 't werk so lang achter bleef; en meinden enigen al (ja seiden 't ook volmondig uit) dat my de moed in de hielen sonk, om tegen den Duyvel in't veld te treden. Daarom, en om dat gedurig vragen en schrijven, wanneer dat eindelijk mijn boek aan 't licht te komen stonde: so gaf ik de twe eerste boeken vast aan 't licht, achter uit de twe laaste noch wat aangevuld; op dat het als een werk op sich selve moght bestaan, ende dat, om den Leser des te eerder te voldoen. Hopende ondertusschen, dat ons God de dagen, ende my so veel genade geven soude, dat ik moght vervullen 't gene noch ontbrak, ende buiten twijfel uit het lesen van dit werk nadere overdenkinge vereischen soude. Doch meinende dit werk voor 't uiteinde des voorledenen jaars, mede tot gerief des Boek verkopers af te doen, so heeft de vorst, doe schielik invallende, dien toeleg verhinderd, niet sonder merkelik ongemak. Want eer de drie laaste bladen van hier na Leewaarden afgaan konde, was de schipvaart door het ys belert; en ik met eene van gelegentheid versteken, om aan mijn naaste vrienden enig exemplaar dat vol was te leveren. Waar op echter noch al hopende, terwijl de vorst aan hield, so raakt mijn Boek, dat ik self hier missen moeste, dus onvoltooid buiten mijne kennis uitgegeven, door Friesland heen in veelerhande. En stukswijse hier en daar, gelijk 't gebeurt, slegs ingesien, gaf dat dan gelegentheid, so door 't lesen als door 't horen seggen, dat sich d'een en d'ander uitliet om daar qualik van te spreken. So veel als my daaraf is voorgekomen, waren sommiger gedachten weerdig, om my daar op nader te verklaren, had ik het in 't Boek niet al gedaan. Want so sy alles lasen, soudense van alles het bescheid wel vinden: het zy van mijn oogmerk en de reden die my tot dit schrijven braght; waar af ik in dese Voorrede en 't eerste hoofdstuk van het Boek ten klaarsten spreke; het zy van d'uiterste noodwendigheid en nuttigheid, in't eerste, en op een na 't laatste hoofd-

{==**1r==} {>>pagina-aanduiding<<}

stuk kortelik bewesen. En dit zijn de stukken die sy dan noch niet en hadden, wanneer sy 't ander lasen. Dies ik, om 't voorgaande misgevall, buyten mijne schuld, en tot mijn groot ongenoegen bygekomen, door mijne voorsorge te versetten; den Leeuwaarder Boekverkoper schreef, dat ik hem verbood, een eenig exemplaar, so lang als 't boek noch niet volkomen was, meer te verkopen. Daar by dien tusschentijd waarneemende, dat het water noch besloten bleef: so voegde ik noch twe hoofstukken achter in het twede boek, en verlengde de Voorrede: om den Leser dies te beter te berighten, wat mijn eigentlijk gevoelen en mijn suiver oogwit was. Sulx hebben ook degenen (volgens't gene my is voorgekomen) die eerst de Voorrede, en daarna vervolgens 't gansche werk doorlesen hadden, duidelik gesien; en so wel tegens ieder een, als aan my self by gelegentheid dankelijk verklaard. Maar die der qualik af spraken, hadden 't sleghs hier en daar, sonder vervolg van reden, of gansch niet gelesen, of niet willen lesen. Dit bleef also, en met een 't vragen, waar mijn Boek toch bleef, dat ik self niet maghtig was, ende nochtans in Friesland al lange gelesen: tot dat de zee wederom ontdooid zijnde, meer menschen met alsulke tijdingen van mijn Boek; maar noch geen boeken overquamen: als maar ter sluik. Het was naawlijx iemand te beduiden, dat een boek in de weereld was, ende nochtans in gansch Holland niet te vinden, noch te koop in de stad daar de schrijver self woonachtig is: ende noch wonderlijker, dat niet alleenlik mijn eerwaarde Amtgenoten in de stad het niet en hadden, maar dat het ook by my niet was om hen te geven. Van 26. stux in alles, voor en na, van Leeuwarden aan my gesonden, heb ik ter naauwer nood een voor mijn self konnen maghtig blyven; gevende deselve, so haast als eenige met haaste waren ingenaaid, voor de vuist wegh, aan vrienden diese my uit de handen haalden. Raakten iemant den tijd dat ik'er hadde, die kreeg; so niet, hy ging henen sonder boek. So graag is nieuwe waar, meest wanneerse qualik te bekomen is.


Nitimur in vetitum, semper cupimusque negata.

Want het boek is allereerst op den 11. van Lentemaand alhier te koop geweest, lange na den tijd dat de laatstgedrukte bladen van hier na Leeuwarden gesonden zijn, ende also 't boek geheel volkomen in handen van H. Nauta geweest is. Een boekverkoper van hier hadde om 50. stux geschreven; en die ook op sijn wederschryven verwacht; doch niet bekomen. Wat doe ik ondertus-

{==**1v==} {>>pagina-aanduiding<<}

schen? Zynde daar en boven, net 8. weken nu geleden, door seer waarde vriende, die 't boek nooit gesien, ende nochtans veel daar af gehoord hadden, over desselfs in houd gansch minnelik aangesproken, in overleg wat hier best te doen zijn soude: so schrijf ik aan den Drukker Nauta, dat ik hem alle d'Exemplaren self afkopen, en gereed met goede winst betalen wil; om deselve dus in mijne maght te krijgen. Dan was mijn voornemen, terwijl ik d'overige twee boeken hier liet drukken, middelerwijle met deselfde vrienden neffens anderen my te beraden, of ik 't openbaar uitgeven deser twee eerste boeken soude laten voortgaan, na dat het nu toch al in Friesland, en van daar geheel of stuxwijse verkocht, en weereldruchtig was: dan of ik 't liever onder my berusten liete, tot dat het geheele werk soude gedaan zijn. Het eerste scheen wel best, om den schijn te ontgaan, als oft ik selfs schroomde met mijn werk aan 't licht te komen; of berow van 't schrijven hadde, daar so veel af te seggen was. Het ander nochtans quam met mijn eerste oogmerk over een, so als in 't begin geseid is: dat was, om 't geheele werk, eerst so klein begrepen, schoon daar breder uitgewerkt, teffens uit te geven; op dat een ieder hadde mogen sien, hoe het zamenhing, en insonderheid uit het laatste deel, wat vrugt het in de weereld konde doen. Maar gelijk my dit, uit oorsaaken flus verhaald, ontschoten is; so is't hier ook gegaan. Want na wisselinge van brieven klaarlik siende, dat ik met den boekveroper Nauta over de voorseiden uitkoop nooit eens worden soude: wierd ik genootsaakt, de boeken, uit mijne maght zijnde, in de sijne te laten; ende mijn wettig oogmerk op enen andere wijse, onder Godes segen voor te setten. Dies van hem door enen volgende brief eindelik afscheid genomen hebbende, so ben ik naderhand, nu maar 4. weken geleden, met mijnen vorigen Boekverkoper alhier, Daniel van den Dalen, eens geworden, om het geheele werk wederom uit den grond op te halen: en oversien, hier en daar nader verklaard, of bevestigd, in dese vorm als de Leser hier siet, op verscheidene perssen teffens te doen drukken; en 't een boek na't ander uit te geven, om den Leser dies te eerder te voldoen. Want de 750 exemplaren die Nauta op de twee eerste boeken gedrukt heeft, konnen niet veel strekken, ende zijn, somen magh bemerken, al meest onder den man. Ook heeft het uitgeven van dat werk voor den tijd, als 't noch niet volmaakt was, oorsaak en aanleidinge tot sulk enen nieuwe schikkinge gegeven. Nu geef ik hier den Leser 't eerste

{==**2r==} {>>pagina-aanduiding<<}

boek, met een Hoofstuk op 't einde vermeerderd: dat ik nodig vond daar by te doen. De drie anderen hoop ik (met de hulpe van God) van maand tot maand te laten volgen. So sal een grager weetlust, (wil ik hopen) van 't een gelesen stuk tot het ander ontsteken, mijn werk bedachtsamer doen overwegen: en den godvrughtigen Leser bequamer maken, om bescheideliker oordeel, dan het in dat eerste misverstand heeft konnen zijn, daar af uit te spreken. Dit was het al dat ik te seggen hadde van die ongewone, ende niet min vreemde wijse op welke dit boek buiten mijn vermoeden in de weereld komt. Nu heb ik van mijn oogmerk noch te spreken, en wat my tot sulk een gevoelen braght als ik in dit gansche werk beweere. Eensdeels was het eigene genegentheid, om alles wat ik weten moeste, niet na waarschijnlikheid, maar grondig te verstaan; anderdeels de vreemde bejegeningen die ik in Friesland over mijne eerste schriften hadde: 't gene my door ondervindinge dedesien, hoe weinig staats op menschen oordeel is te maken, in 't gene sy gemeenderhand eens hebben aangenomen of te leeren of te doen. Want mijn boek over den Catechismus eerst eenparig by de Friesen veroordeeld, sonder dat van ontrent 200. Predikanten een de reden wist, waarom het veroordeeld was; daarna wel tweemaal wederom eenpariglik voor goed gekeurd, sonder dat het minst in de stukken die betwist waren, so veel de leer aangaat, daar in veranderd was: ('t zijn wonderen, die ik verhalen) so gaf my dat te meerder oorsaak om te denken, dat een oprecht kristen leerling, en voor al een leeraar moest betraghten sulken sekerheid, als hy buiten menschen oordeel uit den grond der saken halen magh. Dies heb ik my tsederd ook daar op gelegd, dat ik onder Gods genade, van alsulke dingen als ik voor my self moest weten en aan anderen leeren, niet den trant; maar de Schrift, en Reden, daar die by de Schrift te pas quam, volgende, moght versekerd zijn. Volgens dien, geen oogmerk hebbende iets aan 't licht te geven, dan daar my dochte dat der weereld aangelegen was: so nam ik noit de pen in de handen om te schrijven 't gene wel geschreven was. Maar om de dolingen in leer en leven, die 't meeste deel der menschen ingenomen hebben, so veel in my was wech te schuimen: of ten minsten d'order te verbeteren: 't zy dat ik daar in d'eerste was, of dat ik noch iet naders hadde dan't gene my van andere was voorgekomen. Ik heb daar boven andere ook noch besondere reden toe. 't Is niet veel min dan 26. jaren, dat ik my in d'Hoge School tot Franeker verplicht hebbe, om de ware leere der Gere-

{==**2v==} {>>pagina-aanduiding<<}

formeerden Kerken, so by monde als met schriften, daar't de saken en de gelegentheid vereischt, getrouwelik voor te staan en te verdedigen. Nu mach ik als Prudentius wel spreken, het gene net op mijne jaren past. Per quin quennia jam decem. Ni fallor, fuimus: septimus in supe Annum cardo rotat, dum fruimur sole volubili. Vicinum senio jam Deus applicat. Quid nos utile tanti spatio temporis egimus?

Dat is: Der jaren vyfmaal tien, en 't einde schier van seven, Genoot ik 'tsonnenlicht in 't wisselvallig leven. God roept den ouderdom, die my vast tegen treed. Waarin is al mijn tijd, dien hy my gaf, besteed?

Soud ik die rekening opmaken, dat werk viel hier te lang. Maar wat den tijd betreft, dien my God noch verder gunnen sal, so lang of kort als die dan wesen mag: wat my daar af tot ernstige oefening bequaam, buiten 't gene mijn gesette kerkendienst vereischt, in dese stad vol besigheids mag overschieten, dat hoop ik tot een neerstig ondersoek van sulke dingen, die al de weereld op het algemeen, gedurig en sterk seggen valschlik gelooft, of verkeerdlik beleeft, door Gods genade aan te leggen. Want gaarn had ik de menschen wijser ende beter dan sy zijn: hoewel men weinig vind die 't wesen willen. En dat komt daar by toe, dat de meeste hoop gerust is te geloven 't gene men gelooft, en te doen so als men doet. Maar hoe gevaarlijk dat sulk schrijven zy, heeft men my in Friesland al geleerd, wanneer ik met mijn eerste boek voor 't licht quam: en met een, dat wien 't om gunst of voordeel is te doen, so niet moet schrijven als ik doe; die alle vooroordeel of aanhang van beroemder mannen sinlikheid heb afgeleid, om blotelik niet als de Reden of Schriftuur te volgen, na dat de saak op Reden of Schriftuur berust. De dank van sulken arbeid magh my volgen als ik dood ben: maar by mijn leven so verwacht is des niet veel. Nochtans wil ik liever wagen iets aan 't licht te geven, terwijl ik self noch in de weereld ben; om haar oordeel eerst te horen, en mijn werk te verdedigen, of te verbeteren, daar't nodig is: om dat my dunkt dat sulx van anderen, die billiker gedachten van my hebben moghten, na mijnen dood niet

{==**3r==} {>>pagina-aanduiding<<}

so bequamelik geschieden soude: also elk self de beste uitlegger sijner meininge en woorden is. Hoewel de Leser uit den aanleg van het werk in't I. Hoofdstuk lichtelik sal konnen sien, wat ik eigentlik daar in beöge. In sulx ben ik hier ten vollen af versekerd, dat sich nooit iemant kraghtiger tegen d'Atheisterye stelde, noch de godlikheid der heiliger Schrifture bet beveiligde, noch de waarheid van den kristeliken Godsdienst meer versekerde, noch des Allerhoogsten eere beter voorstond: dan de gene die sich op alsulke wijse als ik doe tegen't algemeen gevoelen stelt, dat de weereld van de maght en kragt des Duivels heeft. So wie dit Boek met een opmerkend en onsydig hert doorlesen wil, hy salder dat in sien. Hoewel ik des gerust ben; so weet ik echter, dat so veel't gebruyk der Reden hier belangt, ik den genen minst voldoen sal, die Des Cartes gronden gansch verwerpen, of te breed betimmeren; waar na ik Geest en Lichaam van malkander, en beide van den Schepper onderscheide: sonder van der selver werkingen dat gene vast te stellen, daar ik geen gevolg af sie. Invoegen dat met een de dulle doling van Spinoza, die God en Weereld onder een vermengt, ten krachtigsten weersproken word. En ik wil wel dat my iemant tone, wie ooit d'oneindigheid des onderscheids tusschen God en Schepsel, of d'onvermenglikheid der eigenschappen van Geest en Lichaam vaster hiel, dan ik hier doe. Ook moet ik wel, sal mijn werk bestaan, dat (so veel als hier de Reden in te seggen heeft) daar alleen op rust. En't geeft my onder anderen ook dat genoegen voor my self, dat ik onser Kerken leere voor de bekende proef ook veylig stelle, dat de ware Godsdienst meest hier aan te kennen zy, so sy God de meeste, en het Schepsel des te minder eere geeft. Daarom sal my ook dit Boek tot een getuigenis verstrekken, dat ik den Allerhoogsten so veel meer van d'eere sijner Maght en Wijsheid wedergeve, als sy hem benomen hadden die het aan den Duivel gaven. Ik ban hem uit de Weereld en bind hem in de Hel: op dat de Koning Jesus des te vryer heersche; hoewel tot op den laatsten dagh in't midden der vyanden, die sich hier verhouden van des Duivels volk, in welken noch sijn beeld, door 't werk der sonde speelt. Met sulken gemoede heb ik dan ook niet geschroomd, in het tweede boek Gods heilig Woord op verscheide plaatsen anders te verklaren, dan men wel tot noch toe heeft gedaan: Die daar in niet so wel en siet, dat het is om Gods eere te vergroten, als de sijne diese anders heeft verklaard daar mede word verkleind: die toont so, welk van beiden dat hem meest ter herten gaat, Gods of sijn eigen lof. Ik wederom, die ook in hun gevoelen ben geweest, geef de mijne geern

{==**3v==} {>>pagina-aanduiding<<}

ten besten, op dat Godt verheerlikt werde, en de waarheid in het licht gesteld. 'tIs derhalven myne schuld niet, dat ik my aan hunne, dat is de gemeene uitlegginge, die ook in 't eerst de mijne was, niet meer en houde: maar der genen die so niet gedaan hebben, als ik nu genoodsaakt ben te doen. Nochtans ben ik het niet alleen; maar volge sleghs daar in seer veelen, ook die lange na my quamen, ende buiten nood het selfde onderstonden: so datse self niet schreven dan om so te schrijven; en d' eerste proeven hunder jeugdelijke oefeninge in 't veranderen van geleerder luiden langbekende uitleggingen en vertalingen der Schrifture stelden. Des docht het my al volle tijd te zijn, nu ik so verre op mijne dagen ben, om ten laatsten eens met eigen ogen uit te sien, en uit de borst te spreken. Want of enigen van ons al te voorbarig zijn geweest, om 't getal der bewijsredenen tegens andersgesinden te vergroten, daar toe de Schriftuur op veele plaatsen te doen spreken 't gene in de woorden niet en leit, dat is voor hunne rekeninge; niet voor ons die van beter wapenen voorsien zijn, om de waarheid voor te staan, daar de gansche Kerk op rust. Maar dit is een gemeen gebrek, dat elk sijn verstand of dat van sijne meesters mede brengt, wanneer hy tot den Bybel komt; om den selven dan te schikken na den sin, welken hy, sonder grondig ondersoek, als hem aanvalligst, eerst verkoren hadden. Dat deksel van vooroordeel neem ik wech; en sie dan watter overblijft, om't onsydig oordeel uit te vinden, dat den reghten sin der Schrift verklaart. En ik ben versekerd, dat nooit mensche van gesond verstand, eene van alle die Schriftuurplaatsen, die ik ondersoeke, op die wijse als men heeft gedaan verklaard hebben soude: had hem 't vooroordeel van de grote maght en kraght des Duivels, of 't voorneemen om dees of gene doling te weerleggen, daartoe niet gebraght. Hier af heb ik al bereids de proeve by my self vernomen, dat leersame en geleerde luyden na die tale luisterden, waar in ik my so na by aan den text des Bybels hield. De voornaamste hoofstukken heb ik al voor desen (als ten deele flus geseid is) opentlik op stoel also geleerd: en daar door gelegentheid gehad om te verneemen, dat mijn preken meer verlangen baarde na mijn schrijven. Self ben ik dikmaal in gesprek geweest, met mannen die te reght geleerd en met een godvruchtig zijn: welke my de voornaamste stukken uit de Schrift in dit werk, (besonderlik het twede en derde) behandeld voorstellende, genoeg te kennen gaven, datse eensdeels voldaan waren, en anderdeels de vorige voldoeninge op 't overige van my verhoopten. Of dat nu met hunne verwachtinge over een komt, moet ik billik, ende

{==**4r==} {>>pagina-aanduiding<<}

wil ik gaerne aan hun oordeel laten. En middelertijd dat ik 't ook van hunne vriendschap wachte, so houd ik my versekerd, datse, schoon in alles geen genoegen nemen; echter noch mijn oogmerk prysen sullen, en ten groten dele by springen, om my daar in voort te helpen. Niet temin stel ik mede buiten twijfel! dat het grootste deel der Lesers (daar het my nooit om te doen was, maar om 't beste) meinen sullen, dat ik my met sulken werk als dit in't licht te brengen groteliks besondige. Niet in aansien van dit eerste Boek; waar in ik mijn gevoelen niet verklare, nochte dat van anderen weerlegge; maar alleenlik een verhaal van allerlei gevoelens doe, die elk uit de getuigenissen die ik daar af by brenge bekend sal staan. Met de twee laatsten sie ik mede weinig swarigheid, so maar het tweede, daar 't wel meest op aan komt, aan den man sal willen. Want de meeste swarigheid die ik daar in te gemoet sie, sal wesen, om dat ik al te weinig, na hun oordeel, van den Duivel houde. Want het is alreeds so ver gekomen, datmen 't schier godvrughtigheid gelooft te zijn, veel wonders aan den Duivel toe te schryven; en voor ongelovigheid of reukeloosheid houd, somen niet geloven wil, dat de Duivel sulx kan doen als 'er duisenden getuigen dat hy doet. Te weten, dat is nu godsaligheid; so iemant God van herten vreest, dat die ook den Duivel vreese. Soo niet, men houd hem voor een Atheist, dat is die geenen God gelooft; om dat hy niet en kan geloven datter twee zijn; d'een goed en d'ander quaad. Maar desen mein ik datmen met veel groter reght den naam van Ditheisten geven moghte, (gelijk 'er eertijds Tritheisten waren) dat is, gene die twe, dese die drie Goden geloofden. Wil men my ter oorsaak mijns gevoelens enen nieuwen name geven: ik magh lyden dat het Monotheist magh zijn, dat is die maar eenen God gelove; eenen Heer en Zaligmaker Jesus, op wiens woorden ik my ganschelik verlate, wanneer hy seit: vreest niet de genen die alleenlik 't lichaam doden konnen: maar Hem die lijf en ziel verderven kan. Matt.10:v.28. Veel minder vrees ik dan, die over geen van beide maght heeft; noch ook het oordeel van die voor hem pleiten. Maar indien hy sulken God is, hy twiste voor hem selven, en dat tegen my om dat ik sijnen altaar omgeworpen hebbe. Right.6:13. In den naam des Heeren der Heirscharen heb ik desen Goliat dus aangegrepen; laat sien wie dat hem helpen sal. Doch so my iemand anders overtuigen kan, ende hy dat doen wil met sachtmoedigheid; ik sal 't van hem voor grote vriendschap nemen. Maar dan bid ik, dat hy nevens my hem self

{==**4v==} {>>pagina-aanduiding<<}

van nodelosen arbeid doch verschonen wille: so verre, dat hy 't gansche werk van voren af ten einde toe doorlese: eer hy my, 't zy schriftelik 't zy mondeling, iets tegenwerpe; om te sien, of't gene hem, hier en daar iets lesende, op houden of mishagen moghte, in den draad van 't werk self niet word opgelost. Want hy doch de moeite, die ik hem nu verge, noch eens soude moeten doen, om de plaatsen die ik hem in 't antwoord wijsen soude, nate sien. Des moetmen 't my te goede houden, so ik den genen dien 't so niet en lust, geen antwoord geve: welke doch onnut zijn soude, en ons wedersijds beletten, onsen tijd tot beter te besteden.

Tot den druk verveerdigd, nader oversien en vemeerderd

Den 16 van Lentemaand 1691. Den 26 van Bloeimaand 1691. Den 1 van Oogstmaand 1691.

De Leser zy versekerd, dat van dit boek niets uitgelaten is, 't gene in den Leeuwarder druk gestaan heeft. Dan wel op weinig plaatsen tot uitbreidinge der beknopte stoffe iets ingevoegd: te weten zo als hier vervolgens aangetekend staat. Daar beneffens heb ik noch een geheel Hoofstuk achter aan gevoegd, waar in het laatste van het twede Boek der Frieschen druks met een versmolten is: het gene my nodig scheen hier breder uitgebreid, nu by te stellen, om 't gebruik der veelerley gevoelens in dit eerste Boek verhaald wat nader aan te wijsen; ende also den reghten gront te tonen, waar op de vooroordeelen berusten, die ons dus lang gehinderd hebben, de reghte geschapenheid der saken, die in volgende deelen verhandeld staan, na behoren te ondersoeken.


Ingevoegd

VIII. Hoofdst.§.6. en 10. geheel >X. Hoofdst.§.2. in de twede regel beginnende, en dan voorts §.3. en 4. geheel; mits de vierde en vijfde regel van den eersten druk daar tegen uytgelaten zijnde. >X. Hoofdst.§.7. beginnende in de vijfde regel. X. Hoofdst.§.8. beginnende in de darde regel. X. Hoofdst.§.9. beginnen in de vierde regel. XXIV. Hoofdstukgeheel



{==1==} {>>pagina-aanduiding<<}

Eerste Boek, Waar in de Gevoelens en Gewoonte van alle Volkeren, die sy t'allen tyden ontrent God en de Geesten gehad hebben, ende als noch zijn hebbende, aangewesen staan.

I. Hoofdstuk. Tot Inleidinge van alles dient, de betragtinge van de Gewigtigheid deser stoffe, de Noodsakelikheid en Nuttigheid derselve, ende d'order die daar in te houden zy.


§. 1.

IK onderneem een werk, al voor lange beloofd, en noch langer bedacht: maar nu eerst tot rijpigheid gebragt, ende nochtans sorgelik om te wagen. Verscheidene bejegeningen, die my stoffe gaven tot eigene ondervindinge, de redenen daar over dikmaal gewisseld met luiden van geoeffende herssenen, en eigene oefeninge daar mede vermengd: bragten my meer en meer in overleg van gedachten, of't so wel wesen mogte, alsmen doorgaans by geletterden en leken van die dingen spreekt, die gemenelik den Duivel toegeschreven worden. Echter soud ik my noch al niet so seer tot een ernstig ondersoek van dat stuk onledigd hebben; had ik niet gesien, dat vele, en misschien de meeste gevoelens, by alleman, ook by geleerden aangenomen, of seer losse gronden vlotten. Dat gesigte gaf my een onsydig ondersoek van verscheidene dingen, die my deels in mijn beroep, deels in dagelikschen ommegang ontmoetten; en te werk gesteld, mijn gemoed tot toestemminge verpligtten. Waar door het noodsakelijk geweest is, dat ik seer veele saken, eerst uit het gemeen gevoelen, en door onbeproefde redenen aangenomen; daar na in den grond ondersocht, verworpen hebbe: ende also nu veel minder wete dan ik te voren geloofde. In geen stuk is my dat meer gebeurd dan daar ik nu af schrijven wil. Niet dat ik hier in voor hebbe, ander luiden schriften in dien dele te berispen, of onnut te maken, maar mijne gedachten by de hunne te voegen, om den waarheid-lievenden leser noch wat nader te berigten. §. 2. Want ik meine niet te dolen, indien ik segge, dat noch alles niet ge-

{==2==} {>>pagina-aanduiding<<}

seid is wat ter sake dient: de vorige schrijvers noch al eenigsins weerhouden zijnde door overgeblevene vooroordeelen; schoon al vele by hen waren afgelegd. Dat is, mijns oordeel, so veel, als datse des Duivels werken ten groten dele hebben afgebroken; om de menschen van bygelovigheid en onnutte vrese te bevrijden: maar ik soude hem den eenen steen op den anderen niet laten, mogt ik na mijnen sin begaan. Tot het selfde gevoelen wil ik sien of ik mijne landgenoten, en insonderheid die van ene selfde belijdenisse zijn, overreden kan: hen biddende, datse mijn schrift met so vrye gedachten lesen willen, als 't van my geschreven is; om geen andere reden aan te nemen, dan die op 't natuurlik ingeschapen licht, op den klaren sin der H. Schriften, of op welbeproefde ondervindinge gegrond zy. Ik hebbe groot gelijk, mijnen Leser tot dese voorwaarden te verpligten: niet alleen om datse by niemand konnen gewraakt worden maar ook, om dat ik my self vrywillig onder dese wetten geve; ende noch allermeest, om dat de sake self zijnde van 't uiterste gewigte, sulx boven andere vereischt. §. 3. Want ik houde my selven ten vollen versekerd, en 't sal den Leser, hoop ik in 't vervolg wel klaarlik blijken; dat geen hoofdstuk des kristeliken Geloofs so swaar weegt als dit; en datse alle los en onbewijslik zijn, so men 't gemeen gevoelen, dat het volk van den list en de magt des Duivels heeft, niet en verwerpt. Of isser, dunkt ons, weinig aan gelegen, dat wy wel versekerd zijn, of de Duivel ook een Koningrijk op Aarden heeft; en hoe dat dan de grenspalen sijner heerschappye van Gods eigen Rijk te scheiden zijn? Of is 't onnodig ondersocht, hoe veel groter wonderwerken een verwaten schepsel doet, dan God self ooit heeft gedaan! en vervolgens, of God self op sulke gronden wel so veel te betrouwen, als de Duivel wel te vresen is? Verre moeten die gedachten van een Kristen herte zijn: Nochtans heeftet my altijd toegeschenen; en hoe dieper ik nu in dit werk gerake, hoe het my noch klaarder schijnt: dat die sulke dingen ernstelik gelooft, die men doorgaans aan den Duivel en sijn volk pleeg toe te schrijven, en so als men gemeenlik by geleerden en by leken daar van spreekt; niet en kan bewijsen, dat Iesus is de Christus, of datter geen meer Goden zijn dan een. By aldien ik dit den Leser niet op 't klaarste doe begrijpen, over 't gene daar ik nu van schrijven wil; so is al dit werk, dat ik hier beginne, te vergeefs bedacht. §. 4. Maar indien niet te vergeefs, so sal men ook met ene sien, dat het hooglik nodig is: dewijle 't volk noch self door luiden van geleerdheid en van naam in de dolinge versterkt word; welke met deselfde vooroordeelen ingenomen, hunne geleerdheid, stem en stijl te werk stellen, om hen in dien doolhof om te leyden. Hier toe worden verscheidene spreuken en vertellingen uit de H. Schrift misbruikt: welke niet wel ondersocht, noch met andere vergeleken, seer veel schijns geven aan dat gevoelen, 't welk de weereld van den Duivel heeft. Maar gemerkt dat de selve, in dien sin verstaan, tegen klare uitspraken, die ons de H. Schrift over de grondregelen onses Geloofs heeft nagelaten op 't kennelikste strijdig is, so gaat vast, datse behoudens

{==3==} {>>pagina-aanduiding<<}

den grondslag onser Saligheid niet en konnen bestaan. En 't heeft my al van overlang onduidelik geschenen, dat onse Schriftgeleerdheid in saken van weinig gewigte, of immers van de minste sekerheid, so tederlijk gehandelt word; datmen daar aan op 't minst niet peuteren mag, of men is aanstonds van onregtsinnigheid verdacht: en datmen ondertusschen over saken van 't uiterste belang noch niet eens, of in die eenigheid gansch ongegrond is. Dewijle 't dan nooit iemand qualik afgenomen word, dat hy tot verklaringe of beweeringe van enig hoofdstuk des Geloofs, iet naders dan van anderen gedaan was aan 't licht brengt; so mag ik by my selve wel versekerd zijn, daar ik een goed werk doe, wanneer ik over dat gene, waarmede 't gansch gebow der saligmakende leere staan of vallen moet, so veel berigts geve; dat elk een, die het onpartijdig en met ernst betragt, daar uit wijser worden moet. §. 5. Wat nu dan het tegenwoordig werk betreft, so wil ik den Leser hier voor af van den inhoud kortelik berigten. Het sal eigentlijk daar op sien, dat wy grondig weten mogen, wat de Duivel vermag, en wat hy doet. Dat is, hoe verre dat sijne kennisse strekt, het zy in natuurlike of boven-natuurlike dingen: tegenwoordige, die voor de menschen verborgen; of toekomende, die gebeurlik, dat is mogelik, ende nochtans niet noodsakelijk zijn. Daar beneffens, wat bestuur van saken en wat kragten dat hy heeft, om in de Natuur, of boven of tegen Nature te werken. Wat gemeinschap dat de Duivel met den Mensche, met des menschen Ziel en allerhande Lichamen heeft: om deselve of derselver gedaanten aan te doen, op Ziel of Lichaam te werken, hunne gedachten, daden, woorden en gebeerden te bestieren. Wat hy vorders op 't vee, op 't gewas des velds, op weer en wind vermag; hoe verr een mensch door sijn behulp iet weten ofte werken kan. En dit isset al waar in de Wicchelary en Tovery, de Spokery en Dromery berust; welk alles in dit boek het een met het ander op eenen voet verhandelt word. §. 6. Maar mitsdien dat de grondige kennisse deser dingen aan ene andere hangt; te weten, waar in dat de nature van een Geest besta, en hoe deselve van een lichaam onderscheiden zy; also de Duivelen buiten alle tegen seggen geesten zijn, en de menschen geest en lichaam t'samen is: so moest dit werk so veel dieper uitgehaald; en de nature der Geesten, goed en quaad, beneffens die van den Mensche vooraf ondersocht zijn. Vorder, nademaal God self een Geest, ende nochtans oneindig en onafhangelik is: so moet ons de gelijkheid der benaminge niet beletten; maar het bekend onderscheid tusschen den Schepper en het schepsel veel eer verpligten, tot een nader ondersoek, hoe veel de ongeschapene Geest van de geschapenen verschilt. En dese wederom met of sonder lichaam zijnde, moeten nodelik na behoren onderscheiden zijn. §. 7. Tot sulk een moeijelik werk sal sich echter niemant geern begeven, die niet en weet of bemerkt, hoe veelerley gevoelen en gebruik dien aangaande in de weereld is. Dan die eens by hem selven overleit, wat men overal daar God land heeft van die dingen spreekt, en wat men doet; hoe drok dat

{==4==} {>>pagina-aanduiding<<}

het de menschen met de Geesten hebben, en wat al weer daarom te doen is: sal wel haast begeerig worden om daar over grondig onderregt te zijn; op dat hy wete, wat met waarheid ofte valschelik geloofd, ende wat daar neffens na behoren ofte onbehoorlijk word gepleegd. Om deser oorsaken wille doe ik een vertoog vooraf, van al sodanige gevoelens, als de menschen ooit of ooit, overal waar 't zijn mogte, van God en de Geesten hadden; en wat middel sy gebruikten om de selven aan te halen ofte af te keeren: als mede van de werkingen, die sy vermogens zijn door kragt der selven te verrigten. Daar uit moet dan de stoffe ontstaan tot nader ondersoek, wat ons de gesonde Reden of de goddelike Schrift van alsulke dingen leert, ende d'Ondervindinge daar van getuigt. §. 8. Sulx in goede orde te verhandelen, so ist dat ik dit geheele werk in vier Boeken onderscheiden hebbe. In 't eerste sal ik stellen de Gevoelens en 't Bedrijf der volkeren van alle tijden, landen, godsdiensten, nopende de Godheid en de Geesten, goed of quaad. Gevoelens seg ik en Bedrijf: wantmen in 't betragten aller saken beiden moet voor ogen hebben, de Kennis en de Daad; dewijle niemant iets met vrugt geleerd sal hebben om te weten, indien hy niet in't werk wil stellen 't gene hy geleerd heeft. Wederom so salmen doorgaans sien, dat de menschen in hun doen en spreken sich aanstellen na datse geleerd zijn. Dien volgende heb ik 't Ondersoek, van 't gene in dit eerste Boek verhaald word, wederom in twee verdeeld. Het eene, in het tweede Boek, daar ik dese weetenschap betrachte, diemen van de Geesten, deselver kragt en werkingen, na aanleidinge der Reden of Schrifture hebben kan: en 't ander in het derde Boek, dat de Konsten toetst, diemen houd dat daar op gegrondvest zijn, als Tovery, Waarseggery en diergelijke. Vorders dan gemerkt, dat de menschen niet alleen sich veel op d'Ondervindinge beroepen, daar de Reden stil staat, en de Schrift af swijgt; maar insonderheid in desen self de Reden word geschikt, en de Schrift geduid, na datmen sich versekerd houd dat ons d'ondervindinge leert: so volgt een vierde Deel, dat dit alles proeft wat menschen ooit getuigden datse self bevonden hadden, of beleden dat het van hen was gedaan.


II. Hoofdstuk. 't Gevoelen dat d'oude Heidenen van de Goden en de Geesten hadden, is uit grieksche en latynsche boeken te verstaan.

§. 1. 't SAl mijns oordeels niet ondienstig zijn, om hier na uit den grond op van al dit werk te mogen spreken, dat wy eerst de verschillende gevoelens van anderen, en daar na de genen die onder ons omgaan, kortelik ondersoeken. Buiten ons hebben we na Onkristenen en Basterd-Kristenen te sien. D'eersten Zijn Heidenen, die noch nooit; of Mahometanen, die tusschen beide; of Ioden, die aleer boven 't Heidendom verlicht, en tot

{==5==} {>>pagina-aanduiding<<}

den dienst des eenigen Gods gerigt zijn geweest: d'anderen, die onder kristeliken name, in geloof en dienst beidegaar veelsins verbysterd en verbasterd zijn; gelykmen heden in de Roomsche Kerke siet. So wy nu eerst verneemen, hoe 't by die allen leit; sullen we daarna al 't gene onder ons daar af geloofd of gepleegd word, des te voegeliker overwegen. Van 't Heidendom beginnende, so maken wy ten eersten onderscheid, tusschen 't gene dat voor desen was in de landen daar nu 't Kristendom heerscht; en 't gene dat noch heden is, by die volkeren welke nooit door 't licht des Euangeliums zijn bestraald geweest. Die ordre eens gesteld zijnde, so laat ons nu vast werk beginnen. §. 2. Geheel Europa nu kristen zijnde, en dat deel van Azien en Africa dat de groote Turk nu heeft, en ontrent half kristensch is; lag voor desen mede, gelijk nu noch bykans al 't overige, onder 't aaklig Heidendom. Eerst de Grieken, daar de Turk nu heerscht; daarna de Romeinen, en die landen die nu onder 't Pausdom zijn, min of meer: waren hunner wetenschap en godsdienst wege in voortijden meest geacht. Want by hen voor en na de heerschappy zijnde: so stelden sy den volkeren onder hen gehorig ook de wet, in't gene God en sijnen dienst betreft; so verre datse ook de leeringen hunner wijsen over al gangbaar en ontsaglik maakten. Aan desen salmen dan verneemen moeten, wat in tijde van het heidendom by onse voorouderen heeft omgegaan. Doch 't gene sy van de Geesten geloofden, kan qualik ter dege verstaan worden; somen niet en weet, ten minsten in het gros, hun gevoelen en bedrijf in 't gene God en Goden raakt. §. 3. Maar in desen zijn wy heden so onseker, als sy dies tijds wel verscheiden waren, en te bijster verdeeld. Des mogen wy 't naast overeen komen, daar so veel verschil is, voor eenparigheid nemen. En so vind men reden om te geloven, dat het heidendom van ouds af eenpariglik geloofd heeft, datter maar eene opperste Godheid, eerste en algemeene oorsprong aller dingen is. Want sulx hebben de hoofdleeraars hunner voornaamste scholen en sekten doorgaans aan hun volk geleerd. Het gevoelen van Pytagoras, dien oudvader der heidensche godsdiensten, is hier over by Lactantius te lesen: die tegen de heidenen schrijvende, hen buiten twijfel niet gesogt heeft te verschonen. Hy seit dan, dat Pytagoras eenen God belyd, die een onlichamelike geest is, door de geheele nature verspreit en gestrekt, en dat hy aan al watter is het leven en gevoelen geeft. Plato, die van ouds den naam van wys verdiende, stemt hem duidelik toe; so als uit sijne aanspraak aan de burgers van Athenen, in't 4. boek van de Wetten klaarlijk blijkt. Mannen, seit hy, God so als 't oude woord mede getuigt, in wien't begin, midden en einde aller dingen is, gaat regt door tot alles ens. En Aristotels, sijn grote leerling, nu 2000 jaren lang voor den prinsse der filosofen geacht, seit wel bescheidelik: lib.1. Met.c.7. dat God eewig levende, en volmaaktelik goed is: in voegen dat ook een gedurig en eewig leven in God bestaat. Uit dien hoofde geloofdense mede, dat goed en quaad den menschen van die eerste algemeene Godheid overkomt: so als Plato verder op deselfde plaatse schrijft. Hem volgt, seit hy, geduriglik de geregtigheid achter aan, wreekster der geenen die Gods wet verlaten:

{==6==} {>>pagina-aanduiding<<}

maar wel geluksalig zal hy zijn, die deselve standvastig aan kleeft en achtervolgt. §. 4. Doch hoe breed sy ook van die opperste Godheid spreken, so schijnt echter, datse 't onmiddelik bestuur, en d'afhankelijkheid van alle dingen aan deselve niet vertrouwen: mitsdien datse 's weerelds regeeringe onder velen verdeeld, en aan elken God sijn bewind hebben toegeschreven. De Chaldeen en Persianen, bemerkende, so 't schijnt, dat den menscheliken saken hier op aarde dikmaals merkelike veranderinge uit den hemel over quam: wisten daar uit twee opperste Goden te versinnen, beide uit dat eerste wesen voortgekomen; welker een, dien sy Oromasdes noemden, den Hemel; en d'ander, Arimanius genaamd, d'Aarde besielden. Den eersten hebben de Romeinen namaals Jupiter, en dan anderen in't grieksch Pluto genoemd; die eerst voor aardschen God, en voorts als onderaardsch is aangesien. En gelijk als het by alle oude weereldwijsen vast stond, dat de Hemel d'Aarde in volmaaktheid overtreft: so hebbense ook d'opperste en eerste Godheid in den hemel geplaatst; d'anderen vervolgens na hunne weerdigheid, nederwaarts. nademaal sy ook begrepen, dat die Oppergod nooit anders dan goed is; so kreeg Jupiter, den Hemel beheerschende, enen goeden; maar Pluto, als God van de Helle, enen quaden naam.

   §. 5. Doch hier is de plaatse, so my dunkt om der Heidenen leeringen in Natuurkundige en Godsdienstige te onderscheiden. Wanneerse buiten insigte van Godsdienst, na d'eerste en vordere oorsaken aller dingen, bewegingen en veranderingen sochten; so quam Plato met sijne Ideën, Aristoteles met sijn Intelligenien ter  baan. Ideas, dat is Denkbeelden, noemde Plato, sodanige Beginsselen uit de godlike nature voortvloeiende, en met deselfve bestaande, waar uit alle dingen bestaan: ieder derselve als een afdruksel zijnde, van 't gene daar het af gekomen is; so dat het sulken nature is als het is, om dat het Beginssel daar het uit bestaat sodanig is. Wanneer ik 't gevoelen van Pytagoras in sijnen Parmenis, als met de woorden van Socrates verhaald, met Plutarchus in sijn 1. boek 10. c. van de Gevoelens der Filosofen; en Laërtius, sijn leven beschrijvende, en Cicero op d'58.vr.,.1. Tusc.Qu &c. sijne meininge verklarende, met malkanderen vergelijke; so en weet ik 't niet beknopter noch beduideliker te seggen. Wat Aristoteles belangt: sijn gevoelen was, datter Selfstandigheden zijn, van de Stoffe afgescheiden, die de bewegingen der benedenste hemelen veroorsaken; gesteld zijnde, dat de Hemel self α'τδιον χι αςαλον σωμα een lichaam van gedurige en rustelose beweginge, de Sterren van eeuwigdurenden aart, en 't gene beweegt geduursaam en eerder moet zijn dan 't gene beweegd word: waar uyt hy dan zo veel gedurige en onbeweeglike Selfstandigheden besluit. Dus leert hy Met.14.c.8. en dat hebben sijne latijnsche uitleggers Intelligentas. Verstandigheden genoemd.

§. 6. Doch wanneer het tot den Godsdienst komt, so hoortmen 't onderscheid een weinig anders melden. Plutarchus in sijn eerste boek 7. cap. van 't Goedbedunken der Filosofen en elders; insgelijx Apulejus, uit de sekte van Plato, noch veel ouder dan Plutarchus, geeft ons in sijn boek daar hy tLeven van Socrates beschrijft, daar af wel het duidelixt berigt. De sin

{==7==} {>>pagina-aanduiding<<}

   is: dat de Godheid sich als trapswijse van boven af in vieren onderscheid; en de drie laasten onder velen verdeelt, die by hem θεοι, δαιμονες en ηρως, Dij, Daemones, Heroës, Goden, Middelgeesten en Helden genaamd zijn. Plato, seit hy, heeft de gantsche natuur, soo veel als in sonderheid het geestelik betreft, driesins verdeeld, achtende datter Goden in aansien van de hoogste, middelste en onderste deelen zyn. Op elk van die drie moet ik hier een weinig zeggen.

§. 7. Van de bovenste, dat is van de Hemelgoden, seit hy; datse hun verblijf in den Hemel hebbende, van naturen onlichamelik en eewig zijn. Sommigen nochtans eenigsins sigtbaar in de sterren: anderen geensins kennelik voor ogen, maar alleenlik door 't verstand. Dese Goden en Godinnen, (hen even eens als menschen door tweederley kunnen onder scheidende) noemt hy dese twaalf: Jupiter, Apollo, Vulcanus, Mars, Neptunus, Mercurius; ses Goden: Juno, Diana, Venus, Ceres, Vesta, Minerva; ses Godinnen daar by. Die hemelsche godheden, schoonder de Poëten anders, en veelsins af spreken; wierden al te weerdig geacht om met menschen om te gaan, schoon derselver saken elk in sijnen bedrijve van boven bestierende. Doch de sterren acht hy dat oneigentlijk Goden genaamd worden, in opsigte van 't onveranderd godlijk bestier, dat de mensch daar in bespeurt. Der vasten Sterren, dienmen onder de sigtbare Goden telt, noemt hy enige met dit versje. Arcturum, pluvias que Hyadas, geminosque Triones. So noemdemen De Noordsteert, Sevenster, en beide noorder Beiren.

Doch die moetmen Plato voor hem selve laten. Dan de gene die van ons door onkunde Planeten, dat is dwaalsterren genaamd zijn, wierden gemeenlik onder de Goden geteld: de Son Apollo, de maan Diana genoemd; daar by dan noch dese vijf als gemeene sterren vertonende, Saturnus, Jupiter, Mars, Venus, (die de Morgen- en Avondster heet) en Mercurius. Dat onder dese enige namen zijn, met die van d'onsigtbare Goden overeenkomende, sulx heeftmen de verbijsterdheid der heidenen, ontrent de kennis hunner eigene Goden toe te schrijven. Sy geloofden dan, dat de Goden in de Sterren, en door deselve werksaam; of gelijk Alkmeon, dat de Sterren self God waren: welke in sich levende, aan d'andere dingen 't leven mededeelen; so als Clemens van Alexandrien desselfs gevoelen meld. §. 8. Men siet ook heden noch een overblijfsel sulker gevoelens, in de namen diemen so wel by ons, als in 't Latijn, aan de dagen der weke geeft. Want die zijn alle van de seven Planeten, als hoofden en bestierders van elken dag in ieder weke genoemd. Sondag van de Son, Maandag van de Maan; Dingsdag (by verkortinge in't Zeewsch en Brabandsch Duyssendag) van Duyssen, dat is Mars; Woensdag of Woonsdag, dat is Wodensdag, van Woden (als ofmen seide Boden) welken naam onse voorouders aan Mercurius gaven, om dat hy by ouds der kooplieden God, en der Goden bode was. Donderdag word van den Donder also genoemt, gelijk als dies Jovis, dat is

{==8==} {>>pagina-aanduiding<<}

de dag van Jupiter; om datmen geloofde dat by hem de magt van Donder en Blixem was. Freda was de naam van Venus; waar af de Vrydag, alsof men seide Vredesdaag, (in 't Friesch noch heden Freed, sonder dag daar by te seggen) genaamd is. Saterdag geeft met eigen geluid te kennen datse dese name van Saturnus heeft.

   §. 9. Van de Goden laat ons nu tot de Daemons, dat is Middelgeesten nederdalen. Tales van Mileten, of Plutarchus meld, leerde eertijds χόσμον δοναιμόνων πλήοη, dat de weereld vol van geesten was. Te weten, in de Lucht, daar sy hunne woonstede stelden; ende voorts over de gansche Aarde, daar sy onder de menschen verkeeren. Het grieksch woord δαίμων Daimoon heeft sijne afleidinge van δαίω dajo, dat is weten, als ofmen weteveel seide: om reden, dat des Daemones geacht wierden alles te weten, wat der menschen geluk of ongeluk betrof; ende als middelaars der menschen by de Goden te zijn: waarom sy ook tusschen Hemel en Aarde, te weten, als geseid, in de Lucht, en also tusschen de hemelsche Goden en d'aardsche menschen geplaatst zijn.
   §. 10. Van hunne Nature geen eenerley gevoelen hebbende, quamen echter daar in meest overeen, datse geesten, en daar by onsterflik, maar nochtans geen Goden waren; gelijk Plato in sijnen Timaeus daar af schrijft. Ende in sijn Gastmaal sich breder verklarende, seit hy, dat de nature deer Daemones middelbaar tusschen God en mensch is. παν τό δαιμίνιον μελαξύ ίςι θεχ τε ϗ θνητχ. En, wat kragt heeftse: de saken der Goden aan de menschen, en der menschen aan de Goden te verklaren en over te brengen: te weten, van hier de gebeden en offerhanden; van ginder de geboden en instellingen van den offerdienst. Dus in 't midden staande vervangt beider nature, het geheel Al t'samen gelyk als verbindende.
   §. 11. Aangaande hun Bewind, seit deselfde Plato aldus. Door de selfe komt alle voorsegginge en wicchelarye, de priesterlyke offerdienst, besweeringen, raadvragingen, en allerhande konstgebaar ter baan. De Godheid self en mengt sich wel met de menschen niet: echter word door desen alle gemeenschap en t'samenspraak der Goden met de menschen, het zy in den slaap, het zy wakende, verrigt. Dese dan, volgens hunne eygenen nature, middelaars tusschen Goden en menschen zijnde, ende nochtans Geesten, en by na Goden: weet ik niet beter dan Middelgeesten, uit hunnen aart; of Middelgoden, volgens hun amt en doen te benamen. Maar nu seit Plato noch ter selfder plaatse, οτι όι δαιμονες ϫτοιπολόι ϗ χαντοδαπόι εισιν, dat deze Weteveelen (of Middelgeesten) veele en veelerhande zijn: waar af 't niet nodig is meer woorden by te halen, dewijl het slechs dienen soude om ons te verbijsteren, so ongewis, so verscheiden en so strijdig als hy en andere daar van schrijven.

§. 12. Van de Heroes, dat is Helden, vindmen d'ouden in hunne Schriften doorgaans in vergelijkinge der voorseide Daemones spreken. Tales, Pytagoras, Plato, en de Stoici, seit Plutarchus, waren van gevoelen, dat de Daimones geestelike selfstandigheden zijn; de Heroes zielen van de lichamen gescheiden: der goeden goed, en der quaden quaad. In 't eerst boek van 't Goedbedunken

{==9==} {>>pagina-aanduiding<<}

der Wijsen, 8.cap. Ende was besonderlik de leere van Pytagoras, die in 't godsdienstige meer aanhangs dan iemand anders onder de oude Heidenen gehad, ende als noch onder d'Onkristenen heeft: dat dese Daemones en Heroës den menschen dromen, siekten en genesingen toebrengen; self tot het vee en de lastbeesten toe, volgens 't gene Diogenes Laertius daar af getuigt. Deselfde is daar na van Plato self bevestigd, daar Aristoteles mede niet veel tegen heeft. §. 13. Apulejus in 't voorseide boek toont noch nader, dat de krachten die 's menschen natuurlike driften en hertstogten gaande maken, onderhouden en regeeren, beneffens de afgescheidene zielen der verstorvenen, ook Dii &c Daemones Goden en Geesten genaamd zijn. Dat d'eerste met de mensche geboren, nochtans met hem niet en sterft; welken hy den name van Genius geeft. Dese weet ik, na die meininge, in Duitsch niet beter dan Bygeesten, Self- en Eigengeesten te noemen; nadien elk mensche sulk eenen self als eigen by sich heeft. De andere, zijnde's menschen Zielen, die uit den lichame gescheiden met gemeenen name Manes (dat is so veel als Blyvers, om datse na het lichaam over blijven) genoemd zijn. Om die reden wil ikse den name van Nageesten geven. Doch sommige van desen bleven vast in huis, tot hoede van de nakomelingen des overledenen; en wierden Lares, Huisgoden, genoemd, §. 14. Desen, of misschien de voorseide Genij zijn 't, welken Macrobius 3. Saturn. 4. Penates, dat is ontrent so veel als bygeborenen noemt, quasi penes nos natos, als by ons geboren zijnde: en gelijk hy vorder spreekt; door welken wy adem halen, door welken wy't lichaam hebben, door welken onse ziele bestaat. Maar anderen, door quaad leven sulx verdiend hebbende moesten als ballingen op 't onseker omswerven: den menschen van goed leven niet dan ydele vreese; maar den bosen regtvaardigen schrik in allerhande leed aanbrengende. Dese wierden Larvae, Nachtschaduwen en Spoken genaamd. In de school van Plato wierd, na 't schrijven van Diogenes, meest al 't selfde geleerd: gelijk sulx mede uit sijn eigen boek, dat hy Phaedo noemt, genoegsaam blijkt. Men noemdese ook Lemures: t welk men meint dat so veel als Remures was, van Remus, den broeder van Romulus; die sich van schrik liet voorstaan dat hy noch sijne schaduwe voor hem sag, na dat hy hem gedood hadde. Die vertellinge waar zijnde, mogt ons reden geven om de sodanige Schrikgeesten te noemen. Ovidius stelt ons duidelik wat daar door te verstaan zy. 5. Fast. Mox etiam Lemures animas dixere silentum. Wanneer den stervenden de kragt en spraak ontvielen, Wierde Lemures de naam der nageblevene zielen.

§. 15. Het zy dan Genij, of Manes en Penates, of Lemures: het schijnt ondertusschen, datse met een d'onsterflikheid der Zielen geloofd hebben; en dat dit gevoelen met dat van de Daemones vermengd, gelegentheid gegeven heeft om op sodanige Geesten te denken. Plato in sijn boek van de Ziele dat

{==10==} {>>pagina-aanduiding<<}

   hy Phaedo noemt, doet Socrates, na by sijn sterven zijnde, onder anderen met dese woorden spreken: De Ziele moet boven al iet onsterflijk zyn, en onvergankelyk, en volgens dien τν άδϫ hadou, dat is, in 't vermakelijk zijn. Marcilius Ficinus heeft'et hier in 't Latijn, apud Manes, by de Nageesten; (so ik dat woord flus verduitscht hebbe) en een weinig hier na apud inferos, by de onderaarschen vertaald. Dese laatste benamingen schijnt daar van ontstaan te zijn, dat men de Zielen der verstorvenen onder de aarde geplaast heeft. Cicero Tuse.Qu.l.1.§.36. doet het een en 't ander met dese woorden blijken. Wy achten dat de Zielen nablijven, om dat alle de redenen daar toe t'samen stemmen. De reden moet ons mede leeren, waar, en in wat staat sy sich bevinden: waar af d'onkunde Onderaardschen ens. verdicht heeft. Want de Lichamen ter aarden vallende, en met aarde (humo) bedekt; waardoor men ook seit humari geaard (dat is ter aarde besteld) worden: so meindemen dat de dooden dan voorts onder d'aarde leefden. Dan άδης hadees is het selfde woord dat onse Oversetters in 't niew Testament somtijds helle, somtijds graf vertaald hebben; welker betekenisse geen van beiden op de meininge van Socrates noch van Plato past. Want op 't einde des voorseiden boeks belacht hy Crito, die hem vraagde hoe hy wouden begraven zijn. Hy meint, seit hy, dat ik ben 't gene hy so terstond een lijk sal sien: willende seggen, datse sijn dood lichaam begraven mogten, maar hem niet. Want hy self, te weten sijne Ziele, soude overgaan εις μαχαξων τινας όλ αιμονιας, tot sekere saligheden der gelukkigen; dat beide veel van't Graf en van de Helle verscheelt. Het hebben dan Socrates die dit sprak, en Plato die dit schreef, buiten twijfel geloofd, dat de Zielen onsterflik zijn.
   §. 16. Doch anderen nevens hen in 't selfde verstand zijnde, ende nochtans met de Zielen buiten de Lichamen niet veel wegs wetende, hebben de Zielverhuysinge en Zielsuiveringen bedacht. De Druides, by d'aloude Franschen hoog vermaard, hebben de μετέμψύχωσις Metempsychosis, dat is Zielverhuisinge, aan d'onsterflikheid gehecht: want sy leerden teffens, so als Caesar l.6.c.18. getuigt, non interire animas, sed ab aliis post mortem transire lios; dat de zielen niet en sterven maar na den dood van den eenen tot den anderen overgaan. D'oude Egiptenaars waren mede van dat verstand: en d'eersten die geleerd hebben dat der Menschen Zielen onsterflijk zijn; so als Herodotus daar van schrijft. Want by aflijvigheid, seit hy, gaanse, na hun gevoelen, in enig ander dier over, dat dan geboren word: doch so, dat de ziel aldus allerleye lichamen, op Aarde, in de Zee en in de Lucht doorwandeld hebbende, dan eindelik in eens Menschen lichaam wederkeert. Hier van daan heeft Pytagoras die leer over Griekenland in Italien gebracht. Lactantius geeft ons desselfs gevoelen lib 7. te praem.cap.8. met dese woorden te verstaan. Pytagoras beweerde dat de Zielen in ander lichamen overgingen: maar gekkelik, van de menschen in beesten, van de beesten in menschen; en dat de sijne eerst die van Euforbus geweest was. Plato heeft dit mede voor een deel gevolgd, en seer veel anderen; waar door ons 't selfde in 't vervolg noch al dikmaals voorkomen sal.

§. 17. Doch Socrates wederom, so als Plato ter gemelde plaatse des-

{==11==} {>>pagina-aanduiding<<}

selfs uiterste belijdenis verhaalt, brengt de Zielen ergens heen, daarse buiten de lichamen salig of gepijnigd zijn. Die wel gedaan hebben, send hy aanstonds na boven toe, hoger dan de Lucht; daar hy meint dat de suiverste aarde is, en de Ziele eewiglijk in onuytspreklike saligheid buiten 't lichaam leeft. De godlosen verwijst hy na Tartarus, enen vreeseliken hollen poel; om daar onophoudelik na verdiensten gepijnigd te worden. Uit dien akeligen pijnigpoel leid hy vier rivieren af; die hy voordachtelik namen geeft, dat gene betekenende dat hy daar mede verbeelden wil. Oceanus Snelvloed, Acheron pynvloed, Pyrislegeton Vuur-blaker, en Cocytus Gekerm. In desen moeten verbeterlike sondaars, meer of min, lang of kort, na datse veel of weinig verdiend hebben, door veel ongemaks en pijniging gesuiverd worden. Siet daar den oorsprong van het Vagevuur, dat men hedendaags in 't Pausdom ignem purgatorium het vuur van suiveringe noemt. Echter geeft ons deselve Socrates dat verhaal niet hoger dan voor een verdichtsel op. Want eer hy begint so noemt hy 't {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, ene schone sinspellinge, weerdig om te horen. En na 't einde seit hy verder: Doch 't betaamt geenen man van gesonden verstande, dit soo staande te houden, als ik 't daar nu verhaald hebbe: hoewel ik 't betamelik en waardig achte, soo eens ter proeve voor te stellen, dat het deser of diergelijker wijse met onse Zielen en derselver woonsteden gesteld zy; nademaal het blijkt dat de Ziel onsterflijk is. Sulk ene wijse van spreken, en dat van enen man die op sijn sterven is, en sijn omstaanders tot welsterven vermaant; doet my noch eens geloven, 't gene ik boven geseid hebbe, dat de Heidenen van deselfde saken anders waren sprekende, wanneerse die godsdienstiger wijse aanmerkten, dan wanneerse deselve natuurkundig begrepen. Doch hiermede gavense dan ook te kennen, datse weinig sekerheids hadden van 't gene sy seiden of geloofden.


III. Hoofdstuk. Daaruit zyn hunne veelerhande Waarseggerijen ontstaan.

§. 1. DEr ouder Heidenen gevoelens van de Geesten dus in 't kort begrepen, doen ons nu gemakkelik verstaan, al watmen van hunne seden en gewoonten, beneffens de kunsten daar toe dienende in hunne boeken leest. Dese waren tot tweederley einde gerigt, daar de menschelike genegentheid altijd van self toe strekt; om veel te weten en veel te doen. Tot overmatige wetenschap was de Divinatio, en de Magia tot verwonderesweerdige werkingen geschikt. Nu dient het tot mijn voornemen, dat ik hier wat bescheidelik, eerst van 't een, en daar na van 't ander spreke. §. 2. Wat het eerste betreft: by deselfde schrijvers die gemeld zijn, en veel anderen meer, vindmen, dat sy elk om 't seerste yverden, om de gunste der Goden, groot en klein, te winnen; en de geesten, zijnse goed, te believen; zijnse quaad, van de halse te weeren. Daar toe wierden kerken gesticht, beelden opgerigt, priesteren gewijd, offerhanden geslagt, feesten

{==12==} {>>pagina-aanduiding<<}

ingesteld, allerhande spelen aangesteld. Daar by veelerleije middelen aangewend, om der Goden meininge of neiginge, en der menschen geluk of ongeluk, door de kennisse der Daemons, door de gemeenschap der Penates, door de verschijninge der Remures: by wege van Orakelen, van Besweeringen, en allerhande konst-oeffeningen; uit den invloed der Sterren, uit de Dromen der slapenden, uit de lichamen der Doden, uit het drijven van de Lugt, uit den dag van 't jaar, uit de ure van den dag, uit allerhande ontmoetingen van menschen en van beesten waar te nemen. Al watmen ooit dien aangaande te werk stelde, wierd by de Romeinen Divinatio, dat is eigentlik als of men seide Begodinge of Godspleginge, genoemd; van welken men een besonder boek by Cicero beschreven vind. Den inhoud daar af magmen by Polydorus Virgillius in sijn eerste boek op't 24.hoofdstuk lesen. Ik sal daar uit en van elders bybrengen, so veel als ter deser saken dien kan. §. 3. Twederleije Wicchelarije, (want dien name plegen wy daar aan te geven) was van ouds by de Grieken en Romeinen in't gebruik: d'eene word met regt Natuurlik, d'andere konstig genaamd. Voor natuurlik hielden sy, 't gene noch door reden, noch by gissinge, of uit enig teken van voorbeduidinge; maar uit sonderlingen drift en vrye beweeginge in den droom gebeurt, somtijds ook buiten slaap in de stuipen van gemaakte rasernije. Hier van hadde de Goddinnen Furiae, dat in duitsch so veel als Raadskalsters heet, dien name: en de Sibylla Erythraea, als ook eenige priesters, hadden 't woord, dat hunne godspraken op die wijse geboren waren. Apollo te Delfos en Jupiter Hammon, so derselver priesters voorgaven, plagten hunne geheimenissen door sulk slag van menschen, en op die wyse te openbaren. Deselve dan voor opregt en natuurlik houdende, schreven sy dien konsten toe, 't gene door langwylige waarneeminge en veelvoudige oefeningen verborgens wierd uit gehaald, of voorgespeld. De voornaamste deser Konst-oeffeningen waren by hen Astrologia, Haruspicina, d'Auguria en Sortilegia geacht. §. 4. Astrologia noemden de Grieken de gissinge die men uit de Sterren maakt, waar af d'Astrologi Sterrengissers te noemen zijn. De gemeinschap der Goden met deselve (gelijk boven verhaald is) hun invloed en werkinge op de benedenste deelen des weerelds, op de menschen, op malkanderen gaven: hen stoffe tot geloven, dat daar uit veel tot 's menschen nutt was voor te spellen. Van deselve sal ik echter niet verder spreken: also ik dat in mijn Ondersoek over de Kometen in't VIII. hoofdstuk, so veel als hier mede nodig is, verrigt hebbe. Alwaar met een te sien is, wat plaatse dat daar in souden moeten hebben, die van ouds Genethliaci, dat is Geboorte-lesers, of anders Planetarii by ons planeetlesers, genaamd zijn. Degenen namelik, die uit den stand der sterren, en besonderlik der planeten, ter tijd van 's menschen geboorte, sijnen inborst, levens wijse, wedervaren, en levens einde spellen. Dit bedrijf is tot op desen dag nog uit de weerdeld niet; weshalven ook hier na daar af iets wel te seggen vallen: doch over de drie anderen sal ik den Leser hier met weinig woorden spreken.

{==13==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 5. Haruspicina, of Extispicina word, na 't seggen van Donatus, van Haruga offerhande en. exta ingewand also genaamd; als ene konst zijnde om uit d'ingewande der beesten, die ten afgods offer geslacht waren, het toekomende te voorspellen: waarom d' Aruspices of Extispices, dese konst hanteerende, in duitsch wel Outerkijkers of Geweid- en Ingewand wikkers mogten genoemd zijn. Even eens oft hunne Goden enig teken op d'ingewande wrogten, van de beesten die aan hen geofferd zijn. Sulx hielden sy te zijn, 't gene Appianus in sijn 2. boek der oorlogen van Alexandrien nevens Cicero verhaalt: van enen Osse, welken Iulius Caesar offerde, op den dag wanneer hy d'eerstemaal op den gulden stoel ging sitten, dat daar geen hert in te vinden was: Daar uit wisten hem de wicchelaars te seggen, dat hy daar tot sijn ongeluk te sitten quam. §. 6. Onder dese konste heefter Marcus Tullius noch twee, aangaande de Ostenta en Fulgara begrepen. Ostenta noemdemen ab ostendendo van 't vertonen: mitsdien dat sich iet ongemeens in de natuur liet sien; gelijk was, 't gene Herodotus in't 7. boek verhaalt, dat ene merrie, Xerxes overtogt in Griekenland, enen haas ter weereld bragt: voorspellende, (so sy dat pasten) dat sijn overmagtig heir voor de Grieken self noch vlugten, en 't hasepad kiesen soude. Sulke toevalligheden wierden mede portenta, monstra, prodigia, voortekens, monsters dat is vertoningen, en voorspellingen genaamd. Dusdanig waren ook de Fulgura en Fulmina, de Blixemen en Donderslagen, volgens 't welke Vergilius seit;

De caelo tactas memini praedicere quercus.
Een eike kon vooraf van 't ongeluk gewagen,
Door swaren donderkloot geplet of neergeslagen.

§. 7. Auspicium, vogelschouwinge, of Augurium Vogelkakeling, ab avium garrieu, van't vogelgeschreeuw also genaamd, was het bedrijf der Auspices, Vogelkykers, en Augurus, Vogelluisteraars, by ouds vermaard. Want dit slag van wicchelary was te Romen boven andere geacht; en daar door het Augurum Collegium, de Maatschappy der Wichelaars in grootster eere. Men plag byna niet gewigtighs te ondernemen, sonder aldaar om raad geweest te zijn, of een aanslag gelukken soude of niet. Die konst so seer beroemd, nam driesins de Vogelen in acht: ten aansiene van derselver vlugt, gesang, en smaak. Op't eerste nemen sy hun gemerk ontrent de praepetes. dat is snelle; in't ander over de oscines singende vogelkens; en het derde sag op de kiekens. Van den eersten slag sal 't wesen dat een Arend den keiser Augustus, noch een kind zijnde, het brood schielik uit de hand rukte; en daar mede in de hoogte gevlogen, daar na sachtjes gedaald, wederom vallen liet. Waar uit men sijn aanstaande geluk, dat hy beleefde, voorspelt heeft; so't waar gebeurd is 't gene Suetonius daar af verhaalt. Op de twede wijse wil Virgilius verstaan zijn, wanneer hy seit.

{==14==} {>>pagina-aanduiding<<}

Saepe sinistra cava praedixit ab ilice cornix. Vaak deed een bonte kraaj, op eik of esch geseten, Den wicchelaar voor af het ongeluk te weten.

Tot de derde soort hebben de tripudia solistima gedient: welke waren reijen, die men maakte, soo wanneer 't hoender kuiken 't voer so gratig in slokte, dat het daar af uit sijnen bek op de aarde vallen liet; also de vloer of bodem dienmen betreed, in't Latijn solum heet. Dit wierd voor een goed voorteken gehouden: maar so't kuiken 't voer liet liggen, dan was een quaden uitslag te vreesen. Dus was, meindemen, de neerlage, die Hostilius Mancinus van de Numantiërs kreeg, al vooraf gegist; uit dien dat de kuikens 't eten geweigerd hadden, en uit hunne kow gevlogen waren. §. 8. Sortilegium Geluklesse, was eene schikkinge van letteren, by geval, door 't eene of ander kind dus of so getrokken, en door malkanderen gemengd: gelijk men sulk gebruik van oude letters maakte, gesneden op enen eikenboom; welke dan op verscheidene wijsen geschikt, na 't viel, of desen of genen sin te samen bragten, waar uit geluk of ongeluk te lesen was. Op den andere wijse kreeg Tiberius, na Dalmatien reisende, ende by Pavijen door't lot aan 't orakel van Gerijon vragende, tot antwoord: dat hy gulde koten in de bron van Aponus werpen soude: 't welk gedaan zynde, wesen die hem 't hoogst getal. Ende worden noch die koten heden daar onder water gesien; so Suctonius in 't leven van Tiberius verhaalt. §. 9. Noch een andere maniere van wicchelarije was in 't uitleggen der Dromen gelegen, die self in de heilige Schriften so bekend is, van welken ik noch wel eens wat breeder spreken sal: alsoo de oneirocritici droombedieders, noch niet uit de weereld zijn; en heden dese konste self in 't Kristendom, immers aan het hof des Franschen konings, onlangs heeft begonnen te herleven. Wat die oude Heidenen betreft, wanneer sich de Daemones de Genij de Larvae, in de Dromen mengden, bragten die telken male wat besonders voort: waar uitmen van de toekomstige saken, volgende sekere regelen deser konste by hen in 't gebruik, iet goeds of quaads bedieden mogte. §. 10. Onse Voorouders waren in der Heidenen tijd by hen selfs ook vele sulker wicchelarijen gewoon: van welker seden Tacitus dit onder anderen verhaalt. De wicchelarye en Lotgissinge gaat by hen so drok als ergens in swang. Met het lot gaanse eenvoudig te werk. Enen telg van enen vrugtdragenden boom gesneden, korten sy tot lootjes; welkense dan elk een besonder merk geven, en so rompslomp door malkander op een wit kleed heen werpen. Waar op de priester, indien 't staatsaken zyn, of de huishouder so 't hem en sijn huis is rakende, met opgeslagen ogen na den Hemel de Goden bid, ieder lootje driemaal opneemt, en na elk teken datter opgesneden was, verklaart. Is 't dat sy 't afslaan, so en valter op dien dag over dat stuk niet meer te beraden. Maar so sy 't hem toestaan, moetmen 't verder bescheid by de wicchelaars soeken. Ende is desen volke noch besonder eigen, datse mede uit de peerden voorspellinge maken; die daar toe op gemene kosten by malkanderen in een bosch gehouden worden; wit, en van niemands han-

{==15==} {>>pagina-aanduiding<<}

den ooit geraakt: welken de priester en de koning of oppervoogd met enen gewyden wagen by houden, na datse gejaagd zijn; en op hun gebriesch en gesnuif achtinge geven. Geen wicchelarye daarse meer staat op maken dan dese; niet allen 't volk, maar ook de groten en de priesters self. Want sy d'eene voor dienaars, d'andere voor naaste kennis van de Goden houden. §. 11. Doch met deze drie of vierderhande godspraakoefeninge, op zijn heidensch dus te noemen, heb ik 't noch niet al geseid. Want ik bevinde, datter behalven dese, die de voornaamste waren, noch al veelerhande is gepleegd geweest. Deselve wierden in 't Grieksch Necromantia, Pyromantia, Aëromantia, Hydromantia, Chiromantia genoemd. D'eerste bekijkt de Doden, de tweede siet na 't Vuur, de derde beschouwt de Lucht, de vierde 't Water, de vijfde slaat sijne ogen op de Aarde, de seste besiet de Handen. Polydorus Virgilius sal ons uit het 23. Cap. sijnes eersten boeks van elks een proefstuk geven. §. 12. Necromantia Lijkgissine is, datmen iet aan een dood lichaam siet, daarmen voorspellinge uit maken wil. D'onkunde der grieksche tale heeft de menschen doen meinen, dat necros, 't welk dood is te seggen, uit het Latijn was afgeleid; gelijk negros van niger, swart: waar door de swarte konst by misverstand den naam gekregen heeft; die nu gemeenlik voor duivelsch, en toverkonstig vermaard is. 't Was een groot bewijs deser konste, so't waar is, 't gene Lucanus in't 6. boek van enen doden meld, die opgewekt, den uitslag des Farsalischen krygs voorseid heeft. §. 13. Pyromantia, Vuurgissinge noemdemen (seit Polydorus) wanneer men ‘uit het vuur iet meint te sien; mits datmen in acht neemt, wat de Blixem, of andere kragtig vuur beduiden mag. Dus leestmen by Livius en Dionysius in't 4.b. dat Tanaquil, d'huisvrouwe van den ouden Tarquinius, ene vlam siende 'thoofd van Servius Tullius bestrijken; daar uit voorseide, dat hy koning over Romen worden soude.

   §. 14. Aëromantia, Luchtschouwinge was de gene, die in 't waarnemen ‘van ongewone buijen bestond. Gelijk wanneer Plinius in sijn 2. boek verhaalt, dat het in Lucanien yser regende: 't welk sijns achtens de neerlage van Crassus in den slag tegens de Parters betekend heeft. Van gelijken vertelt hy in't 1. boek van den tweeden oorlog van Kartago, dat het by de Piceners steenen geregend hadde: tot voorspellinge, meent hy, van de nederlagen, die Italien van Hannibal noch te lijden hadde. Sulken wicchelaar word in den Hebreewschen Bybel 	

{== afbeelding

   ==} {>>afbeelding<<}
   
, Jid-oni, Wolkengisser genaamd.

§. 15. Hydromantia Waterschouwinge is, datmen iet in't water meint te ‘sien. Dese aangaande heeft Varro verhaald: dat een jonge 't beeld van Mercurius in 't water sag, welk in 150. veerssen het geheel beloop des oorlogs tegen Mitridates verkondigde. Augustinus in't 7. boek de C.D. seit dat Numa, twede Koning der Romeinen d'eerste geweest is, die sig met dese konste behielp: om de beeltenissen der Goden door bedriegerije der Daemons op't water te vertonen: die hem quansuys de Wetten gaven, na welke hy 't volk liefst regeeren wilde.

{==16==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 16. Geomantia Aardbeschouwinge is ene voorspellinge uit scheuren door aarbevinge gemaakt. Hier af heb ik, schoon neerstelik soekende, geen nadere beschrijvinge gevonden: dan denke, dat het gene Livius decad.1.lib.7 §.6. van Marcus Curtius verhaalt, hier toe behoort. In't selfde jaar, ('t was na de rekeninge van Calvisius het 357ste voor Christus) of 't was door aardbevingen of enige ander kragt, viel bykans de halve merkt (te Romen) in: vermits een byster groot en diep hol op borst, 't welk met geenderhande moeite, schoon elk sijn best dede, door 't aandragen van aarde te vullen was, of men moest eerst op der Goden uitspraak ondersoek doen, waarin de meeste kragt der Romeinen bestonde. Want de waarseggers verklaarden, datmen dat selve den Goden te wijen hadde, so sy den Roomschen staat bestendigen souden. Daar over in twijfel staande, hadde hen Marcus Curtius, een jongman dapper ten oorloge, berispt; vast stellende dat de meeste kragt des Roomschen volks in dapperheid van wapenen bestond. Sulx hy dan willende met de daad bevestigen, heldhaftig te peerd geseten, van bove neder in die klove sprong. §. 17. Chiromantia, handkijkerije siet uit de trekken der handen, wat den ‘mensche overkomen sal. Waar op Iuvenalis seit Sat.6.


Frontemque manunque

Praebebit Vati.-------- Hy toont sijn voorhoofd en sijne hand; En vraagt den wicchelaar 't verstand.

Waar uit met eene blijkt, dat Physiognomia, dat is, na 't woord, Natuurkunde, maar na de sake self Natuurkiesinge, of Gedaanteschouwinge, hier toe mede behoort: zijnde ene kunst van wikken uit de trekken van 't aangesigt, of den opslag der ogen; waar in sich 's menschen Genius of eigen geest natuurlik openbaart.


IV. Hoofdstuk. Hunne Toverijen, veelsins gepleegd, resen uit den selfden grond.

§. 1. DUs veel van alsulke konsten die op weetenschap sien, door gemeenschap met de Goden ofte Geesten, op allerleije wijse te bekomen. Nu sal ik ingelijx van de Magia spreken, die het doen beoogt: De Grieken gevense dien naam, hoewel ongriex; dan alle man gelooft schier dat het persisch is. Die taal egter heeft in stijl en oorsprong met d'hebreeuwsche veel gemeen; waarin {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

haga overdenken, bepeinsen en 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Magé, een bepeinser of uitspreker van verborghentheden is. Ik heb in mijne Uitlegginge over Daniel. §. 62. daar het pas gaf, verklaard, wat de Magi geweest zijn. Eerst eerlijke luiden, die door behoorlijke middelen de geheime-

{==17==} {>>pagina-aanduiding<<}

nissen der Nature doorsochten, en daar door dingen deden die de gemeene geloof baarheid te boven gingen. Doch daar na in de konste, so't schijnt, te kort komende, wanneer sy reeds in aansien van 't volk, en ten hove, geklommen waren; sloegen aan't bedriegen: en de quaadaardigheid van sommigen onder de konste gemengd, bragt de selve in misbruik, en menigen mensch om goed en bloed. So verre dat de Heidenen dit slag van volk aan d'een kant ontsiende en eerende, om hunner geestigheid wille aan d'andere wederom schuwden en versmaadden. Hier van is't dat enigen van ouds af so wel in 't goed als in't quade van die konste zijn vermaard geweest. Apollonius Tyanaeus, wiens leven door Filostratus beschreven is, en Elymas, die sich tegen Paulus stelde, Hand. 13:6. ens. en de wijsen in Egypten en Babylonien, tot uitlegginge van hunner koningen dromen beroepen; Gen. 41. Dan.2. en 4. ja Moses self, en Daniel en die uit het oosten om den niewgeboren joodschen Koning sochten: Matt 2. schoon allegaar door de Magia beroemd, staan nochtans verscheidelik daar voor te boek. So veel verschilt het wie iet weet of doet; en of de konst en weetenschap behoorlik gebruikt of misbruikt word. §. 2. Ondertusschen is dit eigentlik de kunst, diemen heden onder ons den naam van Toverye geeft. Agrippa van Nettenheim heeftse in twe soorten onderscheiden: waar af d'eenen Natuurlik, d'andere Konstig heten mag; also d'eerste natuurlike oorsaken hebbende ook natuurlike werkingen doet; maar de twede is door konst also gemaakt, ende heeft geene gemeenschap in de nature met de werkingen diese doet. Ik wil seggen, dat gelijk een handwerk mede vereischt, dat de Natuur hem de stoffe geven, en de kragt om te konnen werken; maar dat hy de stoffe dus of so werke, dat doet hy door de kunst alleen: also dese Konstenaars ook. Niet gelijk een akkerman, die maar d'aarde bereiden, en 't saad daar in werpen, of den boom planten kan; maar de vrugt self uit de Natuur, aldus door kunst geholpen, verwachten moet. §. 3. De natuurlike Magia, seit Agrippa, meenense dat niet anders dan ‘'t opperste vermogen der natuurlike wetenschappen is: waarom sy deselfe den top en uiterste volvoeringe der Natuurkunde noemen; seggende dat het een werkelik gedeelte der natuurlike wijsheid is, die door't behulp der natuurlike kragten, uit derselver onderlinge regt tijdige toepassinge dingen te wege brengt, die elx verwondering te boven gaan. Meest gebruikten de Moren en Indianen dese Magia, voor so veel als sy 't vermogen der kruiden en steenen, en andere dingen van gelijken aart, uitwrogt. Daar na seit hy verder. De natuurlike Magia is derhalven dese, die de kragten aller natuurliker en hemelsche dingen doorsichtigd, en derselver medeneiginge met ene naauwkeurige schranderheid doorkropen hebbende; de verborgene en achterhoudende vermogentheden also ten voorschijn brengt; dat daar door wonderen, die's menschen vernuft verbysteren, worden uitgewerkt. En dit alles niet so seer door de konst als de Natuur; aan welke ‘als werkmeestersche sich de konste selfs als dienaresse onderwerpt. Dus

{==18==} {>>pagina-aanduiding<<}

konnense natuurliker wijse binnen tijds kruiden en rijpe vrugten, self ook ongedierte, doen voortkomen; alleenlik datse door natuurlike middelen, anderen onbekend, het gebrek des tijds weten te vervullen; gelijkmen in minderen trap van volmaaktheid aan de hoveniers bevind, dat elk yverende om de eerste te wesen, niewe vrugten levert, en de natuur door konst te hulpe komt; sonder nochtans andere middelen, dan die in de nature self zijn, te gebruiken. Het onderscheid bestaat slegs daar in, dat een Magus, die daar geheel sijn werk af maakt, door grondiger kennisse van de kragten der Nature, den gemeenen man, ja self den geleerden, welker weinige sich bemoeiden om sich so diep in de Natuur te begeven, merkelijk te boven gaat. Doch mitsdien dat dit alles dus verre buiten 't besondere behulp der Goden en der Geesten is: so en dientet sonderling tot onse sake niet. Dan alleenlik, om ons wel te leeren onderscheiden, 't gene buiten 't geschil is dat wy verhandelen willen, en 't gene daar toe behoort. §. 4. Dus verre hebben wy dan der Heidenen Magia binnen de palen der Natuurkunde gesien: maar nu wil ik den Leser gebeden hebben, dat hy sig erinnere 't gene ik in mijne Uitl. over Daniel §. 25. uit Diodorus en Plinius aangetekend hebbe; dat de Magia, so alsse doorgaans van oudsher in 't gebruik was, de Wiskonst, de Geneeskonst, en den Godsdienst tot behulp nam; d'een op dese, d'andere op die wijse meest daar in besig zijnde. Daar uit is dan ook een ander onderscheid in d'oefeninge deser konst ontstaan: waar af sommige der genen die daar mede omgingen, Mathematici, Wiskonstige; andere Geneeskundige, en hateliker Venefici, Vergiftigers genaamd zijn. De eersten waren meest om wonderen, d'anderen om boosheid te doen. Onder sulke wonderen magmen tellen de houtene duive van Archytas, welke vloog; en, de beelden van Mercurius die spraken. Maar de Vergiftigers doen dit: datse door ongewone, en dikmaals onbekende dingen, doch waar van sy die het doen de kennis hebben, datter die kragt in steekt; ende voorts op d'allerheimelijkste wijse, so weinig te merken, dat het naaulix geloofd kan worden geschied te zijn, de menschen of hun vee, of saak of suivel beschadigen en bederven. Dit is 't gene sy waarlik deden: maar 't gene sy daar en boven noch voorgaven, of self misschien ook geloofden te doen; was datse ook wel door kragt van kruiden, en ander stoffen, op allerleije wijse gemengd, menschen en beesten in malkanderen veranderden, en doden uit de graven trokken. §. 5. Nu ook iets van de gemaakte Magia te seggen, die mag met reden also genaamd zijn: om datter niets in is van de Nature; maar dat de Kunst alleen werkt, de natuur vooronderstellende. Dese kan gevoegelik, schoon op veelerhande wijse in 't werk gesteld, onder den gemeenen name van Tovery, Besweeringe, of Beleesinge begreepen worden. Want wy noemen Tovery, al watmen houd dat door Duivels kragt en gemeenschap van de menschen word uitgeregt: 't welk nooit sonder d'eene of d'andere wijse van beleesingen geschied. Dese bestond altijd in 't gebruik van sekere woorden of tekens, gesproken of geschreven; beneffens sonderlinge gebaren, en ene wij-

{==19==} {>>pagina-aanduiding<<}

se van leven: door welk alles de Daemons hen te wille wierden, geheime dingen te openbaren, en wonderen, de Natuur te boven gaande, uit te werken. Also was der Heidenen gevoelen, datse buiten de voorseide natuurlike Magia, de grootste wonderen door de kragt der Daemons te wege bragten; welke sy door die Beleesingen aan sich verpligt hielden, om alsulke dingen te doen als sy begeerden gedaan te hebben. §. 6. Hier staat ons wel op te letten: want gemeenlik by ouds ende noch de natuurlike Magia of Toverije van de konstige niet behoorlik onderscheiden word; alsomen d'eene dikmaals toeschrijft het gene d'ander eigen is. Self is van de genen die met dese kunsten omgaan sulken misverstand veel begaan, of in anderen gevoed. Want sommigen der selven, seit Agrippa, ‘zijn tot sulken uitsinnigheid doorgeslagen, datse meinen uit verscheidene t'samenvloejinge der sterren, door tusschenposinge der tijden, en sekere mate van evenbeeldinge, (in't Latijn proportio geseid) plegtig in acht genomen: op enen stip des tijds, ene voeglike afbeeldingen der hemelsche dingen, en enen geest des leevens en verstands te konnen verkrijgen: die dan van hen gevraagd zijnde antwoord geve, en geheimenissen ontdekke. Aan d'andere syde soudense der Nature toeschrijven 't gene de kragten der Nature te boven gaat: 't welk ik wederom niet beter dan met Agrippas woorden, daar voorgaande, seggen sal. Dit wil ik, seit hy, dat gy vor‘der weet: dat dese Magi niet alleenlik de natuurlike dingen doordelven; maar ook enigerwijse de Natuur uitvijten, en sich selven in de plaatse stellen; als de beweegingen , de getallen, de gestalten, de geluiden, de stemmen, de t'samenkomsten, de lichten, de neigingen des gemoeds, en de woorden. So beswoeren de Psyllie en Marfi de Serpenten en dedense vlugten: so stilde Orpheus met een gesang den zeestorm der Argonauten; en verteld Homerus, dat aan Ulysses het bloeden, door sekere woorden gestremd wierd: ende is de Wet der twaalf tafelen straffe gesteld, op de genen die het koorn also betoverden. §. 7. Dit laatste moet ons niet vreemd dunken, self in heidensche tijden also genomen te zijn. Want de Magia of Toverkunst in 't gemeen en in haar sterven aangemerkt, wierd om hare diepgrondigheid geacht, om hare godlikheid (so als der Heidenen Goden hier voor beschreven zijn, geëerd, om hare kragtigheid ontsien, om hare nuttigheid (wel gebruikt zijnde) bemind: maar misbruikt, om harer boosheid en schadelikheid wille gehaat en gevloekt. Welk nu der verstandiger heidenen gevoelen van dit gansche werk geweest zy, dat sal ons Agrippa wederom uit den monde van Porfyrius, met dese woorden seggen. Porfyrius van dese Beleesing of Magia der godliker dingen redewegende, besluit eindelik, dat door deselve de siele des menschen wel kan bequaam gemaakt worden, om de Geesten en Engelen te ontfangen, en de Goden te sien: maar datmen door dese konste tot God naderen kan, dat onkent hy styf en sterk.


{==20==} {>>pagina-aanduiding<<}

V. Hoofdstuk. By de hedendaagsche Heidenen zijn diergelijke leeringen en seden ook te sien.

§. 1. VAn 't oud Heidendom dan onder ons, of ontrent ons, en die volkeren die de konsten en weetenschappen meest herwaarts aan gebragt hebben, is dus verre tot noodruft gesproken. Nu staat ons toe, dat wy 't hedendaagsch Heidendom met een besien: om te mogen weten, hoe verre hun gevoelen en bedrijf ontrent de Geesten, buiten behulp van het schriftuurlik licht, dat hen nooit bescheenen heeft, sich strekken kan. En dat daarom te meer, dewijle de genen, van welken dus verre gesproken is, en die door't Kristendom verdreven zijn, maar een deel van de weereld besloegen: en dat wy van weinig anderen, slegs door hun aangeven, uit nagelaten schriften enige geringe kennis hebben; doch van verre 't grootste deel het alleminste niet. Want de geheele weereld by menschen bewoond, word uit hedendaagsche ondervindinge niet beter dan in drie grote Eilanden verdeeld: waar van d'eene maar by d'oude Grieken en Romeinen, (en dat nog niet geheel d'andere by ons, noch nauwelikx 200. jaren lang bekend geweest, en het derde als noch ten grootsten deele onbekend is. D'eerste word om voorseide reden gemeenlik d'oude weereld genaamd; in Europa, Asia en Africa verdeeld. Van Europa, pas half so groot als een van d'andere twee, zijn d'inwoonders aan de noordkant meest noch al in 't Heidendom. In Asien mag vast het tiende deel van Kristenen bewoond zijn; al 't ander sal misschien wel voor een derdendeel onder de wett van Mahomet staan; so dat verre de grootste helft noch t'eenemaal heidensch is. Africa in 't noorden van Mahometanen, in't oosten beneffens die ook van halve Kristenen bewoond, moet noch wel op tweederdedeelen heidensch zijn. De nieuwe weereld, van den eersten vinder America, en by ons in't gemeen West Indien genaamd, waar van het zuider deel bykans so groot als Africa, en het noorden (noch niet in alles bekend) misschien niet kleinder dan Asia is, ligt noch geheel in 't Heidendom; ende weet weinig van Kristenen anders dan die daar uit Europa komen. Dese zijn de Spanjaarden, Portugysen, Engelschen, Franschen, Nederlanders: die hier en daar enige dier Heidenen tot het Kristendom brengen; immers d'Engelschen leggen daar heden neerstig op toe. Ondertusschen konnen dese Europers ons van den toestand deser volkeren, wat Geloof en Godsdienst betreft, door ommegang met deselve, ten groten deele onderrigten. Maar van 't onbekende Suidland, dat na den ommetrek te gissen (so daar geen binne-zeën zijn, misschien so groot al Europa en Asien is) magmen wel vastelik vermoeden, dat het (van Kristus leer of volk tot noch toe onbesocht) door en door heidensch is. §. 2. Maar tot wat einde, meugt gy seggen, dient nu dit verhaal? 't Is, mijn Leeser, my alleen daarom te doen, dat gy, siende hoe noch heden

{==21==} {>>pagina-aanduiding<<}

wel drie vijfde deelen der bekende weereld heidensch zijn; daaruit oorsaak neemen soud, om te denken, dat wy van der Heidenen gevoelens en gebruik ontrent de Geesten niet genoegsaam onderregt zijn, uit alsulker volkeren boeken die niet meer in wesen zijn; en doese waren, nauwelix een tiende deel der bewoonde weereld maken konden. Daarom sal d'eenparigheid van gevoelens der Onkristenen, onder so veel verscheidenheid der selfe, en afgescheidenheid van plaatsen, waar door 't eene volk met het ander geen gemeenschap heeft, ja die 't meerderdeel van malkanderen nooit en wisten: die sal ons, seg ik, tot bewijs moeten dienen, van 't gene 't algemeen licht des verstands, na den val in den mensch overgebleven, goeds bewaard; en wat d'algemeene verdorventheid quaads heeft ingebracht. Dit sal ons dan te passe komen, wanneer wy, tot der Kristenen gevoelens gekomen zijnde, hier uit het onderscheid sien sullen, van 't gene in den grond met de gemeene waarheid bestaat, en 't gene uit d'algemeene verdorventheid daar onder vermengd is. Nu sal ik dan van 't gevoelen en 't gebruik der huidendaagsche Heidenen spreken. §. 3. Doch dit en is niet nodig dat ik hier wijdlopig doe: want daar soude mijn boek veel te klein toe vallen: noch 't en is ook mijn voornemen niet een historie te beschrijven; maar alleen exempelen te verhalen, om te tonen wat de meest bekende volkeren van dit maaksel in hunnen schild voeren. En dit behoef ik ook al verder niet te doen: dan om te doen blijken, dat deselve, schoon van geheel anderen tijd, land en sprake; nochtans in den grond so wel met d'ouden als met malkanderen t'samen stemmen. Hier toe is my de weg voor een groot deel gebaand van den neerstigen Carolijn; die in sijn Hedendaagsch Heidendom uit meer dan 50. schrijvers heeft by een gebracht, al wat de heidenen van onsen tijd, over gansch Asien, Afriken, en een deel van Europa, in 't stuk des Godsdienstes geloven of bedrijven: jammer! dat hy niet beleefd heeft, ons insgelijx van des nieuwen weerelds inwoonderen te berichten. Dat hadde my de meeste moeite wel gespaard, sulx uit verscheirich schriften by een te soeken. §. 4. Ondertusschen word het dienstig hier geseid, dat vast alle degenen, met welker schriften d'eerwaarde Corolinus sich beholpen heeft, en so ook daar ik my self mede sal behelpen moeten, Kristenen zijn; die der Heidenen geloof en godsdienst meest uit derselver stuksgewijse vertellingen, en 't aanschouwen hunder dienstpleginge, aangetekend hebben: en datse dienvolgens aan ons sulken naakte noch nette kennisse van 't gene sy verhalen niet en geven, als van d'oude heidenen uit menigte hunder eigene schriften te halen is. Die hebben ons van hunne eigene saken in eigener tale gesproken: maar het hedendaagsch Heidendom word ons, als oneigen, door de Kristenen beschreven. Dus bevind ik datse vast alle in een selfde vooroordeel zijn, aangaande 't gene sy verhalen, dat verscheidene volkeren den Duivel self aanbidden, en sich boven mate quellen, of laten pijnigen, om Duivels martelaars te zijn. Want ik meine dat het misverstand sich self ontdekt in 't gene de voorseide schrijver in 't 7. Cap. van 't 1 deel pag. 56. met dese woorden seit: Trigautius

{==22==} {>>pagina-aanduiding<<}

getuigt van de Sinesen, dat velen onder haar den Duivel om raad vragen, of de gemeinsame geesten, so syse noemen, welke vele onder haar zijn. En dese saak word meer goddelijk dan duivelsch onder haar gehouden. So meen ik dat het ook by alle d'anderen is, wienmen sulx nageeft datse regtstreex den Duivel aanbidden. Want ik agte, dat die menschen ten gronde toe ondersocht zijnde, te kennen sullen geven, datse niet en weten wat wy door den Duivel verstaan. §. 5. 't Is ook licht te begrijpen: dat sy die geen eenerley verstand met ons van God hebben, ook dat begrijp van den Duivel niet maken konnen, datter de Kristenen afhebben: want die God op sijn kristens niet en kent, die kent ook den Duivel niet. Of het is onmogelik, dat iemant den Duivel kennende voor 't gene dat hy is, den selven aanbidden sal. Want dat d'Apostel van de Heidenen seit, datse kunnen offerhanden aan de Duivelen doen, 1 Kor. 10:20. dat en is niet van den Duivel als hoofd der bosen Engelen; (gelijk Matt.25:41.) maar van de Daimones, daar wy flus af spraken, uitdrukkelik geseid: also Paulus te dier plaatse in 't Grieksch niet het woord Diablos, Duivel, maar Daimonia, gebruikt; waar mede de Heidenen, als voorseid is seker slag van ondergoden benoemden. Dit vooraf aangemerkt hebbende, so laat ons nu besien, wat overeenkomste wy tusschen 't oud en hedendaagsch Heidendom, aangaande hun gevoelen van de Geesten vinden mogen. Ik beginne van Europa; van waar ik door Asien, en voorts na Africa omtrekkende, eindelik na America oversteken wil.


VI. Hoofdstuk. Sulks blijkt voor eerst aan d'overblijfselen des heidendoms diemen heden meest in 't Noorden van Europa vind.

§. 1. EUropa is geseid van buiten om, en meest in 't Noorden noch enige Heidenen heeft; doch soo raaw en onbeschaafd, dat het lichteliker te sien is watse doen, dan te raden watse geloven. Men heeft van de Lappen en Finnen 't meeste bescheid; ende met name van de genen, die onder 't gebied van Sweden staan: waar te neffens oock Scheffers Beschrijvinge van 't Swedisch Lapland, uit de voornaamste schriften getrokken, ons den meesten dienst sal doen. Daarom sal ik eerst van desen; en daar na van d'anderen, so veel my voorstaat, berigten. Sonder alles te geloven datter van verhaald word, waar van ik de helft niet achte waar te zijn: so is't nogtans gewis, dat het Heidendom by die volkeren, schoon onder kristen koningen staande, te weten den Deen of Sweed of Moskovijt: echter onder den duim noch so veel hunder oude nukken plegen, alsse weinig lust of kennis tonen in het Kristendom. De heer Scheffer heeft het Sweeds Lapland onlangs met so veel neerstigheids, en op so sekere berigtingen beschreven, datmen op sijn seggen staat mag maken. En mitsdien dat hy d'ander Lap-

{==23==} {>>pagina-aanduiding<<}

pen beneffens de Finnen dikmaals daar mede in betrekt; so magmen waarschijnelik besluiten, dat het by hen allen vast eenerley werk is: te meer omdat het gene anderen in hunne schriften hebben aangeroerd, die volkeren aangaande, met het gene Scheffer van de Sweedsche Lappen schrijft, op een uitkomt. Ik sal my derhalven aan hem alleen houden; hoewel niet alleen, dewijl hy alle d'anderen, die voor hem geschreven hebben, in sijn boek mede begrijpt. Hunne gevoelens laat ons eerst vernemen, en daarna van hunnen Toverhandel spreken. §. 2. De voorwerpselen hunder heidensche godsplegingen zijn in driederley slag trapsgewijse onderscheiden. De hoogsten van allen zijn Thordaen of Thoar, de Donder, Stourjunkare, en Baiwe de Son. D'eerste by de Laplanders ook Tietemes geheeten; welken naam sy mede aan 't geluid des Donders geven, dien sy geloven dat in sijn geweld is. Hy is dan hun Jupiter, by hen mede Aijeke, dat is Bestevaer genaamd. Leven en gesondheid schrijvense toe aan sijn bestuur; en stellen self de bose Geesten onder sijn bedwang: ook so verre dat hy hen door den slag sijns donders dood, so sy de Lappen te veel plagen; even gelijk d'oude Romeinen die wraak aan Iupiter verlieten. Op den Regenboog, aijekedange, dat is bestevaers boge genaamd, als op sijnen troon geseten, schiet hy alle donderpijlen op de duivels af, en kan hen somtijds met aijekenedschera, bestevaers hamer den hals en kop te pletteren slaan. Dieshalven word hy ook van hen boven alle d'anderen geëerd. Stourjunkare, dat so veel als heilige Landvoogd te seggen is, anders ook Stourapasse, dat is, groten Heilig genaamd; is by hen de grote Pan, of in plaats van Diana, god van vee en veld, van bosch en wild, en voornamelik van de jagt: Ajekes algemeen stedehouder in dat bewind. Hy is dikmaals verschenen, seggense, aan de genen die ter jagt, of uit visschen gingen, en jonkerachtig toegetakeld, met een muskett in de hand, hebbende volgels voeten. Baiwe of Beiwe de Son, (gelijk paive den dag betekend) word by hen om 't goed dat hy op der aarde werkt, ende daarom ook des somers meest geëerd. §. 3. De Manes der Romeinen, hier voor. 2.§.15. gedacht, zijn der Lappen ondergoden, ende by hen Sitte genoemd. De Zielen der doden worden by hen als magt hebbende door offerhande vereerd: hoe wel ik niet gemeld vinde, watse eigentlijk daar of houden. De laatsten zijn de Juhlen, omswervende geesten, die sich by hopen hier en daar versamelen, so sy wanen, in de lucht over bosch en berg sweevende. Maar ik en vinde hier ook niet aantekekend, wat goed en quaad hen van dese geesten, na hunne meeninge komen kan. Dat sy houden hen in minder waarde dan de eerst genoemden; doende echter offerhande, waar in sy het iet om te eten geven. Maar geen Beeld word aan een van allen opgeregt, ofte vereerd: self aan Baiwe niet, om dat hy uit hem selve sienbaar is: maar aan Aijeken en Stourjunkare alleen; den eersten van hout, den anderen van steen. §. 4. Op sulken Gelove der Heidensche Lappen is ook hunnen Waarseggery en Tovery gegrond. Waar van ik echter dit moet seggen, dat ik Scheffer leesende, en 't gene hy uit ander schryvers aantrekt met sijn eigen

{==24==} {>>pagina-aanduiding<<}

vergelijkende, lichtelijk bemerken kan, dat het met der Noordscher volkeren toverye op verre na so breed niet is alsmen daaraf roept. Maar 't gene Scheffer bevonden heeft, daarin is hy wel te geloven. Ende moet ik dan vooraf met sijne eigen woorden uit het 11.cap.seggen. Dat hoewel de Laplanders te deser tijd de Magia niet so drok noch openbaarlik plegen als hunne voorouders deden, die meer aan dese bygelovigheden hingen daar nu de meeste vry af zijn, 't land van dese wichelarijen gesuiverd zijnde, t'sedert dat de koning van Sweden op moeijelijke straffe verboden heeft, enige besweeringen te gebruiken: niet te min isser noch al een groot getal der genen die sich daar in oefenen, en daar aan houden. En so iemant na de reden vraagt: het is om dat sich de Laplanders allegaar inbeelden, dat de Toverye voor hen van onvermijdelike noodsakelikheid is, om de lagen en quellingen hunder vyanden te vermijden. Hy seit verder, datse self scholen daar toe houden, daar sy hunne kinderen de Toverkunst doen leeren: en 't gene noch wonderliker schijnt, denselven hunne bose geesten, daar sy dienst van hadden, op hun sterven by testamente overlaten, om die van hunne vyanden door deselve te verwinnen. §. 5. Hunne kunsten diese door middel hunner Goden en Geesten wanen te doen, zijn of om door Wicchelarije iet te weten, of om door Toverije iet te doen. Het eerste word door een ding dat sy kannus noemen, ende na eenen trommel gelijk, in 't werk gesteld. Die moet van seker hout, en wel meer van birken gemaakt zijn. Het vel daar over gespannen, veelsins met karacters geschilderd, met ene verwe uit de schors van elsenhout gemaakt. Met enen hamer van enen vinger lang daar op geklopt, letmen op een bosch blikken ringen daar op geplaatst, dat na regter of slinker zyde verspringt: het eerste belooft geluk, het ander dreigt ongeluk. Of de tovertrommel, anders gebruikt, geeft den staat en het doen des afwesenden te verstaan, al ware 't ook honderden van mijlen verre. De wicchelaar valt, na 't roeren van de trommel, in onmagt, ende ligt voor dood onroerelik ter aarde: kort of lang, na dat hy verre van daar is, na wien gevraagd word. Opstaande seit hy dan, 't gene men gelooft also te zijn. §. 6. Hunne Toverplegingen worden door geen eenerhande middelen verrigt. Het eerste is een riem met drie knopen, aan 't zeevarend volk te koop, om wind te maken. D'eerste knoop los gemaakt, sal weinig, de tweede veel, de derde al te veel winds uitgeven De Deensche Lappen in Finmark' drijven dese neering meest, also sy aan de Zee palende, daar toe de gelegentheid gereeder hebben. Het ander verhaalt Scheffer op die wijse, dat hy met een te verstaan geeft, hoe weinig dat hy self daar van gelooft. Te weten, lodene pookjes ontrent een vinger lang: welke met het punt vooruitgesteken na de plaats daar hy is diense quaad doen willen, denselven swaren siekten en pijnlike quellingen toebrengen. Een sak vol vliegen, voor duivels gehouden, en telken dag een daaruit gelaten, om den vyand te plagen, is een ander gebruik, dat niet al te wel bedend is. Eindelik de tyre een kleine bol, als enen neut op sekere wijse gemaakt, heeft het selfde gebruik. §. 7. Genoeg van de Lappen nu sal ik van d'anderen ook een weinig mel-

{==25==} {>>pagina-aanduiding<<}

den. Van de wilde Yren is by Litgow te vinden, datse, ter behoudenisse van hen self en van hun vee, de Maan aanbidden; gebruikende onder anderen dese woorden, Laat ons so gesond als gy ons vind. Waar uit ik besluite, dat se iet van 't Heidendom hebben, 't welk enige kragt der Godheid in den invloed van de Sterren stelt: so nochtans, dat dese de volle magt van dat bewind aan deselve niet toeschrijven; als uit sulken stijl van bidden blijkt. §. 8. Van een heidensch overblijfsel by de Samogyten, tusschen Littouwen en Lijfland geseten, word mede getuigd, datse grote eere aan de Son en Maan, Vuur, Donder, Bosschen, en seer hoge Bomen doen: een bewijs, datse boven dien sulke Daemons in de lucht en op der aarde geloven. Maar hoe weinig staats by sulk volk op die Dondergoeden, of Luchtgeesten gemaakt word, geeft Olaus Magnus te kennen, wanneer hy van enige Noordsche volkeren getuigt: hoe sy niet alleenlijk hunne Goden helpen strijden tegens hunne vyanden, den donder met grote hamers nabootsende; maar self ook wel bestrijden, door pijlen en ander krijgstuig in de lucht op te schieten. In Littouwen vindmen plaatsen, daar 't volk enen huisgod, Dinstipan, dat is, Rook- of Schoorsteen voogd, aanbid. §. 9. De Kerremissische Tarters geloven datter Plaaggeesten zijn, so Olearius bevonden heeft; die de menschen in dit leven, (want het ander leven gelovense niet) veelsins beangstigen en beledigen konnen, sose willen: 't welk voor te komen of af te weeren, sy deselve met offerhande aan de rivieren vereeren. Sy aanbidden ook, stelt hy, de Son en Maan: dewijle sy bemerken dat door derselver werkinge het land veel goeds geniet. Maar van deser volkeren tover gebaar vind ik niet merkwaardigs aantegekend. §. 10. D'Yslanders komen met de Lappen en Finnen nader over een. 't Meeste dat wy daar af weten is 't gene Blefkenius daar van schrijft. Sy erkennen mede sulke huisgeesten, die hen 's nachts wekken om te gaan visschen: achtende dat niemand goede vangst sal hebben, die van sulk enen niet gewekt, evenwel soude bestaan te visschen. Ditmarus Blefkenius in den jare 1663. van daar na Portugal gevaren, hadde self van enen Ionas, so hy schrijft, enen neusdoek met drie knopen ontfangen, om by gebrek van wind op zee los te maken. Die knopen plegen sy onder 't prevelen van enige woorden daarin te doen. Voorts geven sy mede voor, datse magtig zijn, schoon aan land blijvende, de schepen in zee te doen voortgaan of te beletten. Doch ik sal dien doek met de knopen noch wat by my houden, om hierna te sien, hoese los te maken zijn: ik sal ook die schepen so lang in zee laten, tot dat ik sie, wie deselve, wanneer se stil liggen, sal doen voortgaan; of wanneerse voortgaan, te rugge houden sal. Thans valt dan in Europa voor ons niet meer te doen.


VII. Hoofdstuk. By de meeste volkeren van Asien vindmen al de selfde gevoelens.

§. 1. DOor geheel Asiën, so verre als 't ons bekend is, vindmen beschaafder volkeren dan de noorder Europeërs zijn. De Sine-

{==26==} {>>pagina-aanduiding<<}

sen en Iapanders, de Siammers en Peguanen, mitsgaders de volkeren in dat Indien dat van ouds bekend was, en van Bengale westwaart tot aan Gusuratte strekt, gaan d'anderen te boven; en die van Sina aldermeest. Sulke moeten 't zijn, die ons in 't verstand van hun gevoelen brengen sullen, en eenigsins reden geven van hun bedrijf. Men salse allegaar, wanneer ter op aan komt, als uit eenen monde horen belijden, datter eigentlik maar een opperst godlik wesen is, welx kragt sich over alles is uitstrekkende. Ondertusschen, de verscheidene voorwerpselen en uitwerkselen der godlike bestieringe bemerkende; hebben sy (gelijk voor van d'ouden gemeld is) 't bewind des weerelds, tusschen twee Hoofdgoden, en veel meer Ondergoden, hemelsche en aardsche Geesten, verdeeld. §. 2. Dus sietmen de Iapanders aan Chaka en Amida het opperbewind van alles; maar 't besonder bestuur des Hemel aan Tankonida, Benjamonda, Homokanda, Zojola, Pipi en Jisus vertrouwen; welke laatste de zielen der verstorvenen na den hemel voert. Onder de Sinesen is de voornaamste secte der genen die den groten heilig Konfut volgen. Dese (seit Carolyn met de woorden van Trigaut) erkend en aanbid maar eenen God; van welken sy gelooft, dat hy alle dese benedenste dingen onderhoud en regeert. Sy eeren ook enige Geesten; maar met mindere eere, ende schryven hen so groten heerschappye niet toe. Sy dalen doorgaans in hunne gedachten van God tot de Ondergoden, en van dese tot de Geesten mitsdien dat d'opperste God den Hemel door Laocon Trautei, dat is den Bevelhebber des groten Gods; en de onderste weereld door Cansay regeert. Voorts dat dese Cansay drie geesten, Tanquam, Tiquam en Tsuiquam, onder sich heeft: welker eerste in de Lucht, de tweede op der Aarde, de derde op de Zee regeert. Onder de mindere Goden, een groot getal uitmakende, tellen sy mede de vinders der konsten; ende besonderlik Sieha, Quanina en Neoma; eenen god, en twee godinnen. Onder de Tartes zijn die van Samarkand, die de rijken van den Mogel besluiten, de wett van Mahomet toegedaan. Maar by d'anderen, en besonder die van Niuche (welk rijk nu over dat van Sina heerscht) word insgelijks geloofd, dat de Godheid onder twee verdeeld is; den eenen des Hemels, en den anderen der Aarde: maar setten den eersten so hoog, en den tweeden so laeg, datse in der daad maar eenen God erkennen. §. 3. De Peguanen stellen eenen oppersten God, Duma, die goed is, en enen tweeden die quaad is; en daarom by de Kristenen voor den Duivel gehouden word. Voorts gelovense mede: dat van vele goden elk het sijne waarneemt: onder welken de voornaamsten zijn, Korko Vitas, de oudste, van wien alle d'anderen afhangen; Osima, die de beweeger van alles is; Apalita, die de heilige reisigers geleid; en Fotoko, die by Duma hun voorbidder, en meest voor der verstorvenen sielen is, die in 't duister hol van 't Rookhuis verwesen zijn. De Siammers erkennen eenen God, die met vele mindere Goden in den Hemel woont; onder welken sy mede d'overledenen stellen, die hunne wetgevers geweest zijn. §. 4. Onder de Iavanen, op welker bodem de hoofdplaatse der Neder-

{==27==} {>>pagina-aanduiding<<}

landsche Maatschappy van Indien, de stad Batavia leit, zijnder die de verhuisinge der zielen geloven. Insgelijks de Zingalers op Zeilon, eeren beneffens de 4. Goden, onder welke 't geheel bestier des weerelds verdeeld zy, ook de sielen der verstorvenen, die op aarde loffelik geleefd hebben. Beide geven sy also te kennen, datse mede Daimonas erkennen. De Iavaansche konnen goed of quaad; maar de Zingaalsche niet dan quaad zijn. §. 5. De volkeren in de landen benoorden de kaap van Komoryn gelegen, en sich tot aan 't gebied van den Mogel toe strekkende, schoon byster verscheiden, komen echter daarin mede overeen, datter een opperste Godheid is; het zy datsy hem Wistnow of Eswarai noemen: doch die de weereld niet dan door Ondergoden regeert, daar Bramma, schepper en bestierder van alles, 't hoofd van zy. Of dat dese drie van Tschekti, den eenigsten en allerhoogsten God afhangen: want alles ondersocht salmen bevinden, dat dit onderscheid niet so seer in de saak als in de namen leit. Maar Bramma meinense dat aan Indre of Dewendre 't hoogst gesag over de acht oppervoogden van de boven weereld geeft. welke hoger dan de Aarde, ende nochtans beneden Brammalocon, de woonplaats van Bramma, geplaatst zijn; in welker seven de zielen der menschen die wel geleefd hebben, en in d'achtste die van de verdoemden, na den dood ontfangen werden. Van die Goden gelovense, datse enigsins mede menscheliker wijse geteeld, en getrowd zijn; ende wel in liachamelike gedaante op der Aarde verschijnen; en dat sich Wistnow self wel op tienerleije wijse vertoond heeft: gelijk Rogerius uit den mond van enen der Bramines selve verhaalt. §. 6. Komtmen verder, noordwaarts aan, in de Koningrijken van Gusaratte of Cambaje, Decan en Bengale, onder den Mogol: schoonmen onder hen vier voorname sekten vind, (anders wordender meer dan 80. geteld) welker eene Cheuravak genaamd nawelix enigen God gelooft: nochtans sullense alle eenen boven al belijden, van wien al 't ander hangt. Self dese en laten niet enen Tiel Tenker', hunnen groten heilig, aan te bidden: also te kennen gevende, dat de mensche lichter God met den monde lochenen, als met sijn hert ontkennen kan. De sekte Samaraët, stelt drie Goden onder den oppersten, Permiseër: welker elk sijn deel in't bestuur des weerelds heeft. Brama seggense dat de magt over alle Zielen heeft; en deselve aan menschen en beesten uitdeelt, so als hy wil. Baffiuna leert den menschen Permiseërs geboden; en versorgt den gehoorsamen alles in dit leven. Mais heeft de magt over den dood, en om de menschen na aflijvigheid voor Permiseërs gericht te stellen; die hunne sielen na verdienste in de lichamen van Mensch en Beest doet varen, om in seker Vagevuur ontsondigd te werden. De Jentiven in 't Koningrijk Golconda geloven mede eenen God, die van ouds af geweest zy; doch naderhand enige Halfgoden (gelijk de Oudroomsche Semidei) uit de menschen tot sich genomen hebbe. §. 7. De oude Persianen, sedert de Mahometische overheerschinge noch overgebleven, moeten hier mede niet vergeten zijn. Enigen derselven zijn in Persien gebleven, welker sich een goed deel opentlik in de hoofdstad Ispaf-

{==28==} {>>pagina-aanduiding<<}

han verhoud. Andere zijn na Indien geweken, en maken insonderheid in 't koningrijk van Gusuratte een groot getal. 't Gelove deser menschen sal ik hier met de woorden van Carolyn, so als hy 't uit De Laat, Varenius en Twist getrokken heeft, beschrijven. ‘Sy geloven, datter een God is, die over al tegenwoordig is, en alles na sijn welbehagen regeert; sonder dat hy iemants hulpe van noden heeft: maar dat hy seven dienaars beneffens hem heeft, alle byna van gelijke waardigheid, die ieder ene bediening in den hemel hebben, daar sy rekenschap van geven moeten. D'eerste Hamalda, die de menschen regeert, en tot goed doen houd; de twede Baman, die de voogdy over de beesten heeft, en de wateren van de Zee. De derde, Adri Best, bewaart het vuur, en verhindert mede, dat het niet en werde uitgebluscht. Sariwaar, de vierde, heeft de metalen en bergwerken onder sijn geweld. De vijfde, Espendaar siet op het land toe, dat het niet vuil noch wild en ligge. Arendaar sorgt voor 't water, datter genen vuiligheid ingeworpen werde. De laatste is Ammadaat, die 't gebied over bomen, vrugten en kruiden heeft. Dese zijn altemaal maar opsienders en regeerders: sonder dat het in hun vermogen staat iet te doden, veel min het leven daar aan te geven. Want sy zijn alleenlik gesteld, om aan de oppersten God rekenschap te geven, en den genen die iet onder sijne bewaringe staande verongelijkt of geschonden heeft te verklagen. §. 8. Behalven dese 7. zijnder noch 26. mindere dienaars, die elk hunne besondere bedieninge hebben. Sorach is van desen d'eerste genaamd: die de zielen uit den lichame gescheiden ten eersten voor de Regters brengt, welke Meër, Resna en Saros zijn. De vierde is Beram Carrasedaats; die d'oorlogen na sijnen wenk bestiert. De vijfde is de Son. Anoa de seste, die over 'twater gebied. Ader de sevende, over 't vuur. Maho de achtste, is en regeert in de Maan. Tiera de negende, dat is de regen. Gos regeert en bewaart het vee, maar en is niet in het vee. Tarwardy sorgt voor de zielen die in den hemel zijn. Aram geeft de weereld vreugde, verdrijvende allen druk en ongeneugd. Goada bestiert den wind; maar en is de wind selve niet. Dien onderwijst hen in de wetten, ende geeft genegentheid om deselve te onderhouden. Appersonk geeft rijkdom: Astaat verstand en memorie. Assaman staat over de koopmanschap. Gymninaat regeert de Aarde. Marisipant is de Goedheid, welke hy allen mededeelt die hunne ogen op hem slaan. Amira is voogd van't geld. Hoëm is oorsaak dat de vrouwe swanger word, en die ook de vrugt het leven geeft? Dimnia en Base zijn in 't algemeen gesteld tot hulpe van die hen van noden heeft. De drie laatsten, Besaddeer, Desemeer en Defyn staan ten dienste van God, en zijn dadelik gereed om te doen wat hy gebied. Dit zijn de namen van die 26. Onderdienaars, die sy met enen tytel van Gestio, dat is Heilig vereeren. Van dese heilige dienaars geloven de Persiaansche Heidenen, datse magt hebben over al 't gene waar over zy als gebieders gesteld zijn: waarom sy deselve ook aanbidden, met betrouwen, datse als hunne voorspraken by God, alles van hem tot hunnen goede verwerven sullen.

{==29==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 9. Dus verre van de Goden: nu volgt dat wy van de Geesten spreken. Doch desen aangaande is uit de schriften, buiten Sina en de landen van Indien herwaarts aan gelegen, niet veel te vernemen. Van de Iapanders vind ik alleen gemeld, dat sy niet verre van Ozakka enen God of Geest Tiedebaik eeren, op dat hy hen geen quaad en doe. Van enen anderen, Gokis genaamd, gelovense, dat hy somtijds in menschelike gestalte verschijnt, om hunne sonden te straffen. Voor de stad Meaco word een ander Geest, welken de Kristenen den Koning der Duivelen noemen, in een vervaarlik beeld geëerd. Geen godshuis, seit de schrijver, word in Japan gevonden, dat so veel besocht word, noch met so veel geschenken verrijkt, waarmede sy hunne sonden meinen af te kopen. §. 10. Van de Sinesen hebben Martinius, Kircher en Trigant, alle drie Iesuwyten, breed genoeg geschreven; ende nochtans van dese stoffe weinig aangetekend. Echter kanmen uit de dienstplegingen, die sy in dat volk bemerkt hebben, genoegsaam besluiten, dat sy mede Geesten geloven. Dog daar van hier na. De Siammers vereeren mede, (hoewel tegen veeler leeraren en gevoelen) den eenen en anderen Bosen God: om't quaad waar af sy God geen oorsaak maken willen, daar door af te weeren. Ook word hen nagegeven, datse elken mensche twee Geesten, enen goeden en quaden, toepassen: welker eerste hen ten goede, d'ander ten quade leid. §. 11. Maar 't meeste datmen ons uit die landen van de Geesten berigt, komt ons van de kust van Coromandel. Dat heeft ons Carolijn uit Rogerius dus by een steld. ‘Sy geloven, datter goede en quade Geesten, dat is, Engelen en Duivelen zijn. D'Engelen noemense Deweta, en de Duivelen Ratsjasja: zijnde beide na hun gevoelen van menschen voortgebragt. Kassiopa, der beider vader, is hun eerste Bramine, dat is Priester en Leeraar geweest. Van twee vrouwen, die hy hadde, word Diti voor de Moeder der Dewetaas, en Aditi der Ratsjasjaas geacht. §. 12. De Dewetaas worden in twee soorten onderscheiden; want de menschen die na hun overlijden na eene der onderhemelsche geluksalige weerelden gaan, worden mede Dewetaas genoemd. Doch hun verblijf is daar voor eewig niet; maar moeten na verloop van eenigen tijd wederom ter weereld komen, en andermaal geboren worden. Maar andere Dewetaas in groten getale scheiden nimmer daar van daan. Onder desen zijn de Sonne, Maan en Sterren, welken sy alle ziel en leven toeschryven. §. 13. De Ratsjasjaas zijn mede tweederley. Sommige der selven zijn bose menschen geweest; ende om hunner sonden wille verwesen om door de weereld te swerven. Dese lijden groten honger en dorst, niet konnende anders iets genieten dan hen de menschen geven; by welken sy ook wel in menschelike gedaante aalmissen komen bidden. Doch dese en konnen geen quaad doen. Maar behalven hen isser noch een ander slag van Duivels en Ratsjasjaas, eigentlik so genaamd, die kinderen van Aditi, en seer boosaardig zijn. Dese hebben magt om den menschen quaad te doen; ja doen ook wel den Engelen of Dewetaas groten onlust aan. Deselve zijn op alle plaat-

{==30==} {>>pagina-aanduiding<<}

sen te vinden, behalven in de plaats van Brama, en in den Hemel. Sy schryven hen grote, lelike en stinkende lichamen toe; seggen mede, datse mannen en wijven zijn, kinderen teelen en sterven.

   §. 14. Dit van de Daemones der Asiaansche Heidenen; wy sullender ook Heroës vinden. En dat so veel te lichter, also de meesten Pytagoristen zijn, die de μετέμψύχωσις, Ziel-wisseling geloven. ‘Want de tegenwoordige Heidenen (seit Baldeus in sijn boek van d'Afgoderije der Oostindische Heidenen) daar in het leven der Menschen gelukkiger achten dan der Beesten; dat den Mensch een Lichaam is gegeven, waar door de Ziele hare werkinge uiten kan. Maar sy en sullen niet toestaan, dat een Mensch edelder zy dan een Beest;of dat hy voortreffeliker Ziele hebbe. En somen de reden vraagt, waarom dan de Beesten geen reden voeren; so antwoordense, om datse geen lichamen en hebben, die bequaam zijn om de hoedanigheden der Ziele voort te brengen. By voorbeeld: een stommensche kan seer wijs zijn: evenwel een bequaam spraak-lid ontbreekt hem:iemant kan veel weten en grote kennis hebben; ondertusschen kan hy deselve niet uiten, gelijk ook de kinderen. Die dit leest sal sich over 't volgende min verwonderen.

§. 15. Van de Iapanders valt in desen niet veel sekers te seggen: also de Iesuwyten ons der selver gevoelens meldende, geen eenerleye ondervindinge daarvan hebben. Het blijkt evenwel datter by dat volk driederhande gevoelen van des Menschen Ziel, en van haar wesen is. Het eerste, dat de mensche geene Ziel, anders dan de beesten heeft: het andere, dat hy eene heeft, maar sterflik: het derde, dat de Ziel onsterflik is. Dese geloven dan met een de Metempsychosis, in dier voege, dat de Ziel uit het een lichaam in 't ander, 't zy van Man of Vrouw, varende; door de t'samenvoeginge der Sonne met de Maan en andere Sterren, als dan zijnde, daar toe bepaald word. §. 16. De Sinesen zijn al mede Pytagoristen. Sulx getuigt Martinius van ene sekte duidelik, wanneer hy seit. Cherkiao is ene secte, welke d'onsen houde dat de eerste na Christus geboorte in Sina is ingevoerd. Sy gelove van de Ziel wisseling; welke tweederley is, inwendig en uitwendig. Dese eeren de Beelden, en geloven dat de Ziele na den dood, tot straffe der sonden, van 't een in 't ander lichaam verhuist. Derhalven onthouden sy sich in 't eten van al wat leven heeft. Het selfde word van Trigaut bevestigd: verhalende, hoe d'ouders sich van hunne kinderen, 't getal derselven hen te overlastig werdende, ontslaan, door hen te doden: met voorgeven, datse dus doende deselven in beteren staat overbrengen; dewijle sy armelik gehouden, daar door gelegentheid krijgen, om in een ander lichaam, dat beter behuisd zy, over te gaan. 't Selfde gevoelen bewesen de Peguanen, wanneerse by de begravenisse van den Rolym. dat is Oppermeester (so Pinto verhaalt) vele vogels en visschen, te voren opgesloten, los lieten; om datse geloofden, dat daar zielen van menschen in waren, die Rolym hun geselschap op den weg na't ander leven leenen moesten. §. 17. Vorder lees ik by Carolijn, 't gene hy uit Artus in de Weereldspie-

{==31==} {>>pagina-aanduiding<<}

gel aangetekend heeft, ‘dat hunne wijsen voor de genen die uit dit leven scheiden driederlije plaatsen versierd hebben. Nachak ene plaatse der pijniginge: Scuum ene plaatse van vermaak, gelijk Mahomets Paradijs: en Miba of Nibam; welk woord betekend ene gansche berovinge van 't wesen, en ene volle vernietinge van lijf en Ziele. In de twee eerste plaatsen verblijven de lichamen so lange, of sy komen so dikwijls daar uit in de weereld, door verscheidene niewe geboorten en verhuisingen in andere lichamen; tot datse verdiend hebben in Nibam te komen, dat is, t'eenemaal vernietigd te worden. Anders luid de ordre, die Le Blanq uit den mond van enen Franciscaner Monnik verhaalt; seggende, datse geloofden, dat de menschen in 't einde Goden wierden; na datse door de lichamen van allerhande beesten, vogelen en visschen doorgegaan waren: en dat de sielen, na verloop van vele eewen in sekere plaatsen daar toegeschikt, wel gesuiverd, en tot verscheidene malen in de niewe weerelden wedergekeerd zijnde, eindelik ten deele in 't Paradys, ten deele in de Helle geplaatst, en d'andere tot niet gebragt werden. §. 18. Wat die van Siam desen aangaande geloven, wil ik liefst met de woorden der Fransche Iesuwijten seggen, uit hunne reise na Sian, in de jaren 1685. en 1686. gedaan: also hun berigt het aller jongste, en by ieder een voor geloofweerdig aangenomen is. Dit is 't dan datter Tachard afschrijft. pag. 290, 291. Amsterdamsche druks. De Metempsychosis (Sielwisseling) ‘is een van de Hoofdstukken huns geloofs: invoegen dat des menschen leven met gedurige zielverhuisingen word doorgebragt, tot dat hy sich geheiligd hebbe, of verdiend een God te wesen. Sy staan toe datter Geesten zijn: maar dese Geesten zijn niet anders dan Sielen die altijd enig lichaam besielen, ter tijd toe datse tot de Heiligheid of Godheid geraken. D'Engelen zijn lichamelik, en als man en wijf onderscheiden, bequaam om sonen en dochters te gewinnen. Dese Engelen worden nooit heiligen of Goden:dan sy hebben slegs geduriglik voor de behoudenisse der menschen, en 't bestuur des weerelds te waken. Sy verdeelense in seven ordens of heilige heerschappijen: welker eene volmaakter en voortreffeliker is dan d'andere, ende elk in eenen sonderlingen Hemel geplaatst zijn. Ieder deel des weerelds heeft eenen deser Engelen, die opsigt heeft over 't gene dat daarin geschied. Sy eigenense ook aan de Gesternten toe, aan de Aarde, aan Steden, Bergen, Bosschen; self aan den Wind en Regen. en mitsdien datse geloven, dat dese Engelen der menschen wijse van leven onophoudelik in acht nemen; en also getuigen van hunne daden zijn, om de genen te beloonen die lof verdiend hebben, na vereisch der verdiensten van hunnen God: so begeven sy sich in tijde van nood en swarigheid, niet tot hunnen God, maar tot dese Engelen, deselve ook dankende voor de genade die sy geloven van hen ontfangen te hebben. §. 19. Sy en weten van geen andere Duivelen dan de Zielen der bose menschen: welke uit de helle komende, daarse gehouden wierden: enen tijd lang door de weereld dolen, en den menschen alle quaad doen datse konnen. Sy stellen de kinderkens, die dood ter weereld komen, mede onder

{==32==} {>>pagina-aanduiding<<}

dese ongelukkige Geesten: als ook de vrouwen die in de kraam stervende, die in enen kamp gestorven, of aan enig ander misbedrijf van desen aart schuldig zijn. §. 20. By de Heidensche Iavanen word de Metempsychosis mede geloofd. Die van Sumatra zijn van 't selfde verstand. De Malabaren, en die aan de kust van Koromandel wonen, beneffens alle Benjanen in de landen van Indien herwaarts aan komen in geen stuk huns geloofs beter over een. So is 't gevoelen van de meeste Bramines, te weten die tot geen der beide sekten, Schaärwakka of Pasenda behoren, dat de Zielen der menschen onsterflik zijn: welker sommige na aflijvigheid, om hunner sonden wille, Duivelen worden: en ten einde des tijds hunner straffinge door de lucht sweven moeten, en daar by so groten honger lijden, datse niet een enig grasjen uit der aarde trekken mogen; noch iet anders genieten, dan sy van de menschen ten aalmis ontfangen. Doch daar af is flus aangaande de Ratsjatsjaas al iet geseid. §. 21. En als 't al, wat ons van deser Heidenen gevoelens voor als noch tot berigt is toe gekomen, by malkanderen gebragt word so bevindmen de gronden en oorsaken hunner bygelovigheden seer verscheiden. Dit kan ik, als een besluit uit al 't voorsiede getrokken, alderbest met Carolijns woorden ‘vertonen. Enigen houden de zielen voor sterflik, anderen onsterflik. Sommige stellen de verhuisinge der zielen vast sommige niet. En diese vast stellen, hoe verschillense van malkanderen? Dese gelooft, dat de ziele verhuist in 't eerste lichaam dat haer ontmoet, als de Iavanen: gene gelooft, datse in sulken lichaam verhuist alsse door goed of quaad doen verdiend heeft; gelijk de Benjanen. Enige willen, datse maar eens verhuisen; andere seggen, driemaal; andere meermaals. Sommige drijven de verhuisinge alleenlik in menschen, ook selfs vreemdelingen; andere, in menschen en beesten; anderen alleenlik in de wijfjes van de menschen en beesten, gelijk de Chearawachs. Andere geloven noch anders. Kort, het is hier byna: so veel hoofden, so veel sinnen: so veel menschen, so veel gevoelens.


VIII. Hoofdstuk. De verscheidene Toverplegingen by die volkeren gebruikelik zijn daar uit ook ontstaan.

§. 1. DEwijlmen doorgaans Toverye noemt, het gene men gelooft dat door Duivels hulp word uitgewerkt: so en kan ik niet anders oordeelen, of het is aan 't selfde vooroordeel, dat ik hier voor ontrent den so genaamden Duivel-dienst heb aangemerkt, toe te schrijven; datmen enige menschen Tovenaars en Toveressen noemt, die het misschien niet en zijn: want watse waarlijk zijn, is het gene dat hier na eerst ondersocht sal worden. Ik wil hier nu slegs seggen, datmen die Heidenen aan geen Toverye schul-

{==33==} {>>pagina-aanduiding<<}

dig houden moet, uit dien hoofde dat de schrijvers, der selven seden meldende, dikmaals Toveraars en Toveressen daar in benoemen: waar door ik bemerke datse doorgaans de gene zijn houdende, die als Priesters en Priesterinnen, of mindere amptenaren, ontrent hunne offerplegingen besig zijn. Maar wat ons van hun doen self voortkomt, het gene hunne gemeenschap met de mindere Goden of Geesten, goeden en quaden, betreft; dat magmen alles tot dit eene hoofdstuk wel betrekken. §. 2. De eerbiedigheid, die 't volk doorgaans tot de Sonne, Maan en Sterren heeft, is magtig om de Dagverkiesinge onder hen te vestigen. Want ook Pieter van den Broek heeft aan gemerkt, van de Benjanen in Narsinga sprekende, dat, so veel als de quade en goede uren aangaat, sy deselve uit den loop der sterren oordeelen waar op sy seer naaw achtinge geven. In Sina (seit Trigaut lib.1. cap.9.) is geen bygelovig gebruik so gemeen, als 't waarnemen der Feest- en Werkedagen, om al hun doen na regels van den tijd te schikken. Tot dien einde word jaarlix twederley Almanak gedrukt, die uit 's Konings naam van sijne sterrekykers gemaakt is. Daar van word dit bedrog te meer voor waarheid aangenomen. Daar in teikenen sy, wat hen op elken dag te doen of te laten; of tot wat ure 't gene tusschen beide voor valt te verschuiven zy. §. 3. Dit schrijvende bevinde ik, dat Carolyn het verhaal van Trigaut in 't vervolg bequamelik aldus verkort heeft. ‘Behalven dese zijnder noch andere boeken, hier noch nauwer af handelende, en sodanige meesters, die nergens anders hun onderhoud af trekken, als met voorschrijven van goede dagen en uren, aan de genen die hen daarom raad vragen; waarin sy den luiden voor een klein geld dienen. En aan dese voorseggingen uit dagen en uren houdense sich so vast, datse den aanvang van een gewigtig werk, of sware reise dikwils langen tijd uitstellen; om immers dien gelukkigen dag of ure daar toe waar te nemen. En hoewel het dikwyls geschied, dat op den gelukkigen dag of ure een sware regen valt, of de wind fell en tegen is: al soudense maar vier treden doen, of om een huis te grondvesten, maar twee korven aarde graven. So dedense, als geseid, die by ouds Astrologi Mathematici genaamd zijn. ‘§. 4. Geen minderen vlijt plegense in 't waarnemen en aantekenen van den tijd der geboorte: om daar uit den ganschen loop huns levens te voorseggen. Dit zijn de Genethliaci dat is Geboortelesers der ouden, van welken hier voor 3. §. 4. al enige meldinge is gedaan. Ook zijnder veel andere Waarseggers, die sich vermete, uit de sterren, uit de aangesigten, uit de handen, uit dromen, woorden; ja uit iemants sitten en staan iets toe komende te voorseggen: en in grote achtinge by de menschen zijn. §. 5. 't Gene van der Sinesen Dagverkiesinge geseid is, verklaart Ro‘gerius, dat ook nevens andere volkeren insonderheid plaats heeft op de kust van Coromandel. Want daar zijn diergelijke Almanakken mede in gebruik, die sy Pamangam noemen, Dese seit hy ook tweederley te zijn: waarvan hy eenen ten vollen stelt; met alles wat op ieder uur van elken

{==34==} {>>pagina-aanduiding<<}

dag in de weke te laten of te doen, gelukkig of ongelukkig zy. Tot een proefje zy die van den Sondag van ure op ure gesteld, welker dertig tusschen Sonnen op- en ondergang by hen gesteld worden. 1. Goed tot alle saken van praat en raad, 2. Iets om voordeel by der hand genomen, sal seer wel gelukken. 3. Sal niet gelukken. 4. Die iet goeds meint te bekomen, 't sal hem missen en voor den vyand zijn. 5. Koopmanschap met voordeel te doen. 6. Goed feest houden; of iet ter hand genomen, dat vreugd of leeringe raakt. 7. Handel met vrouwen sal na wensch uit vallen. 8. Koopmanschap sonder winst. 9. Even eens als op de seste ure. 10. Geen voornemen sal wel gelukken. 11. Geneesdrank, of iet voor vermaak ingenomen, sal niet wel bestaan. 12. Die overwinninge beoogt, sal geluk hebben. 13. Goed koeijen en andere beesten te kopen. 14. Goed iemant in dienst te nemen. 15. Kwaad in een niew huis te trekken, of iemant te besoeken. 16. Goed, huisen, dorpen of steden te beginnen. 17. Geen goed reisen. 18. Goed grote te besoeken. 19. Goed beelden ter eere van Pagoden te maken. 20. Kwaad iet by der hand te nemen. 21. Niets te winnen. 22. Die enen slag ter hand neemt, sal dien verliesen. 23. Goede vriendschap te soeken. 24. Goed vechten. 25. Goed met iemant raad te plegen. 26. Koopmanschap sonder winst. 27. Die ene vrouwe bekent sal een kind gewinnen. 28. Al wat iemant ter hand neemt, sal gelukken. 29. Sal niet gelukken. 30. Goed planten. ‘'s Nachts wil 't mede so gaan, van uur tot uur. En op dese wyse zijn voorts alle de dagen en nachten door de gansche week verdeeld. §. 6. Dese Bygelovigheid gaat so verre, datse de konste self, in sich vry en deugdelijk, bevlekt. Want so als D'Aviti uit Osorius verhaalt, vindmen by de Malbaaren in 't gebruik, dat sy 't jaar beginnen in September; maar den eersten dag en ure door bygelovige waarneminge betekenen. Die boven den ouderdom van 15. jaren zijn, bedekken op dien dag hun aangesigt en ogen, om geen ding te konnen sien. Daarop geleid door kinderen in d'Afgodstempelen, sullen sich aanstonds ontdekken, en op 't gene regt tegen over staat schielik hunne ogen werpen. Vallen die ten eersten op't beeld van den Afgod, die by

{==35==} {>>pagina-aanduiding<<}

hen besonderlik geërd word, so makense staat dat hen 'tjaar wel sal vergaan. ‘§. 7. Die op Vogelgeschrey acht geven, komen aldernaast aan desen te pas, en byna met deselven overeen. Want wy letten daar sonderling op (seit Carolyn) noch verder uit Rogerius) welke vogelen, en aan wat syde hen voorby vliegen oordeelde daar uit van hun geluk of ongeluk. Sy seggen, so iemant in 't vliegen van een bontekraay (die aan de voorseide kust seer veele zijn) geraakt word; dat sulx een kwaad teken is: te weten, dat de gene die geraakt is, of iemant van sijne vrienden binnen ses weken sterven sal. Dus verhaalt Linschoten van de Decanyns en Gusuratters, datse, 'smorgen ten eersten ene bontekraay siende, dien dag om geen goed ter weereld uit den huise sullen gaan. §. 8. By D'Aviti vind ik mede uit Mendoza aangetekend, dat de Heidenen in de eilanden by de Spanjaarden genaamd Philippynen, sekere Wicchelaarsters Holaoy genaamd, voor priesterinnen eeren; en verhaalt, datse (na sijn verstand) dagelix met de Daemons spraak houden, ende dikmaals in 't openbaar voor 't volk veelerhande gebaar maken; waardoor hen de waarseggende Geest komt in te nemen, ende door hen antwoord te geven op al watmen vraagt. Daar voegt hy dan noch by, dat by hen dit besonder slag van Wicchelarye in 't gebruik is, datse op reise enen Cayman ontmoetende, weder om t'huiswaart keeren: also sy sulx, na't schijnt, voor een quaad voorspel houden. §. 9. Vorder sietmen de Waarseggery uit allerhande voortekenen onder die volkeren in swang. So sy staan om uit een huis te gaan, ende iemant niest, so sullense wederom na binnen keeren; want sy sulx voor een quaad voorteken houden. 't Selfde word door Pieter van den Broek aangaande die van Narsinga bevestigd: die daar by voegt, dat sose 's morgens uitgaande enig quaad voorteken ontmoeten; sy te rugge keeren, of so lange blijven staan, tot dat een ander hen zy voorgegaan. Vorder Teikenen die sy goed of quaad, gelukkig of ongelukkig achten, worden by Carolyn, uit Twisk en van den Broek aldus beschreven. ‘Quaad en ongelukkig zijn, behalven het voorseide niesen en vogelvliegen: een ledige of ongeladen karre; een hond, die geen eten in den mond heeft; een buffel, ezel, geitenbok, aap, en ongebonden hert; een goudsmid, timmerman, barbier, kleermaker, kattoenkoper, smid of wever; ene weduwe; een dode, of die van ene begraffenisse komen sonder sich gewasschen of gekleed te hebben. Ook houdense voor ongelukkig, so hen iemant, die boter, oli, soete melk, swarte suiker, of al wat suur is, als appelen en limoenen, ook yser en al wat tot den oorlog dient, dragende, ontmoet. Maar voor een goed teken houdense enen olifant; een kameel, geladen of ongeladen; een peerd, sonder last beter dan geladen; ene koe; enen osse of buffel met water geladen, want ongeladen is niet goed; enen bok, enen hond met eten in den mond; ene katt aan de regterhand. Desgelijx, so hen iemant ontmoet met vleesch, gestremde melk, of witte suiker geladen. Ook een haan, of een haas die voor uit loopt; en honderd diergelijke dingen meer welke als gelukkige teikenen hen ontmoetende, sullense onbeschroomd hunne weg

{==36==} {>>pagina-aanduiding<<}

volgen, als versekerd van hun aanstaande geluk. Texeira voegter by, datse 't quaad achten, na Sonne ondergang te eeten; ja datse 't ook voor sonde houden. §. 10. Dus veel van Waarseggery: van welke, ende besonderlijk Tovery, ik verwonderd ben dat so weinig aangetekend vinde, by so vele schrijvers als ik daar over met neerstigheid hebbe nagesien. Selfs en heugt my mede niet, dat ik veel besonderlijx daar af gehoord hebbe, uit mondelinge t'samen-spraak met luiden die in d'oostersche landen lang en veel bereisd zijn. En 't gene my aldermeest vreemd dunkt, so en maakt Baldeus, die voordachtelik over d'Afgoderye der Oost-indische Heidensche schrijft, daar van nauweliks gewag. Dit is 't eennigste, dat ik by hem vinde 't gene hy van de besweringe der Slangen schrijft. D'inwoonders, seit hy, van Choromandel weten, neffens sommige Cingalesen en Malabaren, de Slangen te belesen so dat sy op hun singen staan danssen, tot verwonderinge. Als sy iemant laten sweeren, doen sy hem de hand in enen pot steken, daar ene slange in is: ende indien de sweerder niet beschadig word, so heeft hy wel geswooren; maar word hy gesteken, so verklaart men hem meineedig. Pyrard doet 'er by, (gelijk deselve Baldeus ook te kennen geeft) dat sy de grootste en arglistigste slangen besweeren, om hen niet de beschadigen.


IX. Hoofdstuk. De gevoelens en plegingen der Afrikaansche Heidenen komen in de grond met d'anderen overeen.

§. 1. DE Heidensche volkeren in Afrika, doorgaans min beschaafd dan de anderen, also luiden van letteren daar vast alle Mahometanen zijn; geven ons weinig kennisse hunder gevoelens, dan diemen uit hun doen bekomt. Daar aan is te sien, wat gedachten datse van de dingen hebben daar wy af spreken. Nochtans is't seer weinig dat ons by de reisigers daar af aangetekend is; 't welk ik echter, gelijk voren, in tweederlessen opsigt onderscheiden wil: door dien ik eerst sal opsoeken, wat slag van schepselen by hen voor goddelik geacht en geërd zijn; en daar na, wat voor gebruik van Waarseggery of Tovery by hen bespeurd word. Onder verscheidene van de beste schrijvers vind ik hier niemant, die alleen so veel berigts geeft, als de volneerstige Carolijn heeft by een gebragt. Dies wil ik van hem aanleidinge tot alles nemen; en wat ik van de selfde stoffe by anderen vinde, t'elkens op sijne plaatse tusschen voegen. §. 2. D'Afrikanen die buiten de wet van Christus of Mahomet van God iets weten, deelen ook, gelijk d'andere Heidenen, de Godheid onder verscheidene schepselen uit. Die hen aansienlixt voor ogen staan, zijn insgelijx de Lichten, die de Schepper, tot bewijs sijner ewige kragt en godlikheid, aan den Hemel gesteld heeft. Die van Damute ontrent de middellijn, on-

{==37==} {>>pagina-aanduiding<<}

der den Negus, en van Balagata, in 't land van Monomotapa, aanbidden van ouds d'opgaande Son. So doen ook die van 't koningrijke Mongibur, insgelijx den groten Negus onderdaan. Dese houden de Sonne voor den Schepper self. Van 't selfde die van Suarim, eerste stad van 't koningrijk Marat, 't welk mede onder den Negus is. Maar seggende, (so als Le Blanq getuigt) dat de Hemel alleen voor de Goden is: so geevense te verstaan, datse noch meer Goden, en die ontwijfelik van mindere achtinge dan de Son, erkennen. Die van Songo in het koningrijk van Congo, houden Son en Maan als man en wijf, en voor den eersten en tweden God. ook word'er d'Aarde, als moeder van alles, aangebeden; beneffens enig gevleugeld gedierte, dien lande eigen; of iets anders, byna, so 't schijnt, na eigen beliven. §. 3. Die van Ialossen, een koningrijk in Guinea, maken mede veel getiers met aanbiddinge, so wanneerse de Maan ontdekken. Insgelijx die van Mandimanca, mede onder Guinea; alwaarse de Mane Baria-mari, dat is Nachtgod, noemen. By de Berbesijns in de koningrijken van Ale en Brokallo wonende, (so D'Aviti uit Iarrik verhaalt) word de niewe Maan aan sekere Bomen vereerd. D'andere volkeren van Guinea maken hunne Fetissos, dat is Goden, van hoge Bomen en Kruiden. Ende word by hen ook sekere Vogel, by ons volk de Stier of gesternde Reiger genaamd, voor wat godlix geëerd. Onder de Visschen zijn by hen de Tonynen al mede Fetissos, ende in hoger eere dan de Swaardvissen: die sy noch wel vangen, maar niet en eeten; ten zy datter 't swaard eerst afgesneden zy, 't welk gedroogd zijnde dan al mede een Fetisso word. Wanneer de Donder en Blixem op seer hoge Bergen valt; so leert hen de schrik, dat de Bergen mede Fetissos zijn. De Lybiers, in vier geslagten verdeeld, komen alle in de Knoplook over een, dat die ene sonderlinge kragt en godheid besitt. De bewoonders van Cabo Verder eeren sommige de Maan, ander den god Kammuté, om sijner boosheid wille. §. 4. D'Onsterflikheid der Zielen word by hunner weinigen, en met veel twijfelens geloofd: daarenboven met het gevoelen van de Zielwisseling vermengd. So langen tijd, en so breed regeert als noch de secte van Pytagoras. Die van Mongibir in Etiopiën bewijsen hunne vriendschap aan de vreemdelingen, geen Kristenen zijnde: (want die zijn het so veel niet weerdig) om datse mogelik hunne namagen, of bloedverwanten souden konnen zijn, welker zielen door den dood uit hunne lichamen gescheiden, in die andere zijn overgegaan. Sy erkennen eenige straffe na dit leven; maar sonder duidelik bescheid. Doch die van Guinea gaven in't jaar 1600. aan de Nederlanders te verstaan, dat de zielen der verstorvenen, na hunne meininge, wel wederom op Aarde quamen, ende iets van daar uit de huisen tot hunnen noodruft mede namen: sulx sy lichtelik waren vermoedende geschied te zijn, wanneerder iet gemist wierd. Aan Cabo Verde beeld sich 't volk in, datse na dit leven witte menschen worden, en hier op Aarde wederom verkeeren sullen.

{==38==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 5. Meer als dit vind ik sonderlinge niet, van deser volkeren gevoelens ontrent dese saken aangetekend; en also weinig van hun Bedrijf. 't Gene men echter daar af bespeurd, meld sich self genoeg, dat het komt uit desen grond. Sulke Goden, sulke Godspraken; by hen daar voor geacht, en door Wicchelarije uitgehaald. In de niewe Historie van Abysine van Iob Ludolf, lees ik van 't koningrijk Zendero, hoe sich 't volk aldaar op 't verkiesen eens konings beraad. Te weten, de verkiesinge by de groten des rijks gedaan zijnde, so begevense sich mede in de bosschen; om hem te gaan soeken, volgens de vlugt van sekeren vogel, die hen dien niewen vorst door sijn geschreeuw ontdekt. Gelijkse alle kragtig tot de Tovery genegen sijn, so geeft de niewe koning hier een proeve sijner kunst. Want so haast als hy door sijne besweeringen de keuse op hem gevallen vernomen heeft; trekt hy tot sich, door de selfde kragt, leewen, tygers, luipaarden en draken. En in dese schone toerustinge word hy van de heeren sijns rijks ontmoet. 't Zijn d'eigene woorden van dien schrijver, uit het Fransch vertaald; die de sake na waarheid, en echter na sijn oordeel verhaalt. Doch wat kragt by al sulke besweeringen is, sal hier na eerst ondersocht worden. §. 6. Dien van Biafar, een koningrijk beoosten dat van Benin, word nagegeven, dat sy de grootste wicchelaars van alle zijn; als die zich beroemen, datse konnen te wegebrengen watse begeeren, Regen, Donder, Blixem, en diergelijke. De Bramas in 't rijk van Loango, weten hunne boomvrugten en 't gesaaide dier mate te belesen, dat het geenen nood van dieven heeft. Want de diefachtige onder hen (daar 't stelen anders seer gemeen is) sal 't herte niet hebben iets daar af aan te raken; so hy 'er enen korf met bokshoornen en papegaais veeren, beneffens andere dingen vind, die de merken van hunnen god Maguschi zijn; by anderen Mokischo en Mohilo genoemd, welken D'Aviti t'onregte voor den Duivel houd. §. 7. Die van Guinea besweeren hunne Goden self, om hen de visschen in 't nett te jagen, by aldien de vangst niet goed is. En dit geschied, door gehuil en misgebaar van de Fetisseros, dat is Priesters vrouwen, door telgen der bomen om hunnen hals gehangen, (want de Bomen, als geseid, mede van godlike kragt zijn) door 't slaan op de trommel, door enige woorden van den Fetissero sijnen vrouwen toegegraawd, en enig koorn met andere dingen, verscheidelik geverfd, in Zee geworpen. Moet de koning geld hebben, en verlangt derhalven te weten, of'er koopluiden op komenden wege zijn, daar voor hem winst uit te hopen zy: de Fetissero met sijne wijven vraagt dat aan enen Boom, na dat hy veelerhande gebaar met offerhande, met asch, met enen tak den Booms daarom gesteken, met water uit een bekken geslorpt, en op dien tak uitgespogen en met enige woorden tot sijne vrouwen gesproken, en ook eens gespogen heeft. Dat alles gedaan, en overluid gevraagd hebbende, horen sy enen stemme, sose seggen, sonder sien; of ook wel vertoont sich daar by de gedaante van enen hond. En dit is so veel als dit leven, en besonderlik 'skonings welvaart betreft. §. 8. Maar om na dit leven wel te zijn, het sy koning of onderdaan,

{==39==} {>>pagina-aanduiding<<}

word een ander slag van besweeringe gebruikt. Wanneer iemand gestorven ‘is, word aanstonds een nieuwe Fetisso verkoren; en gebeden, dat hy den overledenen na d'ander weereld geleiden wille. De naaste vrienden vergaderen; doden ene henne, om te koken. Daar op alle des overledenen Fetissos, afgods beelden, op ene rije gesteld, worden met erten en bonen aan een snoer geregen omgehangen; voorts met het bloed van de henne besprengd, en met kransjes van groene kruiden noch meer versierd. Dus verre isset mannen werk: nu brengen de vrouwen de gekookte hen in ene schotel, en settense in 't midden van de Fetissos. Een van de mannen stelt daar op sijne besweeringen te werk, drinkt en spuwt enen dronk waters of palmenwijn op die Fetissos: neemt twee of drie bladeren van die groene krans, die hy tot een rond balletje t'samen wryft. Dat dan tusschen twee vingeren genomen, steekt hy over en weder door sijne voeten of teenen; den Fetisso ondertusschen dikmaals groetende. De vogtigheid uit dat groen balletje over zijn heiligdom uitgedrukt hebbende, maakt hy wederom anderen, een achter een; en doet'er even eens mede, tot dat de geheele krans verdaan is. Dan maakt hy alle die balletjes tot een, en bestrykt daar mede sijn aangesigt. En daar mede word dit ook voor een Fetisso geacht; en derhalve bewaard, om in den oorlog, en andersins tegen alle onheil versekerd te zijn. Ondertusschen is de dode, so sy wanen, op voorseide manier in ruste gebracht. §. 9. Hunne waarseggerye word ook met Gevogelte gepleegd. Te weten met dien gesternden Reiger, of Stier, also genoemd: om dat hy seit Carolijn (uit welken ook 't voorgaande getrokken is) sijn sneb in de aarde stekende, byna als een osse loeit. Wanneer sy ene reis op handen hebben, en by geval sijne stemme horen: so verblijdense sich ten hoogsten, seggende, dat hen de Fetisso met sijn stem ene voorspoedige reise belooft. Waarom sy ook enen bak of kruike waters met enig koorn op die plaatse stellen, daarse die stemme gehoord hebben; op dat de Fetisso aldaar te eten en te drinken vinde. Hier van daan komt het, datmen doorgaans in de bosschen en velden sodanige bakken staande vind; daar in enig mais, rys, of ander koorn, tot spys en drank voor den Fetisso gesmeten is. Wy hebben dus genoeg van 't Afrikaansch Heidendom gesien: des laat ons na Amerika oversteken.


X. Hoofdstuk. In Amerika salmen 't mede niet veel anders vinden.

§. 1. AL t' land in 't westen gelegen, en voor 200. jaren noch onbekend, in 't gemein Amerika en West-indien genaamd; word nu, so verre als 't bekend is, meest van Kristenen beheerd. Die verhinderen, so verre als hun gesag strekt der inwoonders openbare Afgodsdiensten, en met een hunne Toverplegingen: maar 't volk in den grond heidensch zijnde, en so verre alsse vry zijn op heidensche wijse leevende; laat daarom niet na, sijne

{==40==} {>>pagina-aanduiding<<}

oude nukken te betonen. Derhalven wil ik in diervoege van hen spreken, alsse in haar selve zijn, om hun eigentlijk gevoelen en gebaar, so sy van ouds gewoon zijn, bescheidelik te doen verstaan. Hier in sal ik ook de jongste schrijver volgen; so veel het zuiderlixte deel betreft, al meest door Montanus by een gebragt: na't noorden afsakkende, sullen ons noch verscher berigten ter hand komen, daarmen sich sekerlijk op verlaten mag. §. 2. In 't Zuid-America, dat aan Africa naast is, leit brasilien voor aan, in't noordoost, en Peru daar tegen over in 't west. De Canibalen, oorspronkelik in 't noorden, van dat zuiderdeel geseten, verspreiden hunne afgodsdienstigheden mede over die eilanden heen, welke tusschen dat en 't noorderdeel gelegen zijn. Van 't zuiden, alsmede van 't midden deses lands, tot noch toe van de Europeërs minst besocht, en daar door te weinig bekend, hebben wy t'hans niet te spreken. Dus begin ik van de Brasilianen. §. 3. Van desen, hoewel meest bekend, valt echter in het stuk dat wy betrachten minst te seggen. Want de Brasilianen (seit D'Aviti, die het verhaal daaraf uit Pyrard, Leri en Abbeville bekort heeft) hebben God noch ‘Godsdienst. De Toutinambers geloven echter d'onsterflikheid der Zielen: en dat degene die welgedaan (dat is voornamelik, de meeste vyanden verslagen) hebben, na Ouaïoupia, ene plaats achter de bergen, varen, daarse in lustige velden danssen; maar die quaad gedaan hebben, moeten met Jeropary, die een bose God is, om gepijnigd te worden. Des gelovense mede datter bose Geesten zijn: ende magmen seggen, datse anders ook noch enige kennis van God hebben, diense met den name Toupan bedieden willen: also sy den Donder gewoon zijn te noemen, Toupan remimognan, dat Gods bedrijf te seggen is. §. 4. Sy hebben mede hunne Caraïbes of Waarseggers die veeltijds aan hen de vrugtbaarheid of onvrugtbaarheid der jaren, regen of droogte, en al wat den menschen op aarde goed doet voorseggen. En zijnde met een wond-heelers, so maken sy 't volk wijs, dat sy de pijn aan 't lichaam al suigende, of blasende, en dat op staande voet, genesen: so verre dat hen ieder een, selfs de oudsten onder hen, in alles wat sy gebieden, veerdiglijk gehoorsaamt. §. 5. De Tapuijers, anders Maraquyten geheten, in ses en seventig soorten verdeeld, onthouden sich landwaard in. Sy erkennen twederhanden God, enen goeden en quaden. Den goeden bewijsense geenen dienst; om dat hy uit sich self weldadig blijkt, en niemant beschadigt. Daarentegen biddense den quade seer yverig aan, ter oorsake dat hy om hals helpt die hem, niet eerbiedig onthalen. Sy verreisen, noch voeren geenen oorlog: ten sy datse eerst den bosen God raad vragen, niet sonder pligtelike dienstpleging. Hierom schrijvense hen self ene wetenschap toe, van toekomstige saken te voorseggen. 't Zijn de woorden van Arnoldus Montanus in sijne beschr. van Amerika, pag.373. Van hunne wicchelarijen, waar af te dier plaatse eene omstandig verhaald word, sullen wy hier na, uit de proef daar op te maken, het bescheid konnen weten.

{==41==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 6. Der Peruanen opperste God is by hen Viracocha, en tot nadere beduidinge Pachacama, en Pachayachakik, Schepper van Hemel en Aarde, en daarom mede Usapu wonderlik genaamd. Dese vertoont sich, na hun gevoelen, sigtbaar en werksaam in de Son. Sy eeren den Donder, als God van de Lucht. Pathamama is de Godinne der Aarde of d'Aarde self; en Mamacocha de Zee. Den Regenboge word by hen mede godsdienstige eere gedaan. Desgelijx Colca de Geitjes, boven al onder de Sterren. 't Gesternte Vreuchillay de Lier is der schaapherders God. Tegen de slangen wanen sy door Machacuay 't Serpent (een gesternte so genaamd) bevrijd te zijn. Chuquichiachaj heeft de leewen, tygers en beiren onder sijn bedwang. ‘Voorts gelovense, (hier sal ik wederom met Montanus spreken) dat geen levendig schepsel op aarde sich beweegt, welx gelijk de Hemel mede niet vertoont. Dat de aarschen onder de beschuttinge der hemelschen staan: doch ieder onder sijns gelijk, om deselve voort te setten en te behoeden. Hier uit quamen voort de benamingen der gesternten, Chacana, Toperatcha, Mamana, Mirma, en andere. §. 7. Sy geloven mede, dat de Fonteinen, Rivieren, Klippen, top‘pen van Heuvelen, sommige kruiden en Wortelen, en besonderlik de wortel Papas, van vreemde gestalte, Goden zijn. Voorts isser byna niets van vreemde gedaante of besondere kragt, daar sy geenen God in sien. Sulx met de naastvoorgaande vergelijkende, so 't schijnt, dat die menschen Opper- en Ondergoden erkennen; zijnde de kragt der eersten werksaam door de laatsten: invoegen dat de lichten aan den Hemel op die aarsche dingen werkende, die van besonder gebruik voor 't menschelik geslagte zijn; den selven hier beneden voor Goden verstrekken. Dus willen de Heidenen de Godheid boven in den hemel erkennen, en beneden op der Aarde vereeren. §. 8. De Onsterflikheid der Zielen, straffe voor de quaden, en beloning voor de goeden na dit leven, is allenthalven in Peru aangenomen; maar geensins d'opstandige der doden, seit Montanus pag. 307. 't welk nochtans te verwonderen is, hoe de menschen met al dien lichameliken Godsdienst, ja (mag ik seggen) met alle lichamelike Goden; eerder van de Ziele, die sy na den dood des lichaams nergens meer vernemen, geloven datse noch in wesen is, dan van 't Lichaam, dat noch, hoewel levenloos, enigen tijd blijft; dat het also wel sal wederkeeren, als de bomen kruiden, planten, sterven en herleven. §. 9. De Beelden hunner afgoden, veelerlei, vreemd, en sommige vervaarlijk van maaksel, worden in hunne Tempelen tot de godspraken gebruikt. Sommige geven antwoord, seit Montanus, gelijk als de Duivel-spraken te Delfos en Dodone. Hy heetse Duivelspraken, na 't gemeen gevoelen; dat de heidensche Orakelen, dat is Godspraken niet van God, maar van den Duivel zijn. Dan het is te sien uit het boek des heeren Antonius van Dale, van d'Orakelen, hoe weinig gronds dat heeft; waar van echter hier na op sijne plaatse sal gesproken worden. §. 10. Wat nu hun bedrijf belangt; geen volk is in Peru meer geacht, dan

{==42==} {>>pagina-aanduiding<<}

de genen die wy Duiveljagers of Waarseggers, beter Wicchelaars noemen souden: en dat uit oorsake dat sy heimeliken diefstal, voorvallen in afgelegene landschappen, toekomstig geluk of ongeluk, openbaren? uit t'samen‘spraak met enen bosen geest (so hy gelooft) in duistere plaatsen. Sy wisten den Spanjaarden te seggen den zege of de neerlage, welken hunne landsgenoten op den selfden dag in Nederland bevochten oft leden. Men vind in Peru ook menigte van Waarsegsters, die sich in huis sluiten, smoordronken suipen aan Chica, met het kruid Vilca gemengd. Ontnuchterd geven antwoord op de voorgestelde vraagstukken. §. 11. De Canibalen, by hen self Caraibes genoemd, in 't Noorden van Zuid-America geseten, achten wel de Sonne voor den oppersten God: maar ondertusschen heeft elke Boye, dat is, Priester, den sijnen; welken hy door toversang, tussche de smook van tabak, by nare nachten tot sich roept. Uit doods-beenderen met kattoen bewonden geeft de Duivel (so spreekt Montanus; ik soude seggen, Geest, so sy geloven) antwoord. Veel onheils veroorsaken de Piais of Tovenaars, (na der heidenen verstand mogt hy, mijns oordeels halve, liever Priesters seggen) bysonderlik by voorval van sterven. Want sy maken, gevraagd zijnde, 't volk wijs, dat dese of gene den doden heeft om hulp gevraagd, aan wien sich dan de naaste vrienden willen wreken. §. 12. Belangende de ziel (dit zijn wederom Montanus eigene woorden) omhelsen de Caraibanen een vreemd gevoelen. Ieder meent soo veel zielen te hebben als hy hertkloppingen heeft. De voornaamste ziel nochtans is 't hert, verhuisende in den dood met Icheiri, elx besonderen God, na 't geselschap der andere Goden: al waarse op gelijken voet leven als hier beneden. Weshalven dan ook de knechten geslagt worden boven de grafsteden der heeren, om hen te dienen in d'andere weereld. D'andere zielen, bestaande in hertkloppingen, nemen tweederhande woningen: de Moboyas dwalen door de wildernissen en bosschaadjen; d'Ommekous onthouden sich langs de Zee, en keeren de schepen 't onderste boven. De Zielen der strijdbare helden vertrekken na geluksalige eilanden, alwaar hen de Arouages slaavachtig dienen. Een bloodhertige verhuist uit dit leven, om 't juk der Arouages, na meldinge hunner vernieling, een volk dat hen uit vorigen woonsteden verdreven heeft achter een hoog gebergte, in dorre woestyne eewig te dragen. Wanneer 't dondert, wanen sy, dat Maboya op hen vergramd is. Uit welk alles te sien is, dat dese menschen nawelix andere goden, als hunne eigene zielen, en also gelijk als der ouder Grieken Daimones en Heroas erkennen. §. 13. Richard Blome Engelsman, heeft onlangs in sijne beschrijvinge van 't Engelsch Amerika, van 't Eiland St. Vincent sprekende, 't gevoelen en 't bedrijf der Careibes breder beschreven. ‘Sy hebben, seit hy, enig natuurlik begrijp van enen Godheid, of opperste vermogen; maar te seer vernoegd met het gedurig genot der hoogste geluksaligheid, om sich over den bosen handel der menschen te quellen. Ook is sijne goedheid, meinense, so groot, dat hy sich ontsiet, self aan sijne vyanden, die hem weigeren te eeren, enigsins te wreken. Doch sy geloven, datter goede en qua-

{==43==} {>>pagina-aanduiding<<}

de Geesten, en die goed zijn Goden zijn. Dat elk sijne schikkinge in 't besonder heeft: maar dat de Weereld echter door hem niet geschapen is; dan wel, dat elk mogelik de Schepper van dat land is, daar hy geëerd word en regeert. §. 14. Sy en aanroepen hunne Goden niet, dan alleen om die by hen te doen komen: en dat door de Priesters; ende dan om dese vier oorsaken; 1. om wraak over gelden ongeluk; 2. om genesinge van krankheid, 3. om d'uitkomsten hunder oorlogen te weten, 4. om hunnen groten Duivel (of liever bosen God) Maboija te verdrijven; want dien aanbiddense nooit. Waaruitmen besluiten mag, datse goede en quade Geesten, dat is, Daemones, geloven. Daar beneffens erkennense d'onsterflikheid der Zielen, en de Daemones of Heroas daar door ontstaande: mitsdien datse seggen, dat het de Ziele eens verstorvenen is, die sy tot hulpe tegen hunne vyanden roepen. §. 15. Hunne Toverplegingen worden daar met een aldus beschreven. Wanneer hunne Priesters veele hunder Goden teffens aanroepen, so wordense oneens en twistig onder malkanderen; ook tot slaans toe, so 't schijnt. Sy verbergen sich bywijlen in doodbeenderen, diese uit de graven halen, en met kattoen bewinden; waaruit sy hunne Orakelen geven. Deselve gebruikense om hunne vyanden te betoveren; mits dat de Toveressen iets om dese beenderen winden dat den vyand heeft toebehoord. Dese Geesten nemen ook dikmaals de lichamen der vrouwen in, uit welken sy bescheidelik antwoorden op 't gene hen gevraagd word. De jongen of priester vertrokken zijnde, so beweegt sich de schotel, en maakt de Duivel (so als het Blom verstaat, of de God, so sy self meinen) gerugt met sijne kaken; als of hy op de spijse en drank self aasde, diemen daar bereid heeft: hoewel 's anderen daags bevonden word, dat hy niets van allen geraakt heeft. §. 16. Ik sal noch wat nader verhaal van de Caraïbes doen, uit het omstandig beschrijven van De la Borde, die van wege des Franschen Konings met den Iesuwyt Simon uit geweest is om dat volk te bekeeren. D'inhoud van sijn verhaal, so veel als ter sake dient, is dusdanig. Van hun gevoelen aangaande de Godheid en Geesten: Louque was d'eerste Caraibe; en also hunder alleen gemeene vader, van niemant geschapen, uit den Hemel ter Aarde gedaald, alwaar hy sich langen tijd verhield. Uit sijne groten navel en ene insnijdinge sijns beens quamen d'eerste menschen voort. Hy schiep de Visschen; herleefde op den derden dag sijns doods, en voer wederom ten Hemel. Den hemel is sonder begin: maar aan d'Aarde en de Zee heeft Louco d'eerste beweginge gegeven; waarop de Mane gevolgd is. De verduisteringen van Son en Maan worden van den bosen God Maboyai veroorsaakt, om hen te doen sterven. De Maan is by hen in groter eere dan de Son: des sy ook hunne dagen daar na tellen, of liever de nachten. §. 17. Van de Daemones, Ondergoden en Horoës kanmen hun gevoelen lichtelik verstaan. Sy noemen enige Sterren, voor desen Caraibes geweest: welker eerste Racumon eerst in ene grote Slange met een menschen hoofd veranderd was. Savacon beschikt den donder en plas-regen, Achinaon den

{==44==} {>>pagina-aanduiding<<}

stofregen en harden wind; Couroumon maakt ebbe en vloed, Chirities de Sevenster is het doel hunder jaar-rekeningen, Coualma 't hoofd der Zemeens; (hierna te noemen) Limacani een komeet, van hem gesonden om den menschen quaad te doen, wanneer hy vergramd is. Joulouca de Regenboog is self een Zemeen, die sich op Zee ten goede, op Aarde ten quade vertoont. §. 18. Sy maken ook Zemeens van menige dingen, indien 't maar is dat syder verveerd af zijn: gelijkse den Vledermuis welken sy Boaliri noemen, voor hunne beschermgeest houden: en so iemant dat beest dood, dat het hem sijne gesondheid kost. Sy hebben, seit hy, so velerhande slag van bout-bonum, dat is, quaad voorspook dat ik 'er niet toekomen kan, om alle hunne sotternijen en beuselingen te verhalen. §. 19. Hun godsdienstig Bedrijf, ingevolge deser vreemde gevoelens, is meest al met Tovery en Wicchelary afgemaakt. De minste quaal komt hen niet over, of sy denken terstond datse betoverd zijn; waar af 't vermoet dan meest al op de vrouwen valt. Die by hen daar af verdacht is, word jammerlik mishandelt: tot datse iet voor den dag hale, dat heimelik by haar verborgen, het werktuig harer boosheid geweest zy. Dus bevonden na hun oordeel Toveressen te zijn, worden op ene gansch jammerlike wijse om den hals gebragt. Sy hebben ook andere middelen tegen de betoverheid, sose meenen. Sy doen, seit De la borde, de hoofdharen, of enige beenderen hunder overledene vrienden in een kalebas; 't welk sy bewaren en gebruiken 't om Wicchelary mede te plegen: seggende dat de Geest des verstorvenen daarin spreekt, ende hen van 't opsett hunder vyanden waarschouwinge doet. §. 20. Hunne Waarseggery word van de Zemeens, dat is de gemeensame Geesten der Piays of Papen gehaald. Sulk een doet sijn werk by nacht; en ten eersten al in't vuur uitblusschen, waar mede ieder een die in't oog is, na buiten moet. Daarop in enen hoek geweken, doet hy den kranken by sich komen; en een eindeken tabax gerookt hebbende, wryft dat in sijne handen, blaast het in de lucht, al heen en weer schuddende, en de vingers tegen malkander knappen. Op den geur van dit reuk werk mist de Zemeen niet aan te komen, door den dienst van desen Piay: en alsdan gevraagd zijnde antwoort hy met heldere stemme, als van verre, op 't gene men vragen wil. Daarna tot den kranken komende, tast de Paap, drukt en handelt dikmaals de plaats des lichaams daar de quale sich gesett heeft, geduriglik daar op blasende: trek somwylen, so't schijnt, enige doornen, of brokskens van maniok, van hout, of been, of vischgraat, die hem dese Duivel (so spreekt de schrijver na sijn gevoelen) in handen geeft; en maakt den kranken wys, dat hem daar 't quaad van daan komt. Hy suigt dikmaals het pijnlik deel, en gaat aanstonds uiter hutten, om 't vergif, so hy seit, uit te spuwen. Dus word de kranke gesond, meer by inbeeldinge dan na waarheid ende is wel aan te merken, dat hy geen koortsen noch quetsuren, als van pijlen, stok of mes, geneest. In dese vergaderinge magmen niet een woord spreken, noch enig gerugt maken, self van achteren niet; of de Zemeen vlucht aanstonds wech. Hy seit verder, dat het volk, terwijle de Geest daar is, den Pape waant om hoog te zijn, en te blijven, tot dat de Zemeen wederkeere. Tot dankbare beloninge word den Zemeen en Piay enige

{==45==} {>>pagina-aanduiding<<}

ververschinge plegtelik voorgedischt. Blijft dat staan, onverminderd; so heefter de Geest den geest uitgetrokken, en d'uitwendige grove stoffe maar gelaten: dan so 't al opgaat, (daar de Piay wel raad toe weet) so heeft de Zemeen 't een met het ander verteerd. Sy maken ook geen groot vreugdemaal, ofte Zemeen krijgt daar af sijn deel. §. 21. Na 't vaste land van 't Noord-America overgaande, komen ons de Mechikanen merkwaardigst voor. Thomas Gage geboren Engelsman, doch spaanschen Dominicaan, buiten paapsche bygelovigheid een geloofweerdig schrijver, doeter in 't 20.cap.des 1. boex dese meldinge af. Binnen de stad Mechico waren meer dan 2000. Goden: de twee voornaamsten wierden Vitsilopuchli en Tezkatlipuca genaamd. En daarna. Van dese twee Afgoden geloofdense, dat die gebroeders waren: dat Tezcatlipuca de God van de voorsienigheid was, en Vitsilopuchli die van den oorlog; welken sy daarom boven alle anderen eerden en dienden. Hy maakt vervolgens gewag van noch enen anderen God, welken sy grote eere bewesen; en in 't voorgaand cap. van Quetavatl den God des Luchts. Of dit Quetsaalcoalt zy, welken Montanus den God der koopluiden noemt, weet ik niet. §. 22. Komende daarna te Guatimale, en Amatitlam, alle onder 't spaansch gebied; so spreekt hy veel van der inwoonders Toverplegingen; die sy met d'uiterlike belijdenisse des Kristendoms noch niet verleerd hebben. Datse Wicchelaars zijn, geeft hy daar mede te kennen, datse acht nemen op de beesten die voor hen op den weg lopen, of die sy 't eerste sien; op 't vliegen der Vogelen, op 't singen der selven ontrent hunne huisen, in ongewone tijden. Sy geloven mede, dat hun leven hangt aan dat van enig beest: 't welk sy als hunnen gemeensamen Geest by sich bewaren: sich inbeeldende dat sy sterven moeten wanneer dat beest sterft; ook so verre, dat hun herte tsiddert en beeft, so wanneer dat beest van de jagers vervolgd word, en wanneer 't gevangen word, van hen selve vallen. §. 23. Van niew Spanjen in Niew Engeland overgaande, sal't genoeg ziijn Richard Blom te horen spreken. Die seit ons, dat daar 't ruwste volk ter weereld woond; hebbende nochtans hunne Goden, Priesters en Godsdienst. Hun voornaamste God is de gene die hem quaad doet, Okea genaamd: met wiense mondspraak houden, en die sich in hunne gedaante verschept. Doch sy aanbidden voorts al watse denken dat hen onvermijdelik schaden kan: 't Water en Vuur, Donder en, Blixem, groot en klein geschutt, Paarden, en 't Yser-verken of Engels wijn: op welx eerste gesigt, met d'Engelschen overgekomen, sy ysselik vervaard waren; gelovende dat het de God der verkens was, dien sy vergramd moesten hebben. By voornemen om te oorlogen, gaanse vooraf met hunne Priesters en Wicchelaars te rade. §. 24. Van 't Nieuw Iork, dat Niew Nederland te wesen plag, verhaalt deselfde schrijver diergelijke dingen; en voornamelik hoe sy hunne besweeringen te werk stellen, daaraf hy 't bedrog ontdekt. Waar van hier na in 't laatste deel. Doch 't gene hy van de Marilanders verhaalt, mag

{==46==} {>>pagina-aanduiding<<}

hier wel geacht worden. Een opperste God, die alles van eewigheid af gemaakt heeft; self de mindere Goden, om die daarin te werk te stellen, van meer en mindere weerdigheid. Sodanige zijn de Sonne, Maan en Sterren. Alles is uit water gemaakt; doch de menschen zijn uit vier kinderen gesproten, die d'eerste Vrouw by eenen deser Goden ontving. §. 25. Van de Zielen gelovense, dat de gene die wel gedaan hebben, by de Goden tot eewige geluksaligheid opgenomen: maar die qualik geleefd hebben, in Popogusso, aan 't einde van de werelt, daar de Son onder gaat, eewig branden sullen. Desen aangaande verhalense, datmen iemant des daags na dat hy begraven was, gesien heeft sich in 't graf bewegen, en sijn lichaam daaruit getrokken herleven. Dat hy doe verklaarde, hoe dat hy bykans in Popogusso geraakt was, had hem een hunder Goden niet bewaard; welke hem toestond weer te keeren, en sijne vrienden te waarschouwen, datse sich wachten moesten van dese schrikkelike plaatse. Een ander, wederom opgegraven, verhaalde, dat sijne Ziele, die in 't leven bleef, wanneer 't lichaam al ten grave was in ene ruime plaatse vervaren; gesien hadde, dat deselfde aan beide syden met schone bomen beplant was, met uitneemende vrugten geladen. Dat de selve eindelik quam daar voortreffelike gebouwen stonden: nevens welken hem sijn Vader ontmoette, die voor henen gestorven was; hem belastende om weerom te keeren, en sijnen vrienden 't geluk te melden, dat hen voor handen stonde, sose maakten daar te komen; waarop deselve ook wedergekeerd was. Uit desen is duidelik te sien, wat gevoelen dat dit volk van den stand der afgescheide Zielen heeft; en dat het selve vry wat meer beschaafd is, dan der meesten die hier voor genoemd zijn. §. 26. Die van Virginien houden Okea mede voor den hoogsten God: hoewel verkennende dat de God der Kristenen hem te boven gaat, uit dien datse veel meer gewelds doen met hun canon, dan sy self met de pijl en boog verrigten konnen. Want hunne geheele Godsdienst, gelijk der meeste volkeren daar ontrent, is op den oorlog aangelegd. Een der raden van eenen hunder koningen had in tijden van Iakob den eersten in Engeland verhaald, dat Okea menigmaal in sijnen Tempel verschijnt; waar op vier Priesters in hun huis komen, met vreemde woorden en gebaren. Datse daarop noch ander binnen tot sich roepen, aan welken hy verklaart het gene hy wil. Daar schikken sy sich na in all' hun doen, op reise en anders. Lustet hen eens op de jagt te gaan, so leert hy hen regtstreex op het wild aan te setten, 't welk sy met groot vermaak aannemen, en sijne bestieringe volgen; dat ook dikmaals wel uitvalt. Hy verschijnt als een schonen Indiaan met lang swart hair; en na dat hy sich aan sijne twaalf bontgenoten enigen tijd lang vertoond heeft, trekt hy wederom op in de Lucht, van waar hy gekomen was. §. 27. De gevoelens der inwoonders van Karolyne, een deel van Florida dat aan Virginien paalt, beschrijft hy vast even eens, als boven van d'Eilanders op St. Vincent verhaalt is. Okea is daar mede de opper-god; de goede en quade Geesten sijne ondergoden. Groot en klein worden door hunne offerhanden vereerd. Sy geloven insgelijx de verwandelinge der Zielen: en so wanneer iemand sterft: begraven de vrienden den voorraad en toerustin-

{==47==} {>>pagina-aanduiding<<}

ge des Lichaams, tot sijn onderhoud by de schaduwen in de Eliseische velden (so noemt hyse in gelijkenisse, der grieksche by ouds also genaamd) welke sy sich verbeelden aan gene syde van de Indiaansche Zee.


XI. Hoofdstuk. Alle dese Gevoelens en Konstplegingen van so veelderhande Heidenen worden nuttelijk t'samen vergeleken.

§. 1. TOt noch toe isser anders niet gedaan, dan allerlei gevoelen, en gebruik of ongebruik, van oude en nieuwe Heidenen, by een gehaald: sonder van mijn eigen iets te seggen, daar het noch geen tijd toe is. Want daarna salmen eerst sien, hoe groten nuttigheid dat het geeft, sulx alles vooraf te weten. Daar toe sal 't ook dienstig zijn, dat wy al 't gene dat ons dus verre getoond is onderlinge vergelijken: om te sien, wat het zy dat ons daar uit blijkt. Sulx doende bevinden wy, dat de volkeren in gevoelens en dienstplegingen, ontrent hunne Goden en Geesten, aan d'eene syde seer verscheiden; en aan d'andere nochtans wonderlik eendragtig zijn. Verscheiden zijnse in de namen: en dat is geen wonder; vermits de talen veelerhande, en d'eigenschappen, den geesteliken wesens toegeschreven, by so veele volkeren niet eenerhande zijn. Daar uit rijst dan ook het tweede verschil, datse die niet even veel tellen; noch even eens na waardigheid bewind en werkinge van malkander onderscheiden. Sulx is 7. §. 21. aangaande de volkeren van Asien in 't besonder getoond; het welk dan ook niet met de selfde reden op alle d'anderen gepast mag worden. Doch dat verschil en raakt ons niet so seer, als dat gene waarin sy echter allegaar, als of't doorsteken werk ware, met malkanderen eens zijn. §. 2. Alle de proeven, uit hunne schriften of geschiedenissen tot hier toe by een gebragt, sagen een deel op der Heidenen gevoelen, en een deel op hun bedrijf. In hun Gevoelen komense tweesins over een; na dat hun verstand noch enigsins door 't natuurlik licht bestraald, of door de dolinge beneveld is. Beide sal ik aanwijsen: mits daar by tekenende, waar de proeven op ieder stuk hier voor te vinden zijn; want het al te lang en lastig vallen soude, deselve telkens hier weer op te halen. Daarom wil ik mijnen Leser liefst vertrouwen, dat hy sijne neersigheid in 't nasien van 't gene voorschreven is, te werk stellen; of door versche geheugenis mijnen arbeid ondersteunen sal, om my noodloos schrijven te besparen. §. 3. Wat het eerste dan betreft, wanneer wy neerstelik letten op so veel exempelen en getuigenissen, in het 2. 5. 6. 8. en 9. Hoofdstuk aangehaald: so sullenwe gewaar worden, dat de geenen die allereminst van de menschelike reden over hebben, nochtans met luiden van geoefenden verstande in de waarheid van de swaarste stukken t'samenstemmen; die ik kortelik noemen, ende (als geseid) ieder 't sijnerplaatse aanwijsen sal. Alle dese Heidenen dan,

{==48==} {>>pagina-aanduiding<<}

ouden; nieuwen, Europeërs, Asianen, Africanen, Zuid en Noord Americanen, komen in vijf hoofdsaken over een, die van onbetwistelike waarheid zijn. I. Datter maar een eerste wese of opperste Godheid is. 2. §. 3. en 7. §. 1,2,3,5,7. en 10. §. 6,11,16,24,27, II. Datter Geesten zijn die een begin gehad hebben, van God en der menschen ziele verscheiden. 2. §. 2,9,10,11. en 7. §. 2. 9--12,18. en 10. §. 3,13. III. Dat deselve goed en quaad, des menschen vrienden of vyanden zijn. 2. §. 11,15. en 7. §. 9,10. en 10. §. 5,13,24,27. IV. Dat de Zielen der menschen met hunne lichamen niet vergaan. 2. §. 15,16,17. en 6. §. 3. en 7. §. 2,3,5,6. 12--20. en 9. §. 4. en 10. §. 8,12,14,22,25,27. V. Dat goed en quaad na dit leven geloond sal worden. 2. §. 18. en 7. §. 2. 5,6,8,16,17,18,19. 20. en 10. §. 3,12,25. Want het gene tegen dit laaste van Epicurus wege schijnt te strijden, daaraf sal ik een weinig verder spreken. §. 4. Maar 't gene nu een groot bewijs van de verduisterheid hunder herte is, doet sich in al 't overige klaarlik op. Want uit all' hunne redenen, selfs daarse waarheid spreken, is te merken, datse sich hier tweesins vergrijpen: de godlike hoogheid van den hemel ter aarde nederduwende, en den geringen mensche van der aarde ten hemel verheffende: mitsdien datse van 't schepsel al te hoog gevoelen, en aan den Schepper al te laag. En siet, door dese misvattinge, en datse geen goed onderscheid maken, wat der nature van God of schepsel past of niet en past; so komense tot alsulke grove dolingen, daar hunne Afgodsdiensten en Toverpleginge uit ontstaan. Zijnde seer gemakkelik te bespeuren, dat geen der selven uit enig deel der waarheid, terstond gemeld; maar enkelik allegaar uit verkeerde bevattingen ontstaan zijn. Laat ons kortelik aantrekken 't gene daar af uit vorige aantekeningen blijkt, en wy sullen 't sien. §. 5. Aangaande 't godlik Wesen; men siet I. Datse de godlike uitnementheid al te menschelik begrijpen; den Goden, so wel groot als klein, menschelike afkomst, huwelik in kinderen toepassende VII. 5,6,17,. 7. §. 5,6,17. en 10 §. 16. II. Datse al te geringe gedachten van Gods volmaaktheid hebben: door diense meinen, dat hy sich al te seer vermoeijen, en sijner heerlikste geluksaligheid te kort doen soude, indien, hy 't bestuur van alles self ter hand name 2. §. 4. en 10. §. 13. want daarom hebbense hem Ondergoden, als stedehouders by gesteld. 2. §. 7--12 en 7. §. 2--8. en 10. §. 6,7. 12. 13. III. Datse de Goedheid niet noodsakelik aan de Godheid vast maken: mitsdien datse sig doorgaans so gereed enen quaden als goeden God verbeelden. 2. §. 4,12. en 7. §. 3. en 10. §. 20. IV. Datse den Schepper met het schepsel lichtelik vermengen. 2. §. 7. en 6. §. 2. en 9. §. 2,3. en 10. §. 6,7,17,23. 24. §. 6. Belangende de Geesten, so is te merken.

{==49==} {>>pagina-aanduiding<<}

I. Datse 't geestelijk wesen van 't lichamelijk niet behoorlik onderscheiden. 2. §. 1,6. Daar van komtet, datse alleen den Geesten: maar de Godheid self mede lichamelike bewegingen, eigenschappen, vermaaklikheden; en bepaalde woningen, in den Hemel, in de Lucht, op of onder d'Aarde toegeschreven hebben. 2. §. 14,16, en 7. §. 6. 14,18. 7. §. 14. II. Door diense 't onderscheid tusschen de Zielen der Menschen en der Beesten niet wel begrypen: so vervallen sommigen tot die grovigheid, datse Mensch en Beest eenerleije Ziel toepassen. 7. §. 14. Sonder dat hadde t'onmogelik geweest, dat sich 't gevoelen van Pytagoras, van de verhuisinge der Zielen in andere Lichamen, so wel der Beesten als der Menschen, ooit so diep geworteld, en de gansche weereld door verspreid hebben konde. 2. §. 17. en 7. §. 14,15,16,17,18. III. Uit den selfden grond is 't gemeen gevoelen van 't omswerven der Geesten, en der Menschen Zielen na den dood, baarblijkelik ontstaan. 2. §. 15. en 6. §. 3. en 7. §. 19,20, en 10. §. 12.

   §. 7. 't Helpt mede tot verkleininge der Godheid, datse de menschen self tot Goden maken; het zy by leevenden lijve, het zy na den dood. Levendig: gelijk d'oude Grieken en Romeinen, die 's menschen hertstogten of gemoeds bewegingen tot Goden en Godinnen maakten: of als de hedendaagsche Canibalen, die van sulke meininge niet veel verschillen, gelijk 2. §. 14. en 7. §. 5,6. en 10. §. 14. getoond is. Na aflijvigheid, en dat wel meest: sulx geeft der ouden άποθέωσις vergodinge te kennen: 2. §. 13. ende gaat nergens verder dan by deselfde Caraibes of Canibalen; als wanende, gelijk 10. §. 12,16. geseid is, dat het geheel geslagt der Goden uit hunne voorouders gesproten, ende sy self also van godlike afkomste zijn. De Genij of Zemeëns, dat is bystaande Geesten, zijn al mede uit den grond opgeborsten; so als uit der selver beschrijvinge op verscheiden plaatsen is te sien.

§. 8. Nu is lichtelik te vatten, op wat grond der ouden Divinatio en Magia, dat is, der hedendaagscher Heidenen Wicchelary en Tovery gebouwd zijn. Want wat hunne Wicchelarije betreft, die moet enkelik hier op rusten. I. Dat ieder God sijn volk heeft, wien hy gunstig is, en dat hy 't als sijn beschermt: dies vraagt men hem wat sijnen volke wedervaren sal, en wat raad. II. Dat ieder God ook sijnen vyand heeft; derhalven soekt elk hulpe tegen Goden daar hy oordeelt dat hem 't quaad van komt; by alsulken anderen, die hy denkt dat sijn hardste vyand is. III. Dat elk mensche sijnen God of Geest besonder heeft. Daaruit is 't dat ieder een sijne eigene invallen en driften voor godlike ingevingen en bewegingen schatt; insonderheid so hem iet in den droom is voorgekomen, waaraf hy d'oorsaak uit voorgaande besigheden of ontmoetingen niet so effen weet; of door sulk vooroordeel belett, niet ten naawsten ondersoekt. IV. De vermenginge der Godheid met de schepselen, heeft alle soorten van Wicchlarye voortgebragt: uit de Sterren, uit den Donder, uit de Voge-

{==50==} {>>pagina-aanduiding<<}

len, uit Bergen, Bosschen, Wateren; en uit alles waarin sy geloven dat sich enige Godheid openbaart. V. Het omswerven der Geesten by hunne Lijken, doorgaans bij de Heidenen geloofd, konde lichtelik voet geven om de doden te belesen. §. 9. Hunne Tovery aangaande, laat ons dit slechs overwegen. I. Dat het geen wonder is so sy, die niet alleenlik de geschapene Geesten, maar self de onsterflike Goden, in goeden en quaden onderscheiden: deselven ook tegen malkanderen pogen aan te voeren; en sich door middel van den goeden, of wel van den eenen quaden, tegen den anderen te beschermen; of 't leed hen van den eenen God aangedaan, door hulp des anderen te wreken. II. Die so veel en veelerhande, so Goden als Geesten, ook grote en kleine Goden versinnen: niet vreemd is't, datse insgelijx meinen, door hulpe des magtigsten den minderen te verkragten. III. Nadien wy ook so menschelike gedachten van de Goden hebben, dat die mede den hertstogten, gelijk sy selve, onderworpen zijn; ja die menschelike driften self ook wel voor Goden houden: so moet het hen insgelijx gereed vallen, deselve, na dat hen 't hooft opgeeft, tot nadeel hunner vyanden aan te setten. IV. Want ook uit dien, dat ettelijke hunder Goden so gering, en de Geesten met hen so gemeensaam zijn: so dunkt hen, datse die self in hun bestier hebben, om derselver heimelixte werkingen te gebruiken tot al datse willen. VI.4. §. 10. Noch iets, dat de Wicchlarye en Toverije t'saam betreft; waar van 't een deel op de saken, 't ander deel op de gevaren siet. De sake self komt hier op aan. I. Dat hun gevoelen van de Lijf- en Lijkgeesten hen doet denken, dat ontrent de Lijken of de graven iets te doen is: waarom sy uit de Doodsbeenderen wicchelen, en met deselve toveren, door de Goden en Geesten, die sich daar by verhouden, of daar in werkende zijn. X.21.16. II. Dit sweven en spelen van allerhande Geesten, meest quaden, maakt dat sy seer gereed zijn, so haast als hen onverwachte, siekte, of sterfte, of ander ongemak overkomt; sulx op hunne haters en benijders te vermoeden, als van hen betoverd zijnde. Want indien de kleine Goden of Geesten, na 't believen van de menschen werken, welker Geesten sy zijn: so en kan 't niet missen, of sy sullen door derselver hulpe tot elkanders nadeel doen wat in hun vermogen is. Nu op dit vermoeden is die Wichelerije gegrond, waar doormen soekt te weten wie dat ons betoverd heeft. 10. §. 8.16. §. 11. Wat hun Tovergebaar betreft. I. De lichamelike gedachten diese doorgaans van de Geesten, en selfs van de Goden hebben; brengen ook ontwijfelik te wege datse so veel uiterlik gebaar in hunne besweeringe gebruiken. 10. §. 16. Hoewel daar noch ene andere oorsake by komt; te weten de bedrieglikheid der papen om 't eenvoudig volxken te misleiden. II. My dunkt ook, dat ik uit die algemeenheid van Pytagoras gevoelen

{==51==} {>>pagina-aanduiding<<}

sie, hoe 't kan bygekomen zijn, dat de menschen kragt in letters en getallen, dus ofte so t'saamgevoegd, en vervolgens in d'uitspraak eniger woorden stellen. Want deselve Pytagoras heeft gemeind, dat de kragt der Godheid in d'everedigheid en t'samenstemming der getallen speelt. En gemerkt, dat de letters van 't ABC, niet alleenlik by de Grieken en Hebreen, maar by de meeste volkeren die letterkundig zijn, mede tot betekeninge der getallen strekken; so en kander geen woord bedacht worden, dat met sijne letters niet een getal uitmaakt. Hier by magmen dan redelik gissen, dat het een woord uit dese, het ander uit sulke letteren, veel of weinige, dus ofte so t'saamgesteld, meer of minder kragt heeft, na hun gevoelen, in de besweeringen. III. Buiten eigentlike leesletteren, komen hen de namen en teikens hunner Goden ook te pas: so alsmen heden besonderlik by de Lappen en Finnen siet, welker Tovertrommels met sodanige karacters over en over beklad zijn. 6. §. 5. §. 12. Doch 't voornaamste dat ontrent alle die Belesingen, het zy tot Wicchelarije, het zy tot Toverije, te bemerken staat, heb ik hier noch niet geseid. Ende bestaat daar in, dat het een en 't ander by den Heidenen een deel van hunne Godsdienst is; ja dat die by sommige volkeren, boven al in West-Indien, by kans geheel daar in bestaat. 9. §. 6. en 10. §. 16. Het kan ook niet wel anders wesen, mitsdien dat alles op hun gevoelen van de Godheid berust, of daar uit ontstaat. I. Over sulx is dit gansche werk en de bedieninge daar af by hen geensins voor iet quaads geacht: maar alleen voor so verre 't iemant ten quade gebruikt. Hier van is 't dat de Magi en Divini van ouds, gelijk de hedendaagsche Braminesi der Indianen, de Fetisseros der Guineërs, de Baiwas of Piays der Peruanen en Canibalen, neffens diergelijke; sich aan der koningen hoven ende in hunne tempelen vonden: en dat een wijs man, een leeraar, of landraad, of priester of profeet daar voor niet erkend word; so hy geen Wicchelaar, of (in dien sin verstaan als geseid is) geen Toveraar en zy. De H. Schrift geeft ons sulx in Iannes en Iambres in Bileam, in Daniel en sijne met gesellen te verstaan. Hier van is hier voor 4. §. 1,4. ook al iets geseid. En is insgelijx uit de gemeene proeven, te voren bygebragt, wel te merken, dat de Heidenen school van sulke konsten houden; en besonderlik de Priesters 't volk tot dat amt van jongs op onderwijsen, self tot de domme Laplanders toe 6. §. 4. II. Met een kanmen hier de reden sien, waarom dat de ingewanden der geslagte offerbeesten, en dese of geene kooksels van vleesch of kruiden, tot toverije of waarsegginge gebruikt worden; te weeten, om dat na hun gevoelen iet godlijks daar in speelt. §. 13. Het blijkt derhalven, dat alle de genoemde plegingen der heidenen deels op gewisse kennisse, en deels op losse gissingen en bystere dolingen gegrond zijn. Datse de Godheid soeken of vresen, word op de natuurlike kennisse, die de meest verbasterde menschen van God hebben, gebowd. Maar dat sy 't aan sulke, en aan so slechten slag van allerhande Goden, en op so

{==52==} {>>pagina-aanduiding<<}

veelerleije wijsen doen: dat is hen luider verdorvenen verstande toe te schrijven. En dit al, so veel de genen betreft die enigen God of Geest erkennen, en d'onsterflikheid der Zielen geloven: waar tegens niet en strijd, datter Epicureën zijn, die 't een met het ander ontkennen, of ten minsten in twijfel trekken. Want Epicurus, en die hem heden volgen, lochenden so seer de Godheid noch de Geesten niet; alsse wel werk deden, om de menschen die sulx alles geloven te overtuigen, dat hun doen met den toets van sulk verstand niet goed te maken was. Over sulx kan het geensins bestaan, dat iemant een Epicureër ende met eenen een Wicchelaar of Toveraar zy. Daar tegen kan geen heiden Epicurus tegenspreken, sonder sich op die kunsten, en der selver uitwerkingen met een te beroepen. §. 14. 't Sal goed zijn, dat wy, tot meerder sekerheid, de luiden van sijne gesindheid met hunne eigene woorden horen spreken. Gassendus heeft een deel daar af Sect. 11. Cap. 6. aldus by een gesteld. Het is evenveel, of God de dingen door sich self bestiert, gelijk sommige willen; of, so als anderen beweeren, door bedienaars, die by hen doorgaans Genij en Daemones genaamd zijn. Want eensdeels de saken eveneens gebeuren, als offer geen sodanige bedienaars waren; en al stond men 'er enigen toe, so konnense echter niet zijn so alsmense versint, te weten, van menschelike gestalte, ende met ons sprekende. Te geswygen, dat vele derselver boos en met gebreken zijnde, niet gelukkig noch langleevende wesen konnen: aangesien dat de boosheid met veel onverstands gevoegd, en tot den ondergang geneigd is. Dit van de Geesten: hoort men nu ook van 't bedrijf dat daar ontrent gebruiklik was. Sy plegen sich ook, seit hy, tot bewys, so van de voorsienigheid, als van datter Geesten zijn, op de Divinatio te beroepen. Maar ik sie met verdriet dese menschelijke swakheid aan; gemerkt datse ook uit de dromen Godspraak halen: (Divinationem repetunt) niet anders dan of God op stelten ginge, om de menschen in diepen slaap door luinsche gesigten te vermanen, van 't gene te gebeuren staat: als of ook 't Geluk en 't Geval niet genoegsaam ware, om alle sulke uitkomsten te veroorsaken; sonder God niet alleenlik met Son en maan, en veelerhande dieren, maar ook met allerley steen en koper te vermengen. Die so spreken, tonen klaarlik datse liever allen God en Geest ontkennen, dan voor sodanig erkennen willen, als by d'andere Heidenen geloofd word: of om die beide te geloven, wicchelaars of Toveraars souden willen zijn. Dus verre van 't Heidendom: nu laat ons metter tijd enige treden verder gaan.


XII. Hoofdstuk. 't Gevoelen der Joden word met reden mede ondersocht.

§. 1. TOt noch toe hebben wy niet als 't Heidendom gesien, dat geen ander licht dan van Naturen heeft: nu gaan wy dan verneemen, wat de genen die door de Schrifture verlicht zijn, desen aangaande geloven of bedrijven. Doch die en zijn niet eenerley; maar in Ioden, Mahome-

{==53==} {>>pagina-aanduiding<<}

tanen, Kristenen onderscheiden. D'ongelijke maten der verlichtinge, die sy ontfangen hebben, of te werk stellen, heeft dit onderscheid gebaard. Ik sal van de genen beginnen, die verdst van 't Kristendom, ende also aan 't Heidendom de naaste zijn. Voor sodanig schijntet wel datmen 't volk van Mahomet behoort te houden; door dien wy een vooroordeel ten goede van de Ioden hebben, als Gods volk van ouds. Maar onaangesien watse by ouds geweest zijn, so als wy hen op heden veranderd sien, de Mahometanen komen ons veel nader by. Beide schuw van Afgodsdienst, erkennen sy maar eenen God, en sijn Woord voor den eenigsten regel huns Geloofs. Maar de Ioden niet meer dan het oud Testament: de Mahometanen ook het Niewe; behalven datse den Alkoran, zijnde de Wett van Mahomet, by die van Moses en van Christus voegen, tot beider verbeteringe. Doch het selfde bykans word by de Ioden met den Talmud, houdende d'insettingen der Ouden, gepleegd. Als 't er op aan komt, so wordt d'onfeilbaarheid der boeken van de Wet en 't Euangelium misschien beter by 't volk van Mahomet dan die van de Wet alleen in 't Iodendom besorgd. Daar by komt, dat Iesus Christus, na Mahomets leere voor een groot Profeet, en boven Moses erkend en geëerd; maar van de Ioden yselik vervloekt word. Om die reden seg ik, dat de Mahometanen wel de helfte nader zijn aan 't Kristendom, dan de Ioden hedendaags. En wat behoev ik meer dan dit? In 't gene daar wy na af handelen, gaan de Ioden niet so verre af van 't Heidendom, als de Mahometanen doen. Dat moet blijken uit het gene ik daar af te berde brengen sal. §. 2. Nu, so lang als wy niet dan met Heidenen te doen hadden, moesten wy hun gevoelen van de Goden, Geesten en Zielen ondersoeken. Maar hier valt van geen Goden iets te seggen. De Ioden, schoon alleer te overdadigd tot Afgoderij geneigd, zijn 't seder de Babylonische gevankenisse, nu 2200. jaren lang, so vreemd van de veelheid der Goden, datse self maar eene persoon in d'allereenigste Godheid erkennen. Sy geloven uit de Schrift, dat die eene, almagtige en algenoegsame God alles uit niet geschapen heeft, als noch alleen bestiert en in wesen houd. Onder sijne schepselen tellense Engelen en Menschen: en dese sodanig, datse ene Ziel hebben, uitneemender dan de beesten; hoewel van minder volmaaktheid dan d'Engelen selve zijn. Dit is van ouds af hun geloof, en dus verre komense dan ook beter dan de Mahometanen (gelijk hier na geseid sal worden) met de Kristenen over een. §. 3. Doch men moet hen gelove, so als 't by ouds was, doe noch d'eerste Tempel stond, van 't gene daarse namaals allenxkens toe vervallen zijn, behoorlik onderscheiden. Sy waren doe regtsinnig; (uitgesonderd veele die sich tot Afgodery vervoeren lieten) ende hadden buiten twijfel van d'Engelen, Duivelen, Zielen der menschen, geen andere gedachten, dan ons de Schrift noch heden leert. Sullen wy hen dan aanmerken als die van ons verschillen, so moeten wy hen in later tijden sien; te weten, van doe af dat hun staat sich neigde tot den vall, en 't Kristendom 't hoofd op stak. Maar mitsdien datse heden tweederhande zijn; de Karrajim, die sich blotelik aan de

{==54==} {>>pagina-aanduiding<<}

Schrift houden, en de Rabbanim, die d'Overleveringen hunder leeraars volgen: so vereischt het klein getal datmen heden van die eerste soorte vind, dat wy 't op de laatste nemen. Gene zijn een overblijfsel van de Sadduceën, in Europa naaweliks bekend; gelijk dese noch afsettelingen van de Fariseën zijn. §. 4. Schoon wy ons nu aan de laatsten houden, so magmen echter noch een nader onderscheid tusschen d'oude en hedendaagsche Ioden merken. Voor ouden versta ik sulke, die in des Heeren Iesus, of der Apostelen tijd, of niet veel later geleefd hebben. Filo, de geleerdste en bescheidenste der Ioden, verscheelde van Plato niet seer veel: seggende ‘dat de Sterren besield’ zijn, en door eigene verstandigheid in 't ronde beweegd worden. Dus verre stemt hem Ben-Maimon toe, die dat gevoelen kortelik aldus begrijpt. Alle de Sterren en Hemelkringen hebben Ziel en kennis en verstand, leven en geduursaamheid: hem kennende door wiens woord de Weereld gemaakt is. Elk derselven roemt en verheerlikt sijnen Maker, vermogens ieders weerdigheid en uitneementheid, gelijk als d'Engelen doen. En gelijkse God kennen, so verstaanse mede wat sy selve zijn; als ook d'Engelen boven hen zijnde. Doch so is de kennisse der Sterren en Hemelronden minder dan der Engelen, en meerder dan der Menschen. Dus lees ik in sijn boek van de Gronden der wett, in 't 3.cap. §. 11. §. 5. Nader komende tot de Geesten, 't zy Engelen of Zielen der menschen, so sienwe oude en nieuwe schrijvers niet so effen t'samenstemmen. Wat d'eersten belangt: Filo was van dit verstand. De Lucht gelooft hy ‘vol geesten te zijn, welker sommigen, als de volmaaksten, nooit lichamen aandoen; maar op en nederwaarts gaan en keeren, ten dienste van den groten God. Andere, van slechter maaxel, nemen lichamen aan: tot welken, door den dood afgelegd zijnde, sommige namaals wederkeeren; andere, vedrietig van dit leven, trekken hoger op, en leven daar in rust. Dan sijnder noch andere, (nu begin ik sijne eigene woorden te verhalen) de suiverste en beste van allen, van hogen en godliken verstande, d'aardsche en nietige dingen versmadende, dienaars van den Almagtigen, ende als oren en ogen des groten Konings, die alles horen en sien. Dese worden by de Filosofen Genij, in de H. Schrift seer voegelik Engelen, dat is Boden, genaamd. Want sy zyn tusschenboden; die des Vaders bevelen aan de kinderen, en der kinderen gebeden aan den Vader overbrengen, daarom ook van hen geseid word, datse op en nederklimmen. In sijn boek van de Dromen spreekt hy dese taal. §. 6. Wilmen nu hier by de Ioden van de latere tijden horen, en besonderlik watse van de nature der Engelen gevoelen daar over seit W. Vorstius met regt, in sijne Aantekeningen over Ben Maimons Gronden van de ‘Wett, dat sy 't onderlinge niet wel eens zijn. Sommige van gevolen zijnde, datse uyt de fijnste elementen geschapen zijn; gelijk R. Iuda in sijn boek genaamd Cusxi 4. §. 4. meld. Andere (gelijk de schrijver van 't boek Iezira, so deselfde R. Iuda seit 4. §. 25.) houden d'Engelen uit den H. Geest te zijn. Ook word in 't boek Chagiga fol. 14. gemeld, dat noch dageliks dienstbare Engelen door Gods woord geschapen worden. Maar

{==55==} {>>pagina-aanduiding<<}

Ben-Maimon self spreekter, (gelijk doorgaans van andere dingen mede) veel wijsliker af. 2. §. 4. D'Engelen, seit hy, hebben ene wesentheid (thora, formam) die sonder enige stoffe bestaat: de wyle sy geen lichamen zijn, maar wesentheden, (thoros, formae) van malkanderen onderscheiden. §. 7. D'Onderscheidinge der Engelen, in den joodschen sin, wil ik ook liefst uit den selfden schrijver voorstellen; want niemant hunder allen by hem in geleertheid of bescheidentheid te gelijken is: op dat ik immers hen geen ongerijmder leere, dan de besten onder hen self erkennen willen, toe en schrijve. Hy toont vervolgens sijn gevoelen dan op desen sin. ‘Wanneer de Profeten seggen, datse Engelen als vuur, en met vleugelen gesien hebben: sulx word profeetscher wijse, en by gelijkenis geseid; om te betekenen datse niet lichamelik noch swaarlijvig zijn. Gelijkerwijse word God self een verteerend vuur genoemd, te weten oneigentlik: en so is mede te verstaan, hy maakt sijne Engelen winden. (In onsen Bybel, Geesten; 't Hebreewsche woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ruah word op beiderleije wijse vertaald.) D'Engelen dan, sonder lichaam zijnde, worden wesentlik, ende met een trapswijse, in waardigheid van malkanderen onderscheiden; waar in d'een den anderen overtreft. Daar past hy dese woorden op, die hoger is dan de hoge neemter acht op. Pred. 5.7. Niet echter, dat des eenen plaats boven den anderen verheven is, gelijk 't wel met de menschen gaat: maar gelijkmen spreekt, dat van twee wijsen d'een wijser-is als d'ander; alsmede dat d'oorsake 't veroorsaakte te boven gaat. So wil hy dan hebben, dat God self die van d'eerste waardigheid; doch dese dan die van de tweede, en de tweede die van de derde, ende so vervolgens hebben voortgebracht.

§. 8. Deser Trappen of Ordeningen worden gemeenlijk by de Ioodsche schrijvers tien gesteld; ende by den selfden Ben-Maimon, gelijk mede in 't boek Midrasch Bereschyt, aldus van boven af tot beneden toe, met hunne namen onder scheiden, 1. Chaijos hakkodesch, 2. Osanim, 3. Oralim, 4. Chasmalim, 5. Serafim, 6. Malachim of Engelen, 7. Elohim, 8. Bene Elohin, 9. Cherubim, 10. Yschim. Gemerkt dat de betekenisse deser namen meestendeel onseker, en verre te halen is: so sal ik se ten kortsten vertalen; so als ik uit de verklaringen, daar af te lesen, ten allernaasten raden mag. 1. Heiliglevende. 2. Raderen. 3. Sterk van kragten, 4. Vuurvlammen, 5. Brand-vonken, 6. Boden, 7. Goden, 8. Godessonen, 9. Tempelbeelden, 10. Mannen. D'eersten meintmen so genaamd te zijn, om datse op uitneemender wyse dan de mensch, oorspronkelik heilig, en door hunnen invloed oorsake des levens van de volgende schepselen zijn. De laatsten mogen daarom de naam van Mannen dragen, om dat sy de genen zijn, diemen leest dat bywijlen, van Gods wege in mans gedaante plegen te verschijnen. Dese zijn 't ook (seit Ben-Maimon wederom §. 9.) die alleen met de Profeten spraken, ende op den naasten trap der menschelijke wetenschap staan. §. 9. Dus verre, hoe sy onderling verschillen: nu sal ik denselfden met sijne eigene woorden laten seggen, wat dese 10. Ordeningen t'samen van God en menschen onderscheid. Alle dese levendige wesentheden kennen den Schep-

{==56==} {>>pagina-aanduiding<<}

per met een seer uitneemende wetenschap: ieder na eisch sijner ordre, niet na vereisch sijner uitnementheid. Dienvolgens kan d'eerste trap de waarheid des Scheppers niet begrijpen, sodanig als hy in hemselven is; also zijn verstand al te bekrompen is, om hem te bereiken. Nochtans komt hyder verder mede, dan eene der wesentheden die van lager ordeninge zijn. Ende kent noch ieder van deselve, tot de tiende toe, den Schepper volkomeliker dan de menschen, uit stoffe en vorm (of wesentheid) bestaande. §. 10. De Kabalisten, naaste wegwijsers tot de Ioodsche Toverkunde, zijn mede met die tien Ordeningen niet te vreden: maar al 't geschapene word by hen eerst in vier kringen verdeeld. D'eerste is der Uitwasemingen, Avilos; anders Sefiros, Lichten genaamd, by de Ioodsche meesters van ouds beroemd. Dese willen hen noch Schepselen, noch 't wesen van den Schepper, maar desselfs onderscheidelike volmaaktheden geheten zijn so het Manasse ben Israël op't naaste verklaart; deselve met d'Ideën van Plato vergelijkende, die hy voor hoofdsaken aller dingen hield. Ende wordender sodanige tien by hem geteld: de Kroon, de Wetenschap, de Voorsigtigheid, de Hoogstatelikheid, de Dapperheid, de Schoonheid, de Overwinning, de Heerlikheid, de Grondslag, het Koningrijk. Den tweeden ring noemense der Scheppinge; waar in d'Engelen zijn, van alle lichamelikheid afgescheiden, ende in tien ordeningen, die te voren §. 8. genoemd zijn, verdeeld. In den derden hebbense Jetsira, het Formsel of 't Formeersel gesteld. Daar toe brengense d'Engelen die enige gemeenschap met een lichaam hebben. De vierde ring besluit al 't overige schepsel, 't welk by hen Aschija, 't Maaksel genoemd word. §. 11. So ik meer uit der Ioden schriften van d'Engelen by eenbragte, wat dese en gene hunder leeraars in't besonder daar af gevoelen: het soude misschien met het voorseide niet veel gemeenschaps hebben; so verscheiden alsse hier en elders van gevoelen zijn. Dan dit is echter van 't voornaamste noch. Sy weten ons van driederhande Engelen te spreken. D'eerste soort is t'eenemaal van alle stoffe onbelemmerd; ende staan met hun vieren elk aan enen hoek van Godes troon; Michaël ter regter, Gabriël ter slinker, Uriël ter voorste, en Rafaël ter achterste zyde. Dit leert ons R. Eliëser in 't 4. sijner Hoofdstukken. Hunne namen hebben vry wat te beduiden: Michael, wie is als God? Gabriël, God myne kragt, Uriël, God mijn licht, en Rafaël, God mijn Geneesmeester. Dese worden nooit aan menschelijke oge, noch in menschelike gedaante, dan alleenlik aan Profeten in gesigten vertoond. Van het tweede slag zijn de goede Engelen, door welken God de Weereld regeert: die dikmaals in menschelike gestalte aan de Profeten verschenen zijnde, ende boven 's Hemels rond woonachtig, het heir des Hemels genaamd zijn. Maar beneden de Maan onthouden sich de Schedijm, of Kakodaimones, gelijk I.2. §. 12. zijnde bose Engelen, door welken God sijne gramschap en oordelen uitvoert. Dit is het derde slag, waar af wy nu het joodsch gevoelen ook wat nader horen moeten. §. 12. De Duivelen worden by den Ioden Engelen des verderfs of des doods, als mede Satanim, Satans, dat is Tegenstanders genaamd. Men kan hunne

{==57==} {>>pagina-aanduiding<<}

meininge hier over best uit Filo verstaan, die in der Apostelen tijd geweest is. Dit is 't daar hy daar af in 't boek van de Reusen schrijft. 't Gene andere Filosofen den naam van Genius geven, dat is Moses gewoon Engelen te noemen. 't Woord Genius neemt hy te breed, (of hy moest van d'Engelen smalder spreken) volgens 't gene hier voor 2. §. 13.14. aangetekend staat. Dit zijn (seit hy verder) De Zielen die door de Lucht vliegen; 't gene niemant voor een verdichtsel houden moet. Daarom verklaart hy 't nader aldus. Gelijk in't gemeen geseid word, datter goede en quade Geesten zijn, insgelijks ook Zielen: so mede de Engelen. Sommige diemen goeden noemt; zijnde sekere gesanten, tusschen God en de Menschen heen en wedergaande, volherdig door sulken onberispeliken en overschonen dienst: andere daar tegen onheilig, verfoeijelik; die gy self ook sonder liegen verdoemelijk noemen soud. §. 13. De herkomst der bose Geesten word by den Ioden verscheidelik verhaald. Manasse Ben Israël derf seggen, datse op den tweeden dag der scheppinge van God self zijn voortgebracht. probl. 23. R. Eliëser sal ons hunnen af val melden, daar hy int' 13. hoofdstuk dit van schrijft. De dienstbare Engelen seiden tot den Heiligen Gesegenden God: Heere de gansche Weereld, wat is de mensche, dat gy so veel werks van hem maakt? Wat is hy meer dan ydelheid? want hy slegts op der Aarde iets te seggen heeft. Sijn antwoord was; wat meint gy my alleenlik in der hoogte te roemen? Deselfde die ik hier ben, die ben ik beneden ook. Siet toe, wie van u dat alle schepselen by hunne namen noemen kan. Maar sy en konden geen van allen. Terstond staat Adam op, en noemt alle schepselen by name. Sulx de deinstbare Engelen siende, seiden tot malkanderen: laat ons t'samen raad sluiten; hoe wy Adam sullen doen sondigen tegen de Schepper; of hy sal ons meester worden. Daar was doe Sammaël, een groot Vorst in den Hemel met de Heiliglevenden, hier voor 12. §. 8. ook genoemd) en de Serafynen uit ses benden; ende Sammaël nam sijn geselschap uit twaalf, en gaf sich na beneden, om alle schepselen te sien, die de heilige gesegende God geschapen hadde. Maar hy en vond geen listiger om quaad te doen dan de Slang. Daar op komt hy dan tot de verleidinge en den val des menschen; daar hy even sterk over fabelt als 't gene daar nu verhaald is. Doch dese verleidinge des menschen was des Duivels val. Daar van siet hy; hoe God Adam, Eva, en de Slang elk hunne straffe opleide. Hy bragtse alle drie voor hem, en besloot het vonnis ten Adam en Eva, uit negen vloeken en den dood. Doch Sammaël en sijne bende plotsten hy van boven neer uit den Hemel, de plaatse sijner heiligheid, hiew de Slang de voeten af, (want daar te voren hadse de gedaante eens kameels, daar Sammaël op reed) en vervloektese boven alle beesten en gedierten. siet daar den val des Duivels op sijn Ioods. Want men mag dit verhaal op Eliësers rekening alleen niet stellen: de Targums, gebruikelike en gemeene uitleggingen hunder grootste leeraars, melden 't selfde menigmaal, en Mose Maimons soon in sijn More Nebochym 2. deel 30. cap. §. 14. Een tweede afkomst van Duivelen word aan Lilis toegeschreven. Dit is de naam, seit Manasse, van een Duivels wijf, dat na sommiger gevoelen Adams vrouw geweest is, eer hem God met Eva dede trouwen. Het woord is in

{==58==} {>>pagina-aanduiding<<}

de Schrift Iesa. 24:14. te vinden; ende aldaar, volgens wijser luiden kennisse, van onse Oversetters in ruime betekenis, om der onsekerheid wille Nachtgedierte verduitscht. Doch hun Rabbi Elias sal ons de geheele legende in sijn Thisbi dus vertellen. Men vind beschreven, dat in de 130. jaren, in welken sich Adam van sijn wijf onthield, Duivelinnen tot hem quamen, die van hem beswangerd wierden; waar door hy Duivels, Geesten, Nachtspoken en Schrikgeesten teelde. En op een andere plaatse vind ik, dat de Duivels van vier moeders zijn, Lilis, Naome, Ogeres en Machalas. Ook leest men in't boek van Ben-Sira, op de 60. Vrage, dat Nebucadnetsar hem vraagde, waarom dat kinderen sterven op den achsten dag? Waarop hy tot antwoord gaf, om datse Lilis om den hals brengt. Van welke sake hy ter selfde plaatse veel in 't breede verhandelt; dat my verdriet alhier te schrijven, vermits ik 'er gansch geen geloof aan sla. Men siet der halven de grovigheid der joodsche verdichtselen; so seer, datse aan hun eigen volk, hoe lichtgelovig 't anders is, ook wel ongelooflik schynen. §. 15. Doch of die vier voorseide duivelinnen niet genoegsaam waren, om de weereld met bose Geesten te vervullen: so isser noch een derde geslagt uitgevonden, volgens 't gene men leest; dat Gods Sonen der menschen kinderen aansiende, datse schoon waren, uit deselve wyven namen diese begeerden. Gen. 6:2. Door die Sonen Gods hebben de Ioden al van ouds af Engelen verstaan: ende seit derhalve Iosefus, in 't 1. b. van de Oudheid. 4. cap. dat veele van Gods Engelen sich met de vrouwen vermegende, een baldadig geslagt hebben voortgebracht. De namen der Engelen die sich in dit hoerdom verliepen, zijn hem mede bekend. Aza en Azaël warender de hoofden af; en wierden beide op Naëma, Kajins dochter, die schoon was, verliefd. Hier van zijn de Reusen voortgekomen, daar de Schrift ter gemelde plaatse af spreekt: doch die, na dit verslag, half Duivel half Mensche moeten geweest zijn. Asmodi, de bose Geest van Sara Raguëls, in d'historie van Tobias cap. 3:8. gemeld, was mede uit dit huwelik gesproten. Andere (meinen dat hy Sammaël self is. Vraagt iemant, hoe de Geesten tot de kinderteeling deugen? Eliëser salder in 't 22. Hoofdstuk dit bescheid op geven. Ten tijde alsse vielen uit de plaatse hunder heiligheid, so wierd hunne kragt en gestalte als der menschen. En daarmede is het uit. §. 16. Doch om niet benodigd te zijn, sich met verdichte geschiedenissen te behelpen, so gaanse liever (gelijk sommigen der heidensche wijsen 2. §. 12.) versinnen, dat die bose Geesten halfslagt Engelen en Menschen zijn. Daar toe brengt G. Vorstius in sijne Aantekeningen op R. Elieser, uit R. Scheen Toob de navolgende woorden by. Uit den invloed van desen Oversten ('t is daar R. Nitron van de voorseide Lilis spreekt) zijn alle de vermogens der Duivelen, Nachtspooken en bose Geesten voortgekomen, die in menschen gedaante gesien worden. Ende is desen aangaande 't seggen der geleerden, datse so wel de gelijkenisse der menschen als der Engelen hebben: dewijlse aan d'eene kant niet so fijn van maaksel zijn, (als d'andere Geesten) noch aan d'andere zyde van so groven stoffe t'saamgesteld als de menschen. Wilmen nu de reden weten, waarom dat dese wanschepsels den eenen tijd Geesten, den anderen tijd als menschen,

{==59==} {>>pagina-aanduiding<<}

dan Mans dan Vrouwen by de Ioodsche meesters genoemd zijn; dat sal ons deselfde Scheem Toob in 't 5. hoofdstuk seggen, gelijk het Vorstius op 't 22. cap. van R. Elieser verhaalt. Uit dese ordeninge ('t is van 10. de tweede daar hy af spreekt) komen tweederley slag van dwase Geesten (Satyrs) in de weereld; speelende gelijk menschen: en verschijnen denselven in den droom; als schone vrouwen; somtijds in mannen, somtijds in vrouwen sich verscheppende. §. 17. Nu moeten wy noch hun gevoelen van der menschen Zielen verstaan; so sy 't self maar weten. Want uit het gene flus §. 12. van Filo geseid wier, blijkt alreeds, dat hunne geleerdsten op 't onderscheid der Engelen en der Zielen niet seer naauw en sien. Hunne meeste meeninge nochtans, aangaande der Zielen aart en oorsprong, heeft de geleerde Hoornbeek in sijn boek tegen de selven dus in 't kort begrepen. Hun gevoelen is, seit hy, pag. 319. dat alle Zielen teffens geschapen zijn; en dat op den eersten dag, met het Licht. Ende niet alleenlik dat; maar ook by paren, van man en wijf: so dat hier uit, wel te weten gelukkige en vreedsame huwelike ontstaan, wanneer iemant sijne eigene Ziel, of die met de sijne geschapen is, ten huwelike krijgt: maar ongelukkkig en tot straffe van den mensche zyn sodanige huweliken, daar iemand een lichaam bekomt, waar van de Ziel in de scheppinge met de sijne niet en is gepaard geweest. Daarmede heeft hy te worstelen, tot dat hy sich betere; als wanneer hy in de twede echt met de regte Ziel, sijn wederpaar, vereenigd, een gelukkiger leven leid. Manasse Ben Israel heeft dit op verscheidene plaatsen, als in sijnen Conciliador de 6. vr. p. 12. in sijn twede boek van d'Opstandinge 13. cap. en 3. b. 9. cap. de Termino Vitae. sect. 8. p. 207. verder uitgebreid, en in sijner Vraagstukken het 15de op joodsche wijse ten breedsten bevestigd.

   §. 18. Belangende den staat der Zielen na dit leven: de μετέμψύχωσις van Pytagoras word by hen meede gemenelik geloofd; en dese Zielverhuisinge Gilgul, dat is, Wentelinge genaamd. Dit meinense dat driemaal gebeurt. So staat in Tisbi op 't woord Gilgul aangetekend. Het gevoelen der Kabalisten is, dat ieder Ziele driewerf geschapen word: willende te kennen geven, datse sich wentelt door de lichamen van drie menschen kinderen. (dit word quanswijs uit Iob. 33:29. bevestigd) Waaruit sy seggen, dat de Ziele van den eersten mensche sich gewenteld heeft in 't lichaam van koning David, en van David sich in 't lichaam van den Messias overwentelen sal. (Die verborgentheid is in drie hebreewsche letteren van Adams naam besloten; 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

A. Adam, 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

D. David, en 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

M. Messias.) So is mede by hen geleerd, dat de Zielen der boosdadigen in de lichamen der beesten overgaan, elk na den aart der sonden diese begaan hebben. So sal de Ziele des genen die eens anderen mans vrouw beslapen heeft, in enen Kameel verhuizen. Daarom seit David: Ik sal den Heere singen, 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ki gamalalaij om dat hy my welgedaan heeft. Dat vertalen sy, om dat hy my van den kameel verlost heeft: sich daar mede behelpende, dat het Hebreewsch woord 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, anders gestipt en gelesen, gemaal een kameel te seggen is. §. 19. Enige zijn echter van gevoelen, dat de Zielen der godlosen met de lichamen vergaan. Iosefus geeft sulx den Fariseen te sijnen tijde na, datse de Zielwentelinge alleenlik den godvrugtigen toepassen; maar den God-

{==60==} {>>pagina-aanduiding<<}

losen ene eewige pijniginge bescheiden. In sijn 2. b. van de I. Oorl. 7. cap: De Sadduceën, so ons Gods Woord selve Getuigt, geloofden den Opstandige noch Engel, noch Geest. Matt. 22:23. Hand. 23:8. Maar nu hebben de Ioden enen anderen vond, die hunne Toverkonst en besweeringe kragtig stijft. De Ziel van 't lichaam gescheiden, moet noch een geheel jaar op 12 maanden lang rondom 't lyk swerven: in welken tijd de Bose geesten die sich in de Lucht verhouden, {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Malachej chabbala, dat is pynigduivels, en andersins genaamd, gelegentheid vinden en vermogens zijn, desleve wederom in hunne lichamen te brengen; en daar uit op de besweeringen antwoord te geven. En dus quam 't, meinense, dat de toveresse tot endor de ziel van Samuël (als binnen 't jaar na sijnen dood geschied) in sijn eigen lichaam wederom verwekken konde. Manasse ben Israël steekt ons dit so in de hand: en seit dat het der ouden gevoelen is, 't welk hy meest uit de Gemara Sjabbas gehaald heeft. Sommigen nochtans zijn van veel gesonder oordeel geweest; gelijk wy hier na noch sullen sien, wanneer ons dat exempel in het twede boek ter hand sal komen.


XIII. Hoofdstuk. Der selver Toverplegingen, by ouds ende noch heden in 't gebruik, zijn uit sulke gevoelens ontstaan.

§. 1. WY hebben 't joodsch gevoelen aangaande dese stoffe ondersocht, so verr als 't buiten de Schrift is, daar wy met hen eens in zijn: nu laat ons dan ook sien, wat sy houden van 't gene datmen Toverije noemt. Hoe seer dat volk van ouden tijden af daar toe is geneigd geweest, kan ons de H. Schrift overvloedelik getuigen. Eerst uit dien, dat sy sulk bedrijf in Egypten veel gewoon te sien, en veel licht ook self daar af niet vry; daarna in hun land wondende, van so veel toverpligtige volkeren omringd en doormengd: over sulx so menigmaal daartegen in de Wet gewaarschoud zijn. Exod. 22:18. Lev. 19:31. en 20. 6,27. Deut. 18:9,14. Ies. 8. 19,20. Daarna swaarder gedreigd, also sy 't evenwel so qualik laten konden; als aan Manasse koning van Iuda in 't besonder was te sien. 2. Kon. 21:6. 2 Kron. 33:6. Doch in Israël, dat is 't rijk der 10 stammen, onder Ierobeam van Davids erfgenamen afgescheurd, was dat een gemeen gebrek: daar de Schrift af seit, datse waarseggeryen gebruikten, ende op Vogelgeschrey acht gaven. ens. 2 Kron. 17:17. Ende waren ten tijde der Apostelen wel seven overpriesters sonen, van eenen vader, die met besweeringen omgingen. Hand. 19:13,14. Doch also sulx alles niet uit den inhoud hunder Wet, maar uit afvalligheid sproot: so en magmen 't eigentlik op rekening van 't Iodendom niet stellen, so lang als het by de Rabynen selve niet geleerd, ende als een deel van hunnen Godsdienst metter tijd is ingevoerd. Sodanig isset echter 't gene ik in 't voorgaande hoofdstuk vertoond hebbe, ende komt hun

{==61==} {>>pagina-aanduiding<<}

hedendaagsch gebruik met alsulke leeringen beter over een. §. 2. De neerstige Lichtfoot heeft ons met veele blijken aangewesen, hoe seer de Ioden na de Babylonische gevangenisse, d' Afgoderye verlaten hebbende, en van de Profezye verlaten zijnde; henselven allenx, ontren den tijd van de Messias, tot Toverye en Waarseggery overgegeven hebben. Hunne talmudische schriften daar vol af zijnde, ende noch heden by hen in weerde gehouden, moeten dat tot hun nadeel ook getuigen. Insonderheid dewijle sy sich met alsulke konsten in volgenden tijde tegen 't Kristendom mede behielpen. ‘Hy versekert ons, dat menig bedrieger onder hen, na de verwoestinge van Stad en Tempel, sich neerstig in de Toverkunst geoefend heeft; en dat alsulke menschen metter tijd in grote achtinge quamen. Ende wat de Droombediedinge betreft, dat onder dien dekmantel ontelbare bedriegeryen gepleegd zijn. In't boek Maarsar Sheni fol. 45. col. 2,3. word verhaald, dat R. Iose ben Chalpata, R. Ismaël ben Iose, R. Lazarus en Akiba gedurig daarin besig waren. Verscheidene hunder uitleggingen worden ter aangetogener plaatse verhaald; ende is uit verscheidene dingen aldaar geseid te merken datser self hunne leerlingen in onderwesen. In 't boek Schabbas fol. 3. col. 2. word van een Spook gemeld, dat eenen hunder godsdienstpligtigen in 't bepeinsen van de Wet verscheen. Voorts word fol. 8. col. 2,3 en fol. 14. col. 3. van allerhande Besweeringen gehandeld: als, om ene wonde te genesen, tegen de beten der slangen, tegen dievery, tegen betoverdheid. Dit heb ik uit het tweede deel sijner werken pag. 147. getrokken; daar hy meer alsulke dingen heet, niet nodig alle te verhalen, ende noch min uit der Ioden eigene schriften op te soeken. §. 3. Men mag hier by voegen, 't gene deselfde Lichtfoot van de Bath kool, dat is Dochter der stemme, so de Ioden den Echo of Weerklank noemen, uit hunne schriften, en voornamelik het boek Sanhedrin vergaderd heeft. Het gene sy voorgeven, dat het selve een Godspraak is, die in den tweden Tempel 't gebrek van de Urim en Tummim en den Geest der Profezye vervulde, met welken d'eerste Tempel verheerlikt was: sulx is gemeenelik by de genen die iets van de joodsche saken weten, uit hunne schirften bekent. Maar nu blijkt, dat hen dese Bath Kool ook tot Wicchelarye dient. ‘R. Iochanan en R. Simeon gingen op't geluid van Bath Kool, om R. Samuel den Babylonier op te soeken. Gaande voorby de school, hoorden enen jongen lesen 't gene staat 1. Sam. 25:1. Samuel is gestorven. Sy namen hier acht op, en bevonden, dat de Samuel dien sy sochten gestorven was. Noch een, R. Jona en R. Josa gingen om R. Acha in sijne krankheid te besoeken: en seiden, laat ons op 'tgehoor van Bath Kool aangaan. Sy hoorde daar op de stemme ener vrouwe, die tot haar gebuur seide, de keers gaat uit. Waarop d'andere wederom: laatse toch niet uitgaan, noch het licht van Israël uitgebluscht worden. Lichts. Tom. II. pag. 276. So seker als dit gehoor gaat van Bath Kool; so gewis mogen sy sich ook op de tegenwoordigheid van Elias by de besnijdenis hunder kinderen verlaten; 't welk echter hun gemeen gevoelen is, en genoegsaam onder ons bekend.

{==62==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 4. Doch buiten dese seldsaamheden so bespeurtmen dat sy hunne wikkerijen op tweederlijen grond; den invloed van de Sterren, en 't verschijnen van de geesten gevestigd hebben. Het eerste heeft die reden, datse den hemelschen lichten (schoon voor geen Goden geacht) sonderlinge kragt toepassen, om op der menschen bedrijf, uit- en inwendige sinnen besondere werkingen, te doen. Wy hebben daar over 12. §. 4. Filo en Ben Maimon gehoord. Ende is by hen gemeen te seggen: De Planeten maken iemant wys, en maken hem ryk, so als Buxtorf in sijn lex Talm. uit het boek Sabbath verhaalt. En dan is 't Mazzal toob, ende goede invloejinge of gesternte: maar anders Mazzel râ, ene quade sterr, waar onder iemant geboren is, of welx kragt by sijn leven op hem valt. Doch (seit hy verder uit het selfde boek) de planeet van den dag (der geboorte) werkt niet met al, maar de planeet van de ure. Daarin is mede geschreven de natuur van ieder mensche die onder elken planeet geboren is. Die onder de Son geboren is, moet schoon en luchtig worden; daar by openhertig, en die van geen veinsen weet: onder Venus ryk en dertel, onder Mercurius gaaw en goed van gehuegenisse; onder de Mane siekelik en ongestadig: onder Saturnus ongelukkig; onder Jupiter regtveerdig; onder Mars gelukkig: en so voorts van ander gesternten. Evenwel word geseid; datter geen plateet voor Israël is. Reden: om datse van eenen selfden planeet zijn, van eenerleyen aart en staat. Derhalven moetmen besluiten, dat dit onderscheid alleen de vreemden raakt, en dat Israël de wijsheid heeft, derselver geluk of ongeluk uit de Sterren te voorspellen. Niettemin zijnse met de Maan verlegen, wanneer die verduisterd is, alsose sulx voor hen self een ongelukkig teken achten. Siet my daar dan d'ongestadigheid des joodschen volks! §. 5. Nopende de Geesten, so sal ons Manasse ben Israël den regten grond der joodsche Voorwikkingen ontdekken; en so doet hy ons wederom tot de bose Geesten keeren. Derselven seit hy dat sommigen loos en listig zijn; anderen dom en dwaas. De gaawsten, van 't een einde des weerelds tot het ander vliegende, horen somtijds wat gebeuren sal. Bekent derhalven, pag. 18. datter vele zijn die sodanige geesten besweeren, en veel wonders door behulp der swarte konst bedryven. Ook zijn in sommige boeken der Kabalisten, gelijk Pirke Chalos, Ratsiel, en anderen, derselver namen en besweeringen te lesen. Daar toe vinden sy sich bevoegd na 't voorvalt. Want so sulken geest eenen mensche alleen verschijnt, 't sal een ongelukkig voorteken zijn; indien aan twee teffens, dan so mag 't geen quaad: maar nooit is 't gebeurd datse aan drie personen te gelijk verschenen zijn. §. 6. De middelen en wijsen van doen, waarmede sy hunne Tovery en Wicchelary verrigten, magmen terstond by hunne geboorte, ende voorts in hunne feestplegingen, en vorderen levenstreek bemerken. Ieder weet dat het huwelike de wettelike weg tot de kinderteeling is. Daar komt alreeds te pas, datmen wete hoemen sich tegen de bose geesten sal voorsien. Ende is boven al uit het boek van Tobias bekend, hoe hy door ingeven van den Engel Rafaël den duivel Asmodi verdreef. Sy hadden t'samen enen visch gevangen: (sommige weten ons te seggen, dat het een snoek was) het hert en de le-

{==63==} {>>pagina-aanduiding<<}

ver van dien seide Rafaël, indien iemant gequelt word van enen duivel ofte bosen geest, moet gy roken voor dien man ofte vrouwe: en hy sal niet meer gequeld worden cap.6:9. Wanneer hy nu met Sara getrouwd was, dacht hy aan de woorden van Rafaël: nam derhalven de assche der reukofferen, ende leide het herte en de lever des vissches daar op, en maakte rook. De Duivel nu dien rook riekende, vlood na 't bovendeel van Egypten, daar hem d'Engel vond. cap.8:2,3. §. 7. Doch hier mede is alle swarigheid noch niet over. Want wanneerder al een kint ter weereld komt, so is terstond de vrese dan voor Lilis, die de knechtjes op den achtsten, de meiskens op den 21. dag huns levens om den hals wil brengen. Daar tegen gebruiken de hoogduitsche Ioden desen raad: datse aan alle de vier muren van de kraamkamer enen kring met kryt of houtkool trekken, ende in ieder van deselve schrijven; Adam, Eva; Lilis moeter uit. En aan de binnendeur schryvense de namen der drie Engelen die over de Medezynen staan; Senoj, Sansenoj, en Sanmangelof: gelijk hen Lilis self geleerd heeft, wanneerse haar in de Zee meende te verdrinken. Dit schrijft Elias in sijn boek dat hy Tisbi noemt: maar getuigt met een, dat hy 'er weinig van gelooft. Hier geef ik noch op toe 't gene Buxtorf in 't voors. Lex Talm. van hunne wapeninge tegen de Spoken meld. ‘Een dek op 't aangesigt geleid, maakt de vervaarden onkenbaar voor het spook. Maar acht God dat het sijne sonden verdiend hebben; so licht hy hem dat masker af, op dat de schim hem sien en byten mag. §. 8. Doch hoe seer hen ook de Duivel vresen doet, so menen sy hem egter ter bequame tijd met weinig moeiten af te keeren. En daarin komt hen de Dagverkiesinge te pas. Want sy stellen sich in desen aan, als offe nu 't verwijt niet meer verdienden, datse de tekenen der tijden niet verstaan. Daaraf sal ons deselfde Buxtorf uit sijne Schole der Ioden enige staaltjes leveren. Sy stellen Sammaël op den groten versoendag met een geschenk te vreden, om hen geen quaad te doen: want het hem op dien enen dag van 't gansche jaar by verdrag van God is toegelaten, Israël over wanbedrijf te beschuldigen. Anders menen sy ook loos genoeg te zijn om den Duivel te bedriegen. Het eerste middel is, op den selfden feestdag met styve kaken op het hoorn te blasen; om hem vervaard te maken, en also dien dag door verbaasdheid te doen vergeten. Een twede bedrog komt hen op den eersten dag van 't jaar te pas. Want mitsdien dat God als dan over hunne stonden ten oordeel sitt: ten einde Sammaël dan geen beklagte tegen hen inbrenge, so pogense hem in den dag te verbijsteren. Ende sulx door diense 't lesen van de Wett alsdan niet beginnen, noch eindigen, gelijk hy meint datse doen. Zy hoeden sich ook van uit te gaan, tusschen den 17. van de Tammus, die in onsen Junius valt, en den 9. daar aan volgende, wanneer hun tweede vasten is; of van 4 tot 5 mijlen te reisen, of voor regt te gaan; om dat een boosaardige geest alsdan regeert; welken sy uit Deut. 32:24. keteb meriri bitter verderf noemen, hoewel Moses daar ter plaatse van geheel wat anders spreekt.

{==64==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 9. De Kabbala, der Ioden Tell- en Letter-toverkunst, komt in desen allermeest te pas. Want die leert hen, evenveel hoe, met Gods naam, of met Duivels naam te toveren. De vermaarde naam {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, dien wy, na dat de letters in 't hebreewsch gestipt staan, gemeenlik JEHOVA lesen, door 12. door 42. en door 72. andere letters by de joodsche leeraars uitgelegd, en daar af scheem hamforasch, verklaarde of verdeelde naam geheten; die is by hen grote kragt. Want door den selven heeft Moses den Egyptenaar gedood, is Israël in de woestijne voor den Engel des doods bewaard geweest, heeft Christus self (dus lasteren sy 't gene se niet lochenen konnen) bose geesten uitgedreven. Uit verscheidene hunner schriften en uit mondelinge bekentenissen is dit alles lichtelik te weten. Des Duivels naam is ook van grote kragt: maar tot sijn leed. Want so hy eens versuimt den dag des jaars, dat hem 't beschuldigen of beschadigen vry staat, waar te nemen; so blijvender noch 364, een minder dan 't jaar lang is. Doch dat getal is in de 5. Hebreewsche letteren des naams {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ô Satan, begrepen: een bewijs, dat hy 364. dagen, een min dan 't gansche jaar van dat regt versteken is; om datter staat Zach. 3:2. De Heere schelde u, ô Satan.

§. 10. In 't stellen en tellen van de letters, na dese of gene orden, siense mede grote kragt. Door vreemde namen met karakters, van heilige Engelen, die over de peste gesteld zijn, aan de gevels der huisen en de wanden der kameren geschreven; wanen sy sich tegen de vurige schichten van dat verwoestend quaad genoeg bewaard te zijn. Het woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

diriroon so 24. maal geschreven, dat is, so veel letters als er in hun ABC. zijn, mits ieder letter vervolgens daar voor stellende, is by hen insgelijx een gereed middel tegen de Pest. Tot de Koortse weten sy mede sulken goeden raad. Dit woord 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

uit ses letteren bestaande, sesmaal 't een onder 't ander 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

gesteld, mits telkens eene letter ter slinkerhand af kortende; dit 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

geneest, na hun gevoelen, de derdendaagsche koortse, die anders 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

boven al ludibrium medicorum, een spot der geneesmeesters om 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

 harer ongeneeslikheid wille genaamd word. Siet hier uit, hoe 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

 groten kragt het joodsche volk in letters, tekens, namen stelt. 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Noch een andere kunst, die uit het boek Avoda Zara te leeren is. 's Nachts te drinken is gevaarlik. Hoe so? Datmen licht blind word. Doch so iemand dorst heeft, en hy drinkt, wat raad is daar voor? Siet hier dan raad. Het Hebreewsch woord 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

 schebriri, 't welk so veel als gebroken gesigt of 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

schielijke blindheid te seggen is, dus geschreven, ende om den 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hals gehangen; sal de blindheid elken dag so afnemen, alsmen  	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

de letters van voren siet minderen, tot dat het een en het 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ander geheel tot niet lope. Buxtorf in Lexico Talmudico wijst {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ons dat so aan. 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


§. 11. Uit dese weinig staaltjes hunder verscheidene toverplegingen is te sien, datse met de leeringen hunder Rabbijnen, in 't voorgaande hoofdstuk verhaald, seer wel t'samenstemmen, ende gevolgelik uit deselve mede ontstaan zijn. Want.

{==65==} {>>pagina-aanduiding<<}

1. Hun gevoelen van de lichamelikheid der goede en quade Geesten 12. §. 8, 10, 14, 15. heeft hen tot d'uitwendigheden gebragt die terstond verhaald zijn. §. 6, 8. Want lichamelike dingen lichamelik te bewerken zijn: maar geestelike met geestelike t'saam te voegen. 1. Kor.2: 13. 2. Hunne vreemde gedachten van den opper duivel Sammaël, en sijne moeder Lilis, (so sy by sommigen gehouden word) 12. §. 12, 13. hadden hen gemakkelik tot de besweeringen te brengen; beneffens ander plegingen, waarmede sy hen beide meinen te verdrijven, of ten minsten te weeren. §. 9, 7, §. Die in 't eene lichtgelovig is sal ook tot het ander lichtelik genegen zijn. 3. Hunne algemeene en grote achtinge der Kabbala, die sulken kragt in letters, namen en getallen stelt; heeft alle die belesingen met letters, tekens, en getallen voortgebragt. §. 7, 9, 10. Ende is geen wonder, dat een volk, den geest der letteren van 't H. Woord verloren hebbende, sich nu so konstig en so moeijelik met de letter, sonder Geest behelpt. 4. Ook is te merken, dat sy van ouds tot profezijen, tot Gesigten, tot Urim en Tummim gewend; nu by gebrek derselve tot de magere Bath Kool, en tot den invloed van de Sterren hunnen toevlugt nemen. §, 3, 4. §. 12. Wanneermen nu dit alles wel besiet, so is lichtelik te merken, dat de Ioden, in al 't gene buiten de Schrift is, schoon 't met d'Afgoden der Heidenen geene gemeenschap heeft, denselven echter seer gelijk zijn. Ia so verre, dat sy't noch wel verder brengen, of de gronden hunder leere eerder quetsen, dan de Heidenen selve doen. Want mitsdien datse d'algenoegsaamheid van den enigen Schepper en Bestierder aller dingen veel klaarder begrijpen; en so grotelix tegen alle verdichte Goden, en wat na afgodsdienst gelijkt, ingenomen zijn: so is 't hen beswaarliker te vergeven, datse so veel aan de Sterren hangen; so seer den hoofd duivel Sammaël vresen; so grote kragt in woorden, letters, tekens en getallen stellen, daar de Heidenen niet toe quamen, dan door 't weinig begrijp of vertrouwen datse op de hoogste Godheid hadden, en van de schepselen by hen vergodet al te veel. Maar men sal sich minder hier over verwonderen moeten, somen bemerkt, dat die leeringen uit het Heidendom gehaald; en sonder overleg, ofse met de regelen hunder Wett over een quamen, uit aangeborene genegentheid tot al sulke vindingen aangenomen zijn: en dat nu te meer, na dat hen God regtveerdiglik verstoten, en onder alle heidenen verdreven heeft. Mijn Leser zy dan hier op maar verdacht, dat wy tot noch niets van Tovery, of Spokery, of al wat duivelsch heet, gevonden hebben, dat niet heidensch is.


XIV. Hoofdstuk. By den Mahometanen word de leere van de Geesten en 't gebruik der Toverkunde niet vergeten.

§. 1. VAn der Mahometanen leere over 't stuk dat wy behandelen valt met sekerheid niet veel te seggen. Want het zy dat wy 't uit den

{==66==} {>>pagina-aanduiding<<}

Alkoran, 't Wetboek hen van Mahomet gelaten, het sy uit hunner leeraars lessen halen willen; men vind die beide seer verscheiden. Wat den Alkoran betreft, ik hebbe dien self, om met eens anders ogen niet te sien, van 't begin ten einde toe doorbladerd; en daar mede meer niet sonderlings vergaderd dat ter sake dient, dan het weinige dat hier na te melden staat. Der Mahometanen verder schriften zijn my weinig ter hand; maar wel van geloofweerdige Kristenen, die van derselver saken meldinge maken. Dese mein ik veilig te gebruiken: om datse van saken by hen self ten naawsten ondersocht, wanneerse onder dat volk verkeerden, onpartijdig verhaal doen. Doch de leser mag wel weten, dat deser luiden leer en doen, so in den Alkoran als daar buiten, met veel verdichtselen bewonden is: welke wel van 't gemeen volk, gelijk overal, voor waarheid aangenomen; maar by de wijsen in enen redeliken sin uitgeleid, en daarom niet so onverdraaglik, als ongegrond en onwaarachtig zijn. Ons betaamt nochtans so veel bescheidenheids, dat wy die menschen kennende, nevens andere van gesonde herssenen te zijn: de fabelen self niet anders en verstaan, dan na eisch der saken, elders duidliker verklaard, en des oogmerks dat sy tonen voor te hebben in 't gene dus van het geseid is. §. 2. 't Gene ik dan uit den Alkoran self bybrengen kan, word billik eerst geseid; daar na 't een en 't ander uit dese en gene schrijvers bygevoegd: beide wat der Muselmannen, (so sy liefst genoemd zijn) dat is Gelovigen, meeste leere van de Geesten, ende hun bedrijf in 't stuk van Tovery en Wichlery betreft. Maar mitsdien dat hun Wetboek uit Mahomets nagelatene lessen, door sijne leerlingen, der Musulmannen grootste meesters by een gesteld, niet in alle talen even eens gedrukt is: so sal ik my, tot behulp des duitschen lesers, aan De Rijers verdeelinge houden, die het in 't Fransch vertaald heeft, en van Glasemaker in't nederlandsch gevolgd is; daar het geheel werk in 113. hoofddeelen geschikt word. §. 3. Voor eerst is dan by hen een vaste regel, wel honderdmaal in 't Wetboek wederhaald, dat God maar een is, en dat hy geenen metgeselle heeft; waarin sy met den Ioden, ook self der Drieenheid halve, volkomelik t'samenstemmen, so als hier voor 12. §. 1. al eens gemeld is. De Morabyten echter, sonderlinge sekte der Mahometanen by d'Arabiërs, geloven, (seit Marmol) dat de Hemelen, de Sterren en d'Elementen t'samen eenen God uitmaken. in 't 1. deel sijner beschrijvinge van Africa, pag. 128. Paryschen druks. De Sahi, mede een besonder slag, diemen onder de Turken vind, geloven uit oorsake der invloejinge die de Son en Maan op alle schepselen hier beneden hebben, dat enige Godheid in die twe grote weerelds Lichten is. Rykant in sijner beschryvinge des Turkendoms het 2. boek 12. Kapittel. Van de Persianen verhaalt Della Valle in sijner Reisen 't 4 boek 17. hoofdstuk, datter velen onder zijn, (Mahomtanen evenwel) die aan de Sonne, Maan en Sterren bystaande Volstandigheden Formas assistentes, Intelligentias toeschrijven: van welken de selven, eveneens als onse lichamen van de ziele, bestierd, en levende zijn. §. 4. Van Gods heilige Engelen en den bosen Duivel spreken byna alle

{==67==} {>>pagina-aanduiding<<}

bladen van den Alkoran: en van den oorsprong der Duivelen veel gesonder dan de Ioden doen. Want sy d'Engelen voor onlichamelijk houden; schoon gelovende, datse wel lichamelik verschijnen, so ergens uit het 5. hoofdstuk blijkt. D'Engelen, seggense, zijn alleen die vaste en bestendige schepselen; en daar zijn geen andere welken derselver eigenschap past; gelijk het levyn Warnerius in sijne Miscellaneis uit seker boek verhaalt. Doch dit is nu op 't best, en op sijn Filosoofs geseid: want Mahomet self en wist niet beter, of d'Engelen zijn uit sekere stoffe, te weten uit vuur geschapen; gelijk by ons in sekere fabel, terstond te verhalen, wil te kennen geven. Ook spreekt hyder dikmaals al te vleeschelik af: ende geeft ons reden om te twijfelen, of hy niet wel eigentlik verstaat, het gene hy so menigmaal van hun gaan en komen, van 't horen der Wett, van hunne vleugelen; en dat meer is, van hun onderscheid als manneken en wijfken spreekt. Want dat meint hy dat in alle dingen is: gelijkmen in het 52. hoofdstuk pag. 594. daar af leest. Niet weiniger verkleint hy de waarheid der Engelen, wanneer hy d'oorsake van sommiger verstotinge daar in stelt, datse d'allergrootste eer aan Adam weigerden; die ook wijser was dan sy, en gemeensamer met God verkeerde: want God leerde aan Adam de namen aller dingen, die deselfen aan d'Engelen openbaarde, 1. hoofdstuk pag. 5. Eindelik, het groot getal der Bescherm-Engelen, dat hy aan de menschen geeft, doet ons mede beloven, dat hy de waarde van eenen Musulman tegen veele Engelen schatt. Van dit alles salmen nader bescheid vinden in 't gene ik nu verder uit den Alkoran verhalen sal. §. 5. Van der Duivelen aart en herkomst heeft hy sijn gevoelen op verscheidene plaatsen van sijn Wetboek voor al duidelik genoeg verklaard. Te weten, datse onder d'Engelen in 't begin van God geschapen, door nydigheid gevallen, en van God verstoten zijn. In 't 6. Hoofddeel pag. 169. word dit by hem dus verhaald. Wy hebben u, (dit soude God tot Mahomet gesproken hebben) geschapen en gemaakt: en aan d'Engelen geboden, Adam aan te bidden. Sy deden 't ook, alleen den Duivel uitgesonderd. Dit versta ik volgens d'onderscheidinge die Levinus Warnerius in een van hunne boeken vond. D'aanbiddinge behoort den grootsten God, soo veel den dienst betreft: maar anderen in aansien van eere; gelijk Adam van d'Engelen, en Josef van sijnen vader en broeders aangebeden wierd. Mahomet gaat voort, en verhaalt, dat God doe tot den Duivel seide: Wat lett u, dat gy Adam niet aanbid, so als wy 't u geboden hebben? Hy antwoordde: om dat ik meer ben dan hy: dewyle gy my van vuur, en den mensche van 't slijk der aarde geschapen hebt. Daar op heben wy hem geseid, vertrekt uit het Paradijs; dat is geen woninge der verwaanden. Gy sult in 't getal dergenen zijn die vol schande steken. De Duivel antwoordde: Laat my tot aan den dag der opstandinge. Waarom hebt gy my versocht? Nu sal ik den mensche van den regten weg afleiden; ende hem ter regter, ter slinker, en van alle zijden beletten in uwe Wet te geloven: en 't grootste deel van hen sal ondankbaar zijn. Wy seiden tot hem: vertrek uit het paradys: gy sult van al de weereld verworpen zijn, en van mijne barmhertigheid beroofd. Ik sal de Helle vervullen met de genen die u vervolgen. 't Selfde word in 't 14. 16. en 37. hoofdstuk

{==68==} {>>pagina-aanduiding<<}

pag. 293, 318, 511. weerhaald. En schoon dat hier nu slegs van eenen Duivel, als 't hoofd gemeld word: nochtans is sijne meininge mede geweest, dat'er groot getal van goede en quade Engelen is. Want in 't 7. hoofdstuk maakt hy wel van duisend goede Engelen gewag, die hem God eens in sijn gebed tot bystand uit den Hemel sond. En so spreekt hy mede van de Duivelen als van veelen, in 't 6. hoofdstuk seggende: wy hebben de Helle geschapen, om de Duivelen en menschen te straffen. §. 6. Den staat der Engelen en Duivelen heeft hy mede niet in alles qualik onderscheiden. So als die met God ende gelovigen zijn, so zijn dese tegen alle beiden. In 't 7. hoofdstuk seit hy. God heeft tot sijne Engelen geseit, ik sal met u zijn: versekert de treden der ware gelovigen. pag. 198. In 't 11. D'Engelen tsidderen in Gods tegenwoordigheid. pag. 178. In 't 20. Sy schamen sich niet hem te aanbidden. pag. 360. Vorder: God doet sijne Engelen nederdalen, en send sijne ingevinge aan de genen die hy wil 15. p. 296. Sulx meint hy dat in sekere nacht voornamelik geschied. D'Engelen dalen, door toelatinge huns Heeren, in dese nacht op de Aarde, en groeten de ware gelovigen, tot aan den dageraad. 96 p. 684 Sy sullen de gelovigen in den hof van Eden besoeken, hen groeten, en tot hen seggen; Siet daar de vergeldinge uwer volstandigheid! Siet daar de eeuwige genade. 12. p. 280. §. 7. Nu, so gereed als hy d'Engelen houd te zijn om God te dienen, tot nut der Gelovigen; so zijnse 't ook na zijn gevoelen, tot verderf der godlosen. Wanneer de bosen (seit hy) in hun uiterste liggen, so sullen d'Engelen hunne hand uitstrekken, om hunne ziele te grypen 5. p. 155. En vorder: Die lasteringen tegen God en sijne geboden spreken, d'Engelen des doods sullen hen doden. p. 172. Dus seide God tot Mahomet: Gy hebt d'Engelen gesien, d'ongelovigen deden sterven; Sy hebbense van voren en van achteren geslagen. 7. p. 203, 204. Om dese oordeelen uit te voeren word hen grote kragt toegeschreve: want een Engel genoeg is, om alle 's weerelds inwoonders te verderven; so als Levyn Warnerius dat mede in een van hunne boeken las. §. 8. Het quaad dat de Duivel doet, tot verleidinge der menschen, word mede by hen niet verswegen. 'teerste was, dat hy 't Paradijs ontseid, Adam en sijn wyf sondigen dede, en uit de genade, daarse in waren, vervallen. 1. p. 7. In het 2. hoofdstuk waarschowt God Mahomet, dat hem de Duivel voor d'ongelovigen sal doen vreesen p. 81. en daarna: de Duivel wil u mijne geboden doen vergeten. p. 150. Noch eens: Gedenk aan den dag in welken wy 't volk vergaderen, sullen, en tot de Duivelen seggen, ô Oversten der Duivelen, waarom zyt gy tegen den mensch opgestaan? p. 160. Want de Duivel heeft den mensch opgeblasen, en tegen de geboden der Godlike Majesteit doen opstaan. 56. p. 608. Self is sijn gevoelen, dat sich de boosheid der Duivelen tot aan de Sterren verheft: met welken God den Hemel versierd heeft, en bewaartse, seit hy, voor de boosheid der Duivelen. 40. p. 534. §. 9. Dit van d'Engelen in 't gemein: wat nu hunnen besonderen dienst belangt: de Turken, seit Thevenot, erkennen mede Bewaar-Engelen, maar in veel groter getal dan wy. (Hy meent die van 't Pausdom daar hy onder was)

{==69==} {>>pagina-aanduiding<<}

Want sy seggen, dat God 70. Engelen tot bewaringe van elken Musulman verordend heeft; schoon onsigtbaar, ende komt niemant iets over of sy schrijven 't hem toe. Ieder heeft syn amt, d'een om dit, d'ander om dat lid te bewaren; d'een om hem in dese, d'ander in die gelegentheid te dienen. Onder alle dese Engelen zijnder twee die 't bestuur over d'anderen hebben, en sich d'een ter regter, d'ander ter slinker zijde vlyen: ende worden Kerym kiatijb, dat is Barmhertige Schryvers genaamd. Die aan de regter zyde schryft sijns menschen goede daden op; die ter slinker de quade. Sy zijn so barmhertig, datse hem sparen, so hy enige sonde begaat eer hy sich te slapen legt; hopende dat hy sich bekeeren sal. So niet, sy tekenen 't aan: maar bekeert hy sich, so schryvende, Estig fourillah, dat is, God vergeve 't hem. Sy gaan overal met hem, behalven na de plaatse daarmen de natuur ontlast: daarse hem alleen ingaan laten, en wachten hem aan de deure, tot dat hy uitkome; dan nemense hem wederom in hunne acht. Hierom sullen de Turken, gaande om hun gevoeg te doen, in't ingaan de slinker, en in 't uitgaan de regter voet voor setten: op dat hen de Engel die de sonden opschryft eerst verlaten; en die hunne goede werken aantekent, hen eerst wederom by komen mag. Mahomet selve bevestigt dit verdichtsel, door dien hy in 't 52. Hoofdstuk p. 594. seit: O mensche! gedenk aan den dag, in welken gy uwen goeden en quaden Engel ter regter en ter slinker hand by u sult sien: Sy hebben alles aangemerkt en geschreven wat gy gedaan hebt. §. 10. Ondertusschen heeft alsulken fabel desen grond, datse der Zielen onsterflikheid en d'Opstandinge geloven. Die word door de voorseide woorden, en elders duidelijk geleerd. De gelovigen, seit hun Profeet, sullen in den Hof van Eden gaan: 12. p. 280. maar tot den ongelovigen seit hy; de Hell is de plaatse daar gy bescheiden zijt. p. 288. Om daar of hier te komen, so neemt God den mensche de Ziel als 't hem goed dunkt. 52. p 594. Doch sy keert weder in 't Lichaam na begraffenisse, om een streng ondersoek van twee vervaarlike Engelen, Munkir en Guanekir te ondergaan. De fabel daar af by Thevenot verhaald, als ook van de Beesten die mede in hun vleeschlijk Paradijs komen sullen, is so groffelik verdicht, dat ik my 't verhalen schaam. §. 11. Niettemin dient hier by, 't gene iets naders van den staat der overledenen te kennen geeft so sy dat geloven. Van sijn vleeschelijk Paradijs meen ik niet te spreken: also 't hier niet te pas komt, alle stukken van 't Mahomets Geloof te melden; maar alleenlik 't gene de Geesten betreft. De verdoemde hebben dan, na hun gevoelen, tweederley lot: of, wil 't iemant anders nemen, de saligen. Dat is sommigen hebben 't so wel gemaakt, datse aanstonds in des Hemels vreugde komen: anderen moeten noch enigen tijd, by gebrek van genoegsaam gelove, voor hunne sonde lijden, tot datse alle uitgewasschen zijn: daar na staat hen in 't Paradijs even grote vreugd voorhanden, alsden genen dieder ten eersten in gekomen zijn. Maar die geheel ongelovig en ondeugende geweest zijn, moeten eewig in de Helle branden: so dat ook hunne lichamen steeds tot assche vergaan, telkens van God herschapen worden, om hun lijden te vereewigen. So schrijft Thevenot, in 't 30. en 31. hoofdstuk van sijn Reisverhaal, en Rykant in 't 2.6. 12. cap. spreekter niet veel anders af.

{==70==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 12. De Zielverhuisinge van 't een en 't ander lichaam, niet alleen der menschen, maar ook der Beesten, heeft mede by Mahometanen plaats. Eene hunder gesindheden, diemen Munasihi noemt, getuigt Rykant in't 12. hoofdstuk sijns tweden boex, dat voor dat gevoelen staat. Hy verhaalter by, wat hier uit aan sekere Robaroski enen Pool, van enen drogist bejegend zy, die qualik nam, dat hy sijnen hond met de voet schopte: also hy van gevoelen was, dat de zielen der menschen na den dood in de lichamen van sodanige beesten traden, als met den aart en gematigdheid der genen best overeen quamen, diese te voren besield hadden, en dat also de Ziele van een vraat in 't lichaam van een verken, die van een geil ontuchtig man in dat van enen bok, van een edelmoedig man in een peerd, van een wakker man in enen hond overging, met meer omstandigheden aldaar breder te lesen. Van de secte eschrakim, dat is verlichte genaamd, versekert hy, datse volslagene Pytagoristen zijn; maar niet seer Alkorans gesind: ende nochtans de meesten van hen Scheichs, dat is Predikers, en voornaamste leeraars; hebbende ook redeliker gedachten van d'onlichamelikheid der Geesten, en hemelsche geluksaligheid. §. 13. De Sahins evenwel, hier voor gedacht, geloven swaarlik dat de Ziel onsterflik zy. En sodanig als dese Turken zijn, worden by Della Valle in sijn 4. b. 23. cap. enigen in Persien beschreven, diemen daar eblel tabquid, dat is luidende van waarheid of van sekerheid noemt. So als hy hun gevoelen verklaart, bemerk ik datse 't wesen der Ziel in de t'samenschikkinge der vier hoofdstoffen stellen: en datse dienvolgens na den dood op sulken wijse tot God werderkeert, alsse van God gekomen is: te weten, sy komt wanneer hy de hoofstoffen t'samen voegt, en sy gaat wanneer hyse weder om scheid. Dese, hoewel by andere Persianen verketterd, maken echter een seer groot getal. §. 14. Die van sulken gevoelens zijn, als ik daar verscheidene gemeld hebbe, tonen dat dan ook hier en daar met hun bedrijf. Della Valle verhaalt. b. 17. van de Bomen, dat de Persianen aan de grootsten en oudsten eerbiedigheid bewijsen; vermits sy geloven, datse 't vertrek der salige sielen zijn; waarom sy hen ook den naam van Pir, 't welk een oud man te seggen is, of Scheich, Oudste, of van Iman, Priester geven; wiens ziel zy wanen dat in sulken boom gehuisvest is. Anderen, hebbende mede van Pytagoras geleerd, kragt en verborgentheid in de Getallen te soeken: zijn daar door tot betekeninge van gelukkige of ongelukkige uren van dag en nacht, gelijk die van Coromandel; 8. §. 5. als mede tot allerley besweeringen geneigd. Sy geven voor (seit Marmol p. 1. l. 2. c. 3.) dat de hemelsche Geesten aan hen verschynen, ende hen volkomende kennisse van 's weerelds saken geven. Sy worden seer gevreesd en ontsien in Africa, om datse grote Wicchelaars zyn. De regel diense houden, is van enen Boni t'saamgesteld, welken d'Arabiers den vader der besweeringen en Wicchelaryen noemen ens. Van drie boeken die hy voornamelik gemaakt heeft, is het derde 't Geheim der godlike eigenschappen genaamd, handelende van de kragt der 't negentig namen Gods. Daarna: (want van dese past het best alhier te melden) By anderen is de Kabbala in't gebruik, heb-

{==71==} {>>pagina-aanduiding<<}

bende iet van 't joodsch; behalven dat syse uit de schrift niet halen. Want sy seggen dat het een natuurlike weetenschap is; doch datmen, om deselve regt in 't werk te stellen, een groot sterrekundig wesen moet. §. 15. Hy seit verder, dat binnen Alkair, en in de steden van Barbarijen een oneindig getal van menschen is, die sich onderwinden op driederleije wyse te wicchelen. D'eersten doen het door Toverkunst, met enige figuren diese trekken. D'andere vullen een glas met water, daarse enen drop olie in doen, die seer klaar word: daar in siense dan, na hun seggen, benden van Duivels, krygswyse voorstappende, een deel te water, en een deel te lande. So haast alsse blyven staan, vrage sy hen 't gene sy weten willen: die dan door tekens uit ogen en handen antwoorde geven. Maar om dese Wicchlerijen te doen, moetmen kleine kinderen hebben; want de groten seggen datse niet met alle sien. Deselven dan doende in d'olie kyken, so vragense, ofse de teikens wel sien die de Duivels maken: waarop se seggen ja. Dit geeft hun groot gelove, en jaagt hen veel geld in de beurs. Men noemse in Mauritanien Motolcimi Besweerders, om datse sich beroemen den Duivel met woorden te belesen. De derde soort deser Belesers zyn sekere vrouwen, die 't volk wysmaken, datse met de Duivelen omgaan; welker een deel witt, anderen rood zyn, of swart. En wanneerse wicchelen willen, berokense haarselven met swavel en anderen stank: waarop de Duivel hen bevangt, sose seggen; mits veranderende hunne stem, als of hy sprak uit haren mond. Daar op naderen de raadvragers, en vrage met grote vernederheid het gene sy begeeren te weten. 't Antwoord ontvangen hebbende, gaanse heen: mits latende in 't huis van de waarsegger een geschenk. §. 16. Men vind ook Bumicili, die buitentwyfel grote Wicchelaars zyn. Dese slaan sich (sose seggen) met de Duivels, en gaan geheel gekneusd en geslagen in grote schrik. Dikmaal sullense op den klaren middag voor allemans ogen sich gelaten te vechten, twee of drie uren lang, met javelyns en asegaijen, tot datse geheel afgemat zyn. Maar enen ogenblik gerust hebbende, herneemense hunne kragten, en gaan wandelen. Ik hebbe hunnen regel noch niet konnen verneemen, maar men houdse voor Godsdienstpligtigen. Anderen zynder in Barbarijen, die men Muhaoimi, Besweerders of Duiveljagers noemt: also sy sich beroemen de Duivels te verdryven: en wanneer 't hen niet en gelukt, so wyten sy 't der menschen ongelovigheid, of seggen dat het een hemelsch geest is. Dese trekken enige kringen, daarse sekere teikens in schryven; ende maken enige indruksels aan de handen of op 't aangesigte des besetenen: daarna berokense hem met vuilen stank, en doen hunne besweeringen. Sy vragen den geest, hoe hy in dat lichaam gekomen is, en hoe sijn naam is: mits gebiedense hem daar uit te vertrekken. §. 17. Nu moet ik noch enige staaltjes uit Rykant verhalen, die hy van de Turken meld. Dat slag van Dervis diemen Mevelevi noemt, draaijen sich kunstiglik met grote geswindigheid op 't spelen van de fleuit: seggende datse dit uit godvrugtigheid doen, na 't voorbeeld huns eersten stichters Mevelava; die sich dus veertien dagen lang om draaide, sonder voedsel te nuttigen, terwyl sijn vriend Haraze op de fleuit speelde: in voegen dat hy buiten sig self nedervallende, wonderlike openbaringen, en uit den hemel alle de regelen van sijne ordening ont-

{==72==} {>>pagina-aanduiding<<}

ving. Siet nu hoe sy dit exempel verder volgen. Tot ledigheid genegen, ende nochtans niet konnende ledig zijn, so leeren sommige kunsten en grepen met de hand doen, om 't volk op te houden: en anderen begeven sich door gemeenzame Geesten, ('t schynt dat de schrijver, op sijnen eigenen name sprekende, sulke Geesten mede erkent) tot tovery en besweeringe, waar op hy iets ter proeve uit Busbeek verhaalt, het gene ons hier noch eerst te passe komen sal. §. 18. In Egypten, seit hy vorder, is een klooster aan enen heilig Kederlei gewijd. De Dervis aldaar geven voor, datse door de kragt, die Kederlei aan hen medegedeeld heeft, d'adderen en slangen betoveren konnen: ende handelese so ombeschroomd, als wy de beesten doen die sonder vergif zyn. Daar zyn ook anderen die de beten der adderen noch slangen niet en vresen: maar deselve metterhand uit sakken trekken, daar syse in besloten houden gelijkmen wormen uiter aarde haalt. Anderen wederom, die de slangen met enig woord besweeren, ende hen kort doen stille staan, wanneerse langs de platen des Nyls zyn kruipende. Enige deser luiden geven voor, dat dit erflik in hun geslagt is, en van vader tot soon overgaat; anderen wederom, dat hen dit van God is toegestaan, uit insigt hunder deugden heiligheid. Op dit stuk hy ik by monde wel gehoord verhalen, dat in Persien en Indien menschen zijn, by d'onsen voor Toveraars vermaard, die de slangen in ene dose konnen doen danssen, 't hoofd daar boven uitstekende, op't geluit van hun gesang, 't of fleuit of snarenspel: 't welk ons hier na ook noch te ondersoeken staat. §. 19. Dus veel dan ook van de Mahometanen geseid, geeft genoegsaam te verstaan, dat sy al mede, gelijk d'anderen, doen so alsse geleerd zijn. Want hunne Toverijen en Besweeringen, sose al uit hun bygelove niet ontstaan, konnen echter met het selve wel bestaan. Die aan 's hemels Lichten siel en leven passen, hunne kragt in 't stuur van 'smenschen doen erkennen, en geheimenis in de Namen, Letters en Getallen stellen: wat wonder is 't dat sulke menschen Tovery en Wichlerij, en dat noch wel op hunne wijse als een deel van Godsdienst plegen? So ook mitsdien datse d'Engelen niet geheel als sonder lichaam bemerken: so en is 't niet vreemd, datse insgelyx derselver verschyningen, het zy droom, het zy wakende, geloven. En als schepselen van mindere waarde dan sy selve zijn, en die elken Musulman by menigte ten dienste staan: so schijntet ook niet vreemd, datse door belesingen, met sodanige karacters van geheime kragt, tot ieders dienst geroepen worden. niet weiniger sal het dan ook helpen moeten, datse de bose Engelen, hunne gesworene vyanden, door de selfde kragt en middelen verbannen. Nu word het tijd, dat wy tot het Kristendom overgaan, om te sien hoe 't daar gebakend is.


{==73==} {>>pagina-aanduiding<<}

XV. Hoofdstuk. Het eerste Kristendom heeft mettertijd enige der heidensche gevoelens ontrent dit stuk wederom aangenomen en voortgeset.

§. 1. INdien wy nu bevinden, dat een groot deel der voorseide leeringen door 't licht des Euangeliums tot noch toe niet verdreven zijn; dat en moet ons gansch geen wonder doen. Want het eensdeel al geen duisternisse is, wat de mensch naturelik begrijpt en anderdeels de verlichtinge, die 't verstand door de H. Schrift ontvangt, niet allerwege werksaam is; so dat een Kristen niet meer weet het gene hy behoort te weten, dan hy doet het gene hy behoort te doen. Dit laatste openbaart sich noch wel het meest: mitsdien den mensch altijd noch veel gereeder en gemakkeliker is, de waarheid blootlijk door verstand te soeken, dan door deugd werkstellig te maken. Oorsake? Onse aangeborene nieuwsgierigheid, die ook tot den val der eerste ouders heeft geholpen, is daar door so 't blijkt, noch meer versterkt. Des drijftse ons noch so veel meer om veel te weten, alsse min bequaam is om iets wel te vatten: maar het doen van 't gene regt, en door de waarheid ontdekt is, wil met den verdorvenen mensche so niet voort. Men moet derhalven niet denken, dat al wat dese of gene volkeren, sonderlinge in't stuk van den Godsdienst, plegen, altijd en enkelik uit hun geloof en leere spruit. Dit sal ons wel haast voorkomen, willen wy slegs de Kristenheid, so als die eertijds was, en so die heden is, eens gaan besien. §. 2. Het oud Kristendom stel ik in de ses eerste hondert jaren, voor dat sig de Paus of Mahomet verhief: niet so als het van den Heere Iesus en d'Apostelen gesticht is; (want ons dat in't volgende te pas moet komen) maar so als 't na hunnen tijd allenx verlopen is. Doch hier heeft een ieder die voorsigtigheid van node, dat hy 't eigentlijk gevoelen van de Kerk, of voornaamste leeraars, die in hare gemeinschap waren, van de dolingen der genen die by haar veroordeeld zijn ten eersten onderscheide. Daarna, dat hy toesie wat sekerheid hy hebben kan, van den eigentliken sin en 't bedrijf der genen, die voor ketters aangetekend zijn. Want wy willen den Kristenen geensins toeschrijven 't gene by 't algemeen Kristendom verworpen is; noch den Ketteren al watmen van hen seit. Maar 't gene by voorname Kerkenleeraars self beleden, en by andere niet weersproken, ofte iet daar tegen strijdende beschreven is: dat magmen vryelik, mijns oordeels, voor 't gevoelen van de Kerk; hoewel daarom voor geen hoofdstuk des geloofs erkennen. So mede: schoon sy den Ketteren iets in 't stuk der leere toeschrijven mogten, 't gene die self voor hun gevoelen niet erkennen: so en heeftmen daarom echter niet te denken, dat sy hen enige toverwerken (al ware 't valschelik) nageven sullen, die sy selve niet geloven mogelik te zijn. Dit voor af aangemerkt zijnde, so laat ons nu dan sien, wat de voornaamste Kristenen in den ouden tijd van de

{==74==} {>>pagina-aanduiding<<}

Geesten en derselver werkingen geloofde: alsmede wat sy van het doen der anderen verhalen. §. 3. Derselve order volgende als voorheen, soo heb ik eerst van de Engelen, daarna van d'afgescheidene Zielen verhaal te doen. D'eerste honderd jaren waarin d'Apostelen selve geleefd hebben, sal ik overslaan; omdat wy hunne schriften, als den regel des Geloofs, in het twede boek voor ogen nemen, en daar uit de regte waarheid leeren moeten. Doch die hen gevolgd zijn, laat ons van eew tot eewe sien, wat van 't een en 't ander hun gevoelen was. Niet uit enige regelen of verklaringen, by kerkelike vergaderingen vast gesteld; die ik daar af niet en vinde: alsomen ontrent dese dingen, schoon van 't uiterste gewigte, en van 't swaarste gevolg, altijd grote vrijheid gehad heeft, om elk sijn gevoelen te seggen. Ondertusschen lietmen niet, elkander om kleinigheden te verketteren, en dikmaals, om tot besluit te komen, de gansche Kristen weereld by een te halen. Doch wy sullen ons in desen met de verklaringen der voornaamste leeraars behelpen; die ik met eigene ogen nasien, ende met hunne eigene woorden behoudens getrouwe vertalinge) stellen wil. §. 4. In de tweede Eewe dan laat ons Tatianus, Clemens en Iustinus horen. Van de nature der Engelen te spreken: Tatianus schrijft den Geesten wel geen vleeschelijk; maar echter, so 't schijnt, een lichamelijk wesen toe. Want dus wonderlijk valt sijne spraak: alle Daemones zijn sodanig datse wel niet vleeschelijks hebben, maar sijn geestlik t'saamgesteld, gelijk vuur en licht. Doch so en is de natuur huns lichaams door niemant anders in te sien, dan die voorsien is door Gods geest. Dit volgende komt beter by, daar hy seit, dat de Daemones de zielen der menschen niet en zijn. Dese nochtans gelooft hy, dat niet enkeler nature, maar uit deelen toegesteld zijn. {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

En dit meint hy daarom, datse als lichamelik sonder lichaam niet vernomen worden; en 't vleesch sonder ziele niet weer opstaan sal. D'andere leeraars van dien tijd, schoon so niet uitdrukkelik hier over sich verklaren, spreken mede nochtans diergelijken tale; so datmen hen doorgaans niet vreemd van dat gevoelen houden moet. Sulx sal terstont, wanneerse van den val der Engelen meldinge doen, genoegsaam blijken.

§. 5. Clemens van Alexandrien, in 't VI. boek Stromatum der Mengelschriften geeft genoeg te kennen, dat hy d'Engelen voor opsienders der menschen, en ingevers van de wijsheid houd: en dat elk land, en misschien ook elk mensche, den sijnen heeft. Een weinig verder seit hy: {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

  De voorsorge der Engelen is by verdeelinge aan ieder volk en stad van Gode toegevoegd.	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

 En door Engelen deelt de godlike kragt het goed, het zy datse sienlijk of onsienlijk zyn. Die sienlikheid der Engelen mag Iustinus ook verdragen: mitsdien dat hy in sijn eerste Verantwoordschrift voorgeeft, dat God het bestuur van der menschen vordere saken onder den Engelen heeft aanbesteld: waar van sommige vervielen, door verliefdheid op de vrouwen; en dat uit de vermenginge de δαιμονες Daimones gesproten zyn. pag. mihi. 44. Athenago-

{==75==} {>>pagina-aanduiding<<}

ras, in het zelfde gevoelen zijnde, verklaart dit beide breder in sijn Gesandschap. Van 't eerste seit hy, God heeft de Engelen geschapen, om op de saken onder hen toe te sien. So dat God wel sijn oog op alles in 't gemein is houdende: maar de besondere toesigt den Engelen van hem besteld, bevolen heeft. Op het ander singt hy mede al den ouden deun, dat sommige van hen door liefde tot de vrouwen vervallen zijn; en daar uit een slag van Daemonses ontstaan. §. 6. Iustinus, nader van de Daemones te spreken, verklaart, dat hy geenen der selven magtig kent, om gelyk God, de genen die hem gehoorsaam zijn te behoeden, of te belonen. Also weinig dan ook, (gelijk hy verder daar uit inbrengt) om sich aan de ongehoorsamen te wreken. Dit leert hy op de XLII. sijner vragen: en te voren had hy op de XL. geseid, dat een bose geest (eens uitgedreven zijnde, den mensche te voren van hem beseten geweest niet meer quellen kan. En op de XLII. wanneer de besetene banden en ketenen schijnt te breken, dat het dan de Daemon doet: die self (meint hy) sulken kragt wel heeft; maar aan geens menschen lichaam geven kan. Dit is iets besonders, dat ik hier na noch eens te passe brengen sal; waarom ik mijnen Leser bidde, dat hy 't voor eerst by hem self onthouden wille. §. 7. Van den staat der Zielen na dit leven seit Ireneus duisterlijk, op't einde des vijfden boeks, datse sich na ene onsigtbare plaats, hen van God bestemd, vertrekken. Maar Iustinus in sijn twede Verantwoordschrift pag. mihi 56. sich breder verklarende, treed ook so veel te verder van 'tgemeene spoor. Want hy mompelt, dat de zielen der doden op de levenden iets vermogen: dewijle hy seit dat de menschen, van de sielen der verstorvenen bevangen en ter nedergesmeten, gemeenlik besetenen en rasenden genoemd worden. Daar hy onmiddelik te voren van de zielen der menschen, so als die uit den lichame gescheiden zijn, gesproken hadde: so gebruikt hy hier terstond het selfde woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hoewel by den latijnschen vertaalder twee verscheidene woorden, eerst animae zielen, en daar na manes, (waar van siet 2. §. 14.) gebruikt zijn. Dog het kan, mijns oordeels, niet bestaan, dat een selfde woord, het een deel der rede eindigende, en het ander wederom beginnende, sonder iet anders dan twee hulpwoordekens

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

tusschen beiden te hebben, niet in eenen selfden sin soude te verstaan zijn. Want dus staater: 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

 ens. Moet derhalven zijn, dat hy den Zielen des verstorvenen (van welken in 't eerste deel der rede uitdrukkelik gesproken is) alsulke werkingen ontrent de levenden toeschrijft, als de Heidenen, die hy daar voor heeft, den anderen geesten, die sy Daemones noemden, plegen toe te passen.

§. 8. Origenes leefde in de derde Eew; en hadde van d'Engelen al veel vreemde gedachten. Somtyds stelt hy hunne nature met de menschelik evenwaardig: wanneer hy over 't Licht schrijvende, dat aan Christus Ioh. 1. toegeschreven word; het selve, soo 't schijnt, aan Menschen en Engelen even eens acht mede gedeeld te zijn: gelijk daar af in 't brede in sijn III. stuk over Ioannes te lesen is. Doch elders maakt hy sulken onderscheid, dat hy van de eerste tot de laatsten der redelike schepselen nederdalende, d'Engelen als tusschen God en menschen stelt. Want hy leert over 1. Sam. 28. dat

{==76==} {>>pagina-aanduiding<<}

d'eersten de genen zijn, die de Schrift Goden noemt, d'andere Tronen, de derde Overheden. Daar na wil hy twijfelen, of de Mensch het laatste der redenmagtige schepselen zy: dan of het de onderaarschen zijn: daar hy de Daemones' het zy alle of ten minsten sommigen, onder telt, gelijk hy sich over Ioannes int 't 1. stuk verklaart. §. 9. Elders wederom geeft hy te bedenken; dat gelijk de menschen die God in dit leven gevreesd hebben, hier na Engelen worden, volgens Mat. 22:30. (daarmen nochtans niet blotelik Engelen, maar gelyk d'Engelen leest) desgelyx die nu Engelen zijn, voor desen wel menschen mogen geweest zijn. Wat meer is; hy meint, dat d' Engelen en Menschen malkanderen in volmaaktheid voorby streven konnen; tusschen die beide naturen mede stellende 't onderscheid, dat Christus tusschen de eersten en laatsten maakt. Matt. 19:30. en 20:16. Niet alleenlik schrijft hy den Engelen 't onderbestier des Weerelds toe? Homil X in Jer. uit dien hoofde insgelyx als d'anderen mede Bewaar-engelen stellende: maar meint ook, dat sy so wel als de menschen ende met deselven, wien sy ter bescherminge gegeven zijn, in deugd en godsvrugt toenemen konnen. Daarop past hy, dat sommige van hen op de kinderen, sommige op de volwassenen toesien: Wanneer hy op Matt. 18:10. van d'Engelen der kinderkens spreekt, die 't aangesigt des hemelschen Vaders sien. §. 10. Van de Sterren heeft hy dit besonder gevoelen, datse leven en verstand magtig zijn. Al en hoor ik 't hem niet so duidelik seggen, so en mag hy 't echter niet voorby: mitsdien dat hy over de woorden Heb. 2:9. dat Christus den dood voor allen gesmaakt heeft, eerst seit, dat daar door niet blotelik alle menschen, maar met eenen al wat redenmagtig is ( {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, seit hy) te verstaan zy. Onder die {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, redenmagtige dingen telt hy een weinig daarna de Sterren ook. Des verhaalt hy ook met een so verre, dat hy Christus ten verlosser, niet alleenlik der menschen, maar ook der Sterren schikt; alsmede gesondigd hebbende: om datter staat, de Sterren zijn niet suiver in sijn ogen. Iob. 25:5. Dit vind ik so in sijn twede stuk over Iohannes tegen 't einde. Niet te min ontkent hy, datse door hunne invloed enig quaad aan de Menschen doen; al is 't datmen ook van Maansieken by Mattheus leest. Mat. 17:14, 15. Dus verwerpt hy met een, over Genesis schrijvende, de Sterrengissinge; die hy meint dat sommige Engelen, sich hier in te buiten gaande, den menschen hebben wijs gemaakt. §. 11. Van den oorsprong des Duivels seit Tertullianus, in sijn 2 boek tegen Maricion. Hy heeft de Engelen geesten gemaakt. Derhalven dat hy (de Duivel) van God gemaakt is, dat is een Engel, 't selve komt het toe die hem gemaakt heeft; Maar in so verre als hy van God niet gemaakt is, te weten, de Duivel, dat is, een verklikker; daaruit volgt, dat hy hem self gemaakt heeft, God verlatende; ende dat, bedrogen zijnde. Duistere taal! Origines wederom niet beter, want die schrijft ons over Iohannes in 't eerste deel, als oft hy een raadsel vertelde, van den Draak; als een van d'eersten zijnde welke God in den lichame, en al voor den mensche geschapen hebbe: waar toe hy den

{==77==} {>>pagina-aanduiding<<}

woorden van God tot Iob gesproken, cap. 40:14. enen wonderliken draai geeft. Want hy neemtet (gelijkmen ook noch heden in den griekschen Bybel leest) als ofter stonde: dit is of dese draak, daar in 't hebreewsch behemos staat, 't welk een groot beest te seggen is) 't begin van Gods formeersel, gemaakt om van sijne Engelen bespot te worden. §. 12. Van derselver kennisse doet Tertullianus ene ronde belijdenis, wanneer hy sich in 't 5. boek tegen Marcion aldus verklaart. De knechts mogen de raadslagen der heeren niet weten: veel weiniger die afvallige Engelen, en 't hoofd huns afvals, de Duivel. Waar uit ik soude willen beweeren, dat sy, hunder misdaad halven, so veel meer van alle bewustheid ontrent de schikkingen des Scheppers vervreemd zijn moeten. Doch dit gaat so verre als die godlike geheimenissen betreft: maar als het tot de menschen komt, so hoortmen de leeraars van dien tijd den Daemones enig vermogen op 's menschen Ziel en Lichaam geven. Het een en 't ander stelt Cyprianus, van de Afgodery schrijvende. Dese geesten, seit hy, bedriegen ons: beroeren ons leven, ontrusten onsen slaap: en de lichamen bekruipende, verschrikken onse binnenste gedachten, verrukken de leden, krenken de gesondheid, veroorsaken de siekten, ens. So ook Tertullianus in 't boek van de Lijdsaamheid. Die hardnekkige vyand rust nooit van boosheid; maar woed dan meest, wanneer hy verneemt, dat de mensche volkomelik verlost is. In sijn Verantwoordschrift cap. 20. doet hy nader verklaringe, hoe hy meint dat het toegaat, wanneer de Daemons den mensche aan ziel of Lichaam schade doen. Hem dunkt, dat de fynigheid en dunnigheid huns geesteliken wesens te kragtiger zy, om onsigtbaarliker en ongevoeliger wijse te werken: waar door hy te kennen geeft, dat hy 't geestelik wesen even eens als een der fijnste en dunste lichamen begrijpt. Daarom is dat hy ook sijne reden met dese gelijkenis verklaart. So ergens een verborgen vlammetje het ooft of't koorn in sijn bloeisel verstikt, in sijne botte verslenst, of in 't spenen bederft; of gelyk een pestige lucht sich verborgener wyse verspreid: also kan ook d'aanblasinge der Duivelen de verdroventheden des menscheliken verstands, door heimlike besmettinge vervoeren. §. 13. De Zielen der menschen meint Origenes dat al in wesen zijn, eerse in de Lichamen komen. Sulx geeft hy over Matt. 20:1, 16. en in 't 16. stuk over Iohannes te verstaan; na dat hy 't in 't 5. voor 't gemeen gevoelen der Kristenen van zijnen tijd had opgegeven. 'tWesen der Ziele wil hy, so de Schrift hem voortkomt, van den Geest des menschen onderscheiden ende desen wederom van den H. Geest. Daar af seit hy dan, dat de Ziel tot deugd en ondeugd beide, maar de Geest des menschen tot het quaad sich niet begeven kan. over 't afscheid van de Ziel in 't sterven is hy in 't 19. van gedachten, dat deselve uit haar lichaam word geligt door enigen die daar toe verordend zijn: en die dit doen, acht hy edelder te zijn dan de Zielen diese halen. Daar toe weet hy 's Heilands woorden Luc. 12:20. en Ioh. 10:18. met enen geestigen swenk te buigen. §. 14. Van den staat der Zielen na dit leven tot den dag der Opstandinge toe, is de meininge van Tertullianus; datse in sekere plaatse zijn, die door

{==78==} {>>pagina-aanduiding<<}

Abrahams schoot bekend word, ende tusschen Hell en Hemel is: also dat hy in 't 4. boek tegen Marcion daar van schrijft, esse aliquam localom determinationem, datter sekere bepalinge van plaats is, die Abrahams schoot genaamd word. Vraagt gy, waar die plaats is, en voor hoe lange tot der Zielen verblijf bestemd? Op 't eerste sal hy seggen; Sinum dico Abrahae rehionem, et si non caelestem, suporiorem inferis. Ik noem Abrahams schoot ene contreije, die wel niet in den Hemel, ende nochtans hoger dan der onderaardschen is. Op 't ander: refrigerium praebiturum animabus justorum, donec cousummatio rerum resurrectionem omnium plenitudine mercedis expungat. De t'samenstellinge der latijnsche woorden is op 't einde wat duister: doch niet daar 't meest op aan komt; de sin sal wesen, dat de plaatse den Zielen der regtveerdigen tot verkoelinge dienen sal, ter tyd toe dat de volle beloninge met de vervullinge van alles in d'opstandinge te volgen staat. §. 15. Dat hy daar effen Inferos de Onderaardschen noemde, was om dat hy de plaatse der verdoemden waarlik onder d'aarde, of van binnen in een groot ruim hol gesteld; en de straffe des lichameliken vuurs geloofd heeft. Want op 't einde sijns boex van de boete noemt hy de Hell thesaurum ignis aeterni, den schatt, of liever de schatkamer des eewigen vuurs, waar van de rookgaten by de aardbevinge so vervaarlike vlammen uitschieten. Terstond daar na noemt hy dese vuurkolken magni aliculus & inoestimabilis foci scintillas missilia & exercitoria jacula. De vonken en sprankelen eens onschatbare groten heerds. Cyprianus tegen Demetrianus in 't einde des briefs van dese saak handelende, spreekt so duisterlik, datmen twijfelen mag, of hy de Ziele ook Lichamelike straffe dreigt. Want dus hangt het een aan 't ander: De Helle sal de genen die daar toe verwesen zyn gedurig branden: ende ene verslindende straff der heetste vlammen sal geen einde noch rust aan de pyniginge laten. De Zielen worden met hunne lichamen tot oneindige quellingen en pynen bewaard. Waar mede hy schijnt te willen seggen, dat de Ziel en 't Lichaam eenerlei deel hebben sullen: of hy most ons nader verklaard hebben, wat de ziel besonderlik sal te lyden hebben. §. 16. In de vierde Eewe laat ons voor af Athanasius horen. D'Engelen meint hy mede dat niet alle even weerdig zijn: waaraf hy, na sijn verstand, op d' 31. vrage van Antiochus sijne bescheidelike verklaringe geeft. Van d'Ordeningen der Engelen iets geseid hebbende, so vervolgt hy dus. Dewyle dese Ordeningen ook Heirscharen genoemd worden: so moetmen daar onder verstaan, de ordeningen der Leeringe; der Bescherminge, der Voorsorge, der Bedieninge, der Behulpsaamheid: mitsgaders de ordeninge om de Zielen te ontfangen, en eene om deselve by te blijven. Gelijk ons de verscheidenheid der ordeninge in de bovenste magten kennelik is, so moeten wy ook weten, welke derselver staat en kennisse zy. Te weten, Tronen, Cherubim en Serafim leeren onmiddelik van God self; als hem de naaste, en boven alle d'andere verheven zynde. Dese nu onderwysen de lage ordeningen; en so vervolgens, die hoger zyn leeren de leegsten. D'ondersten van allen zyn d'Engelen, (in 't besonder also genaamd) en die onderwysen de menschen. Dese man brengtet Filo, en den anderen Ioden, volgens 't gene boven 12. §. 4, 5, 6, 8, 9, 10. verhaald is, al

{==79==} {>>pagina-aanduiding<<}

vry na. Ende nochtans is dit die voortreffelike Athanasius, wiens Geloofs bekentenisse, by onse kerken so hogelik geacht, ende als een voorschrift van regtsinnigheid in den 9. artijkel der Nederlandse Belijdenis aangetekend is. Ondertusschen dat hy nu van God af, door alle dese Engelrijen, tot den Mensche toe gedaald is: so wil ons Basilius verder seggen, hoemen Gods heilige Engelen in die verscheidene ordeningen en bedieningen aanmerken sal. Alle d'Engelen (seit hy in 't 3. boek tegen Ennomius voor aan) hebben wel eenen naam, ende zyn alle van eenerleye nature; doch sommige van hen staan over geheele volkeren; andere sien op elken gelovigen toe. Nu, so veel als een geheel volk eenen man te boven gaat: so veel meer moet de weerdigheid eens Engels zyn, die de voogdij over een volk heeft, dan dergenen dien maar een mensch aan bevolen is. §. 17. Augustinus echter, die wel 50. jaren later schreef, toont sich hier so vrymoedig niet: want hy in sijn handboexken cap. 58. sich op dese wijse verklaart. Wy souden niet konnen seggen, hoe 't met dat aldergeluksaligste en hoogste geselschap gesteld zy: wat onderscheid van personen. ens. en der betekenisse deser vier woorden, waar mede schynt dat d'Apostel de geheele hemelsche maatschappy begrepen heeft, seggende; het zy Tronen, het zy Heerschappyen, het zy Overheden, het zy Magten. Konnen sy hun seggen slechts bewysen: voor my, ik wil geerne bekennen, dat ik die dingen niet en wete. Hieroymus sijn tydgenoot (want beide hebbense tusschen die vierde en vijfde eewe geleefd) toont sich hier in so beschroomd niet eens: maar wil 't gene die twee seggen, en de derde twyfelt, ook noch bewijsen. Want vele schriften leeren ons, (seit hy over Ies. 66.) dat ieder van ons zyne Engelen heeft: als onder anderen dit; Siet dat gy geenen van dese kleinsten versmaad; want hunne Engelen ens. (Matt. 18:10.) die van besondere personen: insgelyx noemt hy op Ezech. 47. pag. mini. 476. tom. V. Angelos praesides Iudaeorum, d'Engelen die over 't Joodsche volk gesteld zijn. En op Dan. 7.2. de vier winden des Hemels, seit hy, houd ik voor d'Engelsche Magten, welken de voornaamste koningrijken toebetrouwd zijn; volgens 't gene in Deuter. staat. (cap. 32:8.) Want de woorden, God heeft de landpalen der volken gesteld, na 't getal der kinderen van Israël; vertaalt hy in 't laatste, na 't getal van Gods Engelen; om dien sin toch goed te maken. §. 18. Augustinus wederom, die sich daar terstond ontrent het onderscheid der Engelen so bescheiden toonde, is het mogelik vervolgens al te veel: mitsdien hy in eenen aassem daar aanvoegt van de Sterren. Hier in ben ik ook noch niet versekerd, of de Sonne, Maan en alle Sterren mede tot deselfde maatschappy behoren: hoewel by sommigen voor lichtende Lichamen gehouden, die sonder kennis of gevoelen zijn. 't Schijnt dat hy dit laatste niet geerne toestemmen soude: maar liefst de gesternten mede voor een slag van Engelen, of immers van levendige en verstandige schepselen erkennen: behoudelik dat hy niet versekeren derf, datse onder die vier ordeningen, die hy daar uit Paulus noemt, mede behoren geteld te zijn. Volgens dien so sietmen, dat hem d'Intelligentien van Aristoteles noch in 't hoofd gelegen hebben.

{==80==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 19. Van het amt der Engelen spreekt Hieronymus wederom volmondig uit, over Dan. 7. Angelorum duplex offiicium est: aliorum qui jusiis praemia tribuunt: aliorum qui singulis praesunt cruciatibus. Het amt der Engelen is twederley: sommige zijn om den rechveerdigen den prijs te vergelden; anderen, om over elke straffinge te staan. Het blijkt uit den draad sijner rede, en uit de schrift die hy voor heeft, dat hy 't beide van de goede Engelen verstaat: volgens dien, dat niemant goed noch quaad, buiten dienst van Gods Engelen over komt. §. 20. Lactantius sal ons te kennen geven, wat gedachten datmen dies tijds van den Duivel hadde. Hy beschrijfter ons in 't 11. boek sijner Onderwijsingen de geheele gelegentheid af: weerdig, so als hy 't daar in 't brede verklaart, dat ik den korten inhoud hier verhale. God bragt eerst, seit hy, §. 8. enen Geest voort die hem gelijk, en met de deugden van God sijnen vader begaafd was. ('t Schijnt dat hy dus van Christus spreekt.) Daar na maakt hy den anderen, (alterum seit hy, ende niet alium enen anderen) die den aart der godlike afkomste niet behiel. Dat was, meint hy, uit nijdigheid, tegen dien eersten Geest, die Gode sijnen vader lief en gehoorsaam bleef. Daar af heeft hy den naam van {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

. Criminator, dat is, Aanklager of Lasteraar gekregen. Sonder te dier plaatse meer daar van te spreken, so seit hy daarom §. 14. dat God den Duivel de magt over de Aarde, en dat ab mitio, van 't begin af, gegeven heeft: en willende voorsien, dat hy de menschen niet en misleide, so sond hy Engelen om hen te beschermen; met waarschouwinge, om sich met derselver ommegang niet te besmetten. Maar de Duivel heeft hen so verre verleid, datse sich met de vrouwen verliepen; en daar over uit den Hemel ter Aarde verstoten wierden. Al wederom dat oude seggen: warender aleer geen schone vrouwen geweest, daar souden geen Duivelen zijn. §. 21. Een ding staat ons hier nu tusschen beiden aan te merken, dat ik allereerst by Athanasius vinde, 't gene men in sijn 1. en 2. boek tegen d'Arrianen leest, daar hem anderen t'sedert in gevolgd zijn: hoe hy den val des Duivels uit Iesa. 14:12. meint te halen. Hoe zijt gy uit den Hemel gevallen, o Morgensterre. Dese woorden, schoon den koning van Babel kennelik toegesproken, voor so verre hy uiterlik so verheven scheen, hebben sy op den Duivel gepast. En gemerkt dat de Morgensterre in 't grieksch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

. in 't latijn Lucifor, dat is, lichtbrengen of keersdrager heet; gelijkmen daar ook in den griekschen en latynschen Bybel leest: so sietmen waar 't van daan komt, datmen noch op heden den naam Lucifer aan den oppersten Duivel geeft. Wisten degenen, die der latynsche taal onkundig zijn, dat dit de naam der Morgensterre is; sy souden dien niet aan Belial, maar aan Christus geven, die hem self de blinkende Morgensterre noemt: Openb. 22:16. Waar op Petrus mede sag, wanneer hy schreef, dat de Morgenster in onse herten opgaan moest. 2 Pet. 1:19. Want in enen anderen sin sal ons de Heer Iesus de Morgensterre geven. Openb. 2:21. So dat Lucifer geensins een opperduivelsche; maar d'allerkristelikste naam is diemen in den Bijbel leest. §. 22. Doch wederkerende tot Lactantius; mitsdien dat de gedrogten,

{==81==} {>>pagina-aanduiding<<}

uit dese so schandelike vermenginge voortgeteeld, half Engel; of liever half Daemon half Mensche zijn, na sijn seggen: so brengt hy daar uit in, datter duo genera Daemonum, tweederley slag van Geesten zijn; unum coeleste, alterum terrenum, 't een hemelsch en't ander aardsch. Door den Hemel schijnt dat hy de Lucht alhier verstaat. Maar na het woord terrenum aardsch volgt onmiddelik: Hi sunt immundi spiritus, malorum, quoe geruntur, auctores; quorum idem Diabolus est princeps; Dit zijn d'onreine geesten, oorsaken van 't quaad, datter omgaat, waar van de selfden Duivel 't hoofd is. Met eene geeft hy klaarlik te verstaan, dat hy dese geesten voor die Daimones houd, welken de Heidenen voor Goden hielden: so als hier voor 2. §. 9------ 13. is aangewesen Ende bevestigt sulx noch nader mijn voorgaande seggen, 5. §. 4, 5. dat de Heidenen nooit enigen Duivel aanbaden, dan voor so veel alsse die voor Goden hielden. §. 23. Deselfde Lactantius wil ons mede seggen, dat de Daemones wel geesten, maar echter spiritus tenues van seer fijne stoffe; & incomproehensibiles niet vatbaar zijn: 't welke deselfde taal is, die wy hier voren Tertullianus en Origenes hoorden spreken. Wat vermogen dat hy hun verstand toeschrijft; geeft hy klaar genoeg te kennen, wanneer hy seit: datse wel veel toekomende dingen weten, maar niet alle; also 't hen niet beuren mag Gods raad grondig te weten: zijnde 't selfde dat Tertullianus flus met reden ook bevestigt heeft. Echter meint hy, §. 16. dat de Sterrengisserije, Geweidkijkery, en Vogelschouwinge, boven. 3. §. 4, 5, 7. gedacht, altemaal ingevingen der Daemons zijn: so dat hy die Geesten altoos bequaam acht, om den menschen sulx te leeren. §. 24. Hieronymus, so veel als ik bespeuren kan, onderscheid de Geesten wel ten aansien hunner plaatsen op die wijse niet: maar meint nochtans ex Pauli dictis (Ephes. 2:2. en 6:12.) colligi, diabolos in aëre vagari dominari, dat de Duivelen in de lucht swerven en heerschen. En breder over Efes. 6:12. schryvende, geeft hy ons dit voor 't gemeen gevoelen op. Dit is de meininge van alle leeraars, dat die Lucht, welke den Hemel en d'Aarde, als tusschen beiden zynde, van malkanderen scheid, en het ledige genaamd word, vol tegen strydige kragten zy. Hierna staat wederom te verhandelen, van wien dat de Overheden en Magten en Geweldhebbers deser eewe ens. hunne magt ontfangen hebben. Over welk laatste sijn gevoelen verklarende, so dunkt hem, dat het van God self moet zijn: min of meer gelijker wijse alsmen de mitsdaders te werk stelt; den eenen dit, en den anderen dat opleggende, om hen 't leven suur te maken. Hy wil ook dat die onreine geesten, so wel als de heilige Engelen, in sekere ordeningen onderscheiden zijn; so als hy over Hab. 3. is schrijvende. Gelyk Christus 't hoofd is der gemeinte ende eens iegelijken mans; so is Beelzebub 't hoofd aller Daimones, die in dese weereld sulken moedwil plegen; so datse onder hen, elke rott of bende hun besonder hoofd en oversten hebben. §. 25. Nu moet ons Lactantius noch seggen, wat hy meint datse den menschen doen. In 't gemein is sijn gevoelen, §. 14. dat dese besmette en verdorvene geesten door de gansche weereld sweven, ende troost soeken tegen hun

{==82==} {>>pagina-aanduiding<<}

verderf, in't verderven van de menschen. En terstond verklaart hy in 't besonder, hoese quaad aan Ziel en Lichaam doen. De Ziel: in dier voegen datse alles met listen en lagen, met bedrog en dolinge besetten, den menschen in 't besonder achter aan hangen; en van deur tot deur in de huisen kruipen. En wat de Lichamen betreft: dewyle dese geesten selve, na sijn gevoelen, eensdeels Lichamelik, en anderdeels evenwel seer fijn, ende daar door niet vatbaar zijn: so bekruipense ongemerkt de Lichamen der menschen; en op derselver ingewanden bedektelik werkende; kreuken de gesondheid, verwekken siekten, verschrikken 't gemoed met dromen, slaan t' verstand met dulligheid; en dwingen met so veel quellens de menschen, datse tot hen om hulpe komen lopen. 't Schijnt evenwel, dat hy dit alles maar van de Heidenen verstaat, daar de Duivel sulken magt op heeft: want daar heeft hy mede te doen, en die zijn 't eigentlik die de Daemons om hulpe aan lope, hen voor goden houdende. Maar in 't Kristendom stonden hen de vaders lang so veel gesags niet toe. §. 26. Van d'afgescheidene Ziele magmen 't gevoelen deser Eewe uit Athanasius vernemen. Onder sijn Vragen, flus gemeld, is dit de 32. Of de Zielen na hun verscheiden ook gedachtenisse van ons hebben, gelyk de H. Engelen doen? Daarop antwoord hy: Ja: so veel als de Ziel der Heiligen betreft: maar die van de sondaars niet. Want de gedurigste straffe gevoelende, hebben soveel met hen self te doen, datse op anderen weinig denken. De 33. vrage. Wat is daar 't werk der verhuisde Zielen? Antw. De Ziele van 't Lichaam gescheiden is niet bequaam om iets, het zy goed of quaad, te werken. De Zielen der heiligen nochtans, (seit hy een weinig verder) van den H. Geest verwekt, loven en prysen God, met de H. Engelen in den landen der levendigen. Op de 35. vr. vast stellende ‘dat de Zielen nooit na den dood wederkeeren, om van den staat der doden verhaal te doen: so geeft hy in 't antwoord dit voor reden; dat sulx oorsake van veelerley bedrog kon zijn, wanneer sich de bose geesten veinsen mogten, Zielen der verstorvenen te wesen, die den levenden 't een of 't ander quamen openbare. Hier op bid ik nu den Leser, goede acht te geven, of 't ons hierna te pas mogt komen. §. 27. Augustinus geeft in desen meerder bod. Want is 't dat hy doorgaans het Vagevuur uitdrukkelik verwerpt en weerleit; sulx uit verscheidene sijner schriften blijkt, die by enen mijnder waarde voorsaten, D. Andr. Lansman in sijnen Roomschen Afval aangetekend zijn: nochtans laat hy sich in 't 69. cap. van zijn Handboek in deser voegen horen. 't Is niet ongelooflijk, dat ook iet diergelyk na dit leven geschied: ende magmen wel vragen of't so zy. En hoe 't blyken mag of niet, dat enige gelovigen door sekere vuur van suiveringe, (na dat se de vergankelike goederen meer of min bemind hebben) so veel later of vroeger tot de saligheid komen; uitgenomen nochtans de sodanigen van welken geseid is, datse Gods koningrijke niet besitten sullen; ten zy dat hen de sonden, op behoorlike boete, vergeven werden. §. 28. Wy gaan over in de vijde eewe, daar my Theodorerus ontmoet, die 't gevoelen der leeraars in sijnen tijd, so van de quade als van de goede Engelen, genoegsaam t'onsen behoeve verklaart. Van d'Engelen, be-

{==83==} {>>pagina-aanduiding<<}

sonderlik also genoemd, geeft hy ons sijne meininge driesins te verstaan: aangaande hunnen aart, hun verstand, en bewind. Over 't eerste is hy van gevoelen, datse, hoewel onlichamelik, nochtans door sekere bepalinge van plaats omschreven zijn; gelijk hy sulx op de 3 vrage over Genesis beweeren wil. Ende dat uit die reden: dewijle sijn verstand over het twede is, dat ieder Engel sijn besonder bewind heeft, en de sorge eens iegeliken volx of persoons enen besonderen Engel aanbevolen is. In sijn 10. Vertoog over Daniël onderscheid hy dit nog so veel nader, dat hy gemeenen Engelen elk sijnen mensche in 't besonder; maar aan iegeliken Opperengel een geheel volk te bewaren geeft. Over het derde drukt hy sijn gevoelen kortelik met dese woorden uit. Niemant verwondere sich over 't gene ik van d'onkunde der hemelsche geesten schrijve. Want sy en weten het toekomende, noch ook alle dingen niet; also sulx alleen tot de godlike nature behoort. Maar d'Engelen en Eerstengelen, met d'andere hemelgeesten weten so veel alsse leeren: daarom ook de heilige Apostel, van hen sprekende. seit, dat den Overheden en Magten in den hemel ens. Efes. 3:10. dit schrijft hy over den 24. Psalm. §. 29. So spreekt hy gevolgelik van de Daemones ook: welken hy geen ware voorseggingen magtig kent: seggende over Ezech. §. 8. dat de Daemones geen ding vooraf weten, maar slechs daar na slaan; ende nochtans voor seggen. In sijn 10. boek van d'Orakelen bekent hy echter, dat de Geesten wel waarlik iet voorseid hebben; maar uit de Sterren. Want seit hy, al wat de Goden (by de Heidenen so genoemd) spreken, indien 't is datse so spreken, als die self weten 't gene by de Noodschikkinge gebeuren moet: dat moeten sy eigentlik uit den loop der Sterren betekenen; en dat hebben vast alle die goden so gemeld, die iets voortbragten dat geen leugen was. Men siet dat hy doorgaans door Daemones de bose geesten verstaat, die sich voor Goden eeren lieten: en om die eere te handhaven, sich met bedrieglijke orakelen behielpen. Sulx is insgelijx 't gemeen gevoelen van den ouden tijd geweest, ende houd (gelijk wy nog hier na bespeuren sullen) tot op heden stand. §. 30. So was 't mede met den oorsprong van dat boosgedrogt gelegen. De gemeinschap der Engelen met de vrouwen hadde (somen noch al geloofde) het geslagte der Daemones in de weereld gebragt. Severus Sulpicius heeft sulx niet als een besonder gevoelen, 't zy van hem self, of van anderen; maar als ene ware geschiedenisse verhaald. Want hy en schroomt niet, uit den joodschen schrijver Iosefus, als ofter die by geweest hadde, in 't begin sijner kerkel. historien dus te schrijven. In welken tijd (wanneer Noach in de weereld was) het menschelik geslagte grotelix vermeerderende; so hebben d'Engelen, die den Hemel tot hunne woonplaats hadden, door maagdelike schoonheid bevangen, sich tot ongeoorlofde lusten begeven: ende van hunnen aart en oorsprong verbasterd, de bovenste delen verlatende, welker inwoonders sy waren, sich met sterflike huweliken vermengd. Dese allenx schadelike seden saayende, hebben 't menschelijk geslagte bedorven, uit welker vleeschelijke paringe men seit dat reusen voortgekomen zijn; mitsdien dat de vermenginge der verschiedene naturen wanschepsels geteeld heeft.

{==84==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 31. Wat den staat der afgescheidene Zielen betreft, komt my ontrent desen tijd niet besonders voor, dat in de vorige eewen niet al gemeld is. So ook van d'Engelen noch van de bose Geesten niet, in al den tijd der sesde eewe, tot op den groten Gregorius toe, die sijne besonderr gevoelens, beneffens de voorgaande, tot in de sevende overbragt. Dese, hoewel hy van Ian den vaster, doe bisschop van Constantinopel, gelijk hy was tot Romen, ten hoogsten euvel nam, dat hy sich 't hoofd van alle bisschoppen noemen wilde: word nochtans heden by 't roomsch kristendom ten hoogsten geroemd. En daar hebben sy wel goede reden toe; gemerkt dat hy hen veel fabelwerk op voorraad versonnen, en op woeker gelaten heeft. Want hy was met de verdichtselen van Origenes, en anderen tot hier toe gemeld, noch op lang na niet vernoegd. Wasser iet met enige twijveling, of by voorslag geseid, daar maakten hy wel enen regel af: en wasser te weinig, hy deeder noch wat by. So datmen t'sedert sijnen tijd net negen ordeningen der Engelen te noemen wist., van onder op aldus te tellen: Engelen, Eerstengelen, Kragten, Magten, Overheden, Heerschappyen, Tronen, Chrubynen, Serafynen. Hom. 34. in Euang. Over dese Ordeningen hebben t'sedert noch de Schoolgeleerden hunne hoofden veel gebroken, 't gene ik echter niet wil doen. §. 32. Om met de Zielen, na hun afscheid, plaats te weten, merkt hoe men in dien tijd allenx nader aan het Vagevuur quam; dat namaals in 't Pausdom voorts geheel ontdekt is, so dat het nu dagelix by duisenden bereisd word. Boëtius, die noch wel 63. jaren voor Gregorius tijd tot Romen burgermeester was, hoor ik 'er in 't 4.b. prosâ 4. dus af mompelen. Hy vraagt eerst. Blyfter na uw gevoelen geen straffe voor de Ziel, als die door den dood van 't Lichaam gescheiden is? daar op antwoord hy dan: Ja trouwens; niet weinig: waar door ik houden, dat sommigen ten scherpsten gestraft; anderen genadelik gesuiverd worden. Maar Gregorius selfs, eerst soldaat en daarna Paus, verre van iets pauselik in desen te besluiten, blaast, so ongestadig als de wind, heet en koud uit eenen mond. Den sondaar waarschouwende seit hy eerst over 't 7. cap. van Iob, dat geen menschen oog, dat is, geen genade des Verlossers, de Ziel van 't vleesch ontkleed zijnde meer aanschout. Want hy na den dood niet en verlost, die hy voor den dood door genade tot geen vergiffenisse herstelt. Verder. Wanneer een heilig of een bose geest, de Ziel, uit den kerker des Lichaams scheidende, ten tijde des doods ontvangen heeft; sal hy deselve voor eewig, sonder enige veranderinge, behouden; so datse eens verheven zijnde, niet in de straffe vervallen; noch in d'eewige straffe versonken en wederom tot verlossinge rysen sal. cap. 10. Noch meer. Die eens om sijner sonden wille ter straffe betrokken, en ter plaatse der straffinge geleverd is; die en heeft geene barmhertigheid meer te hopen, om vergiffenis op 't niew te verwerven. Maar hy blijft nochtans niet by sijn stuk, dewijl hy elders dese tale voert. Sed tamen de quibusdam levibus culpis esse purgatorius ignis credendus est, Nietemin is te geloven, datter een vuur van suiveringe voor enige kleine sonden is lib. IV. Dialog.c.39. Over de Boetsalmen schrijvende, spreekt hy noch wat ruimer. Post mortem carnis alii oeternis

{==85==} {>>pagina-aanduiding<<}

deputantur suppliciis; alii ud vitam perignem transeunt purgationis. Na den dood des Lichaams worden sommige ter eewige straffe verwesen; anderen gaan door 't Vagevuur ten leven.


XVI. Hoofdstuk. Het besweeren van de Geesten was by d'oude Kristenheid ten deele gelaakt, ten deele geloofd en gebruikt.

§. 1. NU volgt, dat wy hier vernemen, wat gebruik van Wichlary of Tovery in dien eersten tijd der kristen Kercke zy bekend geweest. Beide wierd by de genen die sich catholicos & orthodoxos, dat is van d'algemeene en regtsinnige Kerk noemden, als onbetamelik verworpen: doch men dient te weten, op wat grond. Want het was niet so seer, om datse die konsten en 't gebruik daar af in waarheid onmogelik en in de daad bedrieglik docht. Want anders dedense genoegsaam blijken, datse niet alleen enige kragt der besweeringe erkenden; maar ook, datse 't gebruik daar af niet altijd verwierpen; self dat gene metter tyd by den Doop plegende, 't gene men noch heden Exorcismus Besweeringe noemt. In 't Pausdom is dat over al in vollen swang, en by sommige Protestanten noch niet afgeschaft. Hoewel 't noch geen tyd is, om daar af te handelen; men siet echter dat het ouder herkomst is, so de schriften sommiger leeraars klaar getuigen. Doch eerst laat ons horen hoe de wetten in die eerste Kristenheid tegen dat volk donderden, die sich met Besweeringen bemoeiden. §. 2. In 't 9. boek der keiserlike Regten, onder 't 18. opschrift, de Maleficis & Mathematicis, was 't gebod van keiser Constantijn. I.5. Niemant vervordere sig, enen Offerwichelaar of Wikker of Sterrengisser te vragen. Den Vogelwichelaars en Waarseggers sal men den mond snoeren. De Chaldeërs en Toveraars, en d'anderen diemen gemeenlik Kollen (maleficos) noemt, salmen om hunner veelvuldige misdaden wille niet toelaten iets te onderneemen. Men sal alle nieuwsgierigheid der Godsvraginge (Divinatio) voor eewig swygen. So iemant onsen bevelen niet gehoorsaamt, sal metten sweerde geregt worden, datter de dood na volge. Gedaan tot Milanen den 25. van Lowmaand des jaars 337. Wederom by de keiseren Valentyn, Theodosius en Arcadius. So wie iemant bevonden sal hebben met de sonde van Toverij besmet te sijn; den zelven in hechtenis bekomen hebbende, sal hy hem aanstonds als enen vyand van des menscheliken geslagts in't openbaar voor de regters stellen. ens. Romen den 17. van Oogstmaand 389. De vordere inhoud deser wetten, aldaar breder te lesen, is den regtsgeleerden genoeg bekend. Constantijn had al in 't begin sijner regeeringe in 't jaar 312. de straffe des vuurs gesteld op degenen die sich sulker misdaad schuldig maken souden, en den aanbrenger prys beloofd; als uit de 3. wet aldaar te lesen staat. §. 3. 't Was echter, als geseid, om 't bedrog so seer niet dat die menschen

{==86==} {>>pagina-aanduiding<<}

pleegden: dewyle men hen te swaarder straffe weerdig oordeelde om de bose baden, waar mede men geloofde datse waarlik aan vee of menschen schade deden; mits de hoofdstoffen selfs door hunne besweeringen te beroeren. Sulx blykt klaarlik uit de 6. Wett, door Constantinus en Iulianus 357. gemaakt. Veelen ontsien sich niet, de hoofdstoffen (elementa) door toverkonsten te beroeren, ende 't leven der onnosele menschen te krenken; de Geesten der doden tot sich te roepen (Manibus accitis) en sich stoutelik te beraden, om elk sijne vyanden door quade konsten te vernielen. Waar uit klaarlik is te sien, dat den Toveraren ofte Besweerders tweederhande vermogen toegerekend werd. 1. De hoofdstoffen te bewegen en te ontstellen, en 2. de Geesten te verwekken of te doen opkomen, en met hen te spreken. Het quaad derhalven dat die menschen deden, heeft na hun oordeel daar in bestaan, datse gemeenschap met de geesten hadden, en den menschen door derselver kragt en boosheid allerhande leed aandeden. So datmen geensins twyfelen mag, of dit is in dien tyd het algemeen gevoelen in de kristenheid geweest. §. 4. Sulx geven de voornaemste leeraars van dien tyd insgelyx te kennen, welker ik slegts weinige, doch genoeg ter proeve, hier benevens melden wil. Iustinus Martyr heeft hier d'eerste plaats die in de tweede eew, in sijn tweede Verantwoordschrift te kennen gaf, dat hy de kragt der heidenscher Wichlaryen erkende: mitsdien dat hy daar pag. 65. na den niewen keulschen druk aldus van schrijft. Self de voorwikkingen uit de doden, en 't spiegelkyken van onbesmette jongelingen, en 't uitroepen van de zielen der doden, en degenen die by de Magi Droombedieders en Bysitters genoemd zijn, en 't gene verrigt word door degenen die daar in bedreven zijn; sulx alles moet u doen geloven, (dus spreekt hy tot de Heidenen) dat de zielen na den dood noch gevoelig zijn. Hier af en verschilt niet veel, 't gene hy in de T'samenspraak met Cryson den Iode schrijft, pag. mihi 311. ‘dat alle Daemones door besweeringe in den naam van Iesus te verwinnen zijn: maar dat geen Iode sulx met den naam van enigen Koning, Profeet noch Patriarch, dan misschien noch wel door dien van Abrahams, en Isaax, en Iacobs God, verrigten sal. Anders dunkt hem evenwel, dat de Daemons uit dat slag van waarseggers datmen Buiksprekers noemt, den besweerder waarlik antwoord geven: sulx uit de 81. vrage en t' antwoord dat hy daar op past, klaar genoeg te merken is. §. 5. Verder gaande hebben wy nauwelix meer van node, dan der vaderen gevoelens van de kragt der Besweeringe, so wel der Heidenen als der Kristenen, te verneemen. Cyprianus komt my in de derde eewe voor: die, so veel den kristen dienst betreft, genoegsaam te verstaan geeft, dat het H. Doopsel kragtig is, om den bosen geest (welken hy dan ook geloven moet dat den dopeling van eersten aan beseten heeft) door seegening in Chrisus name te verjagen. Want hy schrijft in den 7. brief des 4. boex, dat gelijk Farao na langen tegenstand eindelik in 't water versmoord is; also de Duivel noch heden van de Besweerders, met menschen stemme, doch door Godes kragt, gegeesseld en gepynigd word. Want (seit hy een weinig verder) wanneer het tot

{==87==} {>>pagina-aanduiding<<}

het heilsaam water en de heiligmakinge des Doopsels komt, so moetmen weten en vertrouwen, dat de Duivel daar verdrukt word, en de mensch aan God geheiligd door sijne barmhertigheid verlost. En daar meent hy, gaatet mede, gelijkmen aan de schorpioenen en serpenten siet, datse tegen 't water niet en mogen: en dat desgelyx de helsche slange 't water des H. Doopsels niet verdragen kan. §. 6. Deselfde kragt schijnt hy ook den name J E S U S toe te schrijven, wanneer hy in sijn sermoen over den Doop van de gewinsoekende besweerders, questuariis exorcistis spreekt: ebediunt Daemones exorcistis, de Daemons gehoorsamen de Besweerders: seggende, Christus weten wy, en Paulus kennen wy; en in Christus naam, welken Paulus predkit, besworen zijnde, gaan wy heen. Dit schijnt hem toe, isser so mede gelegen, gelijk de Doop goed was, het zy dat Paulus of dat Iudas doopte, sonder dat hy aanmerkt, of die eigenbatige Besweerders so wel tot sulx te doen van God gelast waren, als men sekerlik weet dat Iudas was. §. 7. In de vierde eewe sal ons Lactantius wederom wat seggen. Van de Besweeringe eerst, om dat wy nu daar mede besig zijn. Hy meint dat daar vry wat kragts in steekt. Want in 't 2. boek §. 15. schrijft hy, dat de Duivels voor de regtveerdigen, dat is die God eeren, bevreesd zijn: also sy in sijnen name besworen, uit de Lichamen vertrekken. Door welker woorden als met swepen geslagen, sy niet alleen bekennen Daemons te zijn: maar ook hunne namen melden, degenen die in de tempelen aangebeden worden. Want hy meint dat de bose geest, hoe groten leugenaar hy anders is, of die besweeringe niet liegen kan: maar door godlike kragt geperst zijnde de waarheid spreekt. §. 8. Dit niet alleen: maar hy staat ook toe, gelijk Cyprianus, dat de Magi of heidensche Tovenaars magtig zijn, de bose geesten te belesen. Want daar mede poogt hy Epicurus en sijn volk te overtuigen, datter Geesten in de weereld, en der menschen Zielen onsterflijk zijn: tot welken einde hy in 't 7. b. §. 13. met dese woorden spreekt. Sekerlik Democritus, Epicurius en Dicaearchus souden van den ondergang der Zielen niet derren reden kavelen, daar een Magus by stonde: die door sekere verssen de Zielen van d'onderaardschen wist op te trekken en ten voorschijn te doen komen, en sich aan de menschen te vertonen en te spreken, en toekomstige dingen te voorseggen: ofso sy sulx derden bestaan; sy souden door de sake self, en dadelik bewys verwonnen staan. §. 9. Hier mede kan ik evenwel niet over een brengen, 't gene ik by hem in 't 2. boek. §. 14. lese: dat de Tovenaren (Magorum) konst en vermogen enkelik in de aanblasingen der geesten bestaat: van welken sy (de geesten meent hy) geroepen, de ogen der menschen door beguichelinge verdonkeren en afleiden; datse niet en sien het gene is ende meinen te sien het gene niet en is. Ginder schijnt hy te geloven dat de Daemons waarlik iet doen: en hier geeft hy te verstaan, dat het maar bedrog is. Niettemin komt hy hier in met hem selven overeen, dat de Besweerders met de bose geesten ommegaan, en dat hunne besweeringen kragtig zijn, om hen te doen seggen en verrigten 't gene men van hen eischt: doch dat d'uitwerkinge der geheele belees konste aan de Geesten, en niet aan de Belesers toe te schrijven is.

{==88==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 10. So meint hy, dat de bose Geesten, sich in alle die konsten mengden, welke hier voor in 't 3. hoofdstuk uit der ouden Heidenen seden verhaald zijn: ja dat het altemaal derselver vonden zijn. Dit zijn daar af sijne woorden lib.2.c.16. Derselver vinden zijn, (hy spreekt daar van de Daemones) de Sterrenwikkerye, Offerschouwinge, Vogelkakelinge, en de Godspraken self, somense noemt, en de Lykgissinge, en de Toverkunde (Magia) en wat quaads dat meer by de menschen omgaat, hetzy opentlik of bedekt. Welk altemaal in sich selve valsch is: maar die selfde stichters van dat werk doen met hunne tegenwoordigheid, dat het voor waarachtig aangenomen word. Dus wetense der menschen licht gelovigheit door ene gemaakte godlikheid te misleiden, dewyle sy met de waarheit te seggen geen voordeel sien te doen. Ik soude noch mede iet uit de twee volgende eewen bybrengen, maar nadien ik niet veranderlix daar in bespeure, dat weerdig is verhaald te werden; ende alreeds misschien te lang ben opgehouden, daar het tijd wordt om ter sake self te komen: so en wil ik mijnen leser met geen overtollig werk verveelen.


XVII. Hoofdstuk. Alle die voorverhaalde leeringen en plegingen van Joden, Mahometanen, Kristenen, dientmen onderlingen wel te vergelyken, om derselver onderscheid of t'samenstemminge te sien.

§. 1. HEt XI. hoofdstuk heeft gediend, om velerhande Heidendom, in hun gevoelen en bedrijf ontrent de Geesten, onderling te vergelijken. Daar uit heeftmen konnen sien, op wat ware of valsche gronden 't een en 't ander, sonder behulp van 't goddelik Woord, alleenlik door 't natuurlik licht: so veer als dat noch doorschijnt of verdonkerd is, gevestigd zy. Nu hebben wy 'tsedert deser taal gehoord, die, hoewel byster verscheiden, de heilige Schrift, het zy ten deele of geheel, met een erkennen; en door dat behulp het licht der rede magtig waren, daar 't noch suiver is te versterken, en daar 't bedorven is te verbeteren. Laat ons nu dan sien, hoe verre dat geschied mag zijn: eerst bemerkende waarin sy eenpariglik van de Heidenen verscheiden zijn, daarna wat sy van het heidendom behouden hebben; ende eindelik, in wat stukken sy noch van malkanderen verschillen. Doch dit wederom met vorig onderscheid, van Leeringen en oefeningen, of ('t gene even veel is) van Gevoelens en Konstplegingen, in acht te nemen. §. 2. Daarmede, dat dese drie, Ioden, Kristenen, Mahometanen de veelheid der Goden, by den Heidenen geloofd en geëerd, ontkennen; ende maar eenen God aanbidden of ontsien: so vervalt by hen al wat d'anderen van de Bygoden, Ondergoden, Middelgoden, of gemeensame Geestenn, als met den mensche geboren, en na den mensche levende, versonnen heb-

{==89==} {>>pagina-aanduiding<<}

ben. Des valter ook geenerhande beseeringe of betoveringe, om door deselven iets te weten of te werken, uit dien hoofde meer te doen. By de Ioden noch Mahometanen hebben wy sulx niet vernomen: want het gene van dien aart onder hen gevonden word, heeft (gelijk hierna getoond sal worden) een geheel ander bescheid. En wat de Kristenen aangaat; wy sien datse sulk gebruik vast eenparig tegenspreken, en als bedrieglik en ongoddelik verwerpen. Maar in 't gene sy neffens d'anderen in gevoelen of bedrijf met den Heidenen gemein hebben, dat is of uit derselver Filosofie geputt, en in de H. Schriften overgestort, of by misduidinge uit de Schrift selve gehaald. Ik sal dit kortelik, aangaande de Geesten in 't gemein, en des menschen Zielen in 't besonder tonen. §. 3. Wat de Geesten in 't gemein betreft. 1. De lichamelikheid voor een deel denselven toegeschreven, word by de Ioden. 12. §. 5, 11------ 15. by den Mahometanen 14. §. 4, 5. en by de Kristenen 15. §. 5, 14, 15, 23, 24, 31. van ouds geloofd. Sulx is uit der heidenscher Filosofen bewuste leeringen ontstaan; gelijk hier voor 2. §. 14, 16, en 11. §. 6. is aangewesen. 2. Den Sterren, gelijk Son en Maan mede; het zy rond uit gesproken, gelijk de Ioden 12. §. 3, 13. of bedektelik, gelijk de Mahometanen doen, 14. §. 3, of met enige twijfeling, gelijk Origenes en Augustinus onder de Kristenen, 15. §. 11, 19. enig leven of verstand, toe te schrijven: sulx riekt al mede na het Heidendom, en verschilt nauwelix iet van d'Intelligentien, waar af wy Aristoteles 2 §. 5. hoorden spreken; en d'achtinge der hedendaagsche Heidenen voor die hemelsche Lichten, is daar nevens uit 6. §. 2. en 11. §. 2. genoegsaam getoond. §. 4. Aangaande nu des menschen Ziel, sal de vergelijkinge ook lichtelik te vinden zijn. 1. De Zielverhuisinge by den Heidenen so gemeen 2. §. 17. 7. §. 8, 10. word mede by de Ioden niet verworpen, of met Zielwentelinge verwisseld. 12. §. 19. en by sommige Mahometanen duidelik geleerd. 14. §. 12. By den Kristenen word die wel niet toegestaan; dan by Origenes nochtans iet gevonden, dat daar dicht aan grenst. 15. §. 13. Want ik kan niet sien, (in 't voorbygaan dit te seggen) hoe degenen die noch heden van gevoelen, zijn, dat der menschen Zielen, teffens in 't begin geschapen, ieder t'sijnder tijd den Lichamen worden ingestort; souden konnen magtig zijn, die Metempsychosis grondig te weerleggen. 2. De Zielverschijninge (om so te spreken) word ook by alle drie te licht geloofd. Van de Ioden, vermits 't jarig sweven van de ziel ontrent het Lichaam daarse uit gescheiden is. 12. §. 20. By de Mahometanen mag dat ook niet ongelooflik schijnen; die geloven dat de Ziel uit hoofdstoffen bestaat, 14. §. 13. of sich na 't afscheid uit den lichame in de bomen sien of horen laat. §. 14. Onder de Kristenen sal Iustinus opstaan; die self een van d'eersten is, en seggen dat ene afgescheidene Ziel nog in enigen anderen levenden mensche werken kan 15. §. 7.

{==90==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 5. Dit so veel als uit de Filosofie gehaald, of met het Heidendom vermengeld is: 't gene nu volgt, heeft d'eerste aanleidinge uit de H. Schrift gehad; wel of qualik verstaan, dat staat ons namaals t'ondersoeken. 1. De scheppinge der Engelen uit vuur, of lucht, of immers uit de fijnste hoofdstoffen, by de Ioden duisterlik gemeld, 12. §. 5. en by Mahomet volmondig geleerd, 14. §. 4. is ook by Kristenen geloofd geweest, 15. §. 4, 5, 14. Dat scheen hen uit de Schrift so toe, welke seit, dat God sijne Engelen maakt geesten, sijne dienaars een vlammende Vuur. Psal. 104:4. De vurige wagen en peerden, die Elias ten hemel voerden, 2 Kon. 2: 11. en Elisa beschermden cap. 6: 17 en de gelijkenisse van vier dieren by Ezechiël uit het midden des vuurs gesien, Ezech. 1:4, 5. en diergelijke niet wel van hen verstaan, konden daar toe voedsel geven. 2. De Morgensterren t'samen vrolik singende, wanneer God de Weereld schiep, Iob. 38: 7. konden Filo des te kragtiger doen meinen, (gelijk 12. §. 4. by hem aangewesen is) dat de Sterren kennis hebben; so van d'anderen terstond mede getoond is. §. 6. De vleeschelikheid der Geesten schynt mede uit de Schrift gehaald. Want. 1. Op geen andere Gods kinderen bedacht, die op de dochteren der menschen verliefden, (so Gen. 6: verhaald word) dan die van de Menschen onderscheiden zijn: so haddense licht te meinen, (den regten aart des geestelik en wesens niet beseffende) dat het Engelen waren, die de Reusen aldaar genoemd eerst ter weereld bragten. En van die Nesilim, by ons Reusen vertaald, eigentlik afvalligen geseid, haddense geen ander gedachten, als van Engelen die gevallen zijn, en om die reden so genaamd. Dit gevoelen hebben wy 12. §. 14. in de Ioden, 14. §. 5. in de Mahometanen, en 15. §. 5, 31. ook aan Kristenen bespeurd. 2. Hier uit wil nu lichtelik volgen, datter noch heden Incubi en Succubi. dat is, sodanige Duivelen zijn, die, (gelijk 12. §. 16. na 't Ioodsch gevoelen geseid is) dan als Mans, dan als Vrouwen sich met den menschen vleeschelik vermengen: want men siet dat sulk gevoelen heden by de Kristenen self noch ruimt van plaatse vind, so als hier na noch verder blijken sal. §. 7. Dus veel van der Engelen aart en val. Aangaande d'Ordeningen daar die in verdeeld zijn, en 't bewind van saken datse ieder in de weereld hebben; de verscheidenheid der heidensche Goden en Geesten (waar van siet 11. §. 6.) ligt hen allen noch in 't hoofd, ende word door misverstand der Schrift noch meer versterkt. 1. De Ioden 12. §. 4, 7-11. uitdrukkelik en in 't brede; de Mahometanen 14. §. 8, 9. verwerd en duisterlik; de Kristenen wederom volmondig uit, 15. §. 16, 17,18, 25, 32. spreken van verscheiden Ordeningen der Engelen; als of de Schrift ons die so leerde, door de namen ten overvloed aldaar verhaald. 2. Gelyk de Heidenen de Lucht vol geesten maken; of deselven boven of beneden, of in 't midden van de weereld plaatsen: 2. §. 9. en 7. §. 2, 5, 18. al-

{==91==} {>>pagina-aanduiding<<}

soo hebben 't ook de Ioden met Filo verstaan, 12. §. 5, 12. en de Kristenen niet min. 15. §. 25. Dit meinense dat de Schrift bevestigt, Efes. 2:2. en 6:12. en dat ook Iobs historie sulx bewyst. 3. Sy komen mede daar in over een, datse so wel Bewaar-engelen over volkeren en menschen, als de Heidenen Beschermgoden erkennen. 't Gevoelen der voornaamste Ioden dien aangaande is eenigsins te merken uit het gene 12. §. 4, 10. is by gebragt. Uitdrukkeliker is dat van der Mahometanen wege 14. §. 9. getoond. Dan de Kristenen hebben sich daar over 15. §. 6, 17, 18, 29. allerduidelixt verklaard. Daar op hebbense de Schriften, te dier plaatsen aangemeld, mede toegepast. §. 8. So is 't ook met de leere van de Duivelen gelegen. 1. Van derselver vall en herkomst horen wy de Ioden 12. §. 13-- 16. de Mahometanen 14. §. 5. en de Kristenen 15. §. 21, 31. bykans enerleye tale spreken. De Schrift Gen. 3. en 6. en Iesa. 14: 12. word gemeenlik by de laatsten daar toe aangehaald: en by deselve met eigene uitgevondene gedagten aangaande den aart en scheppinge der Geesten, even eens als by de anderen met versierde vertellinge verrykt. 2. Van derselver boosheid, kragt en schadelikheid ontrent den mensche, is 't gevoelen der Ioden uit het voorseide 12. §. 12-- 15 18. 20. als van ter sijden te sien: dat van de Mahometanen 14. §. 8. wel so duidelik uitgedrukt, en de meininge der oude Kristenen 15. §. 7, 12, 2, 26. breedsprakelik verklaard. Echter vind ik by deselven niets geseid, dat met der anderen gevoelen niet en kan bestaan. §. 9. Van 't Vagevier, de bron van menigte der spokeryen en toverijen, valt noch mede iets te seggen. 1. Ioden, Mahometanen, en die oude Kristenen; het zy datse klaar, of duister of met twyfelinge spreken; komen daar in echter over een, datter so iets is. Der Ioden Pynigduivels hebben daar, ten tyde van de Gilgul of zielenwenteling, hunne regte plaats 12. §. 20. De Mahometanen zijnder ook niet vreemd af: 14. §. 11. maar de Kristenen 15. §. 27, 28, 34. hebben 't sommige wat dieper uit der asschen opgehaald; schoon d'anderen, en die nog wel de meesten, sich in 't minste niet daar toe verstaan. 2. Die het echter enigsins geloven, zijn derhalven van 't verschijnen en verscheidene werkingen der afgescheidene Ziel ook niet vreemd: waarhenen men Ireneus en Iustinus, by malkanderen gepaard, ons den weg siet wysen: 15. §. 7. §. 10. Over 't stuk der Besweringen hoortmen Ioden of Mahometanen sich niet wel so breed verklaren, als de Kristenen doen: echter komense in desen t'samen over een. 1. Dat deselve door middel van namen, woorden, tekenen, op de Geesten werksaam zijn, en kragtig om hen tot spraak te brengen, uit te dryven, of te weeren. Het gebruik der Ioden. 13. §. 6---- 11. en der Mahometanen, 14. §. 14. --- 18. beneffens de brede verklaringe der Kristen Schrijvers op alsulken doen, 16. §. 5--- 10. geeft genoegsaam te verstaan, dat de laatsten

{==92==} {>>pagina-aanduiding<<}

even eens daar af gevoelen; schoonse 't echter niet en doen. 2. Van de eigentlike Magia, die geacht word door der boser geesten kragt en werkinge der menschen hier op aarde leed te doen, sal de Leser uit de stukken van my bygebragt geen sonderling bescheid bekomen: dan wel, dat sy toestaande, aan d'eene syde 't quaad dat de bose geesten doen, aan d'andere de gehoorsaamheid die sy den besweerders bewysen: seer gemakkelik te besluiten is, datse den Toveraars mede toeschryven sullen al het quaad, dat door behulp des Duivels doen. §. 11. Als het dan al by malkenderen komt, so sietmen dat de Heidenen en Ioden aan de Kristenen en Mahometanen hunne leeringen en gevoelens over handreikt hebben. In dier voegen bemerkt men, dat Ioden en Kristenen, beide uit het Heidendom, waarmede sy omringd, of doormengd, en waaruit de laatsten ook gesproten zijn; en de kristenen uit het Iodendom, van welken sy de H. Schrift met verscheidene hunder besondere uitleggingen en waaruit de laatsten ook gesproten zijn; en de Kristenen uit het Iodendom, van welken sy de H. Schrift met verscheidene hunder besondere uitleggingen ontfangen hadden; alsulke gedachten, als 't ware, ongevoeglik en ongemerkt aangetrokken hebben; daar sy 't sedert grof van swanger gingen. Wat de Mahometanen betreft: mitsdien dat hunne wette een mengsel van heidensche, joodsche, en kristelike leeringen is; meer der slechtsten dan der besten; ende also meer hunder dolingen dan waarheden bevatt; so en isset sulken wonder niet, dat sy ontrent saken van dien aart als wy behandelen, aldermeest met deselven t'samenstemmen. Vervolgens mogen wy vernemen, hoe die gedachten metter tijd neffens 't Pausdom opgewassen zijn: niet alleenlik uit desen; maar uit noch enen anderen grond, daar Mahomet self ook iets tot sijn gebow af heeft. So als ik dan het XI. Hoofdstuk met d'Epicureën sloot, so sal ik hier een besonder van Manicheën stellen.


XVIII. Hoofdstuk. De leeringen aleer den Manicheën toegeschreven zijn ene mengelinge van die alle, en de bron der gemeenste gevoelens hedendaags.

§. 1. BY aldien dit nu ons werk moest zijn, dat wy sekerlik weten mogten, welk der ketteren, by ouds also genoemd, waaragtig gevoelen geweest zy; gelijk sich sommigen des geerne bemoeijen: sy soude moeten verlegen staan. Want nadien hunne eigene boeken, so veroordeeld, so verloren of te soek gebragt; nu niet meer voor handen zijn: so en magmen degenen, die tegen hen wanneerse leefden in 't strijdperk zijn geweest, niet blindeling geloven. Hun geesteliken yver voor de waarheid was veeltijd met wat vleeschelix vermengd: sulx sy den partijen wel iet opdichten

{==93==} {>>pagina-aanduiding<<}

konden, dat so boos niet en was, of qualik verstaan, of niet wel verklaard. Niet wel ware 't anders mogelik geweest, dat Augustijn al in sijnen tijd meer dan honderd ketterijen telde; om misschien Epifaniers, die (gelijk hy in de voorrede en in 't 57. capittel de Haeresibus meld) hem met de tsestig was voorgegaan, voor al niet te verkleinen. Want Celsus, van d'alleroudste tijden af datter boeken bekend waren, noch maar honderd hoofdleeraars onder 't Heidendom wist aan te wijsen: welke ieder noch geen besondere sekte maakte; maar wel in hunder voorouderen schoenen traden. Wie sal nu denken, dat het Kristendom, 't welk Gods eigen woord ten regel heeft, in veel korter tijd noch meer verdeeld geweest zy, dan 't Heidendom was, dat op so ongewisse gronden rusten? §. 2. Wat nu der Manicheërs leeringen betreft: na deselve soudemen Augustinus aldernaast moeten vragen, die der self mede besmet geweest is; ende in 't 46. Hoofdstuk van de ketterijen daar af schrijft. Ik sal hem echter met bescheid daar in volgen, omredenen terstond gemeld. Daarenboven geeft hy my self ook noch quaad vermoeden: dewyle hy in sijne voorrede ad Quodvultdeum schrijft, dat hy in dit boexken van de ketterijen datgene tonen wil, unde possit omnis haeresis, & que nota est & quae ignota, vitari; waardoor men alle kettery, so bekend als onbekend, schuwen mag. Want dat onbekend was moest niet veel te beduiden hebben: ende derf ik seggen, dat het geen kettery is die niet bekend is; also 't gene dien naam heeft, het dan eerst word wanneer 't bekend word: Doch daar af en geeftet nu geen pas te spreken. Dan 't gene ter sake dient: deselfde vader Augustijn, in 't selfde boek van de Manicheën schrijvende, geeft hen wel iet na, quamlibet negent se pertinere, hoe seer sy ook lochenen dat het hen aangaat: gelijk hy self aldaar bekent. Nadien dat hy ook alles niet onderscheidentlik verhaalt, wat hun gevoelen zy, self in 't stuk dat wy behandelen: so wil ik Danaeus liever volgen, die uit het selfde en noch meer schriften, so van Augustinus als van anderen, de voornaamste stukken uitgetrokken heeft; waar af ik hier alleenlik so veel melden wil als dit werk betreft. §. 3. Aangaande God en de Geesten, so word hen nagegeven. 1. Dat ‘sy twee eerste beginselen stelden, tegen malkanderen strijdig: 't een goed, en oorsprong van al wat goed is; het ander quaad, zynde stichter van het quaad, en de vorst der duisternisse: 't gene God, en dese de Duivel en Hyle, (dat is, de Stoffe) genaamd. Sommigen hunder onderscheiden den Duivel van den Vorst der duisternisse, en vertalen de woorden Ioh. 8:44. op 't einde niet gelijk wy, Vader derselve, t.w. der leugen; maar Vader desselven, t:w. des Duivels. 2. Van den goeden God seggense dan, dat sijn wesen stux gewijs door alle schepselen verspreid, en denselven inklevende is: 't welk sy met vele wonderlike uitbreidingen verklaren. Dit van God en den Duivel, so veel als beider wesen en bestaan betreft, de volgende stukken raken hun bedrijf. §. 4. 3. 't Volk der duisternisse raakten aleer in strijd met het volk des

{==94==} {>>pagina-aanduiding<<}

‘lichts: mits dat de goede God selfs de duisternis op 't lyf viel, door sekere sijne voornaamste Geesten, uit sijn eigen wesen voortgebragt; die echter te kort schietende gevangen wierden. Doch dat Christus quam, om dit weer goed te maken: zijnde, uit sekeren eersten mensche geboren, die den strijd allereerst begonnen hadde. 4. Dat echter Christus self de slange zy, die Adam en Eva verleid heeft. 5. Dat deselfde thans aan de Sterren verknocht, en besonder in den luchtigen kloot der Sonne geplaast is: in welken sin sy sijnen Hemelvaart verstaan. §. 5. 6. De {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

of Zielverwisselinge wierd by hen in dier voege ‘geloofd, dat de Zielen in sodanige lichamen overgaan, als sy in dit leven meest bemind of beledigd hebben. Die muis of vliegen gedood heeft, sal tot straffe in sulk eens lichaam varen moeten. Ook sal iemants staat na dit leven strijdig zijn met den genen die hier geweest is: te weten, daar arm die rijk hier was, en daar rijk die hier arm was.

7. Self stellense, dat ieder mensch twee Zielen heeft, welker eenen altijd tegen d'ander strijd. Dit zy hier genoeg. Met hunne vordere leeringen hen by den selven Danaeus toegeschreven tot 21. toe in alles en waar van d'overige noch grover luiden, hebben wy te deser plaatse niet te doen. §. 6. Ondertusschen of dit voorverhaalde ook so plomp van hem geleerd of geloofd zy, als 't hier wel word opgegeven; daar op wil ik mede also vast niet staan. Niet te min mag ik 't wel veilig stellen: gemerkt datter niets so grof onder loopt, of daar word diergelijk noch op heden wel geloofd. Het vervolg van dit werk sal ons dat wel haast doen sien: en 't gene meest daar ontrent omgaat, heeft ten minsten veel gemeinschap met het eerste en derde stuk. Het zy dat iemant als uit de Schrift; of, sonder daar op acht te slaan, uit sijn eigen gevoelen van den Duivel en de Geesten spreekt: het komt daar meest op uit: God en de Duivel, 't een rijk staat tegen 't ander; en hoewel men den Duivel stelt onder Gods bedwang; sijn rijk openbaart sich echter meest. Men gelooft niet dat God heden meer mirakel doet: maar den Duivel schrijft men wonderen toe, die alle Gods werken in de Schrift gemeld te boven gaan. Men gelooft datter Engelen zijn; en uit de Schrift, datse ontrent de gelovigen hun gedurig leger staan: dat de Duivel wel omloopt, om hen, (so hy ergens kan) leed te doen ; maar dat sijne woonplaats in der helle is. Ondertusschen hoortmen selden iemant spreken, dat hem een Engel ontmoet is; maar de Duivel spookt gedurig om ons heen. Schijnt 'er iets voorspeld of voorseid; men denkt nooit dat het van een Engel, maar wel van den Duivel is. D'een is beseten, d'ander betoverd; daar door spreekt hy vremde talen: seit en doet hy vremde dingen, en melt het gene dat verborgen was. Maar niemant heeft byna van enigen Engel so grote gedachten. Heeft hy enigen goeden inval gekregen, hoe gering 't ook zy; dat acht hy van den H. Geest te zijn: d'Engelen (schijnt wel) schat hy daar toe niet mans genoeg, daar denkt hy niets eens aan. Maar de Duivel doorwroet sijne innigste gedachten, stoort sijne heilsaamste voornemens, port hem geduriglik

{==95==} {>>pagina-aanduiding<<}

ten quade: en somen hem van misdaad overtuigt, de verschoninge is terstond gereed, de Duivel heeftet gedaan. §. 7. Nademaal dan noch Heidenen by ouds of hedendaags; noch Ioden, noch Mahometanen, noch d'eerste Kristenen in alles ooit van dat gevoelen zijn geweest; 't welk nochtans met dat van Manes, alsmen siet, so veel gemeenschap heeft: so en weet ik anders niet te denken, of die leere, in de derde eew eerst opgekomen, en tersont van alle kanten door getrouwe leeraars aangevochten; heeft sich verder dan in Asien verspreid, ende in Europa langer opgehouden danment meint. En dat is geen wonder; somen 't regt bemerkt. Want de menschen dikmaals met de letterlike tegen-spraak te vreden zijn, om den naam te hebben, dat ene dolinge weerleid is: terwijle sy de sake self echter in hun herte voeden: en also wanneer 't 'er op aan komt met de genen eens zijn welker bastaardleeringen sy schijnen, ja selfs ook meinen met hert en monde te verfoeyen.


XIX. Hoofdstuk. In 't Pausdom heeft men al 't voorseide op malkanderen gebragt, met niewe vonden vermeerdert en versterkt.

§. 1. NU word het tydig, dat wy onsen tyden nader komen; en daarin eerst het Pausdom, daar na ons eigen self besien. Want wy hebben nu bespeurd, dat het gene heden te ondersoeken staat, so veel als de hoofdsake betreft, al van ouds, by Heidenen, Ioden, Mahometanen; en self in 't eerste Kristendom, datmen ontrent voor suiver hield, is geloofd geweest. Daarnevens was het nu op 't laatst aan de Manicheen wel te merken, dat het later Kristendom een groot deel van de leeringen hen toegeschreven, ongevoelig aangenomen heeft. Maar dat was voor 't Pausdom niet genoeg: waar toe Gregorius de groot, terwijl hy 't Antichristendom by anderen te weeren scheen, den weg ten ruimsten gebaand heeft. Want hemselven groot gesag verkregen, en grote magt over 't westersch Kristendom bekomen hebbende: vond hy gemakkelik, verscheidene sijner eigene vindingen en nodelose instellingen, by de nakomelingschap in 't gebruik te brengen. Zedert wierd het ene gewoonte, en ten laatsten als een regt en pligt, alles te geloven wat tot Romen geleerd wierd, en te doen watmen van daar voor geboden aan de Kerken schreef. De H. Schrift noch de gesonde Reden hadmen sonderling niet meer van doen; na datmen in gewoonte was met het gesag des Roomschen bisschops in saken des Geloofs vergenoegd te zijn. Dit was reden genoeg: en wasser schrift van node; de eerste leeraars van de kristen Kerke gaven daar toe stofs genoeg: en vondmer langer geen been in, hoe vreemd het luiden mogte, wanneer men 't slegs in derselver eigen, of al ware 't ook toegedichte en basterdschriften vond. So als 't met andere stukken ging, die allenx in de leer of in den dienst veranderd, of ter Kerken ingescho-

{==96==} {>>pagina-aanduiding<<}

ven zijn; so is 't ook met dese gegaan: en dat so lang, tot dat in 't begin der naast voorgaande eewe, de kerken hier in 't westen veel hervormd, en op den owden voet verbeterd zijn. §. 2. So vallen ons dan nu twe saken te overleggen: eerst, hoe verre dat men metter tijd in 't Pausdom wel gekomen is; en daar na, hoeveel dat het daar in, door 't suiveren van leer en dienst, by de genen die daar af geweken zijn, besnoeid is. Des wil ik in dit hoofdstuk seggen, watmen daar van 't gene wy verhandelen doorgaans gelooft; en in 't volgende, watmen doet. Hun Gelove dien aangaande, sal ik wederom, gelijk der anderen tot hier aan toe gemeld, uit geen pauselike instellingen, of kerkelike besluitingen halen, ten sy dat die van self te passe komen: maar uit hunner voornaamste schrijveren gevoelens, klaarlik en duidelik genoeg aan den dag gebragt; by weinigen in 't een of ander deel slegs wedersproken, ende gemeenlik by alle man geloofd. Ik sal hen te minder ongelijk doen, wanneer ik in 't naaste hoofdstuk tone, dat hun algemeen bedryf de gevoelens, hen in 't honderd toegeschreven, sterk bevestigt. Maar mistdien dat hel al te tysigen en langdragigien werk zijn soude, moest ik menigte hunder schrijvers opsoeken, om hunne gevoelens daar uit aan te wijsen: so heb ik, tot mijn geluk, slegs eenen uit den hoop getroffen, diese alle gelesen heeft; en uit allen met bequame order dat by een gebragt, sonder iets voorby te gaan, dat tot onse sake dient. Hy en is van gemeenschap onser Kerken niet, maar (om aan sijn volk noch te minder oorsaak van beklag te laten) selfs een Papist; en wat dies meer is, een Iesuwyt. Gasper Schott is sijn naam, door verscheidene geleerde schriften, onlangs uitgegeven, genoegsaam bekend. Ook en schroomt hy selve niet, sijn gevoelens t'onser kennisse te brengen; also hy sijn boek Physica curiosa, dat is Nawkeurige Natuurkunde genaamd, aan den Keurvorst Karel Ludwich hoogl. ged. die van ons gelove was, in den jare 1662. toegeëigend heeft. Nevens dit sal ik noch een ander van hem voegen, dat hy Magia universalis, Algemeene verborgen Natuurkunde noemt: en met die twee te vreden zijnde, laat ik alle andere boeken, te voren by my daar toe by een gestapeld, liggen. Want met d'eere van een grote boekwolf geacht te zijn ben ik weinig gediend. §. 3. Deselfde order houdende als voorheen, die ook bykans de sijne is; so stell ik eerst, wat de Roomsche leeraars van d'Engelen en Duivelen gevoelen; daarna van der menschen Sielen, in en na dit leven: niet al wat sy daar af seggen, maar wat onse opmerkinge in desen vereischt. Dit onderscheid ik wederom; in sulx als goede en quade Engelen in 't gemeen, ende 't gene d'een en ander in 't besonder raakt. In 't gemeen: van waar, hoeveel, en wiese zijn; en wat in hun vermogen is. §. 4. Aangaande hunnen oorsprong, en vervolgens welker nature dat de Geesten zijn: 't gemeen gevoelen veler kristen leeraars voor verhaald, die de Geesten enigsins lichamelik stellen, in 't gemeen verwerpende: (te meer also 't Concilie van Lateran cap. Firmiter, schijnt te seggen datse geheel onlichamelik zijn) so zijn sy daar in mede eens, datse van God geschapen,

{==97==} {>>pagina-aanduiding<<}

ende in enen staat van genade zijn gesteld geweest: Phys.cur.l.1.pag.7. Schoon dit laatste wat anders luid danmen in onsen kerken spreekt; so wil ik echter daar op nu niet staan. Maar 't gene my hierna te pas kan komen, sal ik in de volgende stellingen betrekken. §. 5. De menigte der Engelen word by Thomas Aquinas ontelbaar: by anderen, volgende sommige oudvaders, tegen de menschen gerekend, als 99. tegen 1. gesteld. Onse schrijver heeft hun getal op 't minste genomen tot 100.000.000.000 dat is duisendmaal duisend milioenen berekend: so nochtans, dat der goede Engelen veel meer dan der bosen zijn; schoon hy't gemein geen getal enkelik bepalen wil. p. 9,10. Dese gansche menigte, so wel der bose als der goeden Engelen, achtmen in sekere ordeningen trapswijse verdeeld te zijn: waar af een weinig verder in 't besonder. §. 6. Wat een Engel, goed of quaad, vermag, word by hen aldus verstaan. 1. Schoon sy elkanders, noch der menschen heimelixte gedachten niet weten: echter konnense van toekomende dingen uit natuurlike oorsaken meer weten dan de menschen; gelijk als, wanneer 't een goed jaar sal zijn, hard vriesen, regenen of waajen wil. p.12, 13, 14. 2. Is ook aan te merken, dat hy hen beweginge van plaats tot plaats; hoewel niet in eenen ogenblik, toeschryft: en datse sich plaatselik uitbreiden of intrekken konnen. p. 17, 18. 3. Uit Ignatius Derkennis neemt hy aan, dat een Engel, om een lichaam te bewegen, geen lichaam behoeft. p. 20. ens. 4. Ende nochtans dat d'een Engel of Duivel den anderen niets kan doen, so sy niet beide t'eener plaatse tegenwoordig zijn. p. 21. 5. 't Gemeen gevoelen is mede, dat een Geest op sulken wyse een lichaam aannemen kan: dat hy met uiterlike en gesonde ogen, lijfhaftig van den eenen gesien werde; en van den anderen, daar by staande, en van even goed gesigte zijnde, ganschelik niet. p. 24. 6. Insgelyx is by hen gemeen, dat ieder mensche sijnen eigenen Engel en besonderen Duivel heeft p. 37, 38. §. 7. Belangende nu Gods heilige Engelen, so is 't gevoelen van Lombardus, aangaande derselver ordeningen, en onderscheidene bedieningen, altijd by dien van 't Pausdom in weerde geweest. Die meint nu, dat hy met de Schrift spreekt, wanneer hy dese negen ordeningen stelt: Engelen, Eerst Engelen, Overheden, Magten, Kragten, Heerschappyen, tronen, Cherubynen, Serafynen. Dit seit hy dat van Dionysius Arcopagita also is gesteld geweest. Maar ik heb het flus. 15. §. 32. ten selfden getale, hoewel in alles in deselfde ordre niet, uit Gregorius verhaald. Dese negen worden nu nog nader in driemaal drie verdeeld. De drie bovenste zijn de Serafim, Cherubim, Tronen; en so d'andere vervolgens te rugge tellende, so als de negen van onder op na boven toe genoemd zijn. Lombardus verklaart dit noch, seggende. Gelijk'er een ordening van Martelaren, en ene andere van Apostelen

{==98==} {>>pagina-aanduiding<<}

is; ende nochtans d'eene Apostel boven den anderen is, so wel als de Martelaren d'een boven den anderen staan: so gelooftmen ook met reden, dat het met d'Engelen even eens gelegen is. §. 8. Van de bose Geesten in 't besonder. 1. Datse niet alle terstond na hunnen val ter Hellen neergesmeten: maar een deel daar buiten swervende zijn: en datse van daar somtijds wel ter Aarde keeren, of sich in de Lucht verhouden p. 26, 27. 2. Datter sesderhande plaatsen zijn, daar sich de Duivelen meest bevinden, hunne boosheid en kragt te werk stellen: ende in dien aansiene, 1 Vuur- of bovenluchtsche duivelen, 2 Luchtduivelen, 3 Veldduivelen, 4 Waterduivels, 5 Onderaarschen, en 6. die 't licht schuwen. D'Abt van Trithelm, Delrio en Agrippa worden hier toe van hem by gebragt. p. 28-- 31 3. Datse, insgelijx als d'Engelen, in sekere ordeningen onderscheiden zijn. Niet dat sich de Roomsch gesinden over dit stuk onderling in alles verstaan; gelijk hen onse schrijver, noch Agrippa die daar breed af schrijft, niet in alles toestemmen wil: maar dat het evenwel ten minsten voor waarschijnlik opgenomen word; en 't gevoelen van Thyreus niet verworpen, die de Duivelen in drie geestelike heerschappijen en negen choros verdeelt. p. 36, 37. §. 9. Van hun vermogen en bedrijf heeft men in 't Pausdom altijd een groot gevoelen gehad. Men gelooft daar vastelik, dat de bose geesten wonder uitregten konnen; 't zy door hunne kennisse of door hunne kragt. mira hoc loco vocamus, seit Schot, quorum causas estiam sapientes ignorant, & digna admiratione censent: sive de caetero naturae facultates transscendant, sive non. Wonderen noem ik hier waar af de wysen self d'oorsaak niet en weten, en die sy verwonderens weerdig achten: het zy datse andersins de kragten der natuur te boven gaan, of niet. p. 39. 40. Sijn geloof is dan, dat de Duivelen doen konnen 't gene de kragten der Natuur te boven gaat. Schoon hy in 't vervolg verklaart, hoe sommige dingen, Gode alleen eigen, niet na waarheid, maar in schijn door hen gedaan worden: so meint hy echter, dat sy dikmaals waarlik doen 't gene God alleen niet eigen; ende nochtans in geenes menschen magt, noch de Natuur, alleen gelaten, sonder bestuur van alsulke geesten doenlik is. Op desen sin brengt hy menigte sijner paapsche schryver by; 't welk bewijst, datse 't alle met hem so verstaan. Ondertusschen, onderscheid hy 't gene die menschen door hen self, of door den dienst der Tovenaars en Toveressen doen. p. 40--- 50. §. 10. In gevolge van dit alles word beweerd, datse sommige dingen door beweginge, sommige door bewerkinge, sommige door beguichelinge doen. 1. Van 't gene sy door Beweginge van plaats tot plaats te wege brengen, wordender wel veertienderhande proeven bygebragt, waar van de 5. eersten in wesentlike werkingen, de 9. laatsten in blote vertoningen bestaan. Van de eerste soort is, so sy geloven. 1. Datse vuur van den hemel doen vallen; gelykmen meint dat by Iob. 1. verhaald word. 2. Datse, volgens de selfde schrift, storm en onweer maken konnen. 3. Desgelyx ('t gene waarlik een en't selfde is) datse op zee weer en winde verwekken, en schepen doen stille

{==99==} {>>pagina-aanduiding<<}

staan, of t'onderste boven keeren. Voorts, 4. aardbevingen te wege brengen, 5. menschen, en allerhande lichamen door de lucht, en anders, vervoeren: §. 11. Degenen die in blote vertoningen aan d'uit of inwendige sinnen bestaan, daar van geeft ons gemelde schrijver dese proeven op. 1. Sichtbare dingen onsigtbaar maken, door deselve schielik uit 'smenschen gesigt te ontrekken. 2. Beelden en andere leeflose dingen, als menschen doen wandelen. 3. Deselven te doen spreken. 4. In de dode lichamen den menschen of beesten als levende verschijnen; of 5. andere uit de lucht voor sich toestellen, en daar door verscheidene werkingen doen. 6. De gedaante van allerhande dingen, goud, silver, edele gesteenten vertonen. 7 Des menschen levendige geesten so bestieren, dat hen voorledene, tegenwoordige en toekomende dingen in gedaante voorkomen; ende hen doen geloven, datse sien, horen ofte doen 't gene waarlik niet en is. 8. Sware siekten en quellingen in 'smenschen lichaam doen ontstaan. 9. Den slapende in den droom iets af wesende of toekomstig te vertonen. 10. Haat en liefde, gramschap en rasernye in den mensche te verwekken p. 51-- 54. §. 12. De twede wijse, in Bewerkinge der natuurlike dingen bestaande, word mede buiten allen schroom by hen geloofd: volgens welken sy verstaan, dat door Duivels kunst, 't zy dat hy 't door hem self, of door de hexen doet, de kruiden, vrugten, wateren, en alles; in spys of drank, of geneesmiddelen, of diergelijke, also door malkanderen gemengd, en tot die gematigheid gebragt worden; dat den menschen of hun vee daar af groten hinder kome. En dit meinense dat wel natuurliker wijse, maar nochtans behendeliker gereeder en kragtiger door des Duivels list en kragt geschied, dan de gaawste mensch bemerken; ik wil swygen, self bewerken kan p. 55. §. 13. Ten laatsten komt 'et Bedrog. En dit is so te verstaan: dat de Duivelen warelik iets doen; maar niet het gene sy schijnen te doen. Want sy en twijfelen geensins, of de Duivel kan alles doen wat natuurliker wyse geschied. Ende dat sulx alles, als terstond verhaald sal worden, wel buiten Duivels behulp of bestuur, by wijlen uit de natuur also gebeurt: maar dat de bose geesten magtig zijn, (onder Gods toelatinge) de natuur also te bewerken, dat het gene sy willen als dan gebeuren moet. Waar door het dan ook dikmaals so valt, dat de menschen door onkunde of ongewoonte iets geloven te zijn of te geschieden, dat so niet en is: of ook 't gene natuurlik is, door 'sDuivels beschik wanen also geschied te zijn. Niettemin blijft dat het de Duivel kan doen, en vervolgens dat hy 't doet; so 't gene voren verhaald is, als 't gene dat nu volgt. §. 14. Nu is 't driesins dat onse man, met Delrio en Molina, dit bedrog verklaart; door veranderinge des voorwerps, of der lucht, of des werktuigs van sinnen. 1. Des Voorwerps veranderinge: 't een schielik en ongemerkt verbergende, en 't ander in de plaatse schikkende; of in dien stand ontrent het oge stellende, dat daar uit een valsch gesigt ontsta; of een nieu voorwerp uit de lugt of andere hoofdstoffe tsaamgesteld, voor ogen brengende; of schichtig enig lic-

{==100==} {>>pagina-aanduiding<<}

haam van gemengde stoffe daarby stellende, waar door 't gene daar te voren was ene andere gedaante krijgt. 2. De Luchtveranderinge dunkt hen dat hier in geschied. So de Duivel belett, datter de gedaante des voorwerps niet door spelen, en alsoo aan 't oog toereiken mag; of 't gene daar luchts tusschen beiden is also toestelt, dat het selve voorwerp daar door anders gelijkt: of de luchtverdikkende, om het te groter of als op ene andere plaatse te vertonen; of door het so te bewegen, dat de gedaanten door dat selve deel der lucht, van 't voorwerp na 't oog toestrekkende, mede beweegd worden: of eindelik dat hy verscheiden gedaanten onder een vermengt; waar door 't gene maar een ding is, veel en verscheiden schijnt te zijn. p. 55. 3. 't Werktuig van de sinnen word veranderd, wanneer 't verplaatst, of verdraaid; of de vochtigheden bedorven of verdikt worden, of enige schijnselen voor d' ogen geschoven: so dat de mensch als wakende droomt. p. 55. 56. §. 15. In gevolge van dit alles houdmen ook voor seker, dat de Duivel wonderlike dingen so aan andere schepselen, als besonderlik aan de menschen doet. Te weten. 1. Dat hy 't verstorven ongedierte (volmaakte dieren, dat en staat hem Schott niet toe) wel wederom in 't leven brengt. p. 129. 2. En volgens dien ook wel waarachtige Vorschen en Slangen ten voorschijn komen doet: en dat sulx by Moses tijd in Egypten is geschied. p. 57. 58. 59. 3. Dat hy den mensche verborgenen schatten wysen ,brengen; en, als 't er by leit, self ook 't geld wel maken kan. p. 116. Ondertusschen seit Schott, dat hy 't gene hy kan, door boosheid echter selden doet. p. 117. §. 16. Wat den Mensche self betreft; men gelooft. 1. Dat d'onreine Geesten, als mans met vrouwen, en als vrouwen met mans gemeinschap hebben: ook so verre, datter wel een kind af komt. p. 61----- 67. 2. Dat dan ook de Duivel, by ommekeer, de vrouw in de gelykenisse des mans; en den man in die van de vrouwe, veranderen kan. p. 113. 3. Dat hy de gedaante der menschen in die van wolven, katten en andere beesten verschept. p. 94. 4. Dat hy des menschen geheugenis versterken, en sijn verstand verlichten kan. p. 114. 5. Dat hy oude luiden wederom jeugdig maken, ende hunne kragt verfrisschen kan. p. 103. 6. Dat hy 's menschen lichaam en sinnen besetten, ende hem als uit hem self verrukken kan. p. 125. 7. Dat hy de menschen in diepen slaap doen vallen, en jaren lang in gedurig vasten houden kan. p. 104. 107. 8. Dat hy iemant kan onquetsbaar maken. p. 97. 9. Daar tegen hem allerhande siekten toebrengen, en waarom daar af verlossen kan. p. 102. §. 17. 't Voornaamste heb ik noch op 't lest gespaard. Ende bestaat daar in: dat de Duivel sijne Toveraars en Kollen, 's nachts, ter schoorsteen of ter venster uit, na hunne vergaderplaatsen voert. Schoon verscheidene paapsche schryvers self ontkennen, dat sulx waarlik geschied: aangesien 't nochtans een gemeen gevoelen is, daar de Toverregters seer veel staats op maken; so mag ik dit wel veilig op der Roomschgesinden rekeninge stellen, gelyk het onse schryver op de sijne neemd. p. 67. 80. Echter wil ik hen dit

{==101==} {>>pagina-aanduiding<<}

ongelyk niet doen, dat ik 't alleenlik paapsch wil noemen; voor so veel alsser onder ons mede mogten zijn die daar aan gelove staan, waar van hier na. §. 18. So als dit van 't vermogen der bose geesten in 't gemein geseid is; insgelyx worden hen verscheidene plaatsen, daar sy meest werkwaam zijn, aangewesen. Dien aangaande is 't gemeen gevoelen, datter gemeensame Geesten, Huisduivelen, Bergduivelen zijn. 1. Gemeensame geesten (spiritus familiares) zijn, die van self, of voor een klein geld gehuurd, altijd by enige, menschen zyn, self ook ongeroepen; welken sy getrouwelik, so 't schynt ten diensten staan; 't zy datmen hen roept of niet en roept: die sich ook in kristal, in ringen, dosen en andere dingen besluiten, omdragen laten. Dit zijn Schots eigene woorden. p. 134. Dese Glas- of Ringduivels ( dus mag ikse dan noemen) worden met sekere omstandigheden daar by gebruikelik, sose meinen, binnen sulken ring of steen besloten: niet door bedwang des verweerders of des genen die hem draagt, na sommiger gevoele; maar vrijwillig of door 't kragtig bevel des oversten Duivels; welke dat beide so belieft, om de menschen te misleiden. Daar zijnde, en dus omgedragen, gevraagd, en by wylen geperst; sullense den menschen verborgene dingen ontdekken, en toekomstige voorseggen. Sulken geest houdmen dat seker groot en zeeghaftig vorst in onsen tyd in enen ring by sich droeg; die in eenen veldslag sijn leven liet, na dat weinig tyds te voren de steen in stukken gesprongen was. p. 143. §. 19. Van de Huisduivelen is 't seggen, (gelyk Schot in Delrio, en die uit Meletius verhaalt) datse sich in verborgene hoeken van 't huis, of in houtstapels onthouden. Dese worden lekkerlik met allerhande spyse gevoed; om datse hunnen meesters het koorn toebrengen, 't gene sy eerst uit ander lieden schuren gestolen hebben. Wanneer dese geesten ergens in een huis sich neersetten willen, so gevense sulx te kennen met een deel houdspaanderen op een te stapelen, en alderhande mest van beesten in de volle melkemmers te werpen. So de huisheer, sulx bemerkende, die spaanderen by malkanderen, en dien mest in de melk laat blyven; en dat hy dien ook noch drinkt: so vertoont sich die geest en blyfter wonen. Van sulken slag zijnse welken de Franschen des Gobelins, de Duitschen Guldelkens en Kaboutermannekens noemen; die sich klein als dwergkens Pygmeën (somen van ouds verdicht heeft) in mans en vrouwen gdaante vertonen. Sulke plagmen (seit Schott) aleer veel in de huisen te sien: en datse doorgaans alle huiswerk deden, de peerden oppasten, 't huis veegden, hout en water droegen, en diergelyke p. 146. Hy spreekt voorsigtelik, men plag: om ongehouden te zijn, 't selve van desen tyd te bewysen. §. 20. 3. Bergduivelen beschryft hy uit Georg. Agricola, datse sich in de mynen onder 't bergwerk verhouden, wreed en schrikkelik aan te sien, den berg werkers moeijelik en lastig. Sommigen noemen hen Bergmannekens, om datse sich gemeenlik klein, en pas drie voet lang vertonen; siender uit als oude bestevaartjes, en even eens al de mynwerkers, met enen hemdrok, schootvel, ens. gekleed. Doch dese doen, na sijn seggen, so veel quaads niet, dan datse somtijds wat malle potsen, maken; ende schijnt of sy 't meeste werk in de mijnen doen. Altoos komtet daar op uit, datter van dit slag tweederhande zijn; goede en

{==102==} {>>pagina-aanduiding<<}

quaden: dese die van het arbeidsvolk geschroomd en gevreesd; en gene die van hen gaarne gesien, en voor goede voorboden geacht zijn. Doch wat goeds datse doen; ons Schott, die hen voor geen middelslag tusschen mensch en Geest, maar voor bose geesten houd; gelooft, datse of door Gods bedwang of bedriegeliker wijse goed doen, wanneerse het doen. p. 114. 149. §. 21. In opsigt hunder gedaanten word beneffens 't voorseide noch eer onderscheids van spook gemaakt. Ik en wil nu niet van heirlegers seggen diemen acht dat menigmaal sich in 't harnas laten sien; waar af Schott meest in 't aanhangsel sijns 2. boex p. 335. gewaagt: maar van degenen diemen Witte wyven en Stalkeersen noemt. Daar af plag in voortijden by ons volk veel praats te zijn. Schott schryfter dit af. p. 339. Delrius seit, datter seker slag van spook is, dat in de bosschen en beemden, gelyk juffrouwen in 't witt verschynt. Somtyds ook in de stallingen, met brandende waskeersen, waar af de manen der peerden bedropen worden; die van hen nettekens gekemd en doorvlogten zijn. Sy worden ook Sibyllen en Nachtjoffers genaamd; en geseid dat Haband als koninginne over haar gebied. Het volk gelooft, dat de verschijningen gelukkig zijn: maar word sulks by dese leeraars als oudwyven praat verworpen, en nochtans de sake self voor waarachtig, of ten minsten gebeurlik erkend. Ende is by hem p. 215. uit Kornelis van Kempen verhaald, dat in tijde des keisers Lother (dit was ontrent het jaar 830.) veel van die witte wyven in Friesland waren; die sich in een hol boven op enen heuvel verhielden, en de herders des nachts van de kudden, de kinderen uit de wiege haalden, ende in hunne holen sleepten.


XX. Hoofdstuk. Derselver leere van de verschyningen der Geesten, en de quellingen die sy aan de menschen, ook door dienst van menschen doen.

§. 1. VAn dit slag der Duivelen sprekende, zijnwe allenx tot de Spoken gekomen: voor af aangemerkt zijnde, datter van de Geesten noch tweederhande ding te seggen is; te weten hunne verschijningen aan de menschen, en hunne werkingen in deselven. Tot de verschijninge behoort dat ik van de Spoken spreke: zijnde, na 't gevoelen der Papisten, Engelen, goeden en quaden; of Zielen der verstorvene menschen sigtbaar verschijnende; of die sich ongesien horen laten; het zy datse bescheidelike woorden spreken, of blotelik enig geluid slaan of gerugt maken. Ook isser dit onderscheid in, dat sommige , het zy gesien of gehoord, met eenen iets doen; en andere niet met al. Van deselven wil ons Schott verscheidenen dingen leeren: op wat plaatsen dat het meest te spoken pleegt, 2. wat de spoken zijn, 3. watse doen, 4. wiensen meest meest verschijnen, en 5. wat middel om hen te verjagen.

{==103==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 2. Wat de plaatsen betreft: daar isser qualik een in de weereld, daar 't na Schots vermoeden niet wel spookt nochtans meint hy datter sommigen meer noods af hebben dan d'anderen. Want het spookt meest. 1. In wildernis en eensame plaatsen: en dat meint hy dat ons de Schriftuur ook leert, Ies. 34: 14. Openb. 18: 2. Tob. 8: 3. en dat sulx door Christus eigen wedervaren, Matt. 4. en Luc. 4. ook bevestigd word. Dies was ook de goede St. Antonius in de woestijnen derlik van allerhande spook geplaagd p. 226. 2. En by aldienmen geloven wil, datter een besonder slag van Waterduivels is: hy sal ons seggen, dat het vaak in poelen in moerassen kragtig spookt. p. 227. 3. Wisten de Heidenen van overlange Boschgoden te noemen; Kristenen en sullen niet ontkennen, dat sich ook besonder spook in bosschen en in beemden meld. p. 229. 4. Daar een sware veldslag een groot bloedbad gemaakt heeft, salmen dikmaals of voor af , of achter na, veel spook verneemen. pag. 230. 5. In baden en stoven laat sich ook het spook wel sien. §. 232. 6. In sloten en burgten sietmen dat het mede wel gebeurt. 234. 7. In mijnen en spelonken, als terstond van de Berggoden geseid is. p.235. 8. Daar moordenaars en struikrovers veel verkeeren, spooktet meer, seggense, dan het elders doet. p. 235. 9. Self de geheiligde kloosters, kerken, en andere godshuizen zijn daar af niet vry. p. 237. Wat my aangaat, ik gelove dat het nergens meer en spookt dan daar. 10. Geen wonder dat het selfde menigen in sijn eigen huis gebeurt. p. 238. §. 3. Vraagt gy nu, wie 't spook maakt, of wie de spoken zijn: men sal u seggen, dat het somtijds de goede Engelen, maar meest de bose Geesten, ende Zielen der verstorvene menschen zijn. Van de Engelen echter word in desen niet seer breed, ende met enige twijfelinge gesproken: (fortassis etiam Angeli boni, misschien ook wel de goede Engelen seit Schott. p. 247.) maar van de Duivelen wel bescheidelik, ende met versekeringe; dat die niet alle even quaad zijn. Want men weetse in mites & tetricos seu truculentos, sachtsinnige en bystere spoken te onderscheiden. Dit vind ik daar uit Cassianus dus verklaard. Van sommigen der onreine geesten, (diemen gemeenlik Faunos Kabautermannekens noemt) is't kennelik, datse de menschen speelswyse misleiden: mitsdien datse geduriglik op sekere plaatsen de wegen besetten, sonder enig vermaak te nemen in de voorbygangers te quellen; maar met lacchen en spotten sich te vreden houdende, derselven eer wat soeken moede te maken als datse hen enig leed souden doen. Maar men weet ook, datter wederom anderen so wreed en boosaardig zijn dat het hen niet genoeg is, der menschen lichamen, die sy ingenomen hebben (dit past op de besetenen best) wredelik te scheuren en te quellen: maar datse ook degenen die van verre voorbygaan op 't lijfvallen, en verwoedelik plagen. Dewijl dese man seit, dat hy dit so wel weet, ja dat het alleman kennelik is: so willen wy hem voor eerst in die gerustheid laten, tot dat het tijd werde hem daar in te storen. §. 4. Der verstorvene Zielen zijn of salig of verdoemd. De Saligen houdmen voorseker dat dikmaals aan seer heilige luiden, ten goede, verschenen zijn ende als noch verschijnen. In de Legenden zijn daar af geen exempelen

{==104==} {>>pagina-aanduiding<<}

gebrek, uit de minst geloofweerdige historien by een gesmeerd, en met niewe vertellingen verrijkt. Maar besonderlik acht ik dit aanmerkens weerdig, dat hy sommige verschijningen der Zielen erkent, die by verdrag van heilige luiden geschieden: elkanderen by hun leven beloofd hebbende, dat de eerst storve, den anderen verschijnen, en van sijnen toestand na dit leven (in hemel of vagevuur) berigten souden. Aan de saken heeft hy geenen twyfel: maar wel of sulk verdrag geoorloofd zy; of 't moest door Gods besonder ingeven geschied zijn. p. 333. §. 5. Van de zielen der verdoemden word mede niet getwijfeld, door gelijke sekerheid van bewijs. Een exempel boven al p. 251, 252. by Schott uit Bencius en Delrius verhaald, dunkt hem so kragtig, dat hy dus in't einde daar van schrijft: Een vehaal dat door alle geloofbaarheid bekragtigd, voorlange by alleman bekent, door veeler brieven en boeken overal verbreid, ende op sulken tijd en plaats voorgevallen is; dat het niet valsch met valsch vermengd kan zijn; of het had al lang met mond en schrift weerleid geweest. 't Is te lang om hier te verhalen; ende sal hierna te passe komen. Ondertusschen soude 't, waarachtig zijnde, strekken tot bevestiging van het paapsch gevoelen; dat de zielen der verdoemden aan de levendigen hier verschijnen, om hen die helsche qualen op de vervaarlikste wijse te vertonen; en daar door te waarschouwen, datse van sonden afstand doen. §. 6. Van 't Vagevuur toont sich onse Iesuwyt al te wijs om veel te spreken: hy laat dat anderen doen. Niettemin houd hy met al sijn volk noch staande, dat de Zielen der verstorvenen dikmaals van de levendigen begeeren 't behulp des gebeds, en der goede werken; en datter volgens dien noch andere zielen, behalven de genen die ten Hemel of ter Helle gevaren zijn; aan de menschen verschynen; sy zijn dan waarse zijn. p. 253. Gy ziet, dat hy 't ons over het Vagevuur niet suur sal maken; en dat hy misschien aan de ruimte blijven wil, om alsulke Zielen liever in loco dispensationis, in ene plaats van bestellinge te bescheiden; gelijk de Schoolleeraars versonnen hebben, by weinigen onder ons mede niet verworpelijk geacht. Die zielen zijn dan waarse zijn; het word by allen Roomschgesinden vastelik geloofd, datse dikmaals ten voorseiden einde aan de menschen verschijnen. Ook is 't gemeen gevoelen, dat het meest van dese Zielen zijn, die in Hemel noch Helle; maar in 't Vagevuur, of tusschen beiden geplaatst, op der Aarde spoken. Want van den Hemelingen soude die salige rust al te veel gebroken worden, moestense dikmaals na beneden toe; en de Hell houd haar volk al te naaw gevangen, om hen so veel vryheid toe te laten; ende soude doch aan der Papen beurs geen voordeel doen, (laat'er my dit van 't mijne noch toe seggen) welker schoorsteen meer van 't Vagervuur, dan van Hell en Hemel rookt. §. 7. Wat spel dat nu al dit spook in de weereld maakt; Schott geeft ons daar van p. 269. ens. veelerhande soorten op, en gebruikter drie sijner vijf sinnen toe. 1. Wat het Gesigt voor eerst betreft: Hy seit datse in veelerleye gedaante, dan van menschen, dan van beesten, dan van schrikkelike monsters verschijnen. p. 269. 2. Het Gehoor word veelmaals, sonder iets te sien,

{==105==} {>>pagina-aanduiding<<}

wonderlik aangedaan, en te met byster ontsteld. p. 271. 3. Het gevoel heefter mede deel aan; indien 't waar is 't gene hy siet, datse somtijds Wel sonder seer doen, de menschen nochtans komen aan te raken; maar somtijds deselve stoten, voortstuwen, en van boven neersmyten; somtijds branden of slaan, somtijds ook den hals wel breken, somtijds goed en bloed beledigen; ja somwylen hen tot ontucht dryven en vervoeren. p. 273. §. 8. Men dient mede te weten, 't gene hy van de gedaante der lichamen schrijft, in welken de spooksels verschijnen. Daar af seit hy p. 287. dat d'Abt van Tritheim, Thyreus, Delrius en andere (so dat dit een gemeen gevoelen is) enige kentekenen melden: waaraanmen weten mag, of de geesten die sich in lichamelike gedaante vertonen, Engelen of menschen; goede Engelen of Duivelen: Zielen der saligen of der verdoemden, of noch door 't Vagevuur te suiveren zijn? 't Bescheid is evenwel niet breed. Want het meeste dat hy seit is: dat de salige Zielen vrolik verschijnen; die noch gesuiverd worden, droeviger; maar der verdoemden met een byster gelaat. En hoewel 't gemeen gevoelen is, dat aan 't lichaam, in welx gedaante dat de Duivel spookt, altijd iets mismaakt is of ontbreekt: echter wil sich ons Iesuwyt, beneffens Delrius, daar op mede niet verlaten. Maar dit stelt hy p. 291. vast ende word doorgaans geloofd, dat de Duivel, wanneer hy spookt en spreekt, doorgaans de tale van dat land gebruikt daar hy sich vertoont; so dat hy Mitridates in taalkunde moet te boven gaan; of elk Duivel moest zijn eigen land hebben, daar hy spoken mag. Maar de stem van 't spook is altijd stram, en struif en duff, en flaauw en babbelachtig; min noch meer dan ofse uit een tonne quam, of door de scheur van een geborsten aarden vat. Want de Duivel, seit hy, kan niet beter; daar aan magmen hem dan kennen, somen Schott en sijn volk geloven mag. §. 9. Het is ook niet voorby te gaan, 't gene als een seker sake wordt geseid, dat het spook altijd koud is aan te raken. Cardanus en Alexander ab Alexandro moeten dat helpen getuigen: en Cajetanus geefter hem de reden van, uit den eigenen mond eens Duivels, die van ene hex daarna gevraagd was; seggende, dat hy 't niet beter konde. En de Cardinaal verklaart des Duivels meininge in dien sin: dat hy den lichamen, die hy aanneemt, die aangename luwte niet wil mededelen; of dat hem God sulx niet toelaat: en daar mede is het verder vragen uit.

§. 10. Volgt nu, wie degenen zijn die 't meeste spook sien: 't gene hy ons p. 292. en 293. bescheideliker seggen sal. Sijne woorden zijn hier weerdig te verhalen. Zielen die in 't Vagevuur gesuiverd worden sullen meer den gelovigen dan den ongelovigen verschijnen; en onder deselven aan degenen die hen in bloede of maagschap of anders bestaan, meer dan aan de vreemden: dewyle sy van d'eene hulpt te hope hebben, van d'anderen niet. De verdoemde Zielen verschijnen den genen meest, die oorsaak hunner helscher straffingen geweest zijn. Nopende 't verschijnen der Duivelen moetmen acht geven op de misdaden, waar over sy den mensch vervolgen; of op den bosen wille diense hebben om hem quaad te doen. In aansien van 't eerste so lydense 't meeste

{==106==} {>>pagina-aanduiding<<}

ongemak die meest met sonden beladen zijn: in opsicht van 't ander, degenen die deugdelik van leven zijn. §. 11. Van de Spoken komen wy tot de Besetenen; De hulpmiddelen tegen beiden tot het volgende Hoofdstuk sparende. Want uit het gene den besetenen geschied, besluiten sy nu nader, wat de Duivel werken kan. Besetenheid seit Schot, is ene quellinge, den mensche onmiddelik door den Duivel aangedaan; die in sijn lichaam is en werkt, en het selven enen tyd lang houd in sijn bedwang. p. 521. Om dit wat nader te verklaren so seit hy p. 533. ens. 1. Dat een mensche van allerhande bose geesten, van wat ordeninge sy souden mogen zijn, kan beseeten worden. Want het is 19. §. 8. geseit, dat de Duivels in verscheidenen ordeningen verdeeld zijn. 2. Dat ook allerhande menschen, even veel van wat kunne, jaren, gelegentheid, godsdienst, of maniere van leven, goed of quaad, van den Duivelen konnen beseeten zijn. 3. En hoewel de meesten tegens wil en dank van den bosen vijand ingenomen zijn: so word echter geloofd, dat het met sommiger goeden wille geschied, diemen Pythones noemt, en door den Duivel waar te seggen. p. 550. §. 12. Dit alles word noch nader uitgeleid, van de wyse hoe de Duivel in den mensche komt, en hoe hy in hem werkt. 1. Gesteld zijnde ,dat hy allerhande lichaam, als 't hem belieft, en 't hem God toelaat, aannemen kan: so sal hy somtijds onsigtbaar; maar by wylen ook in de gedaante van kleine beestjes, als mieren, vliegen, spinnen, en kleinde vogelkens, in en uit de menschen varen. Sulx is 't gemeen gevoelen hunder schrijvers; hoewel onse man sich daar aan niet al te vast en maakt. p. 539. 2. Hy staat echter toe, dat de bose geest en den besetenen vreemde talen wel doen spreken, die sy nooit geleerd hadden; en verborgentheden seggen, die sy uit henselve niet en wisten. p. 540. 3. Hy seit elders, datse meest op 't Lichaam des besetenen werken; op de Ziele minst, of niet: over sulx den mensche van 't Geloof, of Hoop en Liefde niet beroven konnen. p. 534. §. 13. Dus verre is geseid, wat de Duivel, na der Roomschgesinden meininge kan doen, en wat hy veeltijds doet: het zy dat hy menschen dienst daar toe gebruikt of niet. Dese zijn 't echter, diemen Tovenaars en Duiveljagers noemt. Van de Tovenaars gelovense vastelik, dat het menschen zijn, die sich geheelik aan den Duivel overgegeven, ende een Verbond met hem gemaakt, en met hun eigen bloed getekend hebben: waar door hy sich verpligt om hun begeeren te doen, so lang alsse in dit leven zijn; en sy haarselven, om ten einde huns levens, of van sekeren bestemden tijd, Duivels eigen te zijn. Dat dese menschen, uit kragt van dit verbond, veel vermaax van den bosen geest genieten; en veel leeds aan andere menschen, of hun vee en have doen. Dat hun vermaak in feestelijke byeenkomsten, 's nachts, ter plaatse daar de Duivel wil, en daar hy in allerhande gedaanten verschijnt, met dansse, brassen, vleeschelike vermenginge van mans en vrouwen; ook met den Duivel self, die dan man dan vrouw is bestaat. In de vergaderingen worden Tovenaars en Heren, door kragt van sekere salve, ten schoorsteen of ter venster uit gevoerd, rijdenden op den Duivel self; die

{==107==} {>>pagina-aanduiding<<}

verschapen in enen bok of ander dier, sijne bondgenoten derwaarts draagt. §. 14. Het quaad dat dese menschen doen, is: vee of menschen beschadigen, onweer verwekken, het koorn op 't veld bederven, twist maken, en duisenderleije hinderingen in der menschen handelingen voorwerpen. Nogtans doense ook wel goed, maar tot voordeel van hen self. En dat is: voor een klein geld het verloren goed aanwijsen; te seggen of iemant van anderen betoverd is, en van wien; raad daar tegen geven, of self ook te doen. Van dit alles sal Bodijn, in sijn boek dat hy Daemonomania noemt, den leser volkomelik beregten: want daar is nevens Delrio geen schrijver die daar in breder gaat dan hy. Doch onse Schot sal ons hun gevoelen, beneffens dat van anderen wederom bescheideliker seggen. §. 15. Hy beschrijft dan dese ongeoorlofde Toverije, (de Leser herdenke hier by 't gene 4 §. 2- 7. van 't onderscheid geseid is, datse een vermogen is, waar door de menschen niet door eigene konst of vlyt, noch door toepassinge der natuurlike oorsaken: maar door Duivels hulp, uit kragt van een verdrag met hem gemaakt, enige wonderen, 't gemeen begrijp te boven gaande, te wege brengt. Mag. Univ. p. 1.l.1 improleg. c. 7. Dit Verbond stelt hy vast; maar onderscheid het in twederley: 't gene uitdrukkelik en met voorbedachtheid, of bedektelik gemaakt word. Hieraf sullenwe hier na Sennertus breder horen spreken. Ondertusschen steltmen desen regel vast, ter gemelder plaatse by Schott mede geseid: quos Magiae vis omnis nititur pacto, veltacito, vel expresso, cum Daemone; ut probat Delrius. &c. dat alle de kracht deser Tovery een stilswygens of uit gedrukt verdrag met den Duivel bestaat; gelijk Delrio bewyst. ens. §. 16. Hy seit verder p. 28. dat uit aanmerkinge der einde die de Toveraars beogen, om wonderlike dingen door der Duivelen hulpe te verrigten, voornamelik drie soorten van Tovery ontstaan. Want somtijds beogen sy anders niet, dan de kunst en 't vermogen om ongewone en wonderlike werkingen, tot hun eigen of eens anders nutt of vermaak, uit te regten. Somtijds soekense 'tvermogen om toekomstige dingen te weten: ook voorledene of tegenwoordige; maar die geheim of verborgen, en door geenen menscheliken vlijt in die omstandigheden te weten zijn. Somtijds is 't op de magt, konst en wyse om anderen leed te doen, aangeleid. Wat nu de Toveraars na hun gevoelen doen konnen, en watse doen, behoeft hier niet geseid: also in 't naast voorgaande hoofdstuk is gemeld, wat magt sy den Duivelen toeschrijven, die dit alles, watse buiten dienst van menschen magtig zijn te doen, ook door deselven, dat is door de Toveraars en Toveressen, so veel als in 't verbond bedongen is, verrigten. §. 17. Nu sal 't niet ondienstig zijn, dat ik Bodijn eens bybrenge, die in 't 4. hoofdstuk sijns 2. boex met duidelike woorden seit, hoe de mensch een uitdrukkelik Verbond met den Duivel maakt. Hy seit eerst: (en so 't waar is datse 't doen, ben ik 't self verpligt te seggen) dat het de verfoeyelixte menschen van allen zijn, die God en sijnen dienst afgaan; of die (sose niet den waren God, maar enigen bygelovigen godsdienst hielden) hun geloof afsweeren, om sich door een uitgedrukt verdrag aan den Duivel te ergeven. Ende dicht daar aan. De uitdrukkelike verbintenisse geschied somtijds alleen by monde, sonder schrift:

{==108==} {>>pagina-aanduiding<<}

maar word ook wel schriftelik bevestigd. Want de Duivel, om sijn volk vast te maken, eer sy iet van hen bedingen: doe hen, sose schrijven konnen, een handschrift maken, en dat ondertekenen, bywylen met hun eigen bloed. Een weinig verder seit hy noch, dat die verbintenisse somtijds voor een of twee jaren is, somwylen voor langer tijd. En oft de Duivel vrese hadde datter de mensch uitscheiden mogte, die sich in 't geheel aan hem verbonden heeft: so is hy niet te vreden, datse God met uitgedrukte woorden versaken; maar drukken hun noch een Teken in.


XXI. Hoofdstuk. Tegen al dit werk zijn by hen verscheidene Middelen in 't gebruik.

§. 1. DOch ik weet niet of 't wel nodig is, meer van desen handel op rekenenge der Papisten te vertellen: dewyl' er weinig overschiet of ons volk stemt 'et ook al mede toe. Dit sal ik in 't volgende hoofdstuk tonen: ende hier alleen verhalen wat middelen 't Pausdom ons ter hand geeft, om alle Duivelen, gespook, en betoverdheid te mijden, en te weeren. Een deel daar af raakt het Tegenweer, dat tegen sulken boosheid kragtig zy; een ander 't Ondersoek, wie aan sulken grouwel schuldig is; en het derde is de Straffe diemen dese menschen weerdig acht. Van't eerste sal ik wederom uit Schott, van het twede en derde uit andere schryvers, en uit d'ondervindinge spreken. §. 2. Onse man, die by ons allen in staat, verwerpt verscheidene middelen, en stelt 'er ander vast. Wy willense van beiden horen. Dit zijn degenen die hy verwerpt. 1. Boosaardig schelden verdrijft geen spook: maar enige scheldwoorden in die besweeringen gemeld, welke de Kerk heeft ingesteld, helpen daar wel kragtig toe. p. 304. 2. Voor spies of degen oft enig ander geweer, en wykt geen spook p. 305. 3. Vuur en licht, ongewyd, en heeft geen kragt. p. 308. 4. Ook en zijnse door 't sluiten van deur en venster niet te keeren p. 308. 5. Schoon velen van gevoelen zijn, dat de geesten door rook of reuk, of kruiden, of door 't werpen van stenen te verjagen zijn: so beweert hy echter, dat geen natuurlike kragt van lichamelike dingen regtstreex op de geesten werken kan; ende volgens dien geen gevoelige dingen (gelijk de voorseide het natuurlikers wyse uit hunne plaats of van de menschen vedrijven konnen. p. 308, 312. §. 3. Daartegen houdmen dat de volgende middelen met allen kragtig zijn. 1. Twee, daar niemant iets tegen heeft, een vast Geloof en vurig Gebed. p. 214, 215. Want dat is schriftmatig, also sulk een geslagte niet uit en vaart dan door bidden en vasten. Matt. 17:20, 21. 2. Vijf andere die enkel paapsch zijn, 1. De Reliquien dat is Overblijfsels van de lichamen der Heiligen of die sy daar voor houden. 2. Het teken van 't Kruis, 3. Het Wywater, 4.

{==109==} {>>pagina-aanduiding<<}

Agnus Dei, dat is het lam Gods, op een rond koeksken van was gedrukt en van den Paus selve gewyd. Dit heeft, seit Schott, virtutem praesentissimam ene onfeilbare kragt om den Duivel weg te jagen p. 322. 5. De naam JESUS genoemd, en sijne moeder Maria aangeroepen p. 324. §. 4. Breder word die by hem op ieder stuk aldaar verklaard, ende in 't kort op den selfden sin van Iohannes David Iesuwyt, in sijn boexken genaamd Schildwacht in den jare 1619. binnen 's Hertogenbosch gedrukt, beschreven. Ik sal 't derhalven, om den Roomschgesinden geen ongelijk te doen, met sijne eigene woorden seggen. In het 10. cap. schrijft hy dit. Onder de gewyde dingen, kragtig tegen des vyands opstel, zijn dese navolgende. Het gewyd water datmen alle Sondagen in der Kerken is wydende, ende daar af wel den naam heeft, Wywater. Ook Vontewater, het welkmen Paasavond en Sinxen (dat is Pinxter) avond is wydende. Item het gewyd water, hetwelkmen Gregroius water noemt: welke de Bisschoppen wyden, met sout, asschen ende wyn; om de autaren mede te wyden, ende tot andere sulke heilige usantien ende gebruik. Hiertoe dienen ook die gewyde keerssen, diemen op H. Lichtmissen dag pleegt te wyden. Item palmtakken, ofte andere meikens, die men op den Palmsondag wyd. Ende elk dient bysonder so 't gewyd werd: het wywater, om te besproeijen; de gewyde keersse om te ontsteken; de palmtaxkens oft andere om ergens te houden of te steken; als ook namentlik het Agnus Dei, om aan den hals te dragen, oft elders te voegen, so 't bequaemelikst is met de reverentie. Hetwelke eigentlik van den Paus daar toe gewyd word, ook tegen al het quaad opstel des vyands bevryd ende beschermd te werden; ook te water en te lande, in brand ende anderen nood. Hier by dient seer wel het teken van 't heilig Kruis, 't welk de Christenen altijd gereed moeten hebben, tegen alle aanvechtingen des Vyands, inwendig ende uitwendig. Het welkmen in de H. Kerke niet alleen en gebruikt in alle wydingen, gebenedydingen, ende bedieningen der H. Sacramenten: maar ook sonderlinge in 't besweeren der bose geesten, in 't belesen der gequollene menschen; ende in als datmen is doende om de argheid en vyandschap des Duivels te wederstaan, te breken ende te niet te brengen. §. 4. De kragt van de geestelike middelen, (so hyse noemt) stelt hy blotelik in de magter Roomsche Kerke: want dit is verder sijn seggen. Al 't gene dat noch uit zich selven, oft uit enige kragt sijner nature, noch uit d'instellen ende magt Godts; (gelijk de H. Sacramenten werken) noch uit de ordinantie der H. Kerken (die ook met Gods woord ende kragt in alle hare saken te werk gaat) al 't gene, seg ik, dat uit geene van alle dese manieren, veur enig remedie iewers toe en dient, noch kragt en heeft, ist sake datmen 't tot sulx nochtans vermeet te gebruiken, dat is al quaad, superstitieus, tegen God, sijn woord en wille. Daarna op 't elfde kapittel begint hy aldus. Aangaande de heilige woorden tegen den vyand kragtig, zijn sonderlinge d'Exorcismi, dat is belesingen ende besweeringen van de H. Kerke daar toe geordineerd. Als zijnde Exorcismi diemen na 't Roomsch orden is gebruikende: ende namentlik ook die in 't Manuaal staan, gemaakt veur het Aartsbisdom van Mechelen, gevisiteerd ende geapprobeerd, by de Doctoren in der Godheid der Universitiet van Leuven.

{==110==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 5. Met het ondersoeken gaanse doorgaans, en wel meest in Duitschland, dus te werk. Wien slegs 't woord na gaat dat hy aan Toverye schuldig is, word ten eersten gevangen; en ondervraagd zijnde, so hy 't ontkent, gepynigd; tot d'eerste, tweede en derde maal. Blijft hy ontkennen, men verdoemt hem als hardnekkig; bekent hy door de pijn, so heeft sijn eigen mond het oordeel self geveld. Het wierd ook van het overlange voor bekennen aangenomen, so sy in 't geregt niet schreiden. En dewijle sy geloven, dat de Duivel sulken volk, als sijne bondgenoten, met alle list en kragt sal willen helpen: so word wel sorge gedragen, dat geenerhande gereedschap, waarmede sy sich souden konnen vry toveren, by hen heimelik mag verborgen zijn. Tot dien einde, en met een om te sien, of hun Lichaam ergens onder de klederen van den Duivel getekend is, so wordense moedernaakt uitgekleed; en so wel vrouwen als mans, over hun geheele lijf wel kaal geschoren. Doch om voor al niet mis te gaan, so heeftmen sonderlinge vier voorname proeven in gebruik gebragt, die vervolgens hier te melden staan: het gloeijend Yser, heet of kout Water, en de Waag. §. 6. De drie eersten vindt ik by A. Montanus in 't 1. boek sijner beschryv. van America, (so 't schijnt uit Boxhorn) aldus beschreven. Het Ordal, (so noemdemen dit) ging in Nederland aldus toe. Iemant aangeklaagd onroomsch (of aan Toverije vast) te wesen, vast drie dagen, onder opsicht van den Priester, met welken hy t'hans na de kerk ging. De Priester in geestelijk gewaad, leide by 't autaar een ysere bout, meermaals met wywater besproeid, of glimmende kolen: song 't lied der drie Jongelingen in den gloeijenden oven; deed Misse; stak den beschuldigden 't ouweeltje ten mond in, beswoer hem: en bad, het beliefde God de schuld der verdachtte van Tovery te ontdekken, door 't verseeren sijnes hands, in welke een gloeijend yser geleid soude worden, of des selfs onschuld, wanneer hy niet beschadigd wierd. So gebeden so gedaan. Negen voetstappen verre most hy de gloeijende bout dragen. Dan omwond de Priester de geschroeide hand, en segeldese. Ten derden dage beschoudemen de hand. Indien die niet gaaf was, moest d'ondersochte, niet sonder papiergewaad met duivelen beschilderd, levendig verbrand. §. 7. Immers so pijnlik ging 't Ketelvang toe. Een ketel voor siedend water, door d'allerverschriklikste vervloekingen besworen, stond in de kerk. Om tot kennis van misdryf of onnoselheid te geraken, stak de betichte den bloten arm ten elleboog toe in 't borrelende natt. Dit gebruik moet al seer oud en van heidenschen oorsprong sijn; volgens 't gene nopende den ouden tijd voor 3. §. 18 aangetekend is. §. 8. De proeve met koud water is wat meer bekend, boven anderen gemeen, en noch onlangs in 't West van Engeland (gelijk hier achter noch te passe komen sal) in 't werk gesteld. Montanus heeft dit mede dus in 't kort beschreven. Andersins bleef ook gebruikelyk de proeve met koud water, in gragten, sloten of stromen. De Priester dan beswoer 't water; bond den aangeklaagden de duimen aan de grote teenen kruisgewys over malkander. Wanneer sonk, ging vry: maar driftig ontfing 't vonnis der vuurs. §. 9. Noch een besondere proef is der genen, die hier in Holland, hoewel van geen Hollanders, maar van buitenluiden op de schaal gewogen worden:

{==111==} {>>pagina-aanduiding<<}

tot welk gebruik de stads wage tot Oudewater hier in Holland, by de inwoonders der paapsche landen, van de stichten Keulen, Munster, Paderborn, en andere verder afgelegen, zedert Keiser Karels tijd, tot op heden gebruikt word. Waar af ik 't naaste bescheid bybrengen sal uit sekeren brief, door eenen der Burgermeesteren van Oudewater aan sekeren sijnen vriend geschreven; die te lesen staat voor 't boexken genaamd, Waarborg om geen quaad halsgeregt te doen. Hy seit voor eerst op 't gene hem gevraagd was. ‘Dat daar nooit iemant uit een van die plaatsen gekomen is, of sy hebben alle eenstemmig geklaagd, dat sy in hun land t' onregte van tovery beschuldigd wierden: ende so sy geen bewys bekomen konden, van datse in de stadswage t'Oudewater gewogen waren, ende hun gewigte met de gelegendtheid huns lichaams over een quam; dat sy gevaar liepen van in hun land om lijf en goed te raken. 't Seggen van die luiden was doorgaans, dat die in hun land voor toveraars gehouden wierden minder woegen. Den overleden secretaris De Hoy hadde hem verhaald, dat in sijnen tijd seker persoon uit die bovendeelen in 't land daar hy woonde, door enen daar hy mede in geschil geraakt was, in 't geruchte was gebragt van een Toveraar te zijn; ende dat hy geraden wierd, om sich van de geseide laster te suiveren, na Oudewater in Holland te reisen, en sich aldaar in de stadswage te laten wegen. Ende dat hy daar gekomen, het zy door bottigheid, het zy uit vreese of door quade onderrichtinge, wederom gekeerd is na sijn land, sonder gewogen te zijn. Maar dat hy in sijn vaderland komende, ende niet kunnende tonen dat hy gewogen was; (sulx vermoedelik voor bewijs van schuldigheid genomen zijnde, als oft hy te licht bevonden ware) so is t' dat het gerugt daar van voorstaande, en tot den regter van die plaats komende; deselfde gesocht heeft de voornoemde persoon in hegtenis te nemen. 't Welk hy gewaarschowd zijnde, ontvlugt is. Daar na, in 't land daar hy gevlugt was, geraakt by een persoon, die te voren hier ook met enen anderen in sodanigen gelegentheid geweest was; heeft den selven bewogen, om met hem herwaarts aan te reisen. Gelijk hy ook, t'Oudewater gekomen, ende in de stads wage, op die wijse als verhaald is, gewogen zijnde, wederom is na huis gekeerd. Ende in sijn vaderland, daar hy vandaan gevlugt was, het bescheid, van dat hy daar gewogen was, vertoond hebbende: so is hy wederom in sijn geheel; en sijne goederen, die by den regter al waren aangeslagen, wederom ter hand gesteld. §. 10. Op ene twede vrage seit de Burgemeester: dat geen seker gewigte ‘gesteld is, wat iemand wegen moet: maar het komt daar op aan, dat het met de natuurlike geschapentheid des lichaams over een kome. Op noch ene derde vrage, van waar dit regt sijnen oorsprong heeft, seit hy dat het sulx onbekend is. Maar dat echter blijkt, dat hunne stads wage in die buiten landen sulken aansien heeft: also 't verscheidemalen gebeurd is, dat degenen die versochten gewogen te worden, met besonder voorschrijven hunder stad of plaats gekomen zijn. Echter word daar by geseid,

{==112==} {>>pagina-aanduiding<<}

dat keiser Karel de vijfde sulk voorregt aan de stad Oudewater, uit oorsake van der selver beproefde opregtigheid in desen, en van seker bedrog in een naburig dorp ontdekt, geschonken heeft: immers, dat sulx het gemeen seggen is. §. 11. In sijn oordeel over dit bedrijf is de schrijver met my eens; maar dat had ik hier niet te verhalen om niemant enig vooroordeel ontrent het stuk dat wy verhandelen te geven. Ondertusschen seit deselve schryver N.B.A. daar ik dit uit hebbe, dat in den tijd van twee jaren, die hy t'Oudewater gewoond heeft, verscheidenen personen uit voorseide oorsake gewogen zijn. Ende heb ik onlangs noch vernomen dat het selve wegen van betichte Toveraars heden noch ter selfder stede onderhouden word. §. 12. Van de straffe diemen in de paapsche landen, en met namen in Duitschland aan de Toveraars en Toveressen doet, valt niet veel te seggen: alsomen 't over al voor een onbetwistbaar regt is houdende, dat de sodanige verdienen levendig verebrand te worden; waar door men ook selden heeft gesien, datse genadiger gestraft zijn. 't Getal der genen die op sulken wyse, ende uit die oorsaak hun leven op verschiedene tijden hebben moeten laten; soude, by een gerekend, en gewapend, genoegsaam zijn, om den gemeenen vyand van 't Kristenrijk uit sijn rijk te jagen. In 't III. boek sal de plaatse zijn om die Toverpleitingen te ondersoeken: waar toe ons 't selfde boekxken, Waarborg, merkeliken dienst sal soen.


XXII. Hoofdstuk. De gevoelens die onder ons omgaan, en de bedryven daar ontrent, gaan gemenelik so verre niet: des komen d'onsen minder met malkander over een.

§. 1. NU wil ik van de Paapsche tot de Protestantsche Kristenen overgaan: welker gesuiverde Godsdienst en Leere hen niet toe laat, ontrent de voorseide dingen so breed te gaan als d'anderen wel doen. Want mitsdien datse geen Vagevuur geloven, noch aanroepinge van Engelen of verstorvene Heiligen goed vinden: so en konnense altoos in dien deele , dat daar op siet, of daar uit ontstaat, in 't gevoelen van de verschijninge en werkinge der Geesten met de Roomsgesinden niet eenig zyn. Ondertusschen is te merken, dat der Luterschen gevoelen en bedryf in dit stuk vry wat nader aan het Pausdom grenst, dan dergenen die van onse belydenisse zijn. Als mede datmen vry groot onderscheid vind tusschen luiden van letteren en 't gemeen volk: gelijk sulx mede onder de Papisten, ja selfs onder de Heidenen te speuren is. En dan zijn hier de geleerden selve noch so verre van malkander verscheiden; dat d'eene 't gemeen gevoelen stijft, d'ander 't verwerpt, en de derde tusschen beiden gaat. Aldus magmen onder ons mannen vinden, die in 't stuk der Toverije, Spokerije en andere saken den Duivel be-

{==113==} {>>pagina-aanduiding<<}

treffende byna alles geloven; andere die bykans alles looghenen; doch de meesten, zijn 't die wel een groot deel van 't gemeen gevoelen medestemmen, maar ook veel daar af verwerpen. Dit eens voor al hier geseid, moet hier na t'elkens met dit onderscheid verstaan worden, wanneer ik onse luiden in dit werk betrekken sal. Doch om 't beslag over dit stuk meer in te trekken dan uit te breiden: wil het ons best voegen, dat wy eerst het gemeen gevoelen en gebruik; en daarna dergenen welker sinnen het geoefend zijn, voor ogen stellen. §. 2. Onder de gemeente hoortmen doorgaans van den Duivel, van Spoken, van Toverijen, en diergelijke seer veel spraaks. Sy geloven allegaar, dat d'Engelen in 't begin alle van God goed geschapen; maar een deel der selven van hem afgevallen, ende also Duivelen geworden zijn. Doch dan sprekense doorgaans van den Duivel als van eenen; die als een vyand van 't menschelijk geslagt, en besonderlik van de gelovigen, ons geduriglik soekt quaad te doen. Grote gedachten heeft'et volk doorgaans van sijn groot en sterk verstand, van sijne kragt, en van sijn doen. Men begrijpt hem, immers men spreekt van hem als van eenen, ende nochtans alom tegenwoordig: die overal in 't werk is, die overal op past, die over al sijne hand in heeft. Laat my dit nu wat besonderliker seggen. §. 3. Wat sijne Kennisse belangt: men acht die wel so groot, dat hy de geheimnissen des Euangeliums beter verstaat, dan de ervarenste schriftgeleerden onder ons: dat hy op onse gedachten lett en werkt. Dat hy 't Spook en Voorspook werkt; waar door de mensch over dingen die noch eerst gebeuren moeten, voor af kan verwittigd en gewaarschuwd zijn; inzonderheid wanneer iemants dood, of andersins wat droevigs hem voor handen staat. Voorts gelovense mede, dat een Waarsegster of wikster ons kan seggen, waar 't verlorene te vinden is; of een mensch betoverd is, en van wien; wat raad daar tegen; en so voorts. §. 4. Van des Duivels Kragt hebbense buiten twyfel een boven maten groot gevoelen. Want daar en is niet groots ooit van Christus of van God self gedaan, welks gelijke 't volk den Duivel mede niet vertrowt. Dat sulx iet van't Manicheisdom is, heb ik boven 18. §. 6. al enigsins getoond. Wanner 't God toelaat, so kan hy in allerley gedaante aan de menschen verschijnen: niet alleenlik van menschen, goeden en quaden, levendigen en doden; maar ook van verscheidene beesten. Uit dien hoofde gelovense mede, dat boosaardige menschen door Duivels kragt, met de middelen daar by gebruikelijk, henselven mede in wolven, en wel meest in katten verscheppen; en dus verschapen, door een ruit van een venster, ja door een klinksnoer gat kruipen konnen. Dat de hexen 's nachts vergaderingen houden, gelijk voorhenen geseit is, en op enen besemstok ter schoorsteen uit daarna toe vliegen, en wat dies meer is; dat is heden noch by ons 't gevoelen van 't gemeene volk. Sy konnen mede, door Duivels hulp, onweer verwekken, den wind in enen neusdoek knopen, en daar uitlaten; 't gene voornamelik den Lappen en Finnen nagegeven word: so ook, door sekere wapensalve henselve tegen

{==114==} {>>pagina-aanduiding<<}

den vyand schoot- en steek vry maken; ende also van den Duivel noch wat goeds erlangen. §. 5. Aan 't Verbond der Toveressen met den Duivel, uit welx kragt die dingen meest geschieden, en de proef op 't water, word ook nauweliks getwyfeld: en so mede aan veel andere dingen niet: besonderlik den raad die hen de Duiveljager geeft; als dat het sekerlik helpt, so de betoverde gesegend word van deselfde pesoon die hem betoverd heeft. Dese, onwillig zijnde, kan daar toe gedwongen worden, somense bloedig en blaaw slaat; of enige dingen in sulken of sulken pott, en dat so veel uren lang, en tot sulker ure, by dage of by nachte kookt. Daar op moet de schuldigde noodsakelik in dat huis komen; en so weetmen, wie 't gedaan heeft. Of men geeft het gekookte den betoverden in, of hangt hem iet om den hals, of op de borst: en duisend diergelijke dingen meer, lang en onnodig te verhalen. §. 6. Het gebruik van dit alles is; dat so wanneer enig ongemeen quaad van iemant gedaan is, sulx des Duivels ingeven en aanporren toegeschreven word. Is een schielijk onweer ontstaan: so maar iemant, ons niet al te gunstig, van toverije verdacht is: dien word daar af de schuld gegeven. Heeft sulk een aan een kind of ander iet gelangd: het sy appel ofte peer, of koek: of diergelijk; en het word enigen tyd met ene quale bevangen, die sich niet haast genesen laat; men houdse terstond verdacht, dat sy den kranken betoverd heeft. Men neemt'er de proef af door alsulke middelen als terstond geseid. So de gesondheid enigen tijd daar na volgt: men twijfelt langer niet, of de quaal is door toverye veroorsaakt geweest, en de persoon regtveerdelik daar van verdacht. §. 7. Dus verre heb ik slechs van 't gevoelen en bedrijf des gemeenen volx gesproken: doch nu sal ik tonen, wat geleerden onder ons van die dingen geloven. Geen van allen sal lichtelik daarin so verre gaan als de gemeene man: ende nochtans sietmen datse merkelik van malkanderen verschillen: sommigen byna alles mede gelovende, anderen bykans niet met al. Sulx magmen voornamelik aan twee voorname schryvers, beide Schotten, den eenen van af komst en geboorte, den anderen van name, sien. D'eerste een doorluchtig koning van de Britsche rykken: Iakob, die de seste deses naams over Schotland, en de eerste in Engeland was: d'ander een geboren onderdaan van dit koningrijk, wiens naam was Reinold Schott. De Koning houd het meest al staande, wat het gemeen van Tovery en Spokery gelooft: maar sijn onderdaan hadde sulx alles al te voren wederleid. Ioannes Wierus, die in 't opkomen van de herstellinge der leere door Luther en Calvinus leefde, hadde noch al eer sijn gevoelen van 't bedrog der Geesten en van de Toveressen aan het licht gebracht; ende was den middelweg tusschen beiden ingeslagen. Derhalven heeft koning Iacob sijn boek dat hy Daemonologia, dat is Duivelspraken, noemt, tegen die beide schryvers aangeleid; gelijk sijne majesteit in de voorreden met uitgedrukte woorden self verklaart. §. 8. D'inhoud van sijn schryven komt vast hier op uit. In 't 6 hoofdstuk des eersten boeks word dat Verbond der Toveressen met den Duivel so dui-

{==115==} {>>pagina-aanduiding<<}

delik beschreven, als of daaraf d'oorspronkelike stukken in geschrifte aan den Koning self, of in sijnen raad waren vertoont geweest. In 't vierde kappittel van sijn twede boek stelt hy vast, dat een bose geest den mensche door de lugt vervoeren kan; en in 't leste, dat hy sijn volk in de gevangenis onder verscheidene gedaanten besoekt. In 't sevende leert hy, dat in tijde des Pausdoms ende des Heidendoms meer gespook was: maar tsedert dese laatste suivering der kristen Kerke meer betovering bespeurd word. Van Spook, daar het derde boek van handelt, isser byna geenerhande slag, dat de Koning niet gelooft: self tot de Nachtdrukkers en Nachtmerrien toe; zijnde geesten die als mans met de vrouwen, of als vrouwen met de mans gemeenschap hebben, ende van ouds Inoubi en Succubi genoemd zijn. Van Besetenen staat hy toe, dat de Duivel self van Roomsche Papen uitgedreven word. Maar van de proeve der Toveryen meld hy slechs, dat de misdaad door twaalf getuigen (sonder welken ook wel kinderen, en oneerlike luiden, en die self ook aan de toveryen schuldig zijn) moet bewesen worden. §. 9. Onder de leeraars onser Kerken komt, mijns wetens, niemant dit gevoelen nader, dan ik sie dat Danaeus doet. Dat is voornamelik uit twee stukken te verstaan: so als hy dat Verbond beschrijft; ende werken die ee Toveraars en Toveressen doen. In sijn boekxken de Sortiariis, van de Toveraars (in desen sin neemt hy dat woord) vind ik dat beide op het breedst beschreven; ende in sonderheid het eerste met veel meer beslags, dan ik ooit by paapsche schrijvers las. Ende gemerkt dat hy een voornaam Godgeleerde onder ons, en na by de tijden van Luther en Calvyn geweest is, die dit al voor 116 jaren geschreven heeft; so magmen staat maken, dat alsulke leeringen den Protestantschen Kerken mede niet oneigen zy. Nu sal ik den inhoud van sijn schryven kortelik verhalen. §. 10. In 't 4. hoofdstuk stelt hy dit voor vast, nullum non sortiarium cum Satana Fedus & commercium iniisse, seque ei devovisse; datter noit toveraar geweest is, die geen Verbond met den Satan gemaakt, ende sich aan hem overgegeven heeft. Dit verbond beschrijft hy voorts aldus. ‘1. Tot versekeringe desselfs drukt hy hen een Teken in, het zy onder d'oogleden, of tusschen de billen, of aan 't gehemelte; so dat het meest voor anderen verborgen zy. Hier van acht hy niemant vrij. Om die reden doen hen de toverregters, (gelijk noch eens geseid is) over 't gansche lichaam kaal bescheeren; te besien, waar ergens sulk een teken schuilt. 2. De Voorwaarden van dit verdrag brengen mede: dat sy voortaan God afsweeren, en den Satan voor God erkennen en vereeren sullen; en dat hy hen helpen, en geroepen zijnde byspringen sal. Dat doet hy dan ook, en sy wederom al wat hy gebied. 3. Na dat sulx wederzijds besloten is: offert de mensche 's anderen daags aan den Duivel hond of kat, of hen, of anders iet dat sijn eigen is: waar door 't verbond op 't nieuw bekragtigd word. 4. Dan doet hy hen, op tyd en plaats als 't hem belieft, vergaderen; ende elk rekenschap geven, van 't quaad dat hy door sijn behulp en kragt bedreven heeft. 5. Somtyds roept hy hen self by een, in menschelike gedaant, den sijnen alleen kennelik

{==116==} {>>pagina-aanduiding<<}

verschijnende: somtijds door iemant van sijn volk, met betekening van tijd en plaats; niet alle, maar die hy dan hebben wil. 6. Die door lichaams swakheid niet wel konnen gaan, die geeft hy stok of peerd, of salve om sich mede te besmeeren; maakt hen ontsigtbaar en voertse door de lucht. 7. In die vergaderingen verschijnt hy self, als 't hoofd; in de gedaante van enen mensche of leliken bok, of anders, na 't hem lust. 8. Den eed in 't begin gedaan, eischt hy daar noch eens: en singen sy en danssen ter eeren van hunne nieuwen God. 9. Daar op geeft hy aan ieder van hen de middelen die hy begeert, om den menschen die hen in den weg zijn leed te doen; of leert hen 't vergif self maken, met aanbiedinge van verdere hulp en dienst. 10. Uit kragt deses verbonds doet de Satan wonderen, op 't gebruik der Tekenen, die hy hen geleerd heeft: in welken wel die kragt niet steekt, schoon sy 't menen; maar in den Duivel die sulx alles werkt. §. 11. En dat is vry al veel. Want het zijn verscheidene dingen die hy den Duivel toeschrijft, so hy sich hier en daar in 't voorseide boek ontvallen laat, oft ook duidelik verklaart. 1. Dat hy dikmaals in menschelike of andere gedaante verschijnt. 2. Dat hy somtyds den menschen, die sich aan hem verbonden hebben, de sinnen bedwelmt: so datse meinen hier of daar geweest te zijn, en dit of dat gedaan te hebben; sonder datter iets in waarheid is geschied. 3. Maar dat hyse ook waarlik door de lucht voert, daar sy wesen willen, of daar hy hen hebben wil. 4. Dat hy door dienst der Toveraars en Kollen de menschen van verre, en sonder aanraken heimelik vergiften kan. 5. Dat hy, of de Toveraars door sijne kragt, regen en onweer verwekken konnen. 6. 't Gevoelen van anderen verwerpende, die meinen dat des Duivels kracht ophoud, wanneer de hex in Regters handen is: so gelooft hy, dat de Toverkunst by wylen in de gevangenisse self noch kragtig is; en datter de Duivel vaak sijn eigen volk den hals wel breekt. Dus verre wat Daneus leert. §. 12. Vorder is meest het gevoelen der geleerden aan onse kant, so veel de Kennisse betreft; dat de Duivel geen toekomende dingen weet, maar slegs uit hemselve gist. Dat echter de waarseggers meest met hem te rade gaan, in 't gene sy voorseggen. Datse 't ook van hem hebben 't gene sy van tegenwoordige dingen, die verborgen zijn, aan den mensch te wetedoen; als namelik, wie iets gestolen, of iemant betoverd heeft. Sy schryven hem mede enige kennisse van 's menschen gedachten toe; nademaal hy 't is, na hun gevoelen, die ons dikmaal daar in ontrust, of misleid, of ten quade port. Ende sulx verstaan wy doorgaans, wanneermen in de kerken bid voor menschen die in hun gemoed bestreden worden. Geene ketterij of dolinge in de Kerk, geene vervolginge tegen haar; of men houd den Duivel voor den stichter, of op 't minst aanvoerder van dat werk. In dien sin word de H. Schrift, ter plaatse daarse van den Duivel spreekt, verklaard, en tot enen grond van sulk gevoelen gebruikt. Doch uit deselfde reden salmen niet alleen de Protestantsche, maar meest alle Kristen schryvers horen spreken; dat sulke raad of hulpe by den Duivel, Gods ender menschen vyand, soeken, ongeoor-

{==117==} {>>pagina-aanduiding<<}

loofd is. Sy stemmen echter toe, dat der Heidenen Orakelen niet altyd van den Duivel voortgebracht; maar veelmaals een bedrog der Papen zijn. Want dat also dikwyls uitgebroken is, datmen het wel sekerlik geloven mag. §. 13. Gelijke breed word ook by hen des Duivels Vermogen uitgemeten. Want men hoorter weinig twyfelen, of hy kan een lichaam aan- en in neemen; het selve vervoeren, en veelsins quellen: dat hy 't eerste aan Christus self; en 't ander aan verscheide menschen gedaan heeft, van welken ons 't H. Euangelie seit, datse van den bosen geest beseten, en van onse Heere daaraf verlost zijn. Dat de H. Schrift het gevoelen van de Spokerij bevestigd en dat de Duivel na veler gevoelen in de gedaante van Samuel verschenen is. Dat sijn bestuur over Gods weer en wind, over heirlegers, over 's menschen goed en bloed, lyf en leven, door 't gene aan Iob geschied is niet en mag gelochend worden. Dat aan d'Egyptische Toveraars in Moses tyden wel gebleken is, wat de Duivel vermag: het zy, om onvolmaakte dieren, als vorsschen of slangen voort te brengen en de hoofdstoffen te veranderen; of om door geswindigheid te vertonen 't gene van elders gehaald was; of ten minste 's menschen ogen te verblinden, datse meinen te sien 't gene niet en is. §. 14. De Middelen aangaande, die men de Toveraars, Waarseggers en Besweerders in 't werk siet stellen: ik en vinde naaweliks iemant van verstande, die gelooft datse aan haar selve kragtig zyn. Maar dat de Duivel 't gansche werk doet, het gene die arme menschen meinen dat sy doen: en dat het verbond tusschen hen ende den Duivel gemaakt, hem verpligt om sulx uit te werken als sy begeeren; wanneer sy slegs de tekenen en omstandigheden te werk stellen, die daar toe staan, gelijk sy van hem geleerd zijn. En dit Verbond doense ons voorsigtelik (so sy meinen) op tweederleye wyse bemerken; te weten so, als ik 't hier liefst met de woorden van Sennertus seggen wil, die der in de verhandelinge van 't geschil over de schooten steek vrye, volgens de vertalinge van Ionktys, dus afschryft. Het Verbond met den Duivel is tweederley: middelbaar en onmiddelbaar, of uitgedrukt en bedekt. Het onmiddelbaar of uitgedrukt verbond is, wanneer iemant in't werk stelt de middelen onmiddelbaar van den Duivel aan hem gegeven. Het middelbaar en bedekt verbond is, wanneer iemant gebruikt de middelen van den Duivel wel verordend, dog niet van den Duivel self, maar door handen van andere aan hem gegeven: het welk allebeide tegen Gods wett, die ons verbied andere Goden te hebben, strydig is. Want (seit hy een weinig verder) in sodanigen verbond en is de toestemmige niet geheel uitgesloten; door dien hy, die nog so verre van de reden niet vervreemd is, Als dat hy kan de klippen myden, En d'open put ter syde schryven;

seer lichtlijk bespeuren kan, dat sodanige karacters of woorden uit hen selve die kragt niet en hebben; en derhalven noodsakelik moet ondersoeken, eer hy deselve in 't werk stelt, uit wat kragt sy doen het gene sy doen. Want so hy dat na laat, so treed hy bedektelik met den Duivel in verbond; die beloofd heeft dat hy sulx nako-

{==118==} {>>pagina-aanduiding<<}

men sal by degenen die sodanige karacters en woorden na sijn voorschrift gebruikt. Volgens dien kan hy aan die godloosheid mede niet onschuldig zyn. Dus heeftet Sennertus verstaan; en so veel als ik ervaren hebbe, de geleerden onder ons sullen hem daar niet in tegen spreken; ik hoor vast, over al deselfde taal. Desgelyks Wiërus in dit stuk voornamelik geoefend, en boven allen vermaard, stelt die dingen door malkanderen meest al op den selfden voet. §. 15. Ik moet hier by ook iet van de Dromen seggen. De gemeene taal onser Schriftgeleerden is, dat die vierderhande zijn: Natuurlike, Burgerlike, Godlike, Duivelsche droomen. Dese laatste soort houdense dat den mensche van den Duivel ingegeven word, door beroeringe sijner inbeeldinge, en 't voorwerpen van verschrikkelike gedaanten, om hem te ontrusten en te vervaren; of ook wel om hem te vervoeren, gelijk hier voren van des Duivels nachtvergaderinge geseid is. In gevolge van dien zijn sommige van gevoelen dat de droom, in welken Pilatus huisvrouw so veel om Iesus wille geleden hadde, van den Duivel geweest zy. §. 16. Maar ik vinde niemant die ontrent al 't voorseide den Duivel in verstand en kragt ooit kleinder maakten, dan voor desen Reinhold Schott, hier voor genoemd, en op heden de heer Antonius van Dalen in sijn boek van de Orakelen heeft gedaan. Want sy schrijven beide alles aan 't bedrog der menschen toe, en aan den Duivel niet met al. Noch komt my daglix voor, terwijl ik met dit werk besig ben, dat de verstandigsten by ons des Duivels kennis en vermogen weinig achten, en veele (meer dan ik ooit gedacht hadde) komen in 't stuk der Besetenen of Betoverden met den Heeren Daillon over een: die in sijn Fransch geschrifte des Demons te verstaan geeft, dat de bose of onreine geesten daar de Schriftuur afwaagt, niet anders dan sekere siekten waren, diemen by de Ioden so te noemen plag. Ende komt my noch een Englesch boexken regt te pas in handen, waarin 't oud en algemeen gevoelen als ten hoogsten strijdig met de leere en 'tgeloof der Protestantsche Kristenheid, weersproken word. §. 17. Doch ik wil te deser plaatse van 't gevoelen deser mannen niet meer seggen; om reden, dat het eensdeels niet behoeft, en anderdeels hier na te passe komen sal. Het behoeft hier niet, om dat mijn oogmerk niet en is, te verklaren wat men van den Duivel niet en seit; maar wat men van hem seit: en dat ik ondersoeken wil of dat waar is of niet. Dienvolgende moet ons 't ontkennen genoeg zijn, daar wy ergens geen genoegen in 't bewijsen nemen, voor dat gevoelen, dat den Geesten, en besonderlik den quaden, sulken kragt toeschrijft. Daar beneffens wil dit ook van self noch volgen, dat ik met Schott en Van Dale, mitsgaders anderen meer die 't gemeen gevoelen tegenspreken, voor den dag sal komen, wanneer ik in 't vervolg de redenen ondersoeken sal, daar al der anderen bewijs op steunt. Ondertusschen heb ik noch, eer ik dit deel sluite, al 't voorgaande na te sien, en der Ongelovigen met der Kristenen gevoelen by malkander te overwegen.


{==119==} {>>pagina-aanduiding<<}

XXIII. Hoofdstuk. Alle voorgemelde gevoelens t'samen vergeleken, brengen enige Stellingen uit, daar sy in verschillen, of waarin sy 't eens zijn.

§. 1. IK hebbe t'elkens, na 't verhaal van sommiger gevoelens, de vergelijkinge gemaakt: eerst van oude en niewe Heidenen, in 't 11. Kappittel; daarna van Ioden, Mahometanen ende Kristenen in d'eerste 600. jaren, in 't 17. hoofdstuk. Nu volgt, dat wy desgelijken met het Pausdom en de Protestanten doen; en daarna den ganschen hoop. Hier in sal 't goed zijn, d'order der verhandeling eens om te keeren, en van achteren na voren toe te gaan: 't welk doende salmen sien, datter niets is waar aan de weereld vaster houd, dan 't gene van de Geesten doorgaans geleerd en geloofd is. Want de Protestanten houden al wat niet duidelik paapsch is; en misschien ook noch al meer: de Kristenen in 't gemein, al wat niet joodsch of heidensch is: de Ioden en Mahometanen, al 't gene dat niet het geloof aan eenen eenige God (immers na hun dunken) kan bestaan. Gy sult seggen, behoortet ook so niet? Dat staat noch te besien; en daar van wil ik noch hierna bescheidelik spreken. §. 2. Ondertusschen wil ik mijnen Leser seggen, dat wanneer ik hier 't verscheiden of gemeen gevoelen van allerhande menschen melde, ik daar in niet verder meen te gaan dan tot sulken welker sinnen meest geoefend zijn, en die by hun eigen volk voor leeraars of geleerden zijn geacht; bequaam om anderen een nett berigt van godsdienst en geloof te doen, so als dat by hen meest beleden en geoeffend word. Want wat het gemeen volk betreft, dat is dikmaals paapsch of joodsch of heidensch, ende weet het niet, daar op en is geen staat te maken. Ia so weinig, datmen vast het tegendeel mag denken van 't gene de dwalende schare denkt of doet, en 't gene sy die de Schrift verstaan daar af gevoelen. Dienvolgens wil ik hier niet in behaald zijn, als genoegsaam ondervonden hebbende, hoe mal ons eigen volk in desen is. §. 3. Vorder sal het dan ter sake dienen, hier als iet dat buiten twyfel is voor af te stellen, dat het gene oorspronkelik uit het Heidendom is af geleid, altoos uit de H. Schriften niet en is. 't Is waar dat nooit Kristen leeraar, ook geen Iode iets geseid heeft, daar hy geen schrituur op paste: maar de vraag is, of die daar te passe quam, en in sulken sin verstaan moet zijn; dan of hen mogelik de klank daar af also ter oren quam, so als de verbeeldinge, die sy van de saak in hunne herssens hadden, best verdragen konde? Daar van sal de leser vooraf by hem self oordelen mogen, wanneer hy op het volgende slechs acht wil geven, waarin ik kortelik aanwijsen wil, eerst wat elke gesindheid verwerpt, het gene d'andere houd; daar na wat d'eene van d'andere overgenomen en tot noch behouden heeft. §. 4. De Protestantsche kerken lochenen eenparig het Vagevuur, en alle plaats der Zielen buiten Hemel ende Hel: welk in 't Pausdom geloofd, in

{==120==} {>>pagina-aanduiding<<}

d'eerste Kristenheid hier en daar gemeld; by Ioden en Mahometanen niet verworpen; en uit het Heidendom gesproten is. Hier mede vervalt ook wat daar op verder gebowd is; het zy leeringe, het zy gebruik. 1. Men gelooft by ons niet, dat de Zielen der verstorvenen ooit omswerven, of sich in enigen gedaante aan de levendige vertonen, om hulp of troost te erlangen. 2. Men gelooft niet, dat de salige Zielen uit den Hemel, of de verdoemden uiter Helle immermeer wederom op Aarde komen; sich aan de menschen, tot der selver troost of schrik te vertonen: veel min, dat sich de leevenden wel onderling verdragen, om by afsterven malkanderen op aarde te besoeken. 4. Des vraagt men ook by ons de doden niet; noch men doet hen genen dienst. §. 5. De kragt der Besweeringe word insgelyx by ons ontkend: het zy om d'afgescheidene Zielen, of om de bose Geesten uit te dryven; so verre als men gelooft, dat 'er iemant af gequeld is: ende weten tegen desen geen ander middel, dan 't bidden en vasten dat ons de Heere Iesus heeft geleerd. Mat. 17:21. 1. Des verstaan wy mede niet, dat enig mensche bevoegd is, het zy Priester of Exorcista, dat is Besweerder in 't besonder so genoemd, sich sulx aan te matigen, of t'onderwinden: schoon het by de eerste Kristenheid of door Gods kragt geschied, of op menschelik aangeven blotelik nagebootst; by Ioden en Mahometanen in 't gebruik geweest, en by alle Heidenen gepleegd word. 2. Ook geloofmen by ons niet, dat woorden, namen, tekenen, gebeerden, schoon uit de H. Schrift getrokken, daartoe kragtig zijn: het zy uit hen selve, of door instellinge van de Kerk, die daar toe geene magt van God ontvangen heeft. 3. Men besweert dan ook den Duivel by den doop der kinderen niet; gelykmen in 't Pausdom doet. De Lutheranen doen dat mede: maar met die meininge niet gelyk de Pausgesinden, dat de Duivel in 't kind is, of door de kragt dier woorden uitgedreven word; dan alleenlik (so sy dat verschonen willen) om d'oudheid van dat bebruik, als ene onverschillige saak. §. 6. Nu volgt dat wy, met het Paudsdom in al 't overgie vergeleken, 't onderscheid dat dan noch blyft, tusschen 't algemeene Kristendom en d'ongelovigen, besien. 1. Ander slag van Geesten dat tusschen God en d'Engelen, of engisins lichaamlijk zy; gelyk het beide by de Heidenen en Ioden, en 't laatst ook by de oude Kristenen is geloofd geweest, word by de hedendaagsche Kristenheid niet meer erkend. 2. Also weinig val heeft'et ook by haar, datmen God of Geest met de Sterren pare. Van God, dat is volslagen heidensch: en dat van de Geesten joodsch, so maar d'oude Kristenheid hier genoegsaam vry af was. 3. Wy geloven ook dien verscheiden aart van Engelen niet, door de joodsche leeraars opgegeven, en door 't Heidenschap van ouds her, en noch heden ondersteund. Wel is 't waar, dat de Papisten die verscheidenheid van ordening der Engelen erkennen; doch stellen dat verschil in 't wesen van die Geesten niet. So mede, schoon het overal in 't Pausdom vol van allerhande Geesten spookt: sulx echter is (gelijk 19. §. 7. 17. en 20. 1. 2. 3. in 't breede getoond is) alleenlik in aansien van de plaatsen, personen, werkingen; doch geensins van verscheiden aart en oorsprong te verstaan.

{==121==} {>>pagina-aanduiding<<}

4. Volgens dien gelooft ook niemant meer, hy zy paapsch of protestantsch, dat de Geesten waarlijk, ende uit hunne eigene nature teelen: sulx nochtans by alle Heidenen geloofd, by den Ioden aangenomen, by d'eerste Kristen leeraars niet genoeg weersproken, en by sommigen uitdrukkelik geleerd is. §. 7. Maar de Heidenen verschillen van de Ioden, Kristenen en Mahometanen voornamelik in twee stukken. 1. Datse den Allerhoogsten God met de meerdere en mindere, goeden en quade Goden, beneffens de Zielen der menschen so verwerdelijk door malkanderen mengen, datter 't einde van wech is. Daar tegen is Iood en Mahometaan met den Kristen hier in eens, datter maar een God, en al wat buiten hem te vinden is sijn schepsel zy. 2. Datse niet alleen de menschen lichtelik tot Goden maken; maar ook de Goden wederom tot menschen: mitsdien datse Goden stellen die uit menschen, en wederomme menschen die van Goden afgekomen zijn. 't Pausdom staat hier mede noch niet blank: vermits hunne Heiligen in de plaats der Daimones en heidensche gemaakte Goden zijn. Maar het suiver Kristendom (gelyk in desen ook het oude was) maakte nooit God tot mensche, nochte verhief ooit mensche tot God. §. 8. Iets isser evenwel, daar de Protestanten selve noch niet eens in zijn: en daar anders 't Pausdom met de eerste Kristenheid, same Ioden en Mahometanen, mitsgaders 't gansche Heidendom in t'samenstemt. Sulx is 't gene de Heidenen de Diis tutelaribus van de Beschermgoden; de Kristenen van ouds af de Angelis tutelaribus van Bewaarengelen geloven. By die van 't Pausdom staat dat vast, hebben wy flus gesien: by de Protestanten word daar op so veel staats gemaakt: insonderheid die van de Fransche en Nederlandsche of Switsersche belijdenisse zijn. Nogtans zijnder onder ons wel die sulx mede toestaan, hoewel weinigen; of die der niet veel tegen hebben. Watmen te geloven heeft staat ons in het volgende te sien. Ondertusschen mag voor af wel worden aangemerkt, dat by de Roomschgesinden; immers by de Onroomsche Kristenen, 't gene desen aangaande word geleerd, meest op de betrachtinge der kennisse; maar weinig op de daad en levens wyse aan komt. Want men siet seer selden, of bijkans nooit, dat enige merkelijke verlossinge of verdrukkinge van een volk aan enigen Engel, die daar af de voogd of vyand zy; maar wel onmiddelijke aan Gods voorsienigheid word toegeschreven. So niet: dan heeft het by het Pausdom d'een of ander groten Heilig, en wel meest Maria of hun lieve Vrow gedaan. Een Protestant, om geenen paapschen Sant die eer te gunnen, past het werk voor God niet, hy schrijftet liever aan den Duivel toe. §. 9. Een onderscheid isser noch te merken tusschen 't Heidenschap, Iood- en Mahumetisdom, in de gansche Kristenheid. In 't gebruik der Toverij en Waarsegginge is dat meest gelegen: welke volgens eigen gronden by d'eersten deugdelijk, hoewel veelsins misbruikt; by d'anderen geoorlofd en tot vele dingen dienstig; by de laatsten in alle manieren voor onkristelijk gehouden word. De reden is; om dat de Heidenen voor Goden, of derselver dienaars en gesanten houden, die by 't Kristendom voor onreine Geesten ge-

{==122==} {>>pagina-aanduiding<<}

acht zijn: en de Ioden met Mahometanen, menen, dat de konste der Kabbala en den invloed der Sterren al dat gene doet datmen by ons voor toveren houd. Wel is waar, dat ook self in heidensche tyden de Mathematici, dat is Wiskonstenaars¸ met den Veneficis, Vergiftigers gelyk gerekend, en als onbetamelik verboden zijn geweest. Maar dat waren sulke, die de konst misbruikten; welke daar te voren niet alleenlik toegelaten, maar ook wel in hoogster eere was geweest. By den Kristenen is de naam van Mathematicus nu niet meer quaad; maar die van Veneficus bediedde nooit wat goeds. Dog wy spreken hier nu van saken slegs; met woorden hebben wy niet veel te doen: In 't derde Boek wil 't eerst te passe komen, dat wy van deselver en meer anderen gebruik ter dege spreken. §. 10. Laat ons nu eens sien: waarin komen duslang alle menschen Heidenen, Ioden, Mahometanen, oude en niewe Kristenen, Roomschen en Onroomschen over een? Sy seggen allegaar. 1. Datter Geesten zijn, van God en Lichaam onderscheiden. Want al is 't datse (als geseid) ook ander slag van Geesten dromen; dat behoort tot het verschil: wy spreken hier van 't gene daar wy alle eens in zijn. 2. Dat derselver aart verscheiden is: sommigen geheel op sich self sonder lichaam bestaande, gelijk d'Engelen zijn; anderen daar een lichaam mede vereenigd is, hoedanig onse Zielen zijn. 3. Datse echter beide onsterflijk zijn. 4. Dat de Geesten die geen eigen lichaam hebben, sommige den menschen goed, en sommige quaad zijn. 5. Dat de mensche daarom wel doet, so hy der goeden, dat is der Engelen vriendschap soekt; en de bosen, dat is de Duivelen, poogt af te keeren. 6. Dat de mensche na dit leven 't grootste heil of onheil te verwachten heeft. 7. Dat insgelijks de Zielen der verstorvenen d'eene boos, en d'andere goed en heilig zijn. Al is 't nu datse sich over 't een of ander stuk niet even eens verklaren; gelijk dat in't besonder hier en daar getoond is; het blijkt nogtans, dat so veel als die saken in den grond betreft, sy daarinne met malkanderen van een gevoelen zijn. En dus vele zy in 't kort gemeld, wat onderscheid en wat eenparigheid in alle die gevoelens zy: nu staat ons na de waarheid van dit alles ondersoek te doen, daar het twede Boek met het derde ons toe dienen sal; volgens d'onderscheidinge hier voor gemaakt. 1. §. 8. Ondertusschen laat ons gaan besien, wat ons noch voor heen uit 't voorseide te besluiten sta.


XXIV. Hoofdstuk. Daar uit magmen verder speuren, waar 't van komt, datmen onder 't Kristendom, en besonderlijk de Protestanten, so veele grote dingen van den Duivel seit.

§. 1. EEr wy met het tweede boek tot ondersoek der regte waarheid overgaan, so laat ons uit al 't gene dat tot hier toe is by een ge-

{==123==} {>>pagina-aanduiding<<}

haald, verneemen, uit wat oorsaak dat gevoelen spruit dat so algemeen is, dat so diep leit, dat den Duivel sulken grote magt toeschrijft, alsmen hedendaags in 't Kristendom, het zy Roomsch of Onroomsch, noch bespeurt. Hier toe doen sich nu verscheidene saken op, die elk voor ogen heeft, en die niemant my ontkennen sal, dat bequaam zijn om den mensch in dat gevoelen of te stellen of te sterken. Niet daar hem de Schrift of Reden uit haar self toe leid: maar die van elders aangekomen zijn; en, hoewel na Reden of Schrifture niet getoetst, echter sijne toestemminge van langer hand verkregen hebben. Dit wil ik eerst vertonen: te weten, dat het de kennis der Natuur of uit de Schrift van God geopenbaard niet hergekomen is, het gene buiten Schrift of Reden van des Duivels grote kragt geloofd word; en daar na den oorsprong, waar het dan uit ryst, te kennen geven. §. 2. Het eerste dunkt my datmen lichtelijk bespeuren kan, uit dien dat menschen die de Reden of Schrifture minst van allen magtig zijn, van alsulke dingen 't meest geloven. De gemeene man, de kinderen en d'oude wyven hebben daar den diepsten indruk van. Hoe meer geoefend van verstand, hoe meer belesen in de Schrift, hoe meer ervaren door verscheiden oefeningen en ontmoetingen; sonderlinge daar dit alles t'samen gaat: hoe minder iemant doorgaans dat gevoelen dryft. Ik segge, doorgaans: om dat ik niet ontkennen wil, dat ook wel geleerde mannen, en die ontrent ander saken door veelerhande ondervindinge geoefend zijn, sich mede daar aan houden ja hun werk noch maken konnen, om 't gemeen gevoelen te bevestigen; so als aan koning Iacob, aan Bodijn, aan Danaeus, en anderen genoegsaam blijkt. Maar dat salmen, mijns erachtens, aan derselver sonderlinge sinlijkheid, (gelijk elk mensch de sijne heeft, die hem tot een of 't ander voorwerp, na dese of gene zyde trekt) toeschryven moeten. Aan welke kant ons die dan neigt, daar sal 't verstand sich mede voegen, en alle kragten inspannen, om dat werk enen schijn te geven; welken sulken schryver, door besondere genegentheid in sijn oordeel overheerd, voor waarheid houd. Doch dat al zijnde, so en maken weinig sulker schryvers niet, dat mijn seggen in 't gemein of op het meerder deel geen waarheid zy; sulx ik meine dat my niemant hier ontkennen sal. §. 3. Men sal my echter misschien tegenwerpen, so veel als de Natuur betreft, dat het anders geenen oorspronk hebben kan, het gene Heidenen en Filosofen, die anders geen behulp als van Natuur of Reden hadden, ooit of ooit daar van geleerd of nagelaten hebben. Ik sta dat geerne toe: maar wat hebbense toch daar van geleerd? Al 't gene dat wy hier te voren gesien hebben, in tien hoofdstukken, tusschen 't eerste en twaalfde, met veellerhande spreuken en vertellingen getoond. Doch hoe dat hangt of kleeft, daar so veel en veelerhande leeringen en zeden zijn, dat siet een ieder wel. Derhalven is op die Filosofie weinig staats te maken, die na 's volx vooroordelen geschikt is, en door 't bedrog der papen bestaat. De Filosofie alleen en is de grondslag noch de bron der heidensche Godsdiensten niet. Maar de Filosofie van 't volk slechts ten deele, of qualik verstaan, met vooroor-

{==124==} {>>pagina-aanduiding<<}

deel en onkunde vermengd. De vrees en schrik voor ongewonde dingen, en de voorbarige drift tot eigene uitdenkinge, om de onweerstaanbare mogentheid, daarmen oordeelt dat ons 't quaad van komt, te versoenen; doen den menschen middelen te werk stellen, die sy self maar half of niet met al verstaan. Die hen beter leeren souden, willen 't sommige niet doen: maar 't geheim voor sich behouden, om te groter voorwerp van 's volx achtinge en verwondering te zijn; gelijk by ouds de Magi waren, en hedendaags de Bramines en Bonzii noch zijn. Andere van opregter inborst derren uit de borst niet spreken, om niet in den haat van 't volk te raken; gelijk Socrates, die om sulken oorsaak door vergif om 't leven quam. §. 4. Des moetmen dan ook weten, dat niemant ooit tot ondersoek of oefeningen der Filosofie quam, of hy was alreeds van kindsbeen af in d'een of andere betrachtinge van voorouderliken Godsdienst opgevoed. 't Vooroordeel dan daar uit gevat, dat bragt hy mee ter schole; en vond daar meester, die gelijksaam ook hun eigen hadden, het zy het selfde of een ander. Door een selfde vooroordeel des meesters word de leerling noch te meer daar in versterkt; maar so dat verschilt, sal hy sich daar door verwerren. Hoe't zy, so blijft dus doende sijn verstand bedorven, ende word het langs so meer. So 't nodig ware, en ook niet te lang mogt vallen, soud ik dit bescheideliker tonen, door sodanige te noemen, die daar af de klaarste proeven ooit gegeven hebben. Maar ik denke niet dat my dit gevergd sal worden: om dat het, mijns bedunkens, klaar genoeg voor ogen is het gene ik segge. En al haddet iemand nooit aan anderen, besonderlik aan ongelovigen bespeurd; hy sal het aan de Kristenen, en aan hem selve sien. De domme drift tot Godsdienst, af 't gene men so noemt, gaat doorgaans voor de kennisse; sonder welke egter gansch geen ware Godsdienst nog Godsaligheid bestaat. Het gesigt van ons verstand dat set sich na die brill, en gewent daar toe: so verre dat hy dan vervolgens buiten die niet sien en kan of wil. Door deselve siet hy als beneveld; en sonder dat behulp van 't glasen oog (gelijk ik nu wil spreken) is 't gesigt door ongewoonte noch te swak, en kan geen licht verdragen. Sulx eens voor al hier aan gemerkt, sal ons hier na noch meer te passe komen. §. 5. En so veel als verder de Schriftuur betreft; ik achte datmen die voor d'oorsaak niet mag houden des gevoelens dat de menschen van den Duivel hebben. Want dat leiter al so diep en breed als 't mag, eer sy eens den Bijbel lesen: om nu niet eens te seggen, dat degenen die daar minst in lesen, 's meeste van die dingen seggen en geloven. Ware 't so by ons met de betrachtinge van den Godsdienst niet gelegen, als het vast by alle sekten, selfs by d'ongelovigen is: so mogtmen van Schrifture spreken. Maar het is (God beter 't) so, dat even seer het grootst getal van onse als van andere gesindheid, sich sodanig noemen, en de Schrift op sulken sin verstaan, om datse so verstaan word. So als 't dan ieder by sijn volk ter kerken hoort verklaren, daar moet hy sich aan houden, wil hy niet voor onstandvastig of afvallig worden aangesien. Rekenschap van sijn geloof te geven, daar komt 'et niet op aan: daar behoort al te lydig veel werks toe, om het alles grondig te ondersoeken.

{==125==} {>>pagina-aanduiding<<}

So dat, wanneermen 't seggen sal so als het is: men gelooft so grote dingen van den Duivel, niet omdat de Schrift het seit: men verwacht niet eens haar oordeel; maar gelooft eerder dat de Schrift also verstaan moet zijn, om datse schijnt te seggen, 't gene reeds by alle man van den Duivel wordt geloofd. §. 6. Willen wy nu nader sien, hoe selfs de luiden van letteren, en door middel van de letteren 't begrijp van dese dingen opkomt, en vervolgens opgang maakt; ik ben gereed om hier te tonen, hoe ik dat van overlange door bevindinge heb aangemerkt. Het eerste vooroordeel komt den mensch in sijne kindscheid aan, die daar mede tweesins ingenomen word. Eerst in sijne eerste onnoselheid, wanneermen 't kleinde kind, om te stillen, met bullebaken vervaard maakt: het zy door woorden of door werken. Dien eerste indruk heeftmen al van over lang bevonden, dat de diepste voren en de duidelixte vormen maakt; die daar na beswaarlixt vallen uit te graven. Dan voorts wanneer de kinderen op straat en onder 't volk verkeeren; sy horen vast by alle ding den Duivel noemen, van Duivel, Spook en Tovery verhalen: ja d'ouders self, of meesters konnen sommige (door al te beklageliken misbruik) hunne kinderen of leerlingen in huis of op de winkels niet bekijven of bestraffen, dan met hulp van Duivels naam; die meer dan Gods of Christus by hen in 't gebruik, ende in den mond gelijk bestorven is. §. 7. Op school gekomen, hoog of leeg, daar leertmen van de Daemones en hun bedrijf uit heidensche, so grieksche als latijnsche boeken vry wat veel; aleermen tot de Faculteiten, dat is hoofd-wetenschappen, so veel 't gebruik des levens aan belangt, gevorderd word; en zijn de helsche Goden en Godinnen, als Pluto; of Vulcanus of Proserpina, de jeugd al vroeg bekend, eer sy tot de kennisse des waren Gods word opgeleid. Sy lesen eerst en meest de brieven, de gedichten en historen der oude Grieken en Romeinen, met kragt van wondertekenen van Dromen en Gesigten, uit onderaardsche of verheven plaatsen in de Lucht, tot berstens toe gevuld. En sodanige vertellingen worden schier als Evangelien geloofd. Wat seg ik Evangelien? waarom in plaats der Evangelien niet ook? Want so d'ouders selve niet godvrugtig zijn, om hunner kinderen onderwys op 't stuk van Godsdienst en Geloof in huis, of in de duitsche scholen te bestellen; op de latynsche, die tot de geleerdheid zijn geschikt, weet ik niet dat onder 25. boeken meer dan een of twee zijn, waarin de gronden van het Kristendom de teere jonkheid worden ingescherpt. Die dan uit triviale scholen (gelijkmen die noemt) tot de Universiteiten (so de naam der hoogste scholen is, komt op te gaan; ja selfs veele die daar af komen, brengen uit deselve honderd verssen uit Horatius, Ovidius, Vergilius, en honderd spreuken of vertellingen uit de boeken der latynsche of der grieksche Heidenen te huis, tegen tien of dikmaals eene spreuk of lesse uit Gods heilig Woord. §. 8. Ondertusschen komende op de Universiteit, so sietmen meest de jeugd, de plak als nu ontwassen, haar selve leeraars kiesen na hunne eigene begeerlikheid: 't welk Paulus onder de gebreken van de laatste dagen telt.

{==126==} {>>pagina-aanduiding<<}

2. Tim.4.3. Men geeft hen sulke oefeningen en lessen, en over sulke boeken als sy self begeeren. En dat is minst om te leeren de Schriftuur verstaan: maar meest al om beneffens de verschillen der voornaamste sekte, ook voor al de besondere gesindheid onser eigene leeraars (die hen doorgaans al te seer van malkanderen verdeelt) te mogen weten. Die jeugdige nieusgierigheid maak hen jeukerig na die dingen; en 't jonge bloed, heet om te vechten, doet dat sy meest op dat gene bedacht zijn, waarmede sy hunne zijde staande houden, d'anderen weerleggen, en den aanhang hunder meersters styven mogen. Komt het dan op d'uitlegginge ener schriftuurplaats aan, die voor of tegen hun geloven in Filosofie of Godgeleerdheid word hervoor gebragt; de konst en vlijt moet dienen, om daar dan dien sin uit te halen, die ter sake diemen voor heeft dienstig is. De regte waarheid word als waarheid niet gesocht; nog de Schrift of Reden veeltijds anders, als om elk het sijne met den meesten schijn van waarheid te bekleeden, by gebragt. §. 9. Die op 't volgende acht geeft, sal my lichtelijk hier in geloven. Sulken Filosofie als iemant in de scholen heeft geleerd, sulken uitlegginge of vertalinge brengt hy in de Schrift. 't Was 't verstand van Aristoteles, dat de vier hoofdstoffen, die men in 't latijn Elementen noemt, als Aarde, Water, Lucht en Vuur, van 's Weereld middelpunt na boven toe, kringswijse in malkanderen gesloten zijn: so dat d'Aarde onder leit, boven op met Wateren doormengd; daar na de Lucht, die desen Aard- en Waterkloot omvangt. Dit word van allen toegestaan. Maar daar boven en omhenen meint hy dat sich 't Vuur geplaatst heeft; en dat dan verder heen de Hemel self, in verscheidene verwelfselen, 't een 't ander insluitende, verdeeld, waar in de Sonne, Maan en Sterren zijn; uit fijndere stoffe, en die in sich self ook onbederflik zy, bestaat. Die hemelwelfsels acht hy dat door kragt van bygestelde Geesten jaarlijx, maandelijk en dagelijx rondom ons gaan. Die dit voor waar of voor waarschijnlijk houd, sal mede lichtelik geloven, dat sich de bose Geesten in Lucht verhouden; also d'andere deelen van dit rond voor hen dan al te suiver zijn. Leest sulk een dan in de Schrift, van oversten der magt des Luchts, Efes. 2.2. of geestelyke boosheid in de Lucht: Efes. 6:12. Hy twijfelt niet, of Paulus moet van Aristotels gevoelen zijn; en dat de Duivel of de bose Geesten door die woorden te verstaan zijn. Heeft iemant insgelijx van Platos Daimones gelesen, hy meint, dat dan de Schrift, wanneer hy daar dat woord in leest, ook so verstaan moet zijn: sonder eens te denken of 't anderen ook in den selfden sin verstaan hebben welker boeken heden niet voor handen zijn; en of de Ioden, welker tal van dien tijd in de Schrift gebruikt word, dat ook nemen in den selfden sin. §. 10. Men heeft het geensins vreemd te achten 't gene van 't misbruik der Filosofie in desen deele seggen wil: 't verspreid sich overal. Wanneer Copernicus den stistand van de Son, en des Aardkloots beweginge met kragt van redenen beweerde; de genen die 't met Ptolemeus hielden meinden, datse 't klaarlik met de Schrift weerleggen konden. Maar die voor 't andere gevoelen stonden, wisten mede raad tot de schriftuurplaatsen, om die anders te verklaren. Gelyk degenen die geloven, dat de mensch in sijnen sin een Denkbeeld heeft van God, gelijk Descartes leer: hy sal dat ook by Paulus vinden: en in desen sin verstaan, 't gene van God kennelyk is, dat in hen openbaar; want God heeftet hen geopenbaard. Rom. 1:19. Self isser iemant geweest, die 't verhaal der eerste Scheppinge. Genes. 1. na de gronden van Des Cartes (dat is tegen des selfs eigene meining, so als hy self belijd) verklaart, in een boexken dat hy Cortesius Mosaizans, dat is Descartes met Moses stemmende noemt. §. 11. So als 't met de Filosofie gaat, so isset met de Godgeleerdheid ook gelegen. Eerst zijn d'Oudvaders (so noemtmen de voorgaande en meest d'eerste leeraars van de Kerk, om datse in ouder tyden waren) insonderheid in 't Pausdom, daarmen hun gesag naast en nevens Gods Woord verheft, met die verdorvene Filosofie ingenomen, minst op 't uitleggen of vertalen der Schriftuur verdacht geweest. Maar of 't was datse geloofstukken verhandelden die meest betwist wierden; of sy maakten beduidingen op dese en gene plaatsen van de Schrift, die blote bespiegelingen waren en toepassingen op andere saken dan degene daar de Schrift af spreekt. In 't een is Augustijn in de vierde of vijde eeuwe, in 't ander Origines in de derde boven anderen overvloedig geweest. Men mag dat door het gene in 't 15. hoofdstuk aangaande de Geesten uit die schrijvers en anderen is bygebragt, besonderlik bespeuren. Self hunne Homilien (so noemden sy de Predicatien) hebben weinig van de uitlegginge, en noch min van de vertalinge der Schrift; daar 't Origenes en Hironymus by d'anderen quaad mede hadden, om dat sy sulx bestonden, in tijden dat men sich met kennisse van talen weinig moeide. Nogtans wat sulke leeraars hier of daar, op dese of gene spreuken van de Schrift, niet in den grond (als geseid) ondersocht; maar na hunne sinlikheid bedacht, geschreven hebben: dat heeftmen namaals langen tijd, eer de taalkundigheid doorbrak, uit eerbiedigheid tot den ouden tijd (als of de weereld namaals jonger wierd dan sy te voren was geweest) op hunne rekening aangenomen. En so hebben wy die dingen die sy van de Geesten, en besonderlik de bose leerden, ongevoelig overerfd. §. 12. Nu voorts gemerkt dat elk aan sijne sekte kleeft, en sulken achting van die so genoemde vaders heeft: so sietmen dan hoe 't Pausdaom sich insonderheid met derselver spreekwijsen behelpen kan. Want het is onder anderen al lang by Protestanten aangemerkt, hoe sy hunne Zielmissen, aanbiddinge der Heiligen, en diergelijke op alsulken seggens van de Vaders bouwen. Daar na van ons gedrongen om het in de Schrift te tonen: of vinden sy by Paulus sulken vuur dat elx werk beproeft. 1. Cor. 3: 13. Daar mede meinen sy, dat hun Vagevuur gevonden is. Self gaat het by degenen die van 't Pausdom afgeweken zijn, in veelen niet veel anders toe. Is iemant Luthersch opgevoed: hy mag alsulken filosoof zijn als hy wil, Christus sal daarom niet plaatselijk noch sichtbaarlik ten Hemel zijn gevaren; maar wel met sijn lichaam door beslotene deure henen gaan, of alom tegenwoordig zijn. Hoe groten taalkundige iemant zy, sietmen echter niet hoe menigmaal ge-

{==128==} {>>pagina-aanduiding<<}

leerde luiden de betekenis der woorden schikken na de stellingen die sy verkosen hebben; meer als na d'eigenschap van stijl en woorden in die tale, hen so wel bekend? Honderd proeven ware ik magtig daar van by te brengen, so de saak dat eischte of de tijd dat leed. §. 13. Nu, so veel verkeerde of onbeproefde weetenschap als de mensche hier te veel heeft; so veel komt hy doorgaans in het minst en beste deel te kort. Gelijk geseid is van de scholen, dat de jeugd daar loopt door 't Heidendom, eer sy 't Kristendom verstaan, blotelijk om wat latijn en grieksch te leeren: so en word haar dus verre, als te teder, van de saken self niet veel geleerd. Wat Geest of Lichaam zy? waar in het wesen van de Ziel, van Englen of Duivelen besta, wat elk van dien vermag te weten of te doen? wat bewind of belang sy by den menschen hier op aarden hebben? niets worden sy byna gewaar dat d'indrukselen, hen, als geseid, van d'eerste jaren af gegeven, eenigsins uitschaven mag; maar worden deselve door voorschreven oorsaken noch meer verdiept. De genen self die hier Descartes volgen, den aart van Geest en Lichaam (waar van hier na in 't 2. Boek. 1. §. 12, 13, 14.) meer dan anderen onderscheidende: wanneerse tot de werkingen der lichaamlose Geesten, het zy Engelen of Duivelen voortgaan, om te seggen, hoe die op een menschelijk of enig ander lichaam werken kan; gaan daar in so veel verder als het 't vooroordeel leid, dat sy nevens anderen buiten Filosofie en Schrifture, al te voren by sich hadden. §. 14. Self word dat gene op d'Universiteiten minst gesocht (schoon het daar te vinden is) dat des menschen oordeel meest verlicht, en seker maakt; om dat daar af de schoorsteen niet en rookt. De Wiskonst mein ik, of dat deel der Natuurkunde, dat ons den aart en loop des Hemels leert. Niet dat de saken die wy hier voor hebben daar behandeld worden: maar om twee andere redenen, die ik hier by seggen moet. Ten eersten, aangesien de Wiskonst met groot regt by ons also genaamd word, om datse boven alle andere wis gaat, op onfeilbare gronden berustende: waar door de leerling tot alsuke sekerheid gewend, dat hy niets kan voor waarachtig houden, dan dat door overtuiginge bevestigd is; desgelijx in andere wetenschappen op gelijke sekerheid berusten wil. Noch nader komt de tweede reden: te weten dat deselfde Wiskonst, en besonderlik de Sterrekunst verscheidene dingen duidelijk voor ogen stelt, die ten klaarsten tonen, hoe seer de Schrift sich na de taal der ongeleerden schikt: en van den Hemel, Aarde, Sonne, Maan en Sterren niet na den aart der saken; maar na 't gemeen begrijp der menschen spreekt. Daarom de gene die van dese weetenschap zijn werk wat maakt, so lichtelik op ander luiden seggen of waarschijnlikheid niet rusten sal; noch de lucht met Geesten veel doormengen, of de Geesten met de Sterren voegen en daar in verwerren. Maar 't quaadst is, als geseid, dat seer weinigen der geleerden na dat nodig deel en sieraad der geleerdheid tragten. §. 15. De voorseide vooroordeelen eenmaal ingenomen, daarna meer en meer op sulken wijse als geseid is ingeworteld, en door dagelijx voedsel aangewassen; daar by, door dit laast gemelde, van geen beter oordeel onder-

{==129==} {>>pagina-aanduiding<<}

steund: doen sich nergens klaarder blijken, dan in 't stuk dat wy behandelen. Want dit 1. Boek heeft ons gediend, om ons dat te doen begrijpen: in voegen dat wy klaarlik sien, hoe alle die gevoelens uit het Heidendom eerst ingang kreegen onder 't volk der Ioden; welke sonderlinge na de Babylonische gevangenis meer verkeeringe met de Filosofen hadden, dat wanneerse noch in 't land van Kanaan van andere volkeren afgesonderd leefden: mitsdien sy vast derselver leer en zeden, so verre als met hunne wet, so sy geloofden, niet en streed, ongevoelig met sich namen. Daar na 't eerste Kristendom, uit Ioden en uit Heidenen ontstaande, deselve aan sig houdende; en om 't ongelovig Heidendom te winnen, door veel gemaklikheids sig seer na 't selfde voegende: bowden ongevoelik 't Pausom op, dat nu meest op sulken grond berust. §. 16. Van die alles soudemen geheel wat anders denken, indien men 't Pausdom slegs de eere gunde, om het nevens 't Heidendom gelijk te stellen. Want dan souden wy voor heidensche Legenden houden 't gene sy van dese en gene wonderdaden of voorspellingen hunder Goden, van luchtverschijnselen, dromeryen en anders veele vreemdigheden melden: also wel als wy de Roomsche met groot regt Leugenden, of leugens sonder ende noemen. Billik zijn ons sulke quakken, door voornamer paapsche schrijvers boeken dik vermengd, als uitwerpsels hunnen bygelovigheid verdagt. Maar waarom insgelijx die van de Heidenen niet? waarom de paapsche schynmirakelen in't openbaar by mond en schrift als beuselachtig uitgelacchen; en de heidensche vertellingen van diergelijke inhoud en gewigt, met mond en penne opentlik voor goed gekeurd, en tot bewijs van waarheid aangehaald; Of kan d'oudheid van die schrijvers of der selver tijden so veel doen? also men lichtst gelooft het gene lang verleden, of verre van de hand is. Maar wat geeft dat aan de saak? de waarheid voegt sich na der menschen neiginge niet. men loog by ouds, en liegt in verre landen al so wel als heden en naby. §. 17. 't Is, mijns oordeels, klaar genoeg gebleken, uit alles wat in vorige stukken deses boex is by gebragt, dat geen Mirakelen noch Orakelen, noch Vagevuur, noch Zielenspook, noch Duivelskonste of list, noch Lettertovering, noch Dagverkiesinge in 't Iodendom noch Pausdom is, 't gene hen van 't Heidendom niet af en quam. Wat reden kan een Protestant dan hebben, om talmudische verdichtselen, of paapsche leugenschriften te verwerpen, wanneer se joodsch of paapsch geworden zijn; en echter diergelijke, so lange als die 't Heidendom voor sig behoud, als waar of op het minst waarschijnlijk te achten? Men verwerpe 't een so wel als 't ander of late 't beide blijven voor sodanig als het is: alle vooroordeel aan een kant, en de Reden met de Schrift gepaard, suiver op haar selven staan. Maar siet eens wat het ons al werks heeft aangebracht, dat wy die heidensche vertellinge geloven. Daar door heeft menig wakker Schriftgeleerde of Natuurkundige sijn hoofd gebroken, om de voorseide Orakelen en Mirakelen den Duivel toe te schrijven, die sy geloofden dat voor menschen onmogelik zijn. Ende wanneer die spraak of dat werk scheen al te hoog te lopen, en de kragte der Na-

{==130==} {>>pagina-aanduiding<<}

tuur te overtreffen; so heeft men sich begeven om te denken, dat een Geest op sulk of sulken wijse, sulke en alsulke dingen weten, en met eene werken kan. Siet daar den oorsprong van die valschelik genaamde weetenschap, van welker tegenstellinge d'Apostel wil dat sich een kristenleeraar wachten sal. 1. Tim. 6: 20. §. 18. D'oudwijfsche fabelen, 't zijn mede Paulus woorden, 1 Tim. 4: 7. die ons paapsche schrijvers melden, insgelijx als d'andere gelovende, souden wy noch so veel meer te overleggen vinden: als namelik hoe alles buiten menschelik bedrog mag van den Duivel zijn. Maar wy sparen liever dese moeite, mits verwerpende als leugenachtig, het meest dat ons van die kant word aangebragt. Wat is de reden datmen hier nu anders doet? Een besondere haat des Pausdoms, daar wy jongst van af geweken en gedurig mede als in oorlog sijn, is daar d'eigentlijkste oorsaak af. En d'hervorminge der Leer en kerkelike Zeden, in 't begin der naastvoorgaande eeuwe, ging so seer tot dese dingen niet; die voor 't openbaren van dien afval by de Vaders al geworteld waren: maar schikte sich meest tegen sulke dolingen, als by d'eerste tegenspraak door Luther en Calvijn gedaan, en kort daar aan, by gevolge van gelijkmatige leerstukken, nodigst scheen. 't Welk ook de reden is, waarom by 't stellen onser Kerkschriften, diemen Formulieren noemt, niet besonderlik gesien is op 't verbeteren van spreekwijsen, van ouds in 't gebruik, op die geesten ende Duivelen gepast; dewijle d'algemeine Kristenen daar over geen verschil, nochte met malkander nochte met het Pausdom hadden: sulx sy sekerlik. so ik meene, souden gedaan hebben, haddemen die saken, half so veel als nu geschied, tot ondersoek gebragt. §. 19. Dat meer is: want men tegen 't Pausdom (welk ik geern bekennen, datmen niet te leelik schilderen kan, vond den naam van Antichrist, diemen seer gereed was te geloven dat uit Paulus woorden 2. Thess. 2: 3.- 9. verklaard moest worden; en dat de Apostel daar ter plaatse seit; dat desselfs komste na de werkingen des Satans en met wonderen der leugens is: so viel het seer gereed, om hier uit den Satan met den Antichrist, dat is den Duivel met den Paus, als twee gebroeders t'saam te voegen, en so te tonen, dat de leere der Papisten van den Duivel was. Dienvolgens was het dan licht in den man te brengen, dat de Duivel ook sijn seggen in de Leere heeft, en in de paapsche kerk den zetel van sijn koningrijk. §. 20. Hier van is die stijl van spreken en van schrijven, meer als 't de Leer dan als 't de Zeden geld; ook in klein verschil, als iemant by 't gemeen gevoelen niet en blijft: te weten dat de Satan uitgelaten is, dat hy met geweld en list de Kerk bevecht, dat hy telkens in de weer is wanneer iemant wat goeds betracht, en diergelijke meer. Daar by komt, dat mitsdien het volk sulx geerne van den Duivel hoort, om de schuld huns misbedrijfs op sijne schouderen te schuiven: of te roemen van de winst, so sy, sich van sonden eens gewacht hebben sulken sterken vyand, dien sy meinen dat hen daar toe port, konden tegen staan; so achten sy 't welsprekenheid, God niet alleen lichtveerdelik te noemen, maar ook den Duivel steeds daar by:

{==131==} {>>pagina-aanduiding<<}

in voegen dat d'Almachtige by na niets onderneemt, waar tegen sich de Duivel niet en stelt, of bose menschen nauwlix iet bedrijven, daar hen de Duivel niet toe dreef. §. 21. Met so veel vooroordeels komen wy tot d'uitlegging en vertalinge der Schrift. Wy hebben aan die dingen nooit getwijfeld, en daarom ook niet ondersocht, wat van de regte waarheid zy. En hoe souden wy die moeite doen, tot ons eigen meerder ongemak? Want het vry gemakkelik toevalt, te geloven 't gene alleman gelooft, en te seggen wat een ander seit. Daar is ook weiniger behulp te krijgen, om de regte waarheid na te speuren, om dat alle wegen de geheele weereld door met alsulken wagt beset zijn, die niet lichtelik iemand door laat. Non cuivis homini contingit adire Corinthum

Korinten was ene schone Stad. Maar elk en wist daar heen geen pad.

Het moet hem ernst wesen, die door so veele hinderingen doorbreken, en achter sulken sake komen sal. Daar toe sie ik beter geenen raad, als de Schrift so te verklaren, als ofse niemant ooit verklaard hadde; de saken uit den grond op te halen, den regten draad der leeringen daarin begrepen na te speuren: de beste uitleggers en vertaalders tot behulp te nemen, om spoor te vinden, en licht te hebben; maar niemant blotelik te volgen daar hy gaat, dan daarmen wesen moet. Dit hoop ik in het II. Boek te doen, so God wil en wy leven sullen. §. 22. Doch dit mag voor my selven zijn, en voorts voor ieder een die mijnen raad hier volgt: van 't gemeen is dat so seer niet te verwachten. Want het Pausdom is by de Protestanten niet so diep ontworteld, of het staat wel hier en daar weer op. De sigtbare Kerk en was nooit sonder dat gebrek, datse menschelik gesag inruimde, en by overleveringe leerde. Want misdien dat den menschen over de Kerk besteld van Gods wegen eerbiedigheid toekomt; en dat vele dingen, 't uiterlyk bestuur betreffende, door de opsienders der kerken moeten geregeld worden: so word het kunst hier maat te houden; datmen om de schuld van oneerbiedigheid of ongeregeldheid te mijden, niet te veel aan 't kerkelijk gesag, en voornamer leeraars algemeen gevoelen geve. Dus heeft een groot leeraar onses tijds die spreuke voor waarachtig opgenomen, Papatus est inseparabilis ab Ecclesia, het Pausdom is van de Kerk niet af te scheiden. Ik, die daar af aan my selven meer bevinding hebbe, dan mogelik iemant die heden hier te lande leeft, verwacht ook anders niet; en verneem het ook reeds, terwijl ik met dit schrijven besig ben. Des niettemin wil ik op Gods genade, versekerd dat ik waarheid schrijve, en dat mijn schrijven nodig is, en dat het tot Gods hoogste eere, en veiligheid van 't algemein Gelove strekt (daar af ik ook alreeds veel vruchten sie) in mijn voornemen volherden, en dus met goede moede tot de volgende boeken overgaan.


{==132==} {>>pagina-aanduiding<<}

Register der Hoofdstukken van het Eerste Deel.

I. Tot Inleidinge van alles dient, de betragtinge van de Gewigtigheid deser stoffe, de Noodsaaklikheid en Nuttigheid der selve, ende d'Order die daar in te houden zy 1 II. 't Gevoelen dat d'oude Heidenen van de Goden en de Geesten hadden, is uit grieksche en latynsche boeken te verstaan. 4 III. Daar uit zyn veelerhande Waarseggeryen ontstaan. 11 IV. Hunne Toverijen, veelsins gepleegd, resen uit den selfden grond. 16 V. By de hedendaagsche Heidenen zijn diergelijke leeringen en seden ook te sien. 20 VI. Sulks blijkt voor eerst aan d'overblijfselen des Heidendoms die men noch heden meest in 't Noorden van Europa vind. 22 VII. By de meeste volkeren van Asiën vindmen al deselfde gevoelens. 25 VIII. De verscheidene Toverplegingen by die volkeren gebruikelik zyn daaruit ook ontstaan. 32 IX. De gevoelens en plegingen der Afrikaansche Heidenen komen in den grond met d'anderen over een. 36 X. In Amerika salmen 't mede niet veel anders vinden. 39 XI. Alle dese Gevoelens en Konstplegingen van so veelerhande Heidenen worden nuttelik t'samen vergeleken. 47 XII. 't Gevoelen der Joden word met reden mede ondersocht. 52 XIII. Derselver Toverplegingen, by ouds ende noch heden in 't gebruik, zyn uit sulke gevoelens ontstaan. 60 XIV. By den Mahometanen word de leere van de Geesten en 't gebruik der Toverkunde niet vergeten. 65 XV. Het eerste Kristendom heeft metter tijd enige der heidensche gevoelens ontrent dit stuk wederom aangenomen en voortgeset. 73 XVI. Het besweeren van de Geesten was by d'oude Kristenheid ten deele gelaakt, ten deele geloofd en gebruikt. 85 XVII. Alle de voorverhaalde leeringen en plegingen van Joden, Mahometanen, Kristenen, dient men onderlinge wel te vergelijken, om derselver onderscheid of t'samenstemminge te sien. 88 XVIII. De leeringen aleer den Manicheën toegeschreven zyn ene mengelinge van die alle, en de bron der gemeenste gevoelens hedendaags. 92 XIX. In 't Pausdom heeftmen al 't voorseide by malkanderen gebragt, met nieuwe vonden vermeerderd en versterkt. 95 XX. Derselver leere van de verschijningen der Geesten, en de quellingen die sy aan de menschen doen. 102 XXI. Tegen al dit werk zijn by hen verscheidene Middelen in 't gebruik. 108 XXII. De gevoelens die onder ons omgaan, en de bedryven daar ontrent, gaan gemenelik so verre niet: des komen d'onsen minder met malkander over een. 112 XXIII. Alle voorgemelde gevoelens t'samen vergeleken, brengen enige Stellingen uit, daar sy in verschillen, of waarin sy 't eens zijn. 119 XXIV. Daar uit magmen verder speuren, waar 't van komt, datmen onder 't Kristendom, en besonderlik de Protestanten, so veel grote dingen van den Duivel seit. 122



{==133==} {>>pagina-aanduiding<<}

Toe-eigen-brief, Aan de heeren, Bernhardus Fvllenivs, V.J.D. Professor Mathematicus in de Hoge School tot Franeker, en Franciscus Fvllenivs, V.J.D. Burgermeester ende Raad der stad Franeker, en jegenwoordig Monster-Commissaris der Ed. Mog. Heeren Staten van Friesland.

hoogwaarde broeders,

DIe d' eerste geweest zijn om hunne boeken, voor't gemeene nutt geschreven, aan besondere personen op te dragen; kosen daar toe, so veel als ik verneemen kan, die hen wel de naaste waren; en der eerewaardig, om een nuttig werk met hunne namen te versieren. Ende moet elk een bekennen, dat het buiten opspraak is, so men sijne dankbaarheid daar in bewijst, datmen iemant, wienmen niet vergelden kan, ten minsten soo veel eere geeft, als het is de weldaad en de vriendschap opentlik belijden. Dit wel bedenkende, soo heb ik niemant nader dan U beiden, waarde en geliefde Broeders: om dat weldadigheid en vriendschap in de grootste maat hier tsamen gaan. Want U beider Vader, de Heer bernhardus fulenius, lofliker en saliger gedachtenisse, eerst nevens den mijnen een leerling, daar na de nasaat des beroemden mans Sixtinus Amama, en tsedert van den wijdvermaarden Metius geweest: heeft het my meer dan eens met eerbiedigheid horen verklaren, dat ik syne Ed. beneffens den Heere Jacob Alting, voor mijne grootste en getrouwste Meesters kende, welken ik vooral mijn leven moest verschuldigd zijn. Ik gedenk 'er noch so dikmaals aan, als my de Hebreeusche text te stade komt, wat ik den naam van Alting schuldig ben: maar aan die van Fullenius heb ik noch veel groter deel. Want behalven dat ik door een gron-

{==134==} {>>pagina-aanduiding<<}

dig onderwijs, met besonder blijk van toegenegentheid, mijn deel der Meet- en Telkonst aan den selven schuldig ben; so heeft het God voorsien, my noch aan hem, die by sijn leven my ten Vader was geweest, door 't regt van trouwe onderwijsinge; bykans tien jaren na 't verhuisen sijner edele siele, door een gewenschte Echt noch eens tot sijnen Soon te maken. De tijd van 24 jaren, die ik tsedert onder Gods genade met Uwer Ed. engiste Suster, als mijne dierbare Huisvrouw, en met uwe Ed. als veel waarde Broeders hebt geleefd; bragt onsen huise geen kleene veranderinge toe: waar af des weerelds ongestadigheid, en besondere ontsteltenis in 't gemeene Vaderland, de oorsaak was. Na 't overlijden onser Waarde Moeder, Juff. ebel van hinkena, in 't 14 jaars haars kristeliken weduwsstands, pas 18 maanden voor den hoogsten nood, ( so word de rechtveerdige wech gerukt voor 't quaad!) sagmen hare 3 Sonen, als pijlen van de hand eens helds ('t zijn Salomons woorden in den 127. Psalm) den oudsten dies tijds eersten Borgemeester ende Raad der Stad; den tweeden reeds veroorlofd tot den Predikstoel, den derden noch in de oeffening der hoge Letterschool, voor eende bende Keurlingen van 120 koppen, als Hooftman, Stedehouder, Vaandrig, d'eersten uit alle Friesche steden, den vyand moedig tegen trekken: den weg neemende door de Kerk, om uit mijn onderrigt de Bybelwetten van den Oorlog mee te dragen. Twee jaren later, een byster onweer tegen onse Kerk, en my bysonder, al te voren opgeborsten, en doe aan 't kalmen; daarna als 't Vaderland tot rust geraakte noch feller uitgeborsten: deed my hier over zee geruster haven soeken, die ik voor eerst tot Loenen vond. Daar begaf sich uwe Suster so gewillig heen, alse haren Man getrouw was, om soet en suur met hem te meugen. De Zee en scheide nochtans 't herte van so lieve Broeders niet: dan wel de Dood; die sethus, den middelsten, tot Riedt, de twede plaats van sijne Kerk-bedieninge, beliep. Dat was wanneer den Oudsten 's Vaders ampt in d'Opperschool, pas 28 jaren na deselfs verlijden, wierd bestemd: waar voor hy Stads Regeeringe

{==135==} {>>pagina-aanduiding<<}

verliet. Die van selfs gevallen op den Jongsten; en met een, by uitgedienden tijd, het Ouderlingschap: gaf Stad en Kerk getuigenis van der fullenii getrouwigheid. Soo aan 't gemeen, soo ook aan my, hoogwaarde en geliefde Broeders; en aan de mijnen, die ook met een de uwen zijn. Ik heb de dure panden uwer trouwe en opregte vriendschap in besit: uwe eenigste en hertelik beminde Suster, die u beiden wederom so tederlik bemint, met drie geliefde Kinderen, die so veel blijken van hunder Omen gunst genieten; welken sy ook, by vroeger sterven hunder Ouders, als Vaders te gemoete sien. Wat Vaders soek ik dan ook nu voor dit papiere-kind, dan die het van mijn vleesch en been noch wesen sullen, en al lange geweest zijn? Neemt dan, veelwaarde Broeders, dit op den hoop noch toe; al word het niet met sulken maat van liefde, als d'anderen, ontvangen, dat gy daar aan geen leed soud zien; ik houde my te vrede, so 't uwer Edd. slegs behagen mag: wien ik noch langer leven, vrede, geluksaligheid uit den grond mijns herten wensche. Amsterdam 28/18 van Wintermaand.

Met deselfde woorden, meer noch min, Veelwaarde Broeders, als by den eersten druk van Leewarden, heb ik Uw. Edd. daar boven aangesproken: op dat een ieder sie, hoe verre 't van de waarheid zy, 't gene anderen, als daar in van my geseid, al willens ongelesen daar uit verteld hebben; meinende dat het ik en weet niet wat voor reden was, waarom ik dien Opdragt brief van den tweden druk had afgelaten. Waarlik was die anders geene, dan dat elk deel besonder uitgegeven, en de Toeëigening op beiden t'saam gepast is; en derhalven geen bequame plaats hebben konde so lang als het tweede niet daar by was. Doch daar af ging de druk en't vertier soo spoedig voort, dat het my, door ongemeene besigheid belet, als voorby liep. Des kom ik enigsins achterna, by 't herdrukken van de beide boeken, den voorschreven brief met uwe namen wederom daar voor te stellen. Wil ook met uw verlof (daar ik niet aan twijffele) by sulke twee Voogden van mijn Boek, als ik Uwe Edd. daarin erkenne, uwe eigene Suster tot Voogdesse kiesen: ende aan haar, terwijle sy tot uitpanninge van geprangde sinnen, met beide dochters u geselschap houd, mijne hertelike groetenis met dese veerssen doen.


{==136==} {>>pagina-aanduiding<<}

Aan Frouk Fullenia. Hertlieve seer getrouwe.

Vernoegde deelgenoot in voorspoed als in rouwe; Veelwaarde Moeder van twee Dochters. eenen Soon; En paerel aan het goud van ons driedobble kroon.

Mag dit Papiere-kind U mee voor Moeder groeten: Ik geef't u in den arm. En 't moet mijn leed versoeten, Dat, schoon dit herssen-kroost van 's lichaams vrugt verscheelt; Als niet na d'huwlix wett met uw behulp geteeld; Maar door afscheidentheid van uren en van dagen, Ja nachten voor een deel: gy echter neemt behagen; Die self, door vrese noch door vrienden raad bekoord, 't Versaken my ontried. En 't was uw laatste woord Op 't scheiden. Dat is trow! Nu seg ik daer beneven, Dat dit, mijn kind alleen, de drie sal overleven Die God ons tsamen gaf, Want, so ik 't wel voorsie, 't Groeit tegen d'onlust op. En wat belangt de drie: 't Sal hen door broederschap in 't dagelijx verkeeren, Als wijser, 't Kristendom uit vaster gronden leeren; En bygelovigheid, deugds hinderpaal, en schrik Verbannen, door de vrees des groten Gods. Dies ik, Wat seg ik? Gy en ik, Beminde, ('k mag 't geloven), Al wierd mijn Letterkind van ieder een verschoven; Wy bergen 't gaarn in huis tot dienst van U en my: Daar houd het goed en bloed van Spook en Duivel vry. VVie vreest, dien God bewaart? wiens hemelryke segen Door kinderlike vrees gesocht word en verkregen. Die God der Vaderen en onser Kindren God Geleide die met ons in 't eewig salig lot!

6/36 van Oostmaand 1691. b. bekker.



{==**1r==} {>>pagina-aanduiding<<}


DER BETOVERDE WEERELD, Het TWEEDE BOEK.

Waar in de leere van de GEESTEN, derselver vermogens en werkingen, en besonderlik des Duivels, uit de natuurlike Reden en de H. Schriften ondersocht word.

In vier Boeken ondernomen Van BALTHASAR BEKKER. S.T.D. Predikant tot Amsterdam.

{== afbeelding

           AL DAALENDE.
       ==} {>>afbeelding<<}
   

't AMSTERDAM, By DANIEL VAN DEN DALEN, Boekverkoper op 't Rockin, bezyden de Beurs. 1691.



{==**1v==} {>>pagina-aanduiding<<}

BERIGHT.


Gelijk het eerste Boek met ondertekeninge mijns naams versekerd is, om voor nadrukken bevrijd te zijn: soo doe ik ook mitsdesen.


{== afbeelding

       ==} {>>afbeelding<<}
   


{==**2r==} {>>pagina-aanduiding<<}

Lezer wie gy zijt.

DE Voorrede van het eerste Boek heeft u soo veel berights gegeven, dat ik hier nu dies te korter wesen magh. Want hoewel my tsedert nieuwe stoffe in overvloed tot veel breder spraak is voor gekomen; so en wil ik echter my daarover nu niet verder openbaren: dan alleen te betuigen, dat ik wel klaarlijk voorsien hebbende 't veelerhande oordeel dat over mijn werk moest gaan, mitsgaders geen geringe bewegingen, die sich daar by opdoen souden; nochtans niet gedacht hadde dat het een en 't ander so naby ontstaan, so hoog lopen, en so wijd sich overal verbreiden soude. In dese stad, vol van allerhande volk, dacht ik niet dat mijn werk ook ongelesen, meest gelaakt worden soude door de genen die my so wel kennen; en so veel van Gods genade (mein ik) in 't bestier mijns levens en mijner bediedinge wel bespeurd hebben, dat ik niet lichtelik een boek in de weereld brengen soude 't gene plat uit verworpelik, en uit sich self ene oorsaak van ontrustinge door Gods Gemeinte wesen moghte. Nemo repentè fit pessimus. De Saligmaker selve spreekt op desen sin van 't gene hem betreft: Daar is niemant die ene kraght sal doen in mynen name, ende haastelik van my sal konnen qualik spreken. Marc. 9:39. Des leert ons Paulus, dat de liefde ook geen quaad en denkt; 1 Kor. 13:5. immers 't gene sy aan iemant nooit bevonden heeft. Dit seg ik van de genen die mijn werk van quaad berughtigden eer sy 't sagen; en sonder my self het minst daar af te laten blijken, de Gemeinte ondertusschen overal dien quaden indruk gaven, datter vele, door vooroordeel ingenomen, 't boek niet waardigden, ja self schroomden om te lesen. Geen wonder: want men heeft het so beschreven, en elders (niet in dese Stad) in 't openbaar gepredikt, dat ik daar in leere, datter Hel noch Duyvel is. 't Welk echter Godt verhoede, en 't met een vergeve die so swaarlik lasteren 't gene sy al willens niet en weten! Maar wat wonder is 't, dat daar die tale gevoerd word, d'een dan vervolgens seit, dat hy so bosen boek niet lesen wil; en d'ander, dat het van geen Kristen magh gelesen zijn. Dat vooroordeel word door voorgeven van menschelik gesagh versterkt; te weten dat het Boek niet alleen by Kerkeliken veroordeeld, maar self ook by

{==**2v==} {>>pagina-aanduiding<<}

de Regeeringe onsmakelik is. By d'eersten, 't zy dat ik veroordeeld ben of niet: (want in meer dan eene vergaderinge in en buiten Holland is daar afgehandeld) altoos is 't seker, dat ik alvorens sulken oordeel t'ondergaan, tot geen verantwoordinge toegelaten: noch voor af verkondschapt ben, dat een oordeel soude worden uitgesproken. Al wat dien aangaande t'eniger plaatsen is gedaan, is buiten my, ende in mijn afwesen geschied. Met wat yver eniger besonder goedbedunken ook in 't openbaar is uitgesproken, blykt uit twe wel waardig hier te melden, beide echter buiten Holland voorgevallen. Niet alleen mijn Boek moest ongelesen; maar ik self ook ongehoord ter sware straf verwesen worden. D'een oordeelde, dat men my niet meer voor Predikant moest kennen, geene getuigenissen van my ondertekend meer aanneemen, ende my in geen kerkelike besendinge ontvangen: d' ander dat ik den Duivel bannende (soo hy begreep) uit de Schriftuur; men behoorde my te bannen uit de Kerk: sijnen even mensche, sijnen medekristen ende amptgenoot, in een selfde lot met den Duivel stellende; ofte om het ongelijk dat ik na sijn verstand den Duivel doe, na de wett der wedervergeldinge, als bloedwreker op my te verhalen. Anderen hebben in twee dagen, de handen vol ander werx hebbende, konnen sien, dat in mijn boek niet een waar woord te vinden was: of met het blotelik eens door te lopen, niet door te lesen: dat het wel met eenen slagh te wederleggen was: of na 't doorlesen van het eerste deel, daar niets op te seggen viel, en aangegeven, dat het tegen onse Formulieren was: volgens dien ook tegen mijne hand, waarmede ik deselve neffens alle ander Predikanten ondertekend hebbe, om daar niet van af te gaan. Dit onder de Gemeente verspreid, die niet en weet waar 't vast is: brengt'er velen in 't gevoelen dat ik boven valsche en godlose leere noch aan ontrow schuldig ben, die mijne eigene hand niet na en kome. Misschien word ik wel genootsaakt te betonen, dat ik beter by beloften sta; ende by de Formulieren blyve, dan de genen die van my so spreken: hoewel ik dat niet geerne doe, die meest genegen ben om alle stoffe van twistinge na mijn vermogen de vermijden. Derhalven heb ik ook my self onthouden van de Regeeringe te moeijen: een werk van luiden die huns werx niet wel bewust, behulp van hoger hand en sterker arm behoeven. De waarheid is 't alleen die my beschermen moet: so ik daar niet wel mê sta, ik wil my aanstonds overgeven. Dan so 't waar is, gelijk dat me-

{==**3r==} {>>pagina-aanduiding<<}

de word verbreid, dat self sulken, die in hoogheid zijn gesteld, mede over't werk swaarhoofdig zijn: het sal om den onrust die daar over is; niet om dat ik of mijn boek ongehoord en ongelesen, by alsulke Heeren als God over ons gesteld heeft, reeds verworpen of veroordeeld zy. Nochtans weet ik dat men my by deselven heeft gesocht veracht te maken, als geheel wat anders in 't hoofd hebbende dan ik my bewust ben; en mijn boek, als van minderen grond en veel anderen inhoud dan het waarlik is. Veler pogingen hebben steeds daar heen gestrekt, dat ik 't werk smoren, of op dese of gene wijse herroepen soude. De Leser zy verzekerd dat ik geen van beiden soude kunnen doen. Want nademaal dat 750. stux van den eersten druk alreeds door de weereld zijn verspreid, en 't nadrukken onder de hand, buiten mijne kennisse, onmogelik te verhoeden is; so en soude 't intrekken van den tweden druk geen voordeel doen. Welke nochtans den eersten, dus qualik berughtigd, kennelik verschonen moet; so de naspraak met so weinig boeken niet te stoppen, door vermeerdering van exemplaren word gedood. Buiten dat so soude 't eerste by gevolg, en het ander duidelik te kennen geven, dat ik van gevoelen was veranderd, of berow van schrijven hadde: daar ik so veel werks op dede, dat my so veel tijds gekost heeft, daar ik sulk een ernstig opset hadde de Gemeinte merkelik met op te bouwen; en Gods eere, 't uiterste van alles wat een kristen leeraar moet beogen, op ene sonderbare wijse te bevorderen. Dat leid noch so by my, of men moet my anders leeren: het gene my tot hier toe wedervaren is, versterkt my noch veel meer. Niets dat wederlegginge heten magh, ende is my noch van iemant, ende dat maar stuksgewijse voorgekomen. Want het is daar opgenomen, dat ik een verkeerd begrijp van de natuur der Geesten hebbe, als of daar tegen strede dat sy op een lichaam werken: en dat ik daar op bouwe al 't bewijs van mijn gansche werk; en de nieuwe verklaringe van so veel Schriftuurplaatsen, als daar in verhandeld staan. Het komt my met allen wonderlijk en moeijelijk voor, dat self wijse en godvrugtige mannen, die 't boek lesen, so merkelik mistasten. Want behalven dat ik hen dat noch lange niet toegeven kan, 't gene sy van de werkinge der Geesten versonnen hebben: so behoordense te konnen merken, dat het gene ik daar van bybrenge, niet eens plaats heeft onder vele redenen, daar ik mijn bewijs uit neme; maar alleenlik als een stuk dat ondersoek vereischt en bewijs behoeft van 't geen men gemeenlik van de Geesten seid. Dat bewijs verwacht ik

{==**3v==} {>>pagina-aanduiding<<}

noch: en al wat ik daar tegen segge, zijn alleen de redenen waarom ik het niet gelove. Daar beneffens geve ik den Leser in bedenken, of hy die verklaring van de Geesten, tot grond mijner verklaringen over so vele plaatsen der Schriftuur vind neergesteld, daar niet een onder is, over welke ik die in 't minste voor bewijs te passe brenge: en of ik de Schriftuur niet uit haar self, uit den grond der talen, en met dat behulp dat een ieder uitlegger in sulken val gebruikt, door 't geheele boek verklare? Van waar komt dan dese verkeerde opvattinge en misduidinge van mijn gansche werk? Het heeft hen ook gelust den stijl als al te plat en schimpig te berispen. Te plat, misschien, om dat ik soeke klaar te spreken, en schimpig, om dat hier en daar (in alles mogelik, so 't by malkander stonde, van derdhalf honderd bladzyden pas eene bestaande) den Duivel niet veel eere word gegeven; of met ernstig jok, gelijk Elias deed aan Baals volk, de bygelovigheid bestraft. Isser iet meer, dat heb ik, der vermaand, in desen druk getracht te schikken na de sinnelikheden der berispers. Doch die dit ook weten moeten, dat so wel de stijl als inhoud van mijn schrijven ernst is: ende nergens ernstiger gedachten by my zijn geweest, dat daar sy meinen dat ik spotte. Des kan ik hier voor eerst niet anders segge, dan dat oude: Habent sua fata libelli: Elk schrijver moet sijn lot uitstaan. Doch wat in desen ofte anders meer van een of anderen mag worden voorgewend, sal sich noch wel verder openbaren: also sich enigen stellen om mijn boek te wederleggen; en daar door gelegentheid ontstaan sal om op alles breder te antwoorden, indien sy op die wyse schryven datse 't weerdig zijn. Maar Extracten, so men 't noemt, te maken, dat is hier en daar iets uit te trekken, dat ons dunkt niet wel geseid te zijn; kan daar toe wel dienen, dat een boek des ondersoekens weerdig schijne, daarmen sulke dingen uitgetrokken heeft: geensins echter om een wettig oordeel van 't geheele werk, so 't leit, te vellen: of men moet eerst ondersoeken, hoe dat uitgetrokken is te pas komt op die plaatsen, daar 't met vorige en navolgende redenen verbonden is: om den waren sin en 't oogmerk van den schryver te verstaan. Die mijn werk weerleggen wil, moet het voor de vuist opnemen, de kracht en t'samenhang mijner bewijsen doorsoeken, de hoofdsaken behandelen; en niet hier en daar, na dat hy wijs, of door eigene sinlikheid gedreven is, iets uitkippen of versinnen. Voor by aldien iemant goed vind, twistgierig te zijn, so wil ik als Paulus seggen, Wy noch Gods gemeinten hebben die gewoonte niet. 1 Kor. 11: 16. Vragen en Tegenwerpingen, aan my by monde voorgesteld of

{==**4r==} {>>pagina-aanduiding<<}

schriftelik toegesonden, of ook van ter sijden by den wegh uit het gemeen seggen opgenomen, of door eigen overdenkingen uitgevonden, heb ik door 't inlasschen van verscheidene stukken, na mijn vermogen opgelost: mits het een nader verklarende dat niet wel verstaan was; en't ander sterker bevestigende, daar sich iemant of geheel niet, ofte niet genoegsaam overtuigd bevonde. Hier door is nu dit twede boek al vry wat breder uitgesett, dan het was by den eersten druk, die nochtans behouden heeft het gene daar in was. Vervolgens heeft de druk dan ook wat langer aangehouden dan in 't eerste gemeend was: behalven dat die ook voor eenen tijd heeft stil gestaan, om te vernemen wat beswaringen ten een werk, dat soveel van 't algemeen gevoelen afwykt, ondertusschen inkomen mogten. En ik verblijde my, dat de voornaamste (hoewel niet alle) die my van eerwaarde mannen voorgekomen zyn, by desen tweden druk also verklaard zijn, dat sy meer genoegen dan in 't eerste daar in vinden sullen. Immers wil ik dat van hun reghtmatig oordeel en genegen broederlik gemoed met reden hopen. Zijn andere van dat gevoelen niet; datse mijn werk eerst lesen, en dan daar van oordeelen wat hen belieft: of oordeelt iemand dat het boek geen lesen waardig is; dat hy dan sich self te weerdig oordeele om daar af te spreeken. Hy doe my die genade slechs, dat hy my niet quaad en werde, om dat ik hem voor niet hebbe aangeboden, 't gene hy niet hebben wil, schoon het my noch wel op 't duurste komt te staan. So iemand anders doet, hy gaat den plight eens Kristens en Medebroeders seer te buiten. Hoedanige sich self in schuiten en op wagens niet onthouden, opentlik met verfoeijinge van myn werk te spreken, en self tegen de genen die 't in 't minste voorspreken, uit te varen: so verre dat sy een groot deel Nikodemyten maken, die 't werk heimelik zijn toegedaan, ende nochtans beschroomd sulx te openbaren; als vervaard voor dat ongodlik ydel roepen, tegen sulken die d'ongodlike en oudwijfsche fabelen tegenspreken, ende sich selven oefenen in godsaligheid: so als d' Apostel ons sulk doen op twee plaatsen verbeeld. 2. Tim.2: 16. 1. Tim. 4: 7. Van die fabelen soek ik den kristeliken Leser af te trekken, en tot Godts Woord te brengen, dat alleen vast gaat: doch in den grond nagespeurd, buiten belemmeringe van menschen uitlegginge of vertalinge; die wy tot behulp, maar niet tot onsen regel nemen. Dit doende toon ik door Schriftuur en Reden, datter maar een God, geenerhande ondergoden zijn; als mede dat geen schepsel, het zy geest of lichaam in 't minst by hem

{==**4v==} {>>pagina-aanduiding<<}

magh vergeleken zijn. Dat des menschen ziel onsterflik, op en in haar lichaam, en daar buiten werksaam is. Datter volgens de Schrift ook Engelen, geen eigen lichaam hebbende, geschapen zijn. Dat sommigen derselven in 't begin, en eerder dan de mensch gevallen zijn; en dat hun hoofd de Duivel en de Satan; en d'anderen niet anders dan syne Engelen genaamd zijn. Dat sy tsedert hunnen val van God verworpen, in de Helle als hunnen kerker opgesloten zijn. Dat deselve Duivel oorsaak is van 's menschen val: ende hem daarom met reght al 't quaad dat heden noch geschied word toegeschreven; van wege des verderfs, dat door hem in 't eerst veroorsaakt, noch heden in de weereld is, door de begeerlikheid. Wat dies meer is, daar in wijs ik mijnen Leser tot het Boek; om het hier niet voor een groot deel uit te schrijven, 't welk de mate ener voorrede soude te buiten gaan. Maar dit weinige heb ik willen melden, dewijle men my nageeft, dat ik sulx ontkenne; en derhalven grouwelt van alsulken boek. Die 't leest (dat seggen alle die 't doorlesen hebben) moet het tegendeel bevinden: en verscheidene die sonder dat vooroordeel zijn, (waar af ik de besonderheden noch oorsaken bescheidenheids halven niet vermelden wil) seggen datse ruimte van stoffe daar in vinden om God in Christus te verheerliken, hen self in hem te troosten, den Duivel niet te vresen, hunne eigene verdorventheid op 't nederigste te erkennen, ende hun selfs saligheid met vrese en beven te bewerken. So iemant anders dunkt; ik weet wat ik geschreven hebbe, en met wat gemoed. Men mag my door betere onderrichtinge van gevoelen doen veranderen; maar door geenerhande moeyelijkheden van mijn voornemen versetten, om God te verheerliken en sijne Kerk te stichten: wil my de Heere voorts genadig zijn. Op dien grond zy de kristen Leser wel versekerd, dat ik voor die waarheid, daar ik God so klaar in sie, daar ik sulken kracht in speure, die my soo veel blijdschap baart; alles wat my aangaat over hebbe, ende wil verwachten wat my overkomen sal. De Heere sal my verlossen van alle boos werk, ende my bewaren tot syn hemelsch Koninkryk: Hem zy de heerlikheid tot in alle eeuwigheid. 2 Tim. 4: 18.

Gedenk, aan my, mijn God, ten goede! Nehem. 13: 31.

Den 31 Julij 1691.


{==1==} {>>pagina-aanduiding<<}

Tweede Boek, Waar in de Leere van de Geesten, derselver vermogens en werkingen uit de natuurlike Reden en uit de Heilige Schriften ondersocht word.

I. Hoofdstuk. Den staat des Geschils voor af vast te stellen, so moetmen onderscheiden, hoe verre dat alhier de Reden of de Schrift den weg moet wysen; en daarna, hoemen het woord van Geest of Lichaam wil verstaan.


§. 1.

ONder soo veele en veelerhande saken en gevoelens, die in 't eerste boek verhaald zijn, is het nodig dat wy onderscheid maken, tusschen 't gene dat ons nader overleg vereischt, en 't gene sulx niet nodig heeft. Want de Leser sal voor af mogen weten, dat ik al 't voorgaande niet gemeld hebbe, met een oogmerk om daar over ondersoek te doen: maar eensdeels tot dien einde wel; doch anders ook, om de genen daar ik van verschille te overtuigen. Dienvolgende salder niets te vergeefs geseid zijn; nadien dat alles tot het een of 't ander gebruik te passe komen sal. Ondertusschen heb ik met den Heidenen niet te doen, om de waarheid hunder leeringen te ondersoeken: maar verwerpe 't gene met het kristelijk Gelove strijd. Want ik self een kristen ben, en al de genen daar ik dit voor schrijve. Waar toe der Heidenen gevoelens dan by een gehaald? Ik segge, tot een ander goed gebruik; te weten, om de Kristenen daar mede te overtuigen. Want wie van hen sal willen houden met het gene hy bevind dat in sich self maar heidensch is? Doch daarom ga ik het niet al voorby wat ons de gesonde Reden leert. Een Kristen heeft die door 't Gelove geensins afgestaan: maar, so hy wel beraden is, deselve noch verbeterd en versterkt. Sulx doet hy door de Schrift, van God ingegeven, en aan de Reden voorgesteld: om door haar ingeschapen licht te sien, datse van God is. Al wat buiten de Schrift is, daar in moet sich de mensch met sijn verstand alleen behelpen, so verre als hem dat strekken kan: maar 't gene Gods Woord ons leert, door behulp der Reden, de Schriften t'samen vergelijkende, ondersoeken, hoe men dat ten besten sal verstaan.

{==2==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 2. Dewijl 'er dan twee gronden zijn, de Natuur en de Schriftuur: daar onse weetenschap uit te halen, en daar die op te bouwen is: so moet men eerst wel onderscheiden, watmen door de Reden, of door middel van de Schriften ondersoeken sal. De Natuur brengt ons te met een stuk weegs heen, daar ons de Schrift dan voorts ten einde helpt. Somtijds leert ons 't verstand niet met al, van 't gene nergens dan in Gods beschreven Woord te vinden is. Sodanig zijn de verborgentheden des kristelijken Geloofs, voor den wijsen deser weereld onbekend. 1. Kor. 2: 6, 7, 2. Daar zijn wederom andere dingen, daar de Schrift geheel af swijgt, en die nochtans van Nature bekend zijn. Het soude te lang zijn, de proeven van 't een en 't ander by te brengen; en onnodig den leser op te houden met saken die genoeg bekend zijn. Want niemant die maar iets van de Natuur of Schriftuur verstaat, heeft dat ooit ontkend. Ik segge t' dan daarom slegs, dat elk een des indachtig, de reden sie, waarom dat ik dit werk met onderscheid behandelen wil. Want ik hebbe by my selven overslag gemaakt, wat ik in de saken daar ik nu van schrijve uit de gesonde Reden, of uit de heilige Schrift aanwijsen, verklaren en bewijsen moet. En dus komt my voor, datter zijn daar wy uit beiden, meer of min, bescheid af krijgen: andere daar van ons de Natuur, of de Schriftuur alleen berigten kan. Dit laat ons nu eerst wat schiften; om dan ieder stuk op zijne eigene plaats te soeken. §. 3. Dit zijn de stukken, die de Reden en de Schrift beide t'samen ons zijn leerende. 1. Van Naturen is bekend, datter een God is: maar zijn Woord leert ons klaarder, dat hy maar een is. 2. De Reden seit ons, dat God onlichamelik is: de Schriftuur bevestigt dat; schoon met ene wyse van spreken van de lichamen ontleend dit stuk verklarende. 3. Door ons natuurlik verstand is te begrijpen, datter Geesten konnen zijn: maar de Schrift seit ons, datser zijn. 4. De Nature leert, dat Geest en Lichaam van so verscheidene naturen zijn, datse geen de minste gemeenschap t'samen hebben: de Schrift spreekt ook vast so, doch niet so klaar; also sy dat onderscheid voor uit stelt, en 't ondersoek daar af aan de gesonde Reden laat. 5. Desgelijx leert ons de Reden, dat des Menschen Ziele buiten 't Lichaam kan bestaan. De Schrift getuigt daar by, dat het gene in desen zijn kan: ook wel sekerlik so is. §. 4. Nu zijn ons verscheidene dingen van de Geesten in Gods Woord geopenbaart, daar af 't natuurlik verstant buiten dat geen de minste kennis heeft. 1. Van den oorsprong der Geesten leert ons de Nature niet met al; en de Schriftuur ook niet seer veel. 2. Van 't onderscheid der goeden en der quaden moet ons de Schriftuur alleen berigten. De Natuur mag denken datser zijn; maar en vind geen seker bescheid. 3. Van derselver staat, bewind en vermogen word veel uit de Schriftuur

{==3==} {>>pagina-aanduiding<<}

by een gehaald; dat ik noch niet noemen, maar eerst soeken wil, hoe sulx alles moet verstaan zijn. §. 5. 't Gene wy alleenlik uit de Reden hebben moeten, is dat de Schrift voor uit stelt; en daar af gansch niet, of slegs in 't voorbygaan spreekt. Sy verklaart de natuur der saken niet, so 't niet elders by te passe komt. Dat werk laat sy, als eigen, aan de Reden. Want sy is van God ingegeven en beschreven tot leeringe, tot wederlegginge, tot verbeteringe, tot onderwijsinge die in de regtveerdigheid bestaat, te weten hoe een sondig mensche kan rechtveerdig zijn by God: en op dat een godlyk mensche volmaakt zy, tot alle goed werk volmaaktelik toegerust, ende dat wy door lydsaamheid en vertroostinge der Schriften hope hebben souden. 2 Tim. 3: 16, 17. Rom. 15: 4. welk is de hope des eeuwigen levens. Tit 1: 2. Dit raakt wysen en onwysen even seer, geleerd en ongeleerd: Rom. 1: 14. want in desen zijnse beide even wijs. De Schrift en is dan niet, om den mensch in 't gene hy buiten 't stuk van Godsdienst weet nader te onderregten: sy laat dat so als 't is; en die in ene konst of weetenschap ervaren is, dien laat sy ook daarin so als hy is. Is Lukas een medezynmeester. Kol. 4:14. 't is wel maar de Schrift en maakt hem daar niet wijser in: Paulus, Aquilas en zijn wijf Priscilla tentemakers, de konst komt by gelegentheid te pas: Hand. 18: 3. maar sy en hadden die uit den Bybel niet geleert. De schipper met de maats, die Paulus voerden, verstonden sich op 't varen beter dan hy self; hoe hoogverlichten leeraar dat hy was. Het gene Moses van den loop des Hemels, of iets verder van Natuurs geheimenissen wist, dat had hy van d'Egyptenaars geleerd; Hand. 7: 22. in de Wett en spreekt hy daar niet af. Daar buiten was het ook, het gene Salomo van de bomen, van het vee, van 't gevogelte, van 't kruipend gedierte en van de vogelen wist: 1 Kon. 4: 33. in sijne boeken die een wigtig deel der heiliger Schrifture zijn, maakt hy daar van nauwelijx gewag: nog Daniel in zijne profezyen iets, van 't gene hy door 't onderwijs te Babel uit ter Chaldeen boeken had geleerd Dan. 1: 4. Uit welk alles blykt, dat het werk der H. Schriften niet en is, de werken der Natuur in haren aart en eigenschap te verklaren: maar deselve over al daar het te passe komt, (en sy brengtse selve menigwerf te pas) so wel den ongeleerden als geleerden leser, uit der selver betrachtinge tot dienst en heerlikheit des Scheppers te vermanen. Daarom stelt ons de Schrift Gods werken voor, so als deselve voor eens ieders oogen sijn, en verder niet dan 't de gemeene man verstaat: die in 't gebruik, dat het gelove van Gods werken maakt, so na is als de grootste filosoof. §. 6. Ook verandert de Schriftuur 't gebruik der tale niet, noch de betekenis der woorden, in sulken sin als de menschen spreken. Want het is te weten, so veel als hier de spraak betreft: gelijk die allen menschen gemeen is; so isser ook niet eene taal in de weereld, die door geleerden is by een gesteld. Het gemeen volks is daar de meester af. En mitsdien dat selve weinig saken onderscheidentlik begrijpt, maar sig meest aan 't uiterlik vergaapt: so geeft'et dikmaals eenerleye namen aan dingen van verscheidene nature; in so verre

{==4==} {>>pagina-aanduiding<<}

die slegs in den uiterlijken schijn enige gemeinschap hebben. Hier door word dat gene, 't welk in Mensch en beesten werksaam is, beide Geest en Ziel genaamd; schoon 't geheel verscheide is van aart. De Schrift selver seit, dat een beest sonder verstand is: Psal. 32: 9. en 49: 21. en 73: 22. Spreuk. 30: 2. Nochtans gebruyktse nevens 't gemeen de woorden Ziel en Geest, van Mensch en beest. Wederom: 't volk meest op 't lichaamelik geset, dat sich aan de uiterlike sinnen toont, die sy meer te werk stelt dan 't verstand: so gebruiktet namen van lichamelike dingen, om met een de geestelike te betekenen. Dus word onsen Adam so wel Geest genoemd als de Ziel. Noch ene derde aanmerkinge. God en sijne volmaaktheden sijnde boven ons begrijp: so en heeft geen menschen tale woorden, om deselve regt te noemen; maar leetse van de dingen die van God geschapen zijn. Vermits ons dan geen volmaakter schepsel voor en komt, van 't gene wy door Geest verstaan: so seit de mond der waarheid self, sich na onse swakheid voegende dat God een Geest is. Maar hy toont met een, hoe dobbelsinnig die benaminge zy; wanneer hy 't selfde woord in eenen aasem wederhalende, daar door geheel wat anders meent; seggende, datmen desen Geest in den geest aanbidden moet. Ioh. 4: 24. §. 7. Het sal dan wel nodig zijn, datwy malkanderen over de woorden eerst verstaan, om niet in 't wild te schermen, in desen sin is de duitsche taal nu wel so rijk als de hebreewsche, grieksche, latijnsche; en die daar van afgedaald, of met de selve enigsins vermaagschapt zijn. Want hoewel 't by ons ook maar seer armelijk werk is, dat wy dingen so verscheiden van nature; te weten 't gene geheel onlichamelik is, en 't gene uit de alderfijnste en dunste stoffe bestaat, met een selfde woord Geest zijn noemende: d'andere talen echter moet hier meer smaldeelen; also 't hebreeusch woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ruah en 't grieksch 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

pneuma, en 't latijnsche spiritus, niet alleenlik sulken tweederleyen geest, maar ook een geblaas betekent.Desen gelijk word ook de wind in 't Hebreewsch niet anders dan ruah genaamd. Des menschen gemoed, of inwendige drift en genegentheid tot enig ding, word al mede door dat eene woord betekend: ende in 't Grieksch by de schryvers van 't Niew Testament, self Hebreërs zijnde, dikmaals nagevolgd; hoewel 't den Grieken in desen sin aan andere woorden niet ontbreekt. Ik sal hier geen exempelen daar van tonen, om dat het toch hier na geschieden moet; om geen een ding tweemaal te verhalen.

§. 8. Maar wanneer wy van de gemeene betekenisse sulker verscheidene Geesten tot die besonder overgaan, welke wy Engelen en Duivelen noemen: is in het duitsch met d'aangrensende talen geen eigen woord in gebruik, daar die mede te noemen zijn. Want Engel en Duivel beide uit het Grieksch is afgevloeid, daarmen {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

angelos en 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

diabolos seit. In 't Duitsch nog in 't Latijn hebben dese geenen eigenen naam: sulx wy de Grieken op die wijse als geseid; en de Latijnen met noch minveranderings, van slegs de laaste o van ieder woord in u, hier in blotelik volgen. Nu en is het echter niet, datse dus in 't Grieksch genoemd zijn, om hunnen aart of wesen, 

{==5==} {>>pagina-aanduiding<<}

maar om hun amt of doen op 't naaste te beschrijven: want angelos een afgesant of bode en diabolos een lasteraar te seggen is. Insgelijx al waar wy Engel lesen in 't Oud Testament, daar staat in 't hebreeusch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Malach; welke naam echter enen mensche, die voor bode ergens heen gaat, als van iemant afgesonden, insgelijx gegeven word. So word hy ook, die in 't grieksch Duivel of Lasteraar heet, in 't hebreewsch 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Satan, dat is, Tegenstander genoemd. Die over sulx den Bybel leest, moet, so dikmaals als hem deser woorden een ontmoet, in overleg nemen; of de sake daar vereischt, dat men deselve van alsulke Geesten, of van Menschen moet verstaan. Maar d' Oversetters hebben 't so begrepen, dat sy d' hebreewsche en grieksche namen, so van Engel als van Satan, en van Duivel (uit het grieksch aldus verkromd) behouden; wanneerse verstaan, dat de Schrift van sodanige Geesten spreekt, die geheel onlichamelik, noch ook met geen lichaam vereenigd zijn. Maar so sy 't op menschen duiden; sullense deselfde woorden in goet duitsch vertalen: en in plaats van 't eerste gesant of bode, van het tweede tegenpartyder, en van 't derde lasteraar stellen; uitgesonderd, by aldien een mensch in vergelijkinge sulker geesten mede so genoemd mag zijn.

§. 9. Uit het gunt voorschreven is mag de Leser klaarlik sien, dat ons noch de Reden noch de Schrift alhier te regt sal helpen, so wy ons onderling over de betekenis der woorden niet verstaan. En dat staat aan ons self, wanneer wy 't slegs eens mogen zyn, in wat sin dat wy de woorden nemen willen. Want het geheel gebruik der tale in des menschen vrye keur bestaat, om iet so te noemen als iemant wil die der anderen meester is; of so sy allegaar even veel te seggen hebben, so als sy sich met malkanderen daar in verdragen. Valtet anders uit, en wil d'eene iet dus, en d'ander wederom anders noemen: dat baart misverstand, en brengt in plaats van spraak maar babbeling te wege; gelyk 't gemeen gevoelen is dat het in den bow van Babel was. Geen woord betekent iet door eigenen aart of kraght: anders waren der nooit homonyma of synonyma, (dus noemtmen dat in 't Grieksch; 't welk ik, so my dunkt, alderbest eens luidende en gelyk duidende woorden noem) ontstaan; dat is, die eveneens luidende verscheidene dingen betekenen, of die verscheidentlik luidende echter een en 't selfde betekenen. Hierom heeft de wiskonst dat gebruikt, datse in 't begin van ordentlike onderwysinge de Definitien, dat is bepalingen der namen stelt, daar mede men de hoofdsaken, waar af men handelen sal, betekenen wil; om daar na te konnen sien, of de Voorstellingen, (somen die noemt) die te bewysen staan, over sulke saken alsmen door die woorden eens is te verstaan, van goeden gevolge zijn. §. 10. Nu ter sake van de Geesten: hier in sal 't ons t'eenemaal geraden zijn, by 't gemeen gebruik te blyven, dat doch meester van de talen is. Door geest verstaan wy dan een wesen dat in alles onlichamelik is; en de minste gemeenschap met een lichaam niet en heeft. Dus hebben wy met lichamelike geesten, als den aassem, of d'uitwaseming des bloeds, waar in de spiritus vitales, of levendige geesten so genoemd bestaan, in desen niet te

{==6==} {>>pagina-aanduiding<<}

doen. Dan verstaan wy mede, dat een Geest, sodanig als geseid, niet de minste gemeenschap met een lichaam hebbende; ook door eigenschappen, van de lichamelike geheel verscheiden, moet beschreven worden. Zo lang als men, van Geesten sprekende, iet seit dat ook op een Lichaam past, so en spreektmen van geen Geest. Doch dit heeft sijn bescheid: also der noodsakelik iet moet zijn, waar in sy malkanderen gelijk zijn; ende iets dat hen t'samen van wat anders, en wederom, dat hen van malkanderen onderscheid. Schepselen zijnse beide, en selfstandigheden: dat is wesens, van God, dit 't oorspronkelik wesen is, voortgebragt, en die door sekere eigenschappen werksaam zijn. §. 11. Dit wat duideliker te verstaan, dien men hier op acht te geven, in welken sin de Geesten, daar wy nu van spreken, Schepselen en Selfstandigheden zijn. Het eerste onderscheid hen van God, die hun beider Schepper is; en 't ander van d' Eigenschappen, waar door een selfstandig wesen kenbaar is, en van de Werkingen die daar uit ontstaan. Schepselen geeft te kennen, datse uit hen self niet zijn, maar van hoger oorsaak afgedaald: en Selfstandigheden, datse in sich self evenwel bestaan. Met d' Eigenschappen is 't so niet gelegen: gelijk Grootheid, Goedheid; die op sich selve niet bestaan, maar eigenschappen van d'eene of andere Selfstandigheid zijn, die daar door groot of goed genaamd word. Isser iets goed of groot, of klein of boos; dat moet ergens in wesen, 't gene voor af verstaan word al te zijn, eermen denken kan hoedanig 't is. Seg ik desgelijx, geleerd, of sterk: het word verstaan, datter iemant ie die de sterkte of geleerdheid heeft; zijnde eigenschappen van alsulken man. Maar de man self kan daarom wel bestaan, al is 't dat hy die geleerdheid noch die sterkte niet en heeft. Daarom worden dit Eigenschappen; maar de mensche self, wien deselve eigen zijn, Selfstandigheid genoemd. §. 12. Sodanig zijn nu dese Geesten, selfstandige schepselen. Doch hier by moetmen weten, dat al wat God eigentlik geschapen heeft Selfstandigheid is: d' Eigenschappen zijn ingeschapen. Want alle schepselen elkanderen daar in wel gelijk zijn, datse op sich self bestaan; maar d' Eigenschappen zijn dat gene dat hen van malkanderen onderscheid. Haddense alle deselfde eigenschappen, 't soude altemaal een Schepsel zijn. Hier by dient dit ook in acht genomen: dat eene selfde Selfstandigheid verscheidene eigenschappen heeft; welker enige haar van alle, doch andere slegs van sommige der andere selfstandigheden onderscheiden. Die van d'eerste soorte zijn de naaste: maar de laatste zijn de gene daarmen eerst om denken moet, wanneermen iet van voren ondersoekt. Te weten van God, die 't begin van alles is, komt men tot de schepselen. Die worden van den Schepper alle even seer, door eenerleye eigenschappen onderscheiden: datse van hem afhankelik, op sekeren tijd voortgekomen, ende met een vergankelijk zijn; daar God self onafhankelik, van alle eeuwigheid af, en onvergankelijk is. Wilmen nu met de Schepselen voortgaan, om die van malkanderen te onderscheiden: d'eerste verdeelinge die men hier kan maken, is de gene die

{==7==} {>>pagina-aanduiding<<}

in Geest en Lichaam bestaat; also al wat God self niet is, ende ook geen Lichaam is, geenen anderen naam heeft dan van Geest. So zijnder Eigenschappen diemen in geen Lichaam vind; ende nochtans noodsakelik vereischt, om iets Geest te noemen: wederom, sonder welken het geen Lichaam is, en met welken het nochtans geen Geest kan zijn. §. 13. Dit moet ik nu wat nader seggen. De mensche soude uit hem self, sonder nader openbaringe van God: of immers buiten sekere ondervindinge, aan dat eerste onderscheid der schepselen niet denken, so hy 't in hem selve niet bevond. Want hem self, als een kleine weereld, bemerkt hy klaarlik uit twee verscheidene naturen te bestaan; het Lichaam, en de Ziel of Geest. Hoe naaw aan malkanderen verknocht, so verre dat hy door die beide tsamen werkt het gene hunder beiden geen alleen kan doen: nochtans vind hy in hem selven 't gene geen gemeenschap met het lichaam heeft, ende noodsakelik van den Geest, als van ene andere selfstandigheid komt. Desgelijx bemerkt hy werkingen des lichaams, daar in het de Ziele niet behoeft. Der Eigenschappen daar die beiderleye werkingen door komen, zijn sommige so besonder, datse 't eene geestelik of lichamelik wesen van 't ander onderscheiden: andere so gemeen, datse op alle Geesten of op alle Lichamen ende nochtans op een van beiden passen. Door gene word 'et bepaald, om sulk een Geest of lichaam te zijn: maar door desen eigentlikst, dat het een Lichaam en geen Geest; of een Geest, en geen Lichaam is. Dus verstaan wy door Geest het gene denkt, en door Lichaam al 't gene dat in enige plaats is uitgestrekt. §. 14. Al is 't dat ik met niemant natuurkundig over dit stuk twisten wil: so moet ik echter seggen, dat elk uitlegger sijner eigene woorden en gedachten is. Derhalven mag ik hier Descartes wel in volgen, so verr als het tot mijn oogmerk dient: 't welk is, om den Leser slegs te seggen, wat ik door Geesten versta. Te weten, al wat selfstandig is; ende nochtans geen de minste gemeenschap des wesens met een Lichaam heeft. Dus bemerk ik in my selve, dat ik denke, dat ik wil, dat ik iet versta: niet een lid van mijn Lichaam daar ik dat af hebbe; ende nochtans heb ik dat. Mijne gedachten, mijn wille ende mijn verstand, zijn met ellen noch met duimen niet te meten; noch by ponden niet te wegen: maar mijn Lichaam, mijn vleesch en been, en myn bloed sal maat en gewicht houden; of het sal niet sijn het gene 't is. Geen twee Lichamen kan ik teffens in eene selfde plaats; maar duisenden van lichamen en plaatsen met eene gedachte wel begrijpen: ende op eenen tijd aan God en sijne schepselen; aan Hemel en aan Aarde denken. So niet, so kond ik nooit begrijp van 't werk der scheppinge (dat op God en 't schepsel tsamen siet) noch van 't onderscheid tusschen Aard en Hemel maken. Daarom houd ik my hier aan; dat een Geest ene denkende, en een Lichaam ene uitgestrekte selfstandigheid is. §. 15. Van 't Onderscheid der Geesten staat ons nu ook iets te seggen. Want de Geest des menschen word de Ziel; ende nooit Engel of Duivel genaamd. 't Gebruik der woorden staat ons niet toe te veranderen, of wy sou-

{==8==} {>>pagina-aanduiding<<}

den malkanderen regt verstaan. Door Engelen betekenen wy Geesten, die tot geen lichaam geschikt, of bepaald, of daar mede wesentlik vereenigd zijn; gelijk onse Ziel haar eigen Lichaam heeft, waar in en waar door sy in dit leven werkt. Wy moeten dan d'Engelen als denkende selfstandigheid begrijpen; die aan d'eene kant van geen eigen lichaam voorsien, aan d' andere wederom ook met geen lichaam belemmerd zijn. Of dat volmaaktheid of onvolmaaktheid zy, met der menschen Zielen vergeleken, sullen wy hier nu eens moeten zien. nu d'Engelen worden nader in goeden en in quaden onderscheiden: den goeden heeft men den naam van Engelen gelaten; maar de quaden zijn besonderliker Duivelen genaamd. Van die verscheidene Geesten, en soder meerderhande zijn, staat ons nu eens grondig te ondersoeken: offer zijn, en watse zijn, watse doen konnen, en watse doen.


II. Hoofdstuk. De kennisse van Ziel en Lichaam leid ons op tot die van God; en desselfs volmaaktheid leer ons, dat hy maar een is.

§. 1. NAdien dat de H. Schrift de Natuur en de Reden voor uit stelt: so wil d' order vereischen, dat wy van 't gene eerst bekend is den aanvang maken. Derhalve laat ons nu sien, wat des Menschen verstand, sonder behulp der H. Schriften, uit de Nature self vernemen kan. Dat het al geen Lichaam is watmen in de Weereld gewaar word, is genoegsaam openbaar: want het is de Geest die sulx verneemt en begrijpt. Geen Lichaam is bequaam om iets te weten: de Ziel is 't die 't verstaat: en de Ziel is een Geest. Maar weet die ook, offer enig ander Geest is dan sy self? Gewis: nadiense wel bemerkt dat sy uit haar selfs niet is. Een ander heeft haar dan gemaakt; geen Lichaam, maar een Geest. Geen Lichaam, seg ik, kon oorsaak van de Ziele zijn; die veel volmaakter is, en self op 't lichaam en door 't lichaam werkt. Ook bewerktse (schoon door middel van haar lichaam) duisenden van allerhande lichamen buiten haar eigen; maar nooit quam 'er iet wat ziels voort van 't gene dat maar lichaam is, self door middel van de ziele. Daar by so en kan 't gene lichamelik is niet onbepaald, noch onvergankelik zijn: hoedanig hy noodsakelik wesen moet, van wien de ziel ontstaat. Want ik self niet en begrijpe, dat mijne ziele kan te niete gaan: maar wel, als geseid, datse sonder uitgestrekte plaats, ongemeten en ongewogen is. Die dan voor al, van wien de Ziel geschapen is; dat, uit niet gemaakt: also ik gansch geen stoffe begrijp, daar die uit gemaakt kan zijn: maar wel, datse sonder stoffe, dat is wederom, onlichamelik is. §. 2. Maar nu merk ik verder, dat de oorsaak mijner Ziele, al noem ik hem Geest, nochtans sulken Geest niet is. Want de mijne is van hem, hy van niemant afgekomen. Mijn geest is, hoewel niet plaatselik; noch gans in wesen so bepaald, dat deselve meer niet is, noch vermag, dan de

{==9==} {>>pagina-aanduiding<<}

Schepper heeft gewild. Maar hy self, van geen ding afhangelik, (want ik God niet anderssins begrijpen kan) word door geen ding bepaalt. Ik noem hem maar Geest, om dat ik geen woord in enigerhande tale vind, om hen regt te noemen. Des geef ik hem desen naam, om dat het die van 't allervolmaaktste schepsel is; al is hy de Schepper self, die oneingelik verschilt van 't gene dat hy heet. Den genen dan, daar 't al van af komt en van af hangt, noem ik in onse tale GOD. En dat doe ik als een Kristen, die de veelheid der Goden niet en kenne, op ene andere wijse dan hy doorgaans Geest genoemd word: welken naam, als geseid, men ook aan veelerhande schepselen geeft: maar die van God aan niemant dan aan eenen alleen. §. 3. Maar so veel als vorder het woord Geest betreft, de gemeenschap van name moet ons hier niet in gedachten brengen, dat die Geesten Gode enigsins gelijk zijn. Geen tijd noch arbeid word mijns oordeels onnutteliker besteed, dan de gene dienmen in vergelijkinge der geschapene Geesten met den ongeschapenen verslijt: niet om de uitneemende volmaaktheid des Scheppers uit de schepselen af te meten; maar om te denken, dat desselfs oneindig wesen enige gelijkenisse met het eindig maaksel heeft. De geestelikheid der Godlyke Nature poogtmen ydelik uit die van de Ziele te verstaan, die waarlik niet meer na 't goddelijk gelijkt dan het Lichaam doet: waarin ik waarlik van de filosofen dese en des ouden tijds belijde te verschillen. En daar in schrijf ik aan de Godheid veel volstrekteliker de volmaaktheid toe dan sy doen. Want by wien sult gy God vergelyken? ofte wat gelykenisse sult gy hem toepassen? Ies. 40: 18. Seer grovelik word des menschen ziele divinae particula aurae een stuxken van Gods geest (so ik het regt verduitsche) van den heidenschen dichter genoemd. Wel is waar dat Paulus, Heidenen toesprekende, uit den heldenschen dichter Aratus meld, dat wy Gods geslagte zijn. Hand. 17: 28, 29. Maar dat doet meer tot het wesen niet, dat 't gene Lukas ook van Adam schrijft, dat hy was de soon van God. Luk. 3: 38. Ende wil ik op desen grond op 't duidelixt verklaren wat het zy, dat de mensch na Godts Beeld geschapen is; tot Gods meerder eere, duidliker verklaringe en nader versekeringe van de leere der gereformeerde kerk. Doch om dat hier te doen, soude my te verre brengen buiten mijn bestek, waaraf ik de palen ordershalve niet versetten mag. §. 4. Dit is het dan dat ik hier nu seggen wil; Niet dat Gods wesen Geest en Lichaam beide is, of in Denking en Uitstrekkinge bestaat; gelijk Spinosa raast: maar dat hy geen van beiden is. En wanneer ik segge dat d'uitgestrektheid gansch geen eigenschap van God is, om dat sulx tegen de volmaaktheid strijd die hem betaamt: so ontkenne ik echter niet, dat hy een denkend wesen is; om dat in denkinge geen onvolmaaktheid is, by haar selven aangemerkt. Of sy my iemant dit betwisten wil: hy sal my echter toestaan, by gebrek van woorden, God niet noemen kan so als hy is; om dat de menschen, Gods innerlijk wesen geensins kennende, nooit op woorden

{==10==} {>>pagina-aanduiding<<}

bedacht waren om dat uit te drukken: so ben ik mede nodelik daar toe gebragt, dat ik, om sijne uitneementheid boven alle schepselen te melden, hem so aanmerke als 't volmaaktste schepsel sich vertoont. §. 5. Doch het is met een te sien, dat wanneer wy hem een denkend wesen noemen; echter geensins meinen dat hy is het gene een schepsel is dat denkt. Wy begrijpen dus niet wat hy is; maar beter wat hy niet en is, dan oft wy hem by lichamelike dingen, welker aart in uitgestrektheid rust, betekenden. Waar uit dan ook volgt, dat de naam van Geest in geheel anderen sin op God als op enige schepselen gepast word. Waarom ik, om na behooren van God te spreken, liever dese onderscheidinge van ongeschapen en geschapen Geest vermijden wil; om my selven van alsulke gedachten af te spenen, datter enige de minste gelijkheid tusschen God en enig schepsel zy; also de betekenis en 't gebruik der woorden ons gemeenelik tot sulk een begrijp der saken leid. Bemerkende nochtans, dat de naam van Geest by 't gemeen gebruikt word, niet so seer om uit te drukken wat het is 't gene men daar mede wil betekenen, als wel wat het niet en is, te weten dat het onlichamelijk is: so sie ik mede wel, dat men dan veilig seggen mag, gelijk de Schriftuur ook seit, God is een Geest. Want daar uit volgt ten minsten, datmen hem niet lichameliker wijse; maar met den geest, dat is, in dat deel des menschen dat onlichamelik is, na waarheid eert. Ioh. 4: 24. §. 6. Schepsel word dan voorts genaamd, al wat ik meer behalven my, buiten God, die daar van de Schepper heet, bemerken kan. Dat heeft buiten twijfel zijn begin gehad. Ik wil seggen, dat het gene men nog heden in elk besonder schepsel siet, dat het eens begint, en eens weer te niete gaat; het selfde moet ook waar zijn van het algemeen: invoegen dat, gelijker een tijd is dat dit of dat noch niet en is, en een tijd dat het word; insgelijx een tijd geweest is datter niet met allen was. De stoffe daar dit alles uit bestaat en kan niet eeuwig zijn. Sietmen dat: so moet men swijgen wanneer de reden word gevraagd, of deselve van eewigheid dus verscheiden alsmen heden siet, of eenparig is geweest. Want niemant sal ontkennen, dat het volstrektelijk volmaakt is het gene van eewigheid is: doch 't gene volmaakt is kan niet verscheiden, maar moet noodsakelik eenparig zijn. Indien dan ooit de stoffe daar alles uit ontstaan is, onverscheyden en eenerhande geweest is; wie is de gene die deselve in so veelerhande onderscheiden heeft? Of is dat so van self ontstaan: so moet het zijn geweest, om dat de natuur der Stoffe tot de scheidinge geschikt was. Doch hoe heeftse dan ooit, en dat so langen tijd, van eewigheid af ongescheiden konnen zijn? Of was de natuur veranderd, die deselfde stoffe, eerst onscheidelik, daar na tot scheiden bragt? wie konde d'oorsaak van alsulke veranderinge zijn? So volgt dan, aan wat zijde men dit alles keert of wend, dat de Stoffe waar uit alle lichaam bestaat, het zy gescheiden of al evenseens gesteld, uit sekere oorsaak ontstaan is die geen oorsaak heeft. §. 7. Dese, te wete God, d' eenigste zijnde die de stoffe voortbrengen, onderscheiden, en tot verscheidene Lichamen t'samen stellen konde; kan

{==11==} {>>pagina-aanduiding<<}

nochtans hem self niet onderscheiden noch verdeelen. Want dat verdeeld of verscheiden is, kan, als geseid, niet eewig; nochte volgens dien almagtig, algenoegsaam, en also volstrektelik onafhankelijk zijn. Dat in veelen bestaat, daar van is het een het ander niet: en dat het selfde niet en is, heeft niet al wat het ander heeft, ende heeft noodsakelik iet dat het ander niet en heeft. 't Is onmogelik dat het de selfde man niet zy dien ik gisteren sag, ende heden weder sie; so daar niet het minste is, waar in de gene dien ik nu sie, van den genen die ik gisteren sag, verschilt. Hoe kan ik anders mijnen eigenen vader, soon, of broeder? hoe kan ik mijn eigen huis kennen als om dattet noch even eens en ter selver plaatse staat, als het van te voren stond? nu wil ik dan seggen; dat, soder verscheidenen Goden zijn, geen van allen volmaakt kan zijn, en derhalven ook geen God. Want d'eene moet nootsakelik iets wesen of vermogen, dat d'ander niet en is noch vermag. Waar die God is, die moet alles in allen zijn. So ik dan al die selfde eigenschappen bemerke, in den genen die de Sonne en de Maan; als in hem die den Aardkloot, die den mensche, die het Vee geschapen heeft, so besluit ik, dat het al van eenen Schepper is. §. 8. Nu van 't Schepsel tot den Schepper wederkeerende: wanneer wy de saken insien na den aart so als wy die noodsakelik vatten, dat buiten dien geen begrijp daar af te maken is; so komt ons allereerst de uiterste volmaaktheid voor, die wy denken in God is. Neemter 't minste maar af, hy en sal geen God meer zijn. Derhalven is sijne werksamheid ontrent het schepsel door tijd noch plaats te meten noch te onderscheiden. So veel als dan den Tijd betreft, so en is in aansien van den Schepper, de onderhoudinge en regeeringe des Weerelds van de Scheppinge niet verscheiden: want al zijn dat twee verscheidene dingen in ons begrijp; by God en is dat niet. Sijne werksaamheid is niet, gelijk de onse, door verscheidene werkingen verdeeld, noch door tusschenposingen gebroken: maar een. Het Schepsel heeft den tijd van doen, om te worden en om te duren. Terwijl het word, is de tijd voorby dat het niet en was: en moet de tijd noch komen dat het duren sal. Maar by God en is geen onderscheid van tijd: waarom niet? om dat de tijd het Schepsel meet; maar dat de Schepper onmetelik is. Daarom ook de Schrift, hoewel dikmaals menschelik van God sprekende, getuigt, dat een dag by hem als duisend jaren is, en duisend jaar gelijk een dag. Psal. 90: 4. 2 Pet. 3: 8. Gemerkt dan, dat al wat God doet, maar een enkele dadigheid is, so veel hem aangaat; als is 't dat wy d' uitwerkingen daar van op onse wijse, die uit onvolmaaktheid spruit, na de verscheidenheid der werken dus verdeelen: so moetmen besluiten, dat hy in de onderhoudinge en regeeringe des Weerelds, so wel als in de scheppinge alleen, en sonder metgeselle is. §. 9. Met de plaats is 't eveneens gelegen: God en word daar door niet meer gemeten noch bepaald dan door den tijd. Die Hemel en Aarde vervult, die over al naby is, die so kragtig is van verre als van naby; gelijk de Schrift

{==12==} {>>pagina-aanduiding<<}

uitdrukkelik getuigt, Ier. 23: 23, 24. en de reden self ten klaarste leert: Hemel, Helle, Zee en Land, het is hem alles even na. Psal. 139: 7, 10. Die in den Hemel woont, en op der Aarde tot in 't diepst van 's menschen herte siet; Psal. 33: 13, 14, 15. wat plaats, wat schepsel isser, dat voor sijne voorsienigheid verborgen zy? Al spreekt de Schrift eenvoudig so, om des gemeenen mans wille; daarom is den inhoud van haar seggen buiten waarheid niet. Want de groffe gedachten diemen van God hebben kan, sonder hem een lichaam toe te schrijven, op sulken wijse verklaard; laten echter geensins toe, gelijkmen hier aan siet, datter plaats of schepsel in de weereld zy, daar hy self niet by is: so dat het over al de selfde God moet zijn, die 't al geschapen heeft en 't al regeert. §. 10. Men mag ook niet denken, dat hy sich meer met den Hemel dan met de Aarde bemoeit; om daar uit twee Goden, den eenen 's Hemels den anderen der Aarde te versinnen. Want dat gevoelen ligt op dien valschen grond, dat den Hemel van onverderfeliken aart, en volmaakter dan de Aarde zy. De schrift, die dat schijnt te seggen, en seit het echter niet. Want dat hem den Hemel tot sijnen Troon word toe geschreven, gelijk sich ook de Schrift self na ons voegt met spreken: Psal. 103: 19. en 115: 3. Ies. 66: 1. sy geeft daar nevens klaarlijk te verstaan, dat sulx maar ene manier van spreken is; en dat hem eigentlik d'Aarde so na is als den Hemel self. Sulx blijkt uit dien, dat hy ter self der plaatsen, daar hy den Hemel sijnen Troon, en d' Aarde sijne voetbank noemt: ja met die woorden self, te kennen geeft, dat hy eigentlik nergens in 't besonder woont. Want so de Hemelen, ja de Hemel der Hemelen hem niet begrijpen, gelijk het Salomon uitdrukkelik verklaart: 1 Kon. 8: 27. 2 Kron. 6: 18. So moetmen seggen dat hy al so wel op Aarden, en also niet verr' en is van enen iegeliken van ons. Hand. 17: 17. §. 11. Beschouw my toch den Hemel eens: wat verschilt die, God aangaande, ende in sijne eigene nature van der Aarde? zijnse niet alle beide sijner handen werk? is hy niet so na aan 't eene als aan 't ander? Maar wat is den Hemel, dat die beter zy dan d' Aarde? Is het om de schoonheid van 't gesicht? Waarlik komt'et ons so voor: Als ik den Hemel aansie, seit David, het werk uwer vingeren, de Maan ende Sterren die gy bereid hebt. Psal. 8: 4. De heidenen hebben 't mede so begrepen, dat God tot dien einde os homini sublime dedit, den mensche met het gesigt opwaarts geschapen heeft: om niet alleenlik op de Aarde, maar met eenen verre van sich af, en na den Hemel op te sien. Doch niettemin word d' Aarde in de H. Schriften self also wel, en vermits de nabyheyd noch meer dan den Hemel, tot stoffe van des Scheppers lof gemeld. Men hore God self tot Iob daar af spreken. Iob. 38. 39. 40. en 41. capp. en David in den 65. 104. 107. en 148. Psalm. §. 12. En waarlik is' t ook so. Men heeft Aristoteles niet te geloven, die sonder bewys geleerd heeft, dat de Hemelen van beter stoffe waren dan de Aarde: ende hebben alle d'ouden aan desen steen gestoten, wanende dat al wat hemelsch is volmaakter zy dan 't gene aardsch is. Wat dede hen

{==13==} {>>pagina-aanduiding<<}

sulx geloven? dat de mensche naby niet en vind, dat soekt hy om verre: siende dichte by so veel veranderlijks en onvolmaakter dingen op der Aarde; so denkt hy dat de volmaaktheid, die hem hier ontbreekt, in den Hemel is, dien hy om de verdte so naauw niet beschouwen kan. 't Is mede door de swakheid van het menschelyk begrijp, datmen 't gebrek des eenen schepsels door het ander soekt te vullen; en also volmaakter nature versint, om de gene die so volmaakt niet is te helpen. Dies is het den mensche gereeder geweest den Hemel de voogdy der Aarde toe te schrijven, dan den Schepper van die beiden. D'oude grieksche en latijnsche Dichters hebben dus den Hemel tot den eersten God gemaakt; en de Natuurkundigen selve gemeind, dat de Lichten aan den Hemel in der menschen handelingen op der Aarde werksaam zijn. §. 13. Maar sy sien den Hemel als een schoon verwelfsel aan, en d' Aarde als een vlak, dat rondom daar van besloten is. Doch dat en is waarlik niet dan blotelijk in ons gesigt. Want d' Aarde is niet platt, maar rond: en wat den Hemel is, dat en weetmen niet; schoon die van den gemeenen trant stoutelik beweeren willen, dat den Hemel rond is. Insgelijx is dat nu bij sekere ondervindinge bekend, dat de hemelsche lichamen also wel als d'aardsche der verandering onderworpen zijn; en self door die verandering die in hunne deelen, gelijkerwijs als hier op Aarde, geschied, in hun wesen blijven staan. Ons moet dan ook dat schoon gesigt van 's Hemels lichten niet misleiden, als ofse in het self volmaakter wesen hadden dan den aardkloot heeft. Want het buiten twijfel is, dat de Maan en andere Sterren, die den Hemel ommelopen, in hen selve dicht en duister; en alleenlik van de Sonne door den weerschijn dus verlicht zijn, datse t'onswaarts sulken schijnsel geven. So derhalven mogelijk ware, dat wy eens op een derselven stonden: d' Aardkloot soude ons, van de Maan af gesien, mede als een grote Maan; en van de Son af als eene van de Sterren schijnen. §. 14. Nader komende so vraag ik noch, wat meintmen dat den Hemel is? Niet anders dan ene schikkinge van 's Weerelds grootste deelen na ons klein begrijp. Iemand door 't kanaal tusschen Engeland en Vrankrijk varende, sal seggen, so hy west aangaat, dat Engeland aan stuurboord, Vrankrijk aan bakboord leit: maar set hy 't oostwaart aan, so sal hy Engeland aan bakboord, en Vrankrijk aan stuurboord hebben. Niet veel anders isset dat wy de Son aan den Hemel sien: die na de natuur te merken in 't middelpunt, isset niet van de Weereld: immers van dit vak, daar in sich d' Aardkloot mede bevind, te stellen is. So iemand sich aldaar bevonde, of in de Maan: het is seker dat hy desen Aardkloot, dien wy als een hoofddeel van den Hemel onderscheiden even eens als van hier de Son en Maan, aan den Hemel souden sien. 't Schijnt ons toe, dat de schepen, diemen verr' in Zee; bergen of gebouwen, diemen aan d'oversijde dicht aan de kimmen siet, aan s' Weerelds eind, en als van den Hemel besloten zijn. Want verder henen sietmen land noch zee; dan niet als lucht: het vertoont sich al op

{==14==} {>>pagina-aanduiding<<}

eene ry, sonder datter 't enkel oog de minste scheiding aan bemerkt. Maar komtmen nader: men bevind, dat het gene ons in eenen kring en gelijken ofstand scheen te staan, so verre van malkander is; dat dikmaals 't voorste tienmaal nader was aan ons, dan aan 't achterste dat ons eerst al even na toescheen. Dus is het sekerlik gemeten, dat de Son ten minsten twintigmaal so verre van ons af is als de Maan; en dat andere Sterren duisendmaal verder af zijn dan de Son. Nochtans kan 't niet anders wesen, door de nature van 't gesigt, of sy moeten ons toeschijnen datse alle even eens als in een verwelfsel staan, gelijk als lampen romdom heen evendrachtig opgehangen. §. 15. So en was het dan gansch niet van node, dat de Godheid sich in tween scheidde; in voegen dat het alleropperst wesen als 't volmaaktste in den Hemel heerschte, en een ander min volmaakt sich met d' Aarde behielpe: nademaal wy sien, dat Hemel en Aarde slegts onderscheidingen van menschen zijn, na derselver begrijp en gebruik; en dat den Hemel anders niet en is dan dat geheele ruim des Weerelds, daar wy self op der Aarde van omring zijn en d' Aarde self een deel van is; doch aangemerkt, so als 't sich hier op Aarden aan ons gesigt vertoont. En 't is waar, als geseid is, dat sich de H. Schrift self in desen, gelijk in andere dingen, na onse tale schikt. Gesteld, dat den Hemel als boven ons, so als 't oge dat begrijpt, daar door weerdiger plaats geachte moet zijn, waar toemen over al de hoogste kiest: so pastet ook, menschliker wijse (gelijk de Schrift gewoon is) van God te spreken, datmen hen als den hoogsten in eere, ook den Hemel als de hoogste plaats ten opperkoninglijken zetel geve. Maar te meinen, datter waarlik sulken onderscheid in de plaatsen of de saken selve zy, dat is so veel als niet verstaan wat de Hemel of de Aarde is. §. 16. Gelijk sulx dan niet eigentlijk van God te verstaan is: also magmen ook niet denken, dat iets in den Hemel of op Aarde voor sijne sorg en opsigt te geringe zy. Praetor minina non curat: de Schout moeit sich met geen kleinigheden: daar zijn mindere voor, dien sulx bevolen is. Maar die dit op den allerhoogsten Regter passen, meinen al wederom, gelijk flus geseid is, dat God, 'teenemaal is gelyk als sy. Ik ben, seid hy, God, en geen mensche. Hos. 11: 9. hebt gy, seit Iob, vleeschelike oogen? Siet gy gelijk een mensche siet? Iob. 10: 4. Doet hier vryelijk by, dat wy de regte kenners niet en sijn van 't gene volmaakt is of niet en is. Want geen ding is volmaakt gelijk God is, die niet meer worden kan dan hy is: alles is volmaakt in sijnen aart, het zy groot of klein so als het God geschapen heeft. De Mier is so volmaakten dier als d' Olifant, al en isse so groot niet. Men siet door een vergroot glas desselfs allerfijnste delen, so wel in order geschikt als de grofste van den Olifant. Is een grof-smid volmaakter konstenaar dan een goud of silversmid, om dat hy groter stukken werkt? Vorder isser niet ter weereld so gering dat sonder God ontstaan kan, volgens dien ook niet bestaan. Want hoe minder wesen 't heeft, so den mensche dunkt, des te groter kragt moet hy hebben die dat swakste wesen onderhoud.

{==15==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 17. Niet op de kleinheid slegs, (mogt iemand nader seggen maar om d'onweerdigheid der aldervuilste dingen, past het beter dat deselve van geringen Goden, dan den grootsten God gehavend werden. Maar die sulke geachten heeft moet meinen, dat de Geneeskunst geringer dan 't kleermakers of schoenlappers handwerk is; om dat gene somtijds op des menschen afgang en vuligheid moet sien, om te oordeelen wat siekte dat hy heeft en dat sich dese met alsulke dingen niet bemoeit. Sulk onderscheid is niet in aansien van God, noch in de Nature self; maar alleenlik in ons oordeel te sien. Want dat schikt sich na 't gebruik dat wy van de saken hebben; en besonderlik 't lichaam betreffende, na dat wy verscheidelik van deselve worden aangedaan. 't Gene somwijlen den eenen lelik stinkt, het kan zijn dat het den anderen lieflijk riekt; dat den eenen seer wel smaakt daar een ander vies af is; dat d'een vermaakt is met een geluid, dat den anderen verdrietig valt: en so van d'andere sinnen mede, welker beweegingen de mensch in sijn oordeel ontrent de natuur der saaken maar te veel en volgt. Hierom is 't dat d'Hebreen {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ta-am smaak noemen 't goedbedunken dat de mensch van allerhande saken heeft. Eindelik heeft ons d'ondervindinge door behulp der vergrootglasen geleerd, dat de verrotte lichamen in een oneindig getal van allerkleinste beestjes bestaan; welker geen nochtans buiten 't oog en de kracht des algemeenen Scheppers is. Wy besluiten dan, datter geene plaats ter weereld, noch geen ding waar ter plaatse dat het wesen mag, hoe gering of hoe vuil in onsen ogen; onder enig ander bestuur dan Gods des algemeinen Scheppers is: en datter volgens dien geen meer Goden noch bestierders van de Weereld zijn dan een.


III. Hoofdstuk. Derhalven isser gantsch geen reden om te denken, datter enige Daemones, Halfgoden of Ondergoden zijn.

§. 1. TOt dusverre bewesen zijnde, datter geen meer Goden noch besierders zijn dan een: so moetmen verder ondersoeken, offer sulke Semidei, dat is Halfgoden, zijn, die de Grieken daimonas noemden; van welken in het I. Boek II. Hoofdst. §. 14, 23, verhaald is. De Zemeens en Mabujas der Amerikanen komen, als X §. 9, 11--14, 17. gemeld is, met deselfden over een. Al en hebb' ik hunne redenen hier voor om kortheids wille niet verhaald, gelijk ik 't nu daarom ook niet sal doen: so mag nochtans de Leser lichtelik bemerken, waar sulk gevoelen uit ontstaat. Want het blijkt uit het gene reeds II. §. 4, 5, 7. is aangemerkt, dat de Heidenen, de volmaaktheid van het godlik wesen niet wel beseffende, nadien sy 't al te menschelik begrijpen: daar door tot die gedachten vervallen zijn, dat God Daemones, dat is, sulke geesten als Stedehouders en Middelaars behoeft, die 't bewind van 's Weerelds algemeen bestuur onder sich verdeelen. En dese moesten, sose meinen, Geesten, dat is van volmaakter wesen zijn,

{==16==} {>>pagina-aanduiding<<}

dan de Lichamen; die 't verstand niet hebben dat tot regeringe van noden is. Daar by bedenkende, dat den Opperhemel, als 't eerste deel des ganschen wijden Weerelds, allerbest tot ene woonstede van God den Albestuurder paste; en d'Onderhemel van de Sonne, Maan en Sterren voorsien, den Aardkloot van Menschen meest bewoond is: so docht hem dat de Lucht, die tusschen beiden is, mede niet sonder inwoonders moest zijn; welke sy dan meinden dat de Daemones waren. Dit so van geleerden self versonnen, magmen denken dat het volk te gereeder heeft geloofd: bemerkende verscheidene onvoorsiene werkingen; sonder Lichaam te sien, waar uit die konde voortgekomen zijn. §. 2. D' Ideen van Plato en d' Intelligentien van Aristoteles, so als ik in 't begin des I. Boeks. II. §. 5. van deselven aangetekend hebbe, quamen mede uit den selfden hoek. Want dat deelen van 't Goddelik bestuur, de bestendige loop, het licht en de kracht der hemelscher schepselen, dede Aristoteles geloven dat het godheden waren die dese lichamen besielden: daar de Iode Maimonides mede een groot stuk weegs na toe loopt, I. B. XII. en Mahomet niet verre van daan blijft; en Origines, hoewel een kristen, 't oor toe leent. I. B. XV. §. 10. Wederom Plato Gods besluiten menschelik beseffende, begreep de denkbeelden in hem als verscheiden, om dat d' afdruksels verscheiden zijn: even eens als een konstenaar verscheidene beelden schetst, om 'er andere na te maken. Siet daar alle de redenen, waarom de wijsen deser weereld, buiten schrift of openbaringe, al van ouds af dachten datter Geesten waren: sose niet met een door een schemerlicht, hen mettertijd door de reten van Gods tempeldeur bestralende, sints dat de Ioden met den Bybel onder 't Heidendom verspreid waren, zijn versterkt geweest §. 3. Eens toegestaan datter Ondergoden zijn, so heeftmen die wel haast voor Middelaars genomen tusschen d' Oppergoden en den Mensch: insonderheid diemen acht half God half Mensch te zijn, ende also in hunne eigene nature beiden even na. Sulk gevoelen lang voor 't Kristendom geweest, is derhalven uit gerugten van Gods openbaringe in den vleesche niet ontstaan. Het heefter ook gansch geen gemeenschap mede, dan alleenlik in den klank: also half God geen God, en half Mensch geen Mensch kan zijn; en also geensins beidegaar in een. Gods volmaaktheid lyd niet dat iet half kan wesen 't gene hy is; de wijle 't onderscheid tusschen God en Mensch oneindig is. Men siet ondertusschen, dat het vereeren der Mabujas en der Daemons hier uit is ontstaan. Den grootsten God of Goden om geen kleinigheden quansuys moeyelik te vallen, so moesten dese kleine Goden, dese Middelaars al den aanloop hebben. De Roomsgesinden stellen hunne Heiligen in deselfde plaats: andere namen, maar al een en 't selve doen. §. 4. Noch 't een noch 't ander heeft weerlegginge van node. Want het gene versch van Gods volmaaktheid, en 't oneindig onderscheid tusschen hem en 't schepsel is geleerd, stoot het al om verre. Geen Intelligentien derhalven, geen Ideën, geen Daemones, geen Semideï: Een God alleen is't al in al. Derhalven valt hier niets te middelen voor de genen die Gode niet

{==17==} {>>pagina-aanduiding<<}

even gelijk, die merkelijk minder en dienvolgens sijne eigene schepselen zijn; die self van hem af hangen, in hun werken en bestaan. Tweedingen zijnder echter, die ik wel wat nader onderzoeken wil: de Plaats die men voor dese Middelgeesten open houd, en 't Bewind datmen het in dese weereld geeft. §. 5. Het heeft ten eersten geenen grond, datmen Geesten versint om plaats te vullen: en dat daarom de Lucht of den Onderhemel, ledig van lichamen zijnde, moeste vol van Geesten zijn. Even eens, of de Lucht of Hemel self niet lichaams genoeg, en alleenlik plaatsen waren: of dat de Geesten plaats, op die wijse als een lichaam behoefden. Sy verstaan den aart eens Lichaams noch der Geesten niet, noch der plaatsen, die so spreken. Sy versinnen ook niet wel, hoe groot dat de Weereld is: en het blijkt uit sulken slegte redenkavelinge, dat dese Filosofen in de Wiskonst onervaren zijn. Want die soude hen anders leeren, dat de Lucht, die desen Aardkloot omringt, niet te beduiden heeft by dan onmetelik ruim, waar in de Sonne, Maan en Sterren zijn: en dat elk van dien (dit sullen self de Natuurkundigen seggen) sulken lucht om sich heen heeft; dien sy dan al so wel als den onsen van Geesten, als inwoonders, behoorden te voorsien. Volgens de kleinste meetinge by wiskonstigen bekend (want om dat hier uit te rekenen vereischt den inhoud van mijn schrijven niet, so word van der Aarden tot de Maan ('t uitterste dat dese Lucht sich strekt) ruim 50000 duitsche mijlen gemeten: maar van de Mane tot de Son wel twintigmaal so veel. Moet al die ruimte dan ook van geen geesten voorsien zijn, so het de eerste wesen moet? En waar salmen 't volk van daan halen, dat de plaats tusschen de Son en d'andere Planeten, die noch veel grooter is; en van Saturnus den uitersten Planeet, tot de vaste Sterren toe, die nauwelix te weten is, bewonen sal? Siet so weinig wetense, die meinen datse plaats voor Geesten weten, en daar uit besluiten datser zijn. §. 6. Maar dan tonense met een, datse de natuur der Geesten niet verstaan. Geen Lichaam isser sonder plaats; ende is dat so verre waar 't gene van ouds gesegd is; Quad nusquam est, non est, Dat nergens is, dat is niet Maar van enen Geest word niet eigentlik gevraagd waar hy is maar waar hy werkt. D'ouden hadden dat al mede enigsins gevatt, wanneerse seiden: Animam non esse ubi animat, sed ubi amat, Dat de Ziele niet en is daarse leeft, maar daarse lieft. Plaats en kanmen niet versinnen sonder Ruimte: noch die ruimte sonder palen, hoe verre datse strekt, klein of groot; na dat het lichaam groot of klein is, dat die plaats bestaat. Elke plaats is dan van 't gene dat daar in geplaatst is so genaamd; of (om den ongeletterden wat meer te ontmoeten, na 't gene datmen daar in plaatsen wil Neemt dat iemant een huis wil timmeren, of enen tuin aanleggen; daar moet plaats toe zijn: hy siet hoe veel ruimte dat hy heeft, daar na maakt hy sijn bestek: of hy maakt dat eerst, en neemt dan so veel plaats als dat vereischt. Maar of hy meinde verscheidene vertrekken daar in te maken, om Geesten te huisvesten; in 't eene 10. in 't ander 100. in 't derde 1000: meint hy dat het laatste so veel rui-

{==18==} {>>pagina-aanduiding<<}

mer soude moeten wesen als 1000. meer dan 10. of 100. is? Vreest hy dat sich anders de Geesten niet en souden keeren noch wenden konden, sose te naaw mogten gehuisd zijn? Die dat denkt, die moet ook denken dat een Geest een Lichaam is. §. 7. Onse kristen leeraars meinen sich wel uitgesloofd te hebben, met dit onderscheid te stellen: dat een Lichaam in ene plaats is circumscriptivé, dat is, omschrijvender wyse: een Geest definitivé, bepalender wyse, maar God self repletivè vervullender wyse. Doch die wyse van spreken verwert de saken diese onderscheiden wil. Want een Lichaam self, ende ook anders niet dan een Lichaam, op alle die drie wijsen en in sekere plaats moet zijn: God noch Geest op geen van drie. De saak is klaar. Eerst so veel het Lichaam aangaat; dat het tot sekere plaatse bepaald is, daar het is en elders niet: dat het met die plaats omschreven is; so veel plaats beslaande als 't dan is, niet meer noch min: en wat is klaarder als dit, elk Lichaam sijne plaats vervult? So gy van God, in aansien van de plaats wat seggen wilt, segt dat hy Hemel en Aarde vervult. Want dat seit de Schrift Ier. 23: 24. Doch hoe sulx te verstaan, verklaren ons Filosofen best: wanneerse seggen, dat God in geen sekere plaats bepaald, of ingesloten, en van ene andere uitgesloten; maar over al even na tegenwoordig is, niet door uitstrekkinge sijns wesens, (want dan ware 't lichamelik) maar door algemeene werksaamheid. §. 8. Van de Geesten moet ik nu wat nader spreken. Een geschapen Geest en heeft geen plaats, dan so verr hy op een lichaam werkt, dat op sulken plaats is: datmen dan met eenen om die reden noemt de plaats van sulken Geest: De gewone plaats van 's menschen Ziel sal in dien sin sijn lichaam zijn: want daar in werktse meest. Maar denktse aan personen, of aan saken die op andere plaatsen zijn, verr of na: so is daar ook voor so veel haar plaats. En sy kan met gedachten van andere dingen buiten 't Lichaam so seer ingenomen zijn; datse hoort noch siet, noch in 't Lichaam niet en werkt; het welk de Schrift verrukkinge van sinnen noemt. Hand. 10: 10. En Paulus selve twijfelt of sijn Geest niet buiten 't lichaam was, wanneer hy sich in 't Paradijs bevond: 2 Kor. 12:3. een bewijs, dat het hem niet ongelooflik docht, indien 't so mogte geweest zijn. So ik dan aan de grootheid deser stad, na den omvang harer vesten denke, so heeft mijne ziele so veel plaats als de stad beslaat: denk ik met een aan Londen en Parijs, om die t'samen te vergelijken; so is mijne Ziele in drie steden teffens, die so veel mijlen van malkander staan. Maar met mijn Lichaam kond ik maar op eenen tijd in een van drieën zijn. Wil ik nu noch meer doen: so veel als de Ziel betreft; die sal de grootte van den ganschen Aardkloot met eene gedachte bevatten; sy sal tot aan de Son en aan de Sterren klimmen: daar is dan de Ziel, so veel plaats beslaatse dan: indienmen so wel spreken mag. Daar tegen sullen duisenden van Zielen in een klein plaatsje zijn; gelijk de gene die den grooten koning William, binnen scheeps boort besloten, om over zee te varen, aldaar met volle genegentheid hunder gedachten gesel-

{==19==} {>>pagina-aanduiding<<}

schap hielden; of gelijk veeler menschen gedachten op een selfde plaats of sake die aldaar geplaatst is t'samenstemmen. Onnodig derhalven datter Geesten zijn, om de ledige plaats te vullen: een Geest kon dat wel doen; en vele teffens in de kleinste plaats noch ruimte laten. Doch wanneer het tot eenen komt: God self is een; en so volmaakt, dat hy (als geseid) alles in allen vervult. §. 9. Met het bestier des Weerelds moet het even eens gesteld zijn. Die het al gemaakt heeft, en daar door alleen de Heer van alles is, heeft alleen het regt en de magt om het al te regeeren. Genomen dat hy aan anderen, dat is aan enige sijner edelste schepselen, dat regt al geeft, door hen in 't bewind van 't een of ander deel te stellen: so en geeft hy doch daar toe 't vermogen niet; om dat hy niet en kan. Want hy aan sijn eigen schepsel niet kan geven 't gene hy selfs is, en dat het geen schepsel zy. Maar het kan geen schepsel zijn 't gene de Natuur, self in 't allerminste deel, bestuurt; te weten om die te maken anders alsse is. Om my wel te verstaan: so en hoort my niemant lochenen, dat de Mensch, als een Ondergod op Aarde, dese aardsche schepselen regeert; ende is van den Schepper self daar toe gesteld. Gen. 1: 26, 28. en 2: 15. en 9: 2. Psal. 8:7, 8, 9. Maar sulk ene regeeringe magmen met regt dienstbaar noemen. Want de Mensche kan verder niet doen dat de Natuur hem geeft; daar hy 't minste niet aan veranderen, noch een sijner eigene hairen witt of swart kan maken. Matt. 5: 36. en 6: 27. Self sal hy aan 't geringste vogelken geen voedsel, noch aan de leliën des velds enigen wasdom geven konnen; maar alleenlik de middelen toe dienen, so de Hemel hem die geeft. In 't I Boek IV. §. 2, 3. is daar af al iet geseid, daar ik my in desen na vereisch der sake, toe gedrage. So dat het hier op aan komt: de natuur self te bewerken, niet als Dienaars maar als Meesters der Nature, dat en staat by niemant dan by God alleen. §. 10. Want neemt eens, dat hy 't meesterschap over 't een of ander deel des Weerelds aan anderen overlaten wil: wien sal hy daar toe vinden die sijn schepsel niet en is? Want meer Scheppers, of allereerste oorsaken, dan een, dat is meer als een God, gelijk geseid is, kan onmogelik niet zijn. Neemter ook noch by, (schoon 't niet wesen kan) dat enige Schepselen, heerliker dan andere, als mindere Goden dat werk magtig zijn: wat reden heeft de Allerhoogste God om hen dat bewind te geven? Ist om dat hy 't werk alleen niet af kan? Hoe heeft hy 't dan alleen gemaakt; Die 't al in wesen bragt dat te voren niet en was, is sachts ook bequaam om het te onderhouden en besturen nu het is. Of vreest men dat het hem te seer vermoeijen soude, so hy alles door hem self alleen besorgen mogte? Die so spreken, moeten meinen dat God t'eenemaal is gelijk als sy. Psal. 50: 21. Was hy niet moede van maken, so word hy 't noch veel minder van 't bestuur. Moest hem 't scheppen der Natuur enige de minste moeyelikheid aanbrengen; waarom bleef hy niet alleen? wat onvolmaaktheid was 't in d' uiterste volmaaktheid, die deselve noodsaakte tot een werk, dat den minsten hinder brengen konde aan de volstrekte geluksaligheid? Blinde Heidenen: En weet

{==20==} {>>pagina-aanduiding<<}

gy niet? en hebt gy niet gehoord, dat de eenige God. de heere, de Schepper van de einden der Aarde, noch moede noch matt en word? Ies. 40. 28. §. 11. Maar hoe soudense ontrent Gods onbegrijpelik wesen sich so byster niet vergrijpen, nadien datse de natuur van hem geschapen noch niet eens verstaan: Want het is gansch niet op sijn Filosoofs, immers niet wiskonstig uitgevonden, datmen sulke ongelijke deeling van 't bestuur des Weerelds onder so gelijke Goden heeft gemaakt. By geen andere Heidenen is dat duideliker dan by de Indianen en oude Persianen te sien. I. B. VII. §. 6, 7, 8. Van drie Goden eener selfde orde sal d'een de Zielen uit deelen, d'ander de behoeften dese levens versorgen, en de derde den Dood bestellen. Isser dan niet meer te doen? Wie regeert nu d'andere menschen, dieder honderdmaal meer in de weereld zijn, dat de genen die van Permiseers geboden weten? Hoe komt, dat seven evenwaardige Ondergoden of Dienaars van den Oppergod so ongelijken bewind ontvangen hebben, en die 26. mindere Goden desgelijx? Hoe veel gaan de Menschen 't Vee en de Wateren te boven? Die de magt over de Bomen, Vrugten en Kruiden heeft, schoon minder van waarde dan Mensch of Beest: overtreft nochtans te merkelijk den genen die niet als op de vuiligheid past; hoedanig slag van menschen men hier t' Amsterdam Opkorters noemt, of met de vuilnis-karr of schuit voorsiet. Nochtans zijn Espendaar en Arendaar sulke Goden by de Persianen. Insgelijx is de Mane, wiskonstig gemeten, het ses duisenste deel der Sonne niet, schoon het ons door de nabyheid toeschijnt, datse ruim so groot is als de Son Wat isser voorts, dat de Goden van Wateren en van Vuur voor den genen zijn gesteld, die de Maan regeert? waarom dese en die 't Vee bestuurt voor den genen die voor den Menschen Zielen sorgt? En so van alle d'anderen? Waar uit men klaarlik siet, dat die menschen alles na hun oog en onverstand begrepen hebben, om sodanige Ondergoden aan te stellen, als het hen heeft goed gedacht. §. 12. Maar wat hebbense toch, als 't al tot hen self komt, met alsulke Daemones te doen? Want mitsdien datse een deel goed en een deel quaad zijn; ja der quaden, na hun meeste gevoelen noch wel 't grootste getal: wat heeft toch d' arme mensch aan sulke Middelaars? Want so de genen die sy om hunder quaadheid wille eeren, in sich selve sodanig zijn: moet sulx niet den Oppergod (of seg slegs op sijn heidens Goden) meer vergrammen, als versoenen, dat der boosheid sijnder minderen meer eere geschied dan men hem voor sijne goedheid doet? Daar beneffens, neemt dat die bose geesten door der menschen dienst en giften zijn te vrede gesteld; staan die nu so wel by den Oppergod, dat hunne voorspraak ietwes by hem gelden sal? Of heeft hy 't bestuur des Weerelds so glad aan hen overgegeven, dat hy niet met al te seggen heeft; en de Daimones, de Zemeens en Mabujas 't zijn, op welkers genade dat de mensche leven moet? Wederom: so dese Middelgeesten niet quaad van aart, maar alleenlik om der menschen sonden wille op hen so vergramd zijn, datmense met offerhande versoenen moet: hoe zijn de goede Daimones dan goed, die sich om de sonde niet vertoornen, om den mensch

{==21==} {>>pagina-aanduiding<<}

daar over enig leed te doen? of hoe konnen d'anderen wederom in sich selve goed, en alleenlik op den sondaar quaad zijn: nadien sy (na der Heidenen voorgeven in gebruik) met de vuilste en gruwelixte offerhande, die sonder d'allerswaarste sonde niet geschieden konnen, so gaarne gediend zijn? Hy en haat de sonde niet, die door sonde versoend wil zijn.


IV. Hoofdstuk. Datter nochtans Geesten zijn, blykt voor eerst aan 's Menschen Ziel; en dat die onsterflik is.

§. 1. AL is 't schoon datter maar een God kan zyn, so lochenen wy nochtans daar mede niet datter Geesten zijn. Want het is alreeds getoond, dat God dien naam heeft door vergelijkinge met de Geesten dieder zijn. II. §. 2. En sodanig is de Geest des menschen die in hem is, gelijk Paulus onse ziele noemt. 1 Kor. 2: 11. Maar wanneer wy seggen dat God onlichamelik is, so en moetmen geensins meinen dat hy is gelijk de Ziel. Al 't gene daar ooit ons verstand op denkt, word niet eerst in Geest en Lichaam; maar in God en sijne Werken onderscheiden. Die werken worden dan bevonden tweederley te zijn, van geesteliken of lichameliken aart. Nu is lichtelik te vatten, dat de Ziel, of soder enig ander Geest is, onder 't geschapene behorende, den Schepper nergens in gelijk kan zijn so veel het wesen betreft. Want anders is 't genoegsaam kennelik, dat dingen van een seer verscheiden wesen na malkanderen gelijken konnen: so als een houten beeld eenen levendigen mensche gelijkt; waarin niet de minste gemeenschap des wesens, maar alleenlik der gedaanten is. Doch hoe ongelijk dat ook den aard der geschape dingen zy: so komen Geest en Lichamen echter daar in t'samen over een, dat het een so wel als 't ander van God geschapen, in sijn wesen bepaald en afhankelik is. In God, al word hy mede Geest genaamd, heeft geen van desen allen de minste plaats. §. 2. Onder tusschen sietmen wel, somen wil bewijsen datter Geesten, dat is, onlichamelike dingen van God geschapen zijn; dat het niet en is om dat hy sich, so veel als sijn wesen betreft, in sijne schepselen uitbeelden wilde; also dat t'eenemaal onuitbeeldelik is. Maar het bewijs moet van d'ondervindinge komen, die wy hebben van ons self of van iet dat buiten ons bestaat. Doch d' onlichamelikheid van onsen Geest, dat is onze Ziele, is so klaar niet terwijlse noch in 't Lichaam is; als wanneermen mag verneemen, datse buiten 't Lichaam kan bestaan. So dat het eigentlik op d' onsterflikheid der Zielen aan komt: gemerkt dat de werkingen, diemen den Geesten toeschrijft, deselve verbeelden als buiten 't Lichaam zijnde; dat is, als Geesten die sonder Lichaam zijn. Derhalven is de vraag; eerst, of de zielen der menschen, wanneer de Lichamen door den dood vernietigd zijn, als noch op sich self bestaan; en dan, offer andere geesten zijn, die-

{==22==} {>>pagina-aanduiding<<}

men Engelen noemt, welke nooit eigene lichamen gehad hebben; ende nochtans niet alleenlik op een geestlik wesen, maar ook op 't lichamelik werksaam zijn? In dit hoofdstuk laat ons van des menschen Ziele spreken. §. 3. Sulx mag nu tweesins bewesen worden: uit den aart der Ziele, die sodanig is datse buiten 't lichaam kan bestaan; en uit d'ondervindinge van Zielen diemen noch vernomen heeft, na datse uit de lichamen gescheiden waren. Het eerste doet sich aan ons blijken, door dien de Ziel uit geenerhande stof is t'saamgesteld, die wederom gescheiden of vernietigd word. Om 't welk wel te verstaan moetmen weten, dat al wat lichamelik is, aan plaatselike beweginge, in sijn geheel of in sijne deelen onderhevig is. Ik segge plaatselik: niet dat ik van andere beweginge weet; maar om dat enigen sulk onderscheid maken. De hemelsche lichamen, gelijk de Sterren, sien wy gedurig en even draghtig van plaats veranderen. De lichamen van Menschen en Beesten bewegen sich veelsins op der Aarde, en der visschen in de Zee. 't Gene door konst van menschen tot hun gebruik gemaakt is, dat heeft voor een deel buiten beweginge geen gebruik. Maar al wat sich op die wijse beweegt dat slijt: het gereedschap word af gebesigd; een schip slijt af met varen; een last beest word door arbeid afgesloofd; eens menschen lichaam word door werk allenx verswakt, groeit aan en neemt af, en gaat op 't lest tot niet. Van de Sterren hebben d'ouden dat wel meest ontkend: maar de tijd allenx ontdekt, dat des Hemels deelen also wel als die van d'Aarde 't slijten onderworpen zijn. Over sulx soudemen Sonn' en Maan, met de bekende Sterren, metter tijd sien afgaan, sose door gedurig voedsel niet hersteld en onderhouden wierden. §. 4. Aan 't lichaam van den Mensch is dat besonderlik te sien. Het komt in desen over een met het lichaam van een beest. Spijs en drank doetse beide groejen: door dien de fijnste stoffe door de natuurlike hitte, die om 't hert is en de mage verwarmt, daar in gekookt en voorts tot bloed gemaakt; of met het bloed gemengd, door alle deelen des lichaams heen gevoerd, en met deselfde vereenigd word; middelerwijl dat het grofste, 't welk den meesten hoop maakt, door 't gedermte wederom na buiten uitgedreven word. So als nu ieder lichaam groeit, so neemtet ook weer af. Vocht en warmte van buiten of van binnen minderende, so vervalt het lichaam dat daar door bestond. men siet dat in den winter aan mensch en vee, aan boom en kruid: men siet het in den Somer, so het al te kraghtig droogt. Vocht sonder warmte, of warmte sonder vocht, beider sijds schadelik; en so 't aanhoud, verderfelik. Derhalven soektmen 's winters middel sich te warmen, en des somers tot verkoelinge. By gebrek van 't een of 't ander sal 't gewas verdorven, en sal mensch of beest vergaan. §. 5. Maar geen van dese dingen treft de Ziel: des Menschen wel te weten; want anders isset met een Beest, waar af terstond wat nader sal te seggen zijn. nu wil ik op al 't gene voorseid is, op dat het niet vergeefs (gelijk het anders schijnen mogt) geseid mag zijn, mijnen Leser eens te den-

{==23==} {>>pagina-aanduiding<<}

ken geven: of hy ooit aan hem self bevinden konde, dat sijn Ziele langer wierd, of dikker groeide, natt of koud, heet of droog wierd, door regen of wind schade leed; en ofse nergens was dan daar haar 't lichaam droeg. Moet hy niet bekennen, dat sijne Ziele dikmaals is daar sijn lichaam niet en is: so als in 't naars voorgaande Hoofdstuk. III. §. 6, 7, 8. van den aart der Geesten is geleerd? Nadien 'er dan geenerhande oorsaak is, van al de genen daar een lichaam door vermindert of vergaat, welke vat heeft op de Ziel: so moet volgen, datse blijft diese is, schoon haar lichaam al vergaat. §. 6. Nu wil ik verder seggen, datmen 't gene aan de Ziele van een Beest gebeurt, op die van den Mensche geensins passen mag. Want die twee Zielen, schoon beide also genoemd, gelijken malkanderen in 't minste niet. Somen enige Beesten so volmaakte werkingen siet doen, dat het gelijkt offer enig verstand insteekt; mijn voornemen is niet, sulx hier te betwisten, also dat ook niet nodig is. Want het blijkt klaarlik, schoon enig beest ene Ziel hadde, die boven de kragt sijns lichaams, en gevolgelijk daar van verscheiden zy; dat het nochtans geen ziel en heeft gelijk een mensch. Immers is noch nooit gemerkt, dat een beest iet van God wist; of verstandige spraak met een menschen of met sijns gelijke voeren konde. Want een papegaaj of exter spreekt slechs uit gewoonte, so als hy geleerd is; het komt te pas of niet te pas: of 't is blotelijk by gevall, so 't eens te pas komt. Desgelijx leertmen enen hond of ander dier ook kunsten doen; of 't zijn grepen van den meester, die zijn beest aan sekere tekenen gewend heeft, daar hy 't mede bestiert; sonder dat het d'omstanders merken, die dan meenen dat het beest self so veel weet. Ik soude te verre heen lopen, moest ik hier exempelen verhalen: dan segge alleenlik, dat de meeste redenen, waar mede men bewijsen wil dat een Beest verstand heeft; die bewijsen mede dat het meer verstands heeft dan een mensch. Doch dewijle niemant dat sal willen seggen; so houd ik my daar aan, dat des menschen Ziel geheel wat anders is, dat de gene daar een Beest door leeft. §. 7. So en is de Ziel des menschen ook dat gene niet, waar door sijn Lichaam leeft en sich beweegt; waar door het wast waar door 't versterkt word. Dit is aan mensch en Geest gemeen: en d'oorsaak is terstond geseid. Dies moet ons lichaam albereids op sulken wijse leven eer sich onse ziel daar mee vereent: gelijk een huis moet woonbaar zijn, eer daar iemand in trekt; en een orgel klaar, eer de meester daar op spelen kan. Men siet derhalven ook de ziel verhuisen, so haast als 't lichaam, desen aardschen tabernakel, valt. Verhuisen, seg ik; niet vergaan. Wantmen siet klaarlik, dat de stervende mensch, dikmaals tot den laatsten snik des levens toe, by vollen verstande blijft: schoon 't lichaam diermate verswakt is, dat hy niet een lid meer roeren kan; behalven dat de flawe stem te kennen geeft, dat de Ziel noch niet verscheiden is. 't Is waar, dat hy somtijds de spraak verliest; maar toont met wenken noch 't verstand. Somtijds verneemtmen ook de Ziel niet meer; om datse door geen lid van 't lichaam, dat

{==24==} {>>pagina-aanduiding<<}

daar nu te swak toe is, enig uiterlik bewijs daar af aan menschen geven kan. Men houd den kranken buiten sijn verstand te zyn, wanneer sijns lichaamsdelen onbequaam geworden zijn, om 't gene wy hem doen of seggen, door deselve te begrijpen. §. 8. Om dit beter te verstaan, so moetmen in den Mensche driederleye werkingen onderscheiden: die hy door 't lichaam allen, of door de Ziel alleen, of door beide t'samen doet. Lichamelik, en meer niet, zijn die werkingen, die de mensch gemeen heeft met een beest: eten, drinken, slapen, gaan en staan; en al wat voorts tot onderhoud van de natuur behoort; die van God also geschapen is, datse altijd haar selve red; beschermt en bewaart. Nochtans isser merkelik onderscheid. Want een Beest weet niet wat het doet, ende volgt de natuurlike schikkinge sijner leden, sijner dierlijke geesten, en der voorwerpselen waar door die beweegd worden. maar een mensche sal deselve dikmaals veranderen, na dat hem goeddunkt: om dat hy 't verstand heeft. Een schip drijft even eens op 't water, 't zy datter volk op is of niet: een paard heeft eenen selfden tred of draf, 't zy dattet alleen loopt, of dat het iemant ment: de natuurlike beweeginge is eenerley. Maar so een schip sonder schipper is, so drijft het slegs voor wind en stroom, so lang tot dat het ergens stuyt: en een paard gaat sonder meester, daar de weg of weide strekt, en de lucht en 't voeder trekt. Dan de stuurman doet het schip wel by de wind seilen, en dat tegen stroom: en de voerman ment de paarden; niet daar se van self gaan souden, maar daar hy wesen wil. So doet de Ziel in 't Lichaam van den mensche: sy is het roer van 't schip, sy is de toom van 't peerd. §. 9. Andere werkingen doet de Ziel door 't lichaam, die een beest niet doen en kan: sy spreekt, sy hoort en siet, sy leest en schrijft; sy maakt allerhande werk. Sonder lichaam sou de Ziele geen van al die dingen konnen doen; de leden moeten hier te werk: nochtans moesten die voor alles stille staan, haddense geen Ziele die sulx leeren; en geleerd, hare leden dus of so gebruiken konde. Seg toch niet, dat een Beest ook hoort en siet, al en spreekt hy niet. Want al ware 't sake dat het hoorde en sag, gelijk een mensche doet; wat isser meer? Doch so iemant op de harpe speelt, dat hoort een esel ook; maar de mensch alleen weet wat hy hoort, self dat hy hoort, en weet een esel niet. Een hond komt ook ter kerke, en hy hoort den predikant, doch meer niet dan 't geluid: de mensch onderscheid de woorden, en verstaat den sin; het beest hoort alle woorden even eens, en verstaater niet met allen af. Dusdanig zijn de werkingen die Ziel en lichaam t'samen doen. Waar uit alreeds te speuren is, dat des menschen Ziel die van een beest met allen veel te boven gaat. §. 10. Noch merkelik meer is dat te zien uit alsulke werkingen, als de Ziele sonder hulp van 't Lichaam doet. Te weten, datse denkt aan Lighamelike en onlichamelike dingen; datse wil, datse verstaat, iet voorneemt of begrijpt: en dat dikmaals allerbest, wanneerse minst van 't lichaam word beswaard. Het gehoor, 't Gesigt, de Spraak; alle d'ui-

{==25==} {>>pagina-aanduiding<<}

terlike sinnen, worden door spijs en drank, door beweginge en oeffening geholpen: maar sijn verstand heeft een mensch nuchteren best, en is meest werksaam als dat rust. Daar van is 't, dat ene aandachtige Ziel het vasten ook by 't bidden voegt: op dat (gelijk onse sinrijke Dichter seit) een nuchteren aam van mond ten Hemel rijs. Self de vijf uiterlijke sinnen, die wy met de Beesten gemeen hebben; en de drie inwendige, d' Inbeelding, Geheugenis en de Gemeene sin; zijn ons dikmaal hinderlijk, ontrent de werkingen die suiverlijk der Ziele eigen zijn. Men doet d' ogen toe, men stopt d' oren; men gaat allen, men scheid sich van 't gewoel: om beter by sich self te zijn, en sijne geachten vry te laten gaan. Tot deselve is dan 't Lichaam meer hinderlik als nutt. Dus volgt, dat de Ziel haar eigenste werk, dat sy doet als Ziele, sonder 't Lichaam doet. Ende is dan verder openbaar, mits dien datse sonder 't Lichaam werkt, datse sonder 't lichaam ook bestaat. §. 11. De meeste swarigheid die ik hier tegen sie, is datmen soude mogen denken, dat de Ziel, sose uit het Lichaam self niet voorkomt echter met het Lichaam voortgeteeld: en derhalven, schoon niet in haar self lighamelik, nochtans te seer aan 't Lichaam vast is: sulx het schijnt, soder geen Lichaam quam, datter ook geen Ziele komen soude. Waar uit dan ook met eene stond te volgen, dat de Ziel alleenlik by 't lichaam behoort: ende over sulx niet meer in de weereld heeft te doen, alsser 't lichaam niet meer is. Want waarom isse niet so wel voor 't lichaam al in wesen, alsse na het lichaam overblijft? Maar niemant heugt iet van hem selven dat hy was eer dat sijn lichaam was: ja so lang noch niet. Self en weten noch op heden de geleerden niet, of sy zijn 't altoos niet eens, wanneer de Ziel begint. Voor d' ontvankenis des lichaams: dat heeft nog niemant veel geseid, die niet joodsch of van Pytagoras gevoelen was; maar wel daar na. Want als'er al onder de Kristenen gevonden zijn die leerden, dat God de Sielen alle gelijk in 't begin geschapen heeft, ende elk eene der selve ten tijde van haars lichaams teelinge in de selven stort: die zijn altijd verlegen geweest, om hun seggen goed te maken. So ook de genen die meinen, datse d'eene na andere, het zy buiten, het zy binnen hunne lichamen geschapen, ende also met deselven vereenigd worden. Maar wy hebben met alle de swarigheden niet te doen: so den Leser blijken sal uit het gene noch te seggen staat. §. 12. Van twee dingen die sonder malkanderen niet beginnen volgt niet, dat het een door 't ander bestaat, en 't een met het ander te niete gaat: het tegendeel sietmen dagelijx gebeuren. Duisent bomen worden op eenen dag geplant; doch zijn daarom niet van gelijken duur. Tweelingen op eenen dag geboren leven niet al even lang. Noch zijn die dingen van gelijken aart: maar de siel en 't lichaam seer verscheiden. Gy sult seggen, dat nochtans twee bomen eener plantinge, en twee kinderen t'eener dragt, so na niet aan malkanderen verbonden zijn, als de Siel aan 't lichaam van den Mensch. Ik ontken dat niet, en hebben effen §. 9. self also verstaan. Doch sal niemant seggen, dat de Siel echter meer gemeenschap met het lichaam heeft, dan de leden met malkander, of gelijkelijk met de levendige

{==26==} {>>pagina-aanduiding<<}

geesten hebben die al t'samen lichamelik zijn. Nochtans kan de mensche arm of been verliesen, sonder 't minste letsel aan de rest. Veel lichter isset voor de Siel, die door 't lichaam niet en leeft, datse sonder 't lichaam ook besta. §. 13. Ik segge dat de Siel door 't lichaam niet en leeft; so als hier voor bewesen is: maar 't lichaam self door dat natuurlik vier, of die hitte die in 't hert is. Daarom sterft het lichaam so haast als dat vuur verteerd is, of binnen tijde uitgebluscht. Het eerste geschied, wanneer de mensch door ouderdom of siekte sterf; het ander, so hy by gesonden lijve, door geweld van vall of stoot, of how of steek of vuur of water aan sijn einde raakt. So sietmen dan aan 't lichaam wel, op wat wijse 't zy, als haar dat steunsel self begeeft, dat het dan ten eersten valt; om dat het daar by stond. Nu sien wy dat de Siel sulk steunsel niet behoeft, noch van 't lichaam ondersteund word: en so volgt, dat al is 't dat het lichaam haar begeeft, sy nochtans uit sulken oorsaak niet vergaat. §. 14. Daar mogten echter andere zijn: doch die soudemen moeten tonen; en die moesten Geest of lichaam zijn, want al 't schepsel in die tweederley natuur bestaat. Geen lichaam altoos buiten haar eigen, dat haar buiten twijffel 't naaste is. Dat en kan de Siel niet doen vergaan, alsose door het selve niet bestaat: een ander noch veel min. Daar by merktmen dat ons lichaam op de Siele werkt; en begrijpen 't echter niet: veel min, hoe een ander lichaam dat kan doen; en wy merkent ook noch niet. Van Geesten mag men dat niet denken, sonder eerst te tonen, datter buiten onse Siel noch andere Geesten zijn. maar ik sal in 't VI Hoofdstuk wel doen sien, dat sulx buiten 't heilig Woord swaarlik te bewijsen is. §. 15. God self echter, die de Sielen schept, kan die ook te niete doen: maar men moest bewijsen dat hy wil. Dit bewijs ontbreekt; en dan volgt veel lichter dat hy niet en wil. Want so ik geloven mag, dat een wijs man sijn eigen maaksel breken sal; het moet zijn om dat ik de reden sie, die hy daar toe hebben kan: of so niet, en ik sie nochtans voor ogen dat hy 't breekt; so denk ik dat hy reden heeft. Veel weiniger staat my sulx van God te denken, wiens wijsheid overmatig is; so ik 't self niet sie, dat hy 't werk sijner handen breken sal. Van 't lichaam word ik sulx gewaar: maar van de Siele niet. Gy moogt seggen, ik doe al: want ik verneem de ziel niet meer, als de mensch gestorven is. 't Is wel: ik verneem den man niet meer, die uit sijn huis, wanneer dat viel, vertrokken is: maar is hy daarom dood? Ik hoor dat orgel niet meer spelen, gelijk ik plag, om dat het niet meer deugt: maar is daarom de meester dood? Elk siet, hoe dat dit niet en volgt. §. 16. Nu seg ik noch, dat ik den Schepper voor sodanig ken, dat hy de Siel niet wil te niete doen. Hy isser te regtveerdig toe: van sijne andere volmaaktheden sal ik niet eens spreken. De reden leert, dat God geen God en is, so hy geen loon na werken geeft. Dat doet hy echter in dit leven niet: menig leeft godloos, en blijft sijn quaad doen ongestraft; menig doet

{==27==} {>>pagina-aanduiding<<}

sijn best om wel te doen, en is'er altijd qualik aan Hoe raakt dit noch eens effen? Op 't lichaam heeft de Regter geen verhaal: dat is voorby. So moet de Siel dan noch in 't leven zijn, om de straffe voor 't bedreven quaad, of den loon van 't goed na evenredigheid te ontfangen. Ik weet wel, dat een Kristen met dese reden verder gaat, om d'Opstandinge des lichaams te bewijsen: maar wy spreken hier slegs van de Siel, en dat ook verder niet dan ons de reden leid. §. 17. Is 't nu anders; dan en weet ik niet waar 't van komt, dat de mensche sulken trek heeft tot d' onsterflikheid. Wie brengt hem die gedachten in sijn hoofd: daar hy niets en siet dat niet vergaat? Wat heeft hy aan d' onsterflikheid sijns naams, om daar voor met roemwaarde daden sich bekend te maken? Van waar komt hem de schrik van sijn gewisse, wanneer het hem van bose daden wroegt, die heimelik gepleegd, en niemant ooit gebleken zijn? Mogelik so vreest hy noch, dat het aan den dag mogt komen terwyl hy leeft. Maar waarom vreest en schrikt hy meest, wanneer de dood hem naakt? Om dat de straffe van het quaad so wel natuurlik in sijn hert is ingedrukt, als de regel van het goed. §. 18. Blijft onse Siel nu na den dood; so volgt dan datse eewig blijft. Want sose eens haar lichaam overleeft, wat lichaam kander zijn, dat haar namaals doe te niete gaan? 't Gene in vermogen van den aart eens lichaams niet en is, dat vermag het nimmermeer. En so het nooit en bleek, datter ander slag van Geesten zijn, dan de Siele self: so is 't ongerijmd te denken, datter namaals komen sullen die onsen Geest te niete doen, die eerder was dan sy. De Schepper self sal 't ook niet doen; so hy 't niet met eene doet wanneer hy 't lichaam breekt. Want de reden dieder is om dat van hem te denken en geld hier niet; het zy de straf der bose Siel een einde neem of niet. So ja: wat oorsaak heeft de Regter om sijn eigen werk te breken, nu 't door de straf gesuiverd is? So niet: dan magmen vryelik geloven, dat de misdadige self in wesen is, terwijl de straffe duurt; en dat hy, om eewiglijk te lijden, eewig leeft. Nu en is God wederom so onregtvaardig, noch so onevenmatig niet in zijn bestuur, dat hy eewig straffen, en niet eewig lonen sal. Waar uit volgt, dat hy noch veel eer aan de goede Siel (soder sulke mogten zijn) sijne goedheid eewig mededeelt, en met sich vereenigd houd; als hy d'andere door de straf dus voor eewig van sich scheid. Dus veel van d' onsterflikheid der Zielen, zo verr' als door natuurlike rekenen bewyslik is, geseid.


{==28==} {>>pagina-aanduiding<<}

V. Hoofdstuk. 't Gene verder buiten Gods Woord van den stand der Zielen na dit leven word geseid, leert de reden dat ten deele valsch, en ten deele onseker is.

§. 1. DE Leser verwondere sich niet, dat ik in 't bewijs van d' onsterflikheid der Zielen de Schriftuur gespaard hebbe: want so verr en had ik niet te gaan. Geen Kristen so gering, die niet en gelooft datter een leven na dit leven is: De Heidenen geloven 't mede, maar op ongelijke grond. In de Nature, die sy alleen hier in tot hulpe hebben, leit dat so klaar niet; of men moet het door een schakel van verscheidene redenen, d'eene uit d'andere volgende, (gelijk gesien is) gewaar worden: maar de Schrift geeft het selve door uitgedrukte woorden te verstaan. Ik hadde slegs voor om te tonen, (en daar blijf ik nu noch by) hoe verre dat een mensch in desen met de natuurlike reden komen kan: om nu te doen blijken, hoe veel dat hy daar in te verre gaat, waar af hem de Natuur niet met allen leert: gelijk er de Schriftuur geheel van swijgt. Ia self de gesonde Reden, die d' onsterflikheid der zielen uit voorseide gronden leert, sal met eene tonen, neffens de Schrifture, dat vele dingen valsch zijn, diemen van den stand der zielen na dit leven seit. §. 2. Laat ons nu dan sien, hoe verre ons verstand te regt kan raken: want voor 't meerder deel so loopt dat glas in 't wild. De Metempsychosis en Gilgul, dat is, der Heidenen Zielwisseling en de Zielwenteling der Ioden zijn van sulken slag. Want het wentelen, gelijk het in 't I. B. XII. §. 17. op sijn best verklaart is, komt in den grond met dan verhuisen over een: dan word by sommigen met so groven taal gemeld, dat het sig selven schaamt. Gelijk wanneerse seggen, dat de Ziel honderden van mijlen onder d'aarde door, van 't een graf in 't ander rolt; en sich met een lichaam, dat aan 't ander eind des weerelds rust, vereent. Sulk een grof verdichtsel toont genoegsaam, dat hy niet weet wat ziel hy heeft, die daar so af spreekt. Maar so als het de bescheidensten verklaren, komt het daar op aan, dat die Ioden eigentlijk Pytagoristen zijn: so men van sommige Kristenen by ouds ook enigsins vernomen heeft. Ik wil zien, op wat grond sy dit gevoelen bouwen; dan tonen hoe los dat die is; daar na self ook 't gebow ter neder werpen. §. 3. 't Heeft de menschen, so 't schijnt, eerst aangeleid tot die gedachten, datse aan d'eene zijde d' onsterflikheid der zieken met reden geloofden; en aan d'andere tegen reden bekommerd waren, om voor hen niewe plaats te vinden. Sijnde dan gewoon in een lichaam te zijn, daar toe van nature geschikt; moestmense wederom andere toeschrijven, na dat hun eerste lighaam verlaten hadden. Dan bemerkende, dat enige voorname luiden in

{==29==} {>>pagina-aanduiding<<}

verstand, in deugd, in staat en gelegentheid, seer wel geleken na anderen, die al gestorven waren eer sy geboren wierden: so docht hen, dat het deselfde ziel moest zijn, die uit dat eerste lichaam in dit laatste was verhuisd. Daar quam dan by dat elk, om sijne eigene waarde te verheffen, en zijn geslagt te edelen, geerne den naam hadde, dat sijn lichaam leefde door de ziel van desen ofte genen by ouds beroemd. Dus liet sich Pytagoras wijs maken, dat sijne ziel van Euforbus was; en Ovidius in 't XV. der Herscheppinge §. 3. begrijptet al in een. Morte carunt animae, semper que priore relicta Sede, novis domibus vivunt, habitant que receptae Ipse ego (nam memini) Trojani tempore belli, Pant hoides Euphorbus eram: cui pectore quondam Hae sit ex ad verso gravis hasta minoris Atridae.

De Ziel en kent geen dood: dewijlse maal op maal Verhuist van lijf tot lijf. Dus ben ik ('t heugt my even) Euforbus doe geweest, wanneer hem 't vinnig staal Van Menelaus hand by Troyen bragt om 't leven.

§. 4. Doch t' is licht te begrijpen, op hoe weinig reden sulk gevoelen is gegrond. Want dat van de plaats is alreeds III. §. 5- 8. genoegsaam wederleid. En so veel de gelijkenis betreft, die de Siel des volgenden mensches met die van den voorgaanden heeft: wat geeft dat meer, dan dat ook 't een Lichaam seer na 't andere gelijkt: so datse dikmaals nauwelix te onderscheiden zijn, al is 't datse malkanderen in duisend geslagten niet bestaan? Wat gelijkheid isser meer dan van 't een ey met het ander; schoon duisend mijlen van, of duisend jaren na malkanderen gelegd? En wat salmen dan van die Sielverwisselinge seggen, waar mede sy wanen dat eens menschen Siele self in 't lichaam van een beest verhuist; alwaar de minste gelijkheid niet en is, noch van Lichaam noch van Geest? Doch die droom ontstaat al wederom uit sulken grond, als ik hier nu seggen sal. §. 5. Gesteld zijnde, datter loof of straffe na dit leven is: IV. §. 16, 17. so hebbense daar mede sulken haast, datse 't een en 't ander in dit leven self te rugge schikken, en daar af de proeven ogenschynlik maken. Want dat gevense genoeg te kennen, die daar so af spreken, als hier voor op verscheidene plaatsen I. B. II. §. 16. VII. §. 16, 18, 20. XII. §. 16, 17. verhaald is. Maar sy souden nooit in die gedachten komen, dat de Siel eens Menschen in een Beest verhuisde, sose t'onderscheid maar half verstonden tusschen d'eene en d'andere Siel. Baldaens heeft ons I. B. VII. §. 14. wel geleerd, hoe 't hedendaagsch Heidendom dat slegs in de Lichamen stelt; als van eenerleye Siele, hoewel niet op eenerleye wijse bestuur: in aansien dat eens menschen lichaam daar toe veel bequamer is, dan van een Beest: Doch hier van is het tegendeel IV. 2. 4. 6. 7. 8. genoeg bewesen. Volgens dien

{==30==} {>>pagina-aanduiding<<}

willen wy ons hier niet ophouden, met menschen die self noch niet weten, datse beter Siel besitten dan een Beest. §. 6. Die Sielverhuisinge dan, om redenen hier kortelik geseid, verworpen zijnde: so valtet altemaal met een, wat van de verschijninge der zielen na den dood, in eigene of oneigene, 't zy menschelike of onmenschelike lichamen; of van derselver omswerven, of besondere pijnigplaatsen, by den Heidenen of Ioden, of ook wel by de Kristenen gereuteld word. So lang als ons de Schrift of d'ondervindinge daar niets af leert, magmen door de Reden daar af niet versekerd zijn. Want, (gelijk wy sien) daar en isser geen, dan die tegen de gesonde reden strijd. Dit seg ik voor so verre als wy noch gekomen zijn: sonder te bepalen, datmen niet en soude mogen verder gaan. Te weten om waarschijnelixt te gisse, wat behoudens alle d' eigenschappen van Lichaam en van Geest, aangaande die verschijningen en werkingen, diemen den Geesten toe schrijft, te geloven zy: en voornamelik, somen al uit de natuur niet kan versekerd wesen, datter enig Geest buiten 's menschen Siele zy; offet daarom ook bewijslik is, datser niet en souden konnen zijn. §. 7. So lang als dat echter onbewesen blijft, moetmen noodsakelijk onseker zijn, watmen van de verschijninge der Sielen, uit hunne lichamen verhuisd in dese weereld, seggen sal. Want de sekerheid daar af moest ons of van achter of van voren blijken. Van achteren, dat is; indien ons d'ondervindinge sulx leert; so datmen achter na, wanneer ons enige Siele mogt verschenen zijn, besluiten mogte datse noch in wesen is: 't gene van my hier boven sonder sulk bewijs genoegsaam getoond is. Doch wat van die ondervindinge zy, staat ons uit de proeven daar van op te geven in 't laatste deel te ondersoeken: hier geeft dat noch geen pas. Van voren, is so veel te seggen, als datmen uit den aart en eigenschap der menschelike Ziel voor af besluit, dat sulke verschijningen mogelijk zijn. Of dat nu gaan sal, laat ons, uit het gene in 't voorgaande Hoofdstuk daar van aangewesen is, hier wat nader overleggen. §. 8. So dan de Ziel haar eigen lichaam eens voor al verlaten heeft, wat doet haar namaals wederom daar in verschijnen? Is 't om datse sonder lichaam niet kan zijn; so vraag ik, ofse dan nooit sonder lichaam is; schoon sy niet altijd daar mede onder menschen ogen komt? Sulk lichaam is in waarheid dan sodanig, of alleen in schijn. Indien het slegs in schijn is, so en heeft die reden geene plaats, datse sonder lichaam niet kan zijn. Want schijn en sijn so veel verscheelt, als 't gene is en niet en is. So 't dan een waarachtig lichaam is: dat moet te voren geweest zijn; of dan eerst worden, wanneer het ander vergaat daar mede 't voor den dood vereenigd was. Laat eens sien welk van beiden meest en minst waarschijnlik zy. §. 9. Sal de Ziel, na 't verlaten van haar eigen lichaam, sich weder in een Lichaam laten sien: so is haar eigen buiten twijfel daar het naaste toe. Waarom blijftser dan niet in? of wat doetser tusschen beide buiten? Waar, en in wat staat isse ondertusschen; salig of verdoemd? Wanneer de Ziel so

{==31==} {>>pagina-aanduiding<<}

late na den dood verschijnt dat haar lichaam al verrot is; word het Lichaam dan binnen tijds weer opgewekt, om enige nietige boodschap aan den mensch te doen? Neen, seit Vader Abraham: sose Moses en de Profeten niet geloven, so en sullense ook, al waar 't datter iemant van den doden opstonde, sich niet laten geseggen. Luc. 16:31. Daar mede geeft de Heer genoegsaam te verstaan, dat sulke verschijninge der doden nooit gebeurd is, noch gebeuren sal. §. 10. Laat men nu 't verstorven Lichaam in sijn graf, en geeftmen aan de Ziel een niew; so dat was eerder de verhuisde Ziel in wonen quam, hoe was het dan? eens menschen Lichaam sonder menschelike Ziel? dat is, een Beest, even eens van maaksel als een Mensch. Maar wie heeft ooit ergens sulk een schepsel, dat mensch en geen mensch was, vernomen ? en waar quam sulken Lichaam, te voren door de gansche weereld onbekend, so schielik van daan? Mitsdien datter so menigen zielken verschijnt, somen 't seggen geloven mag, en dat meest by nachte: so moet het my wonder doen, datmen niet eens by dage een van alle dese menschelike Lichamen, wanneer de ziel, die daar namaals in verschijnen sal, noch in haar eigen Lichaam is, op d' eene of andere plaats ontmoet. §. 11. Seitmen, om die swarigheid te ontgaan, dat de Ziel na den dood in een niew lichaam, dat dan eerst werd wanneer 't ander verging, verschijnt: waar uit is dat ontstaan? uiter aarde gewassen, van God geschapen, of geboren? Seitmen 't eerste; wat land draagt sulken vrugt? Men noemde by ouds terrae filios kinderen der aarde, de genen welker afkomst seer gering of onbekend was: en 'twas tot merkelike kleinachtinge, datmen so van iemant sprak. Wat dan? Soude God wel so menigmaal mirakel doen alsser d'een of andere ziel verschijnen moet, om tot dienst derselve een niew Lichaam op te maken? Sekerlijk, het is den arbeid ook wel weerd om eens of andermaal, aan eenen ofte anderen mensche op aarde te verschijnen; ende dien bekend te maken, waar iet verloren is, wat kleine plukschuld onbetaald, wat geringer aalmis hier of daar te geven staat; en diergelijke meer, dat noch van 't best is, waarom de menschen meinen, dat sich de zielen na den dood in dit leven laten sien. Eindelik, somen seggen mogte, dat sulken Lichaam gelijk anderen geboren word: wie zijnder d' ouders af geweest? hoe komt dat niewgeboren Lichaam aan de kost? waar verhoud het sich in middelen tijde, wanneer het aan de menschen niet verschijnt? Hoe lang of hoe dikmaals is het met die Ziel verenigd? Dus vragende soek ik na 't gene niemant ooit gevonden heeft, en daar nooit iemant op en dacht: achtende nochtans, somen sulke dingen stellen wil, datmen daar op denken moest. §. 12. Anders blijfter nu niet over, dan dat het slegs in schijn, en niet in waarheid zy, dat de Ziel in enig Lichaam sich vertoont. Een schijnsel dan, maar dat nochtans wat doet; dat den mensche pijnigt, dat hem slaat by wij-

{==32==} {>>pagina-aanduiding<<}

len: of, so dat de Zielen niet en doen, maar andere geesten; dat ten minsten de lucht beweegt, om geluid te slaan, en spraak te maken. Dat niet en is, dat werkt ook niet: en een bloot schijnssel hoordemen nooit spreken. Segt dan liever, dat het de Ziele self is, die de lucht doet spreken? daar geen spraaksaam Lichaam is. Nu behoef ik noch niet na te vorschen wat een Geest vermag: dat sal hier na noch een besonder Hoofdstuk maken. Maar dese geest daar wy van spreken, des menschen Ziel, wat maakt haar buiten 't Lichaam kragtiger dan sy in het Lichaam was: Sprakse ooit wel 't minste sonder tong? wasse magtig enig Lichaam te doen sien of horen datter niet en was? kan iemant ook begrijpen, dat onse Ziel van sulken aart is, datse enig Lichaam sonder Lichaam beweegt? Schreef ik ooit of bracht ik brieven over met blote gedachten? want op geen andere wijse werkt de Ziel. 't Verstand des menschen komt so verre wel, dat het sijn eigen Lighaam te werk stelle: om door Lichamelike middelen de Lucht te verven, en d'eene of andere gedaante, van regenboog of andersins, daarin, of aan de wand te schilderen: maar sonder Lichaam 't minste niet. So volgt dan, dat des menschen Ziele na den dood, noch in waarheid noch in schijn Lichamelik verschijnt. §. 13. Maar laat ons, eer wy dit besluiten, na den oorsprong van sulk een gevoelen sien. Die is in 't heidensch en paapsch Vagevuur te vinden: en dat is door beider papen eerst bedacht. De Ioden hebben 't van de Heidenen de Mahometanen van die beiden, en enige verdwaalde Kristenen, geleerd. 't Selve te weerleggen is mijn voornemen noch belangen niet: also de vinders van alsulke verdichtselen self niet vast op hun gevoelen staan. Hoe veel dat self de Heidenen daar af geloven, liet sich Plato, en met eenen Socrates genoegsaam blijken, in 't gene voor I. B. II. §. 17. daar af aangetekend is. Voor de Roomsch gesinden (de genen namelik, die by hen de wijste zijn) mag de Iesuwijtsche schrijver Schott alleen verklaren, hoe vast hen dit geloven sitt, dat op een Vagevuur rust. Non disputo hic (seit hy in sijne Physica curiosa pag. 253.) an Purgatorium sit, &c. Ik wil hier niet betwisten, of 'er een Vagevuur zy. Maar dat moest hy daar ter plaatse doen, soder een is: alwaar hy met verscheidene verdichte stellingen beweeren wil, dat de Zielen der verstorvenen aan de levenden verschijnen; derselver voorbiddinge te begeeren: welke den verhemelden Zielen niet nodig, en den verdoemden gansch niet nut en zijn. §. 14. Die ook met aandacht bemerkt, wat allerhande menschen van den stand der Zielen na dit leven seggen; hy sal bevinden dat het aan malkander hangt noch kleeft. Het verwerd en veelerley gevoelen van de Heidenen, oud en niew, is hier voren I B. II. §. 15, 16. VII. §. 19. wel gesien. Insgelijx is het met der Roomsgesinden Zielverschijningen gelegen: die by duisenden verhaald worden, welker naweliks twee (wil ik goed doen) so wel t'samenstemmen: dat een opmerkend leser, of toehoorder, daar in niet d'eene of andere strijdigheid sal konnen tonen. Doch wat heb ik my hier met alsulke dingen op te houden? dewijle 't Pausdom doorgaans self bekent,

{==33==} {>>pagina-aanduiding<<}

dat dit leerstuk (schoon in de vergadering van Trenten voor hoofdsakelik verklaard) uit de Schrift beswaarlik te bewijsen is. De Reden leert het mede niet: sulx hebben wy alreeds genoeg bespeurd: en dan so veel als d'ondervindinge belangt, daar al 't bewijs op aan komt, dat sullen wy hier na besien. Volgt derhalven, dat wy van de Zielen tot die Geesten overgaan, welker eigene aart sodanig is, datse sonder lichaam zijn.


VI. Hoofdstuk. So en is ook buiten Gods Woord, met natuurlike redenen niet bewijslik, datter Engelen, dat is, noch ander Geesten behalven onse Zielen zijn.

§. 1. ANdere Geesten dan der menschen Zielen, van God geschapen, worden by de gansche Kristenheid, (gelijk I. §. 8. geseid is) na de H. Schrift engelen genaamd: ende word daar van gevraagd, of men buiten 's Heeren Woord ook kan weten datter zijn: Daar is geen gebrek van Kristen schrijvers, die hier ja toe seggen. Ik wil hun gevoelen eerst uit Heereboord verhalen en weerleggen; om dat hy voor een goed Filosoof bekend is; en dan mijne eigene meining daar van seggen. Om 't nodigste alleen te melden, dit isser kortelik den inhoud af. vol. I. disp sel. §. 12. ‘Thomas Aquinas poogt in 't I. deel sijner Summa de 50. vr. §. 1. op dese wijse te betonen datter Engelen zijn. De volmaaktheid en de schikkinge van 't geheel Al vereischt, datter schepselen zijn, die den Schepper in so verre gelijken als hy oorsaak van dit alles is. Dit is hy nu door verstand en wille: waaruit volgt, datter verstandige schepselen, dat is, Engelen zijn. Het eerste bewijst hy, door dien het Gode betamelik was, tot de meeste volmaaktheid van 't Heel-Al, daar in te scheppen 't gene hem op d' allervolmaaktste wijse geleek. Nu is dat de meeste volmaaktheid, dat hy oorsaak aller dingen is. En dus moest dan het tweede volgen. Maar d' antwoord is: dat daar uit wel volgen soude, datter verstandige selfstandigheden zijn: maar niet datter Engelen zijn; also des menschen Ziel sodanig is. Daarenboven gaat dit ook niet vast, dat God de Weereld so volmaakt geschapen heeft als hy konde doen: waar op de spreuke van den Iesuwijt Mendoza past, sijnen mede broeder Suarez over diergelyke redekaveling belacchende; O bone Deus! quam multa fecisses. si quae potuisti fecisses? Lieve God! wat had gy niet al gemaakt, so gy al gemaakt had wat gy kondet? §. 2. Ik doe hier noch wat by. Want de reden van Gods gelijkenis genomen, heeft noch minder kragt dan men gemeenlik gelooft: also ik niet begrijpen, nochte iemand my ook seggen kan, waar in dat een onlichamelike Geest Gode meer gelijkt, dan een geesteloos Lichaam doet.

{==34==} {>>pagina-aanduiding<<}

(Hier voor van God sprekende, heb ik dat ook aangewesen. II. §. 2--5.) Dat van hoger oorsaak af hangt, kan in 't minste niet gelijken na 't gene dat onafhankelijk is. Ik sta toe, dat het maaksel sijnen maker gelijkt, in so verre als 't bewijs van sijne volmaaktheden geeft. Segt derhalven dat een Geest, in verstand en wille, als wesentlike kragten bestaande, den Schepper meer gelijk is dan een Lichaam; om dat daar in meer volmaaktheid is: en dienvolgens past hem mede, als u self, verstand en wille toe. Maar dat gy soud meenen, dat het een self de saken zy in God als in den Mensch, dat is te byster verdoold. Want waarom word den Schepper ook geen Lichaam toegepast? Om de verscheidenheid der nature? dat is wederom te seggen, dat een geschapen Geest eenerley nature heeft als God? Maar het is onmogelik, dat het schepsel eens gelijken wesens met den Schepper zy. Soder dan anders geen gelijkenis des schepsels met den Schepper overblijft, dan dat het maaksel met den Maker heeft: seg dan vry dat een geschapen Geest, vermits hy een bepaald en eindig wesen heeft, den oneindigen Gods oneindelik minder gelijkt, dat een vijl of tange na den mensche diese heeft gemaakt; also de maker en het maaksel beide even eindig zijn. §. 3. D'andere reden laat ik staan: dan segge slegs, dat schoonmen stelde dat God de Weereld so volmaakt geschapen heeft als hy konde doen; waar uyt volgen moeste dat het schepsel ook oneindig in volmaaktheid is: echter soude 't daarom noch so vast niet gaan, dat hy dan ook Engelen gemaakt moest hebben. Wy mogen so wat gissen, datter Gode even seer paste onlichamelike Geesten als geestelose Lichamen voort te brengen: maar wie maakt ons so koen, dat wy den Schepper sijne rekeninge maken, om d' evenredigheid sijner werkingen en werken uit te meten? Duisend dingen soudemen hier tegen konnen seggen, welker geene voor den menschen verantwoordelijk zy. Soude (om het hier by slegs te proeven) iemant uit de Reden ooit vernomen hebben, datter so verscheiden slag van dieren, van planten en bergsappen moesten zijn, alsser zijn: hoe komt dan dat hy dagelijx noch leeren moet, datter is het gene hy nooit wiste datter was? Soder dan oneindig veele dingen zijn, die hy niet kon weten datter zijn; so en gaat het ook niet vast, datter iet is 't gene hy meint dat wesen moest. §. 4. Ik sie derhalven niet, hoe het door natuurlike redenen bewijslik is, datter Engelen zijn: also men sulx noch uit de natuur en wesen der Engelen, noch uyt hunne werkingen betonen kan. Niet uit hun wesen of nature: also 't selve geen noodsakelikheid insluit om te moeten zijn; gelijk 't ook niet noodsakelik was, datter iet moest zijn van 't gene is, buiten God self. Noch uit Gods eigen wesen noodsakelik voortvloeyende, het welke de ongerymde stelling van Spinosa is. Want ik kan geen gedachte van God hebben, sonder daar in te begrijpen datter noodsakelik een is: maar wel van alle schepselen die zijn of niet en zijn; sonder daar by te moeten denken datse zijn. Ik wil dit noch wat klaarder seggen. Mijne ge-

{==35==} {>>pagina-aanduiding<<}

dachte van God is, dat hy de gedurige oorsprong en 't onderhoud van alles is; dit en kan ik niet denken, of ik moet daar in besluiten dat hy is. Want hoe is 't mogelik dat alles uit hem, en in hem, en tot hem is; en dat hy selve niet en is? Maar ik begrijpe, datter reusen van 100. voeten lengte, of dwergen van een spanne konnen zijn; of een vogel Fenix, of een Paradijs vogel, die geen voeten heeft: daar uit volgt niet datser zijn. So ook niet, schoonder Geesten zijn, met een eigen lichaam vereend, en daarna sonder dat lichaam bestaande; gelijk onse Zielen zijn: oft nu iemant dochte, datter ook wel wesen mogten die geen eigen lichaam hebben; daarom volgt nochtans niet datser zijn. Want onse Zielen selve zijn in tweederleyen stand: also sy eerst wel met; maar daarna, volgens dese luiden eigen seggen, sonder lichaam ook bestaan. §. 5. De saken dan van voren ondersoekende, so en is de oorsaak niet te vinden, waarom datter sulke Geesten, die wy Engelen noemen, souden moeten zijn. Indienmen over sulx natuurliker wijse iet daar van soude konnen weten; het soude als van achteren (gelijkmen in de Scholen spreekt) dat is, uit de werkingen van alsulke Geesten moeten zijn. Te weten, alsodanige die de kragt der Lichamen te boven gaan. Maar deselve wel ondersocht zijnde, salmen misschien haast verneemen, datse den Geesten noch veel minder passen, ende hen mede also seer onmogelik zijn. Of 't zijn misschien dingen die de Geest des menschen wel kan doen: gelijk wanneer een beseten mensche vreemde talen spreekt, die hy niet geleerd en heeft. (Heereboord brengt ook dit exempel by.) Degenen die geloven konden, gelijk Iustinus I. B. XV. §. 7. dat de Zielen der verstorvenen de lichamen der levenden innemen konnen: wat swarigheid hebben die te maken, om te seggen, dat het de Ziel eens taalgeleerden mans is, die na den dood sijns lichaams, door dat van den levenden deselfde talen spreekt, die hy in dit leven wist? Al houd ik my hier niet aan: nochtans is dit genoeg om de genen die het een by 't ander stellen, dit van de Ziel, ende nochtans Engelen gelovende, uit hun eigen seggen te overtuigen, hoe d'ondervindinge niet bewijst datter Engelen zijn. Doch nademaal 't bewijs van d'ondervindinge genomen, by de Kristenen mede in dit stuk gebruikt word, hoewel niet om te bewijsen datter Geesten zijn, maar datse doen 't gene men daar van seit: so wil ik mijn vorder seggen over dit stuk noch wat sparen, ter tijd toe dat het daar op aan sal komen. §. 6. Ondertusschen kanmen mede niet bewijsen, datter sulke Geesten niet en zijn, schoonmen hunne werkingen nooit vernam. Want misdien het den Schepper aan geen magt ontbrak, om te maken 't gene hy niet heeft gemaakt: so heeft hy mogelik wel iet gemaakt, dat wy nooit en sullen weten of 't gemaakt zy. In mijn boexken van de Kometen leert het XXXste Hoofdstuk, dat een oneindig getal van schepselen, diemen moet geloven datter zijn, den menschen echter onbekend zijn. So en volgt dan mede niet, soder Geesten zijn, dat wy die dan ook vernemen moeten, waar sy sich verhouden, en met eenen watse doen. Waar: dat word vergeefs ge-

{==36==} {>>pagina-aanduiding<<}

vraagd; also de plaats (volgens voorgaande bewijs, III. §. 5, 6, 7.) geen eigenschap der Geesten is. En wat hun werk belangt: wie sal seggen, so hy 't in den Bybel niet en leest, dat het ons betreft? als of God geen schepselen te werk mogt stellen, of 't moest ten dienste van den Mensche zijn. Dat heb ik in mijn Ondersoek van de Kometen ter gemelde plaatse al veel anders aangewesen. §. 7. In gevolge van 't voorseide soude ik niemant mede willen raden, dat hy sich veel quelde, om de werkingen van sulken Geest te bepalen of te onderscheiden, wat hy weten of wat hy doen kan; so lange als hem dat door ondervindinge niet en blijkt. Want gesteld, datter, als geseid, behalven onse Ziele ook noch andere sulke Geesten zijn; hoe salmen buiten ondervindinge konnen weten, hoe verre dan hun verstand en wille, en dienvolgens hun vermogen strekt? Het gene sy op andere schepselen werken, moetmen door vergelijkinge derselven met onse Ziele, den eenigsten geschapenen Geest ons van self bekend, verstaan. Die heeft een eigen Lichaam, sonder welx behulp sy op geen ander lichaam werken kan. Hoe kanse 't dan afgescheiden doen? hoe kan een Engel, die nooit Lichaam heeft gehad? en terwijl de Ziel in 't Lichaam leeft, bevindse in haar self het minst vermogen niet, om de minste gedachte aan eens anders Ziel bekend te maken; sonder tusschenkomst of taal of teken, dat door beider Lichaam word volbragt. Hoe isset dan te begrijpen, of, en op wat wijse het zy onse Zielen buiten 't Lichaam; het zy d'Engelen altijd sonder Lichaam zijnde, aan malkanderen te kennen geven watse denken, of betonen watse doen? Des sal het hier de plaats nu zijn, daar af wat bescheideliker te handelen; so verre namelik als de kennis uit de Natuur betreft: om daarna wanneer de Reden verder niet en strekt, tot de Schriftuur te komen, waar uit de meeste stoffe tot alsulke overwegingen ontleend word. §. 8. Echter staat ons eerst noch te ondersoeken, schoon wy flus alle schepsel in 't gemein in tweederleyen aart, Geest en Lichaam onderscheiden hebben: I. §. 12. 13. of der onaangesien niet noch een derde slag soude konnen zijn, dat noch 't een noch 't ander, of dat half Geest half Lichaam zy: beiderley nature even na, of hier wat meer van 't een en daar van 't ander hebbende. Want de veelerhande Daimones. Mabujas en Zemeëns meer gemeld tonen niet alleenlik, dat sulx by den Heidenen tot allen tijden is geloofd geweest: maar de joodsche Ordeninge, de Geesten niet alleen door hun bewind of magt, maar ook in wesen onderscheidende, geven sulx noch klaarder te verstaan. Voor desen heb ik daar al op gelet, dat al dit slag van halfslachte Geesten niet en kan versonnen zijn; dan met een verstand, dat in 't onderscheid van beiderley naturen, der lichaamen en Geesten niet verlicht is. Want tot noch toe isser niemant geweest die dat duideliker gesteld heeft dan Descartes, wiens gronden ik derhalven in de beschrijvinge daar op gemaakt gevolgd hebbe. I. §. 13, 13. Desgelijkx heeft het misverstand in de kennisse van God, alsulke Daemones bedacht, hier voor in 't III. hoofdstuk mijns oordeels al genoegsaam wederleid. Dunkt iemant echt-

{==37==} {>>pagina-aanduiding<<}

ter, datmen noch wel verder soude mogen gaan, om sulk een middelslag van Schepselen te soeken, dat tusschen Geest en Lichaam zy: die sal met weinig moeite noch te helpen zijn. §. 9. Iet dat Geest noch Lichaam is, sal nootwendig een van beiden moeten zijn? Geest en Lichaam tsamen, of dat ganschelik en al van 't een en 't ander onderscheiden zy. Het eerste word by de geleerden medium participationis, en het ander negationis, dat is, beiderley of geenderley middelslag genaamd. Want wat den mensche betreft, dien soudemen best medium compositionis, een middelslag door t' samenstellinge noemen: aangesien dat hem de almachtige Schepper, uit die twee verscheidene naturen, Geest en Lichaam, overgunstiglik heeft t'saamgesteld. Maar dat een enkel wesen uit die beiderley besta, dat kan onmogelik niet zijn, also weinig als een Geest gewogen, of ene gedachte met ell of schepel kan gemeten worden. Want de wesentlike eigenschappen, waar na de eene natuur van d'andere onderscheiden word, sich nooit vermengen. Daarenboven zijn die van Geest en Lichaam so verscheiden, dat d'eene d'andere duidelik uitsluit: so als bereids in 't VI. hoofdstuk is getoond. §. 10. Soektmen dan na iet dat geen van beiden zy: volgens Gods almagtigheid salmen moeten toestaan, dat deselve soude iets konnen gemaakt hebben, dat noch Geest noch Lichaam ware; na dat de Weereld groot is, waar af den mensche duisendmaal tien duisend deelen onbekend zijn. Daarom so soudender wel menigte van schepsels konnen zijn, welker aart of kragt wy niet en kennen gelijk §. 1. ook al geseid is. Maar met een, dat sulx geen gevolg kan maken, om te stellen, datter sulke waarlik zijn: d'ondervindinge moest ons daarvan overtuigen. Doch wat die ons leert staat noch eens te ondersoeken, daar het IV. Boek toe dienen sal. Dit alleenlik past hier nu geseid: datmen sulke schepselen die noch Geest noch lichaam zijn, uit hunne werkingen verneemen moeste, soser zijn. Die werkingen nu kan de mensch niet anders dan lichamelijk of geestelijk begrijpen. Indien lichamelik, men sal daar uit besluiten dat het een Lichaam is: indien geestelijk, so komt 't van een Geest. Is 't beiderley, so werken Geest en Lichaam tsamen; of word op 's menschen Ziel en Lichaam tsaam gewerkt: dat geen van beiden zy en word hy nooit gewaar. Van waar komen dan den mensche die gedachten, datter iets in de weereld zy 't gene Geest noch Lichaam is? Oorsaken, waar uit sulk wesen soude moeten bestaan, en vind hy 't minste niet: noch hy en verneemt ook geenerhande werkinge van anderen aart, dan die van geen Geest, of Lichaam kan veroorzaakt zijn. Waaruit noodsakelijk volgt, datter buiten Geest en Lichaam niets met sekerheid te vinden is. §. 11. Doch dit alles is tot noch toe verhandeld, op den voet, volgens welken Geest en Lichaam door twee wesentlike eigenschappen, Denking en Uitstrekking, onderscheiden worden. Maar indien Descartes hier in eens gemist hadde; gelijkmen voor hem van dat onderscheid in alles op die wijse niet en sprak, ende noch heden by de genen die by 't oude blyven anders

{==38==} {>>pagina-aanduiding<<}

word geleerd; wat isser dan met uitgeregt, 't gene wy tot hier tot hebben bygebragt? Want men sal ons seggen, datmen onder dese eigenschappen van denken, en van uitgestrekt te zijn, noch iet anders als een onderwerp, dat een van dese eigenschappen heeft, verstaan moet; en dat eigenschappen geen selfstandigheden zijn. Voorts melden wy ons desen regel: Actiones sunt suppositorum; 't welk te seggen is, dat alle werkingen van Selfstandigheden voortkomen; hoewel door middel van de wesentlike Eigenschappen, door welke sodanige selfstandigheden, en op die wijse, werksaam zijn. Dit verschil te behandelen soude hier een werk van al te langen asem zijn. Het past ons beter 't selve daar te laten daar het is; also het ons niet veel verschillen kan, wat een ander van den aart der Geesten of der Lichamen gelooft: wanneermen slegs van beide zijde toegeeft, (gelijkmen doet) dat die beide seer verscheiden van nature zijn: te weten, dat een Lichaam niet en denkt, ende een Geest in lengde, breedte, diepte (immers sonder middel van een lichaam) niet is uitgestrekt. Dan komtet daar op aan, hoe de Geesten op malkander, of hoe dat een Geest op een Lichaam werken kan: Dit wil ik nu in 't naaste Hoofdstuk breeder ondersoeken.


VII. Hoofdstuk. En gesteld, datser zijn, so word billik ondersocht, op wat wyse dat deselve, vergeleken met des menschen siele, op de selve, of op enig lichaam werksaam zijn.

§. 1. GElijk wy van ons self beginnen moesten, om te mogen weten datter Geesten zijn, dewyle wy bevinden dat onse Ziel sodanig is: so sal dit ook de weg zijn, langs welke wy de werkingen derselven alderbequamelijxt naspeuren mogen; om daar af te oordeelen so na als 't immers doenlik is. Ende vermits dit nu een stuk is, waar afmen my ernstelik dringt besonderliker te spreken, dan ik in 't eerst meinde te behoeven: so dunktet my geraden, voor af enige bepalingen te maken, buiten welke ik met reden niet en mag getrokken worden; noch self eenigsins daar buiten schrijden, wil ik my noch mynen Leser niet verwerren. §. 2. Myn eerst paal is, Gods Almachtigheid niet te betwisten, wat die door allerhande schepselen, so 't hem beliefde, soude konnen werken: ofte wat door d'onbepaalde mogentheid geschieden kan. Want het is een regel waar aan niemant ooit getwijffeld heeft: ab eo quod esse potest ad illud quod est non valet consequentia; het is geen goed gevolg, om dat een ding wel wesen kan. dat het daarom is: so wy hier voor VI. §. 1. al eens gesien hebben. So God kan scheppen wat hy wil, so kan hy mede door dat schepsel werken wat hy wil: ende dat echter buiten tegenstrijdigheit. Dat is; hy kan swart maken dat wit is, en licht dat duister is; maar hy en maakt nooit

{==39==} {>>pagina-aanduiding<<}

dat iet swart word ende nochtans witt blijft, ofte dat iet licht zy terwyle 't noch duister is. Wil hy iet in den brand steken door water, hy sal 't doen: maar so, dat hy 't water eerst in vuur verandere; of 't vuur in water, so hy daar mede doen wil, 't gene 't water eigen is. Stelt dan mede, dat God enen Geest, so hy wil, in een Lichaam; ende insgelijk een Lichaam in enen Geest verscheppen kan: maar so hy dat doet, so sal de Geest niet meer als een Geest, maar als een geestelijk wesen werken: of 't eene soude waarlik geen Geest, en 't ander geen Lichaam zijn. §. 3. Desgelijx is het met de wesentlike veranderinge, die 't Pausdom in de Misse stelt, altijd by onse Leeraars opgevat: welke daarom sulks voor een verdichtsel houden, dewijle alle d' eigenschappen, inwendig en uitwendig, blijven, van al sulke Lichaam als het brood is; en door welken 't anders niet en is dan brood. Gelijk als dan de eigenschappen 't wesen van sulk Lichaam van een ander onderscheiden: so veel te meer dan Lichaam en Geest, tusschen welken 't onderscheid onvergelijkelik groter is. So weinig als derhalven de Papisten met dien uitvlucht op de Protestanten ooit gewonnen hebben: so weinig mag het ook by ons in overleg genomen worden, 't gene hier Gods Almagt soude konnen doen. En dat noch so veel te minder, om 't verwijt niet onderhevig te zijn, dat wy self so snoden redeneringe te werk stellen, die wy in anderen berispen. §. 4. Des valt hier noch een twede buitensporigheid te mijden: dat wy ons op geen mirakelen beroepen, wanneer de vraag is, wat natuur vermag, en ieder schepsel in dien aart so als 't van God geschapen is. Wanneer de vrage soude mogen zijn, of een peerd ook vliegen kan? het soude sekerlik niet wel te passe daar op ja geseid zijn; uit die reden, dat God door sijne almachtigheid een peerd wel kan doen vliegen. Want de vrage is niet geweest, wat God kan doen; maar wat een peerd kan doen. So mede, soude 't niet een sporelose redeneering zijn, somen van den aart en eigenschap, en volgens van de Kragt en werkingen der Esels handelde; te seggen dat een esel spreken kan; om dat Gods Almacht heeft gedaan, dat eens een esel sprak? Al even eens moet niemant van de Geesten denken, dat sy bequaam zijn dit of dat te doen, uit dien dat God kan maken datse 't doen; wanneer hy ongewone kragten boven het bestek huns wesens, door de scheppinge bepaald, en door de voorsienigheid onderhouden, aan de selve geeft, of in of door deselve werkt. §. 5. Gods invloed (somen 't noemt) in de schepselen, of sijne paringe met d' onderoorsaken, hem als opperoorsaak toegeschreven; in de scholen influxus en concursus genaamd: komt hier mede verder niet te pas, dan so veel als dat gene betreft datmen in de onderoorsaken, als derselven ingeschapenen aart bemerkt. Want het nooit den ondersoekers der nature in den sin quam te verklaren, hoedanig d' invloed en paringe der godlike kragt zy met de Zee, om daar op bomen te doen wassen, ofte met de bergen, om daar op schepen te doen varen; so lang als de Zee zee blijft, en de

{==40==} {>>pagina-aanduiding<<}

bergen bergen zijn. Van gelyken magmen ook niet vragen, of niet wel door Gods opperoorsaakelikheid de koenen souden konnen saaijen, so wel als d'ossen ploegen, of by ouds in Israel tot het dorschen gebuikt zijn geweest: gemerkt d' invloed en paringe der eerste met die twede oorsaak anders niet en is, dan ene gedurige werksaamheid der godlike Almagt, elk schepsel (en so ook d'ossen en koeyen) in sijnen aart onderhoudende, ende na sijnen aart bestierende. God schiep alles, en besonderlik het wild gedierte ende het vee na sijn aart. Gen. 1:21, 24, 25. So als hy 't geschapen heeft, so onderhoud hy 't ook; invoegen datse even eens door sijnen wille zijn alsse geschapen zijn. Openb. 4:11. Dit sietmen in het dagelijx bestuur der godlike voorsienigheid, volgens welke hy eerst den regen en sonneschijn van den hemel geeft; daar door d'aarde bequaam maakt, uit d'aarde also bereid de vrugt doet wassen, en door die vrugten mensch en beesten onderhoud. Psal. 65: 10- 14. en 104: 14, 15. Hos. 2: 20, 21. Hebr. 6: 7. Iak. 5: 7. Wilmen dan dat de Geesten dit of dat, dus of so op andere geesten of op de lichamen werken: so moetmen insgelijx bemerken, of hun eigen aart en ingeschapen wesen in opsigte van sodanigen menscheliken geest, of allerhande lichamen sulx mede brengt; gelijk de regen 't land bevochtigen en de Sonne dat verwarmen kan. §. 6. Dit segge ik niet alleen van de werkende onderoorsaak, gelijk hier de Geesten; dat die van sulken aart moet zijn, om sulx almen daar van gelooft te konnen doen: maar ook van 't gene bewerkt word, dat het bequaam zy om die werkinge t' ontvangen. Want gelijk ene blote rots, noch de Zee niet bequaam zijn om vrugt te dragen, al regentet en schijnt de Sonne noch so veel: so soude insgelijx de poginge der Geesten ydel zijn, om iets te werken op alsulken geest of lichaam, welke niet bequaam zijn om die werkinge te ontvangen. Dit stuk moet mijns oordeels wel in acht genomen werden: om niet lichtelik te denken, dat een Geest op allerhande lichaam werkt, even veel hoe dat inwendig of uitwendiglijk gesteld zy. Inwendig; want dat moet ontwijfelik seer veel verscheelen of 't uit beweeglike of onbeweeglike deelen besta. Ik seg onbeweeglik, na 't gemeen verstand: also na de nettigheid der Natuurkunde niets in sich selven, in opsigt van de deelen daar het uit bestaat, onbeweeglik kan zijn dat vergankelik is. Des moet het enen Geest niet even veel zijn een levendig of leefloos lichaam te bewegen. Uitwendig: dat is in opsigt van de Lichamen daar ontrent, daar aan rakende, of daar aan vast: en na dat die van aart, meer of min beweeglik of onbeweeglik zijn. In 't vervolg sal ik dit wat nader passen op 't stuk dat onderhanden is. §. 7. Dese palen dus gesteld, en die ik niet en denke dat my iemant licht versetten noch betwisten sal; sullen my so wel als mijnen Leser vry wat werks besparen, om in 't wild niet heen te lopen. Doch daar komt nu dit noch by, dat het bewijs met reden word geëischt van de genen die ons tegenspreken; om dat sy dat stellen 't gene wy ontkennen van de Geesten, of ten minsten ondersoeken: en dienvolgens niet en sullen toestemmen voor dat het

{==41==} {>>pagina-aanduiding<<}

bewesen is. Het is dan niet, dat ik eigentlik wil vast stellen, dat de Natuur noch de Schriftuur sulx alsmen voorgeeft van de Geesten niet en leerd: maar 't is, gelijkmen dat in regten noemt, ontkennen op bewys. Dat selve is een regel by geleerden; quod affirmanti incumbat probatio, die iet stelt, die moet bewysen. Maar die 't ontkent, of slechs twijfelt, voldoet overvloedig, so hy reden sijner twijfelinge geeft; en noch meer, by aldien hy daarenboven de gene die hy van anderen verwachten mogte, self uithaalt, en ten naawsten ondersoekt. Sulx meen ik hier te doen; eerst (so als eens voor al geseid is) in 't gene door de Reden, en daarna 't gene uit de H. Schriften dien aangaande ooit of ooit is voortgebracht. §. 8. Dus moet dan niemant meinen, dat ik al willens een ander begrip op my self van de Geesten make, om dat ten grondslag mijner redeneeringe te stellen, ofte de uitlegginge der Schriftuur daar na te schikken: also ik veel eer van gevoelen ben, dat sulx van de genen word gedaan, welker meining ik in desen ondersoeke 't welk ik achte in 't laatste hoofdstuk van mijn eerste boek duidelik van mijn getoond te zijn. Al ware 't dan dat ik hier ontrent de Geesten doolde, of my ergens in vergreep: des niet te min soude noch de hoofdsaak in haar volle wesen blijven; even eens of dit stuk van der Geesten kragt en werkinge uit mijn werk gebleven ware. Doch dat ik my daar mede besig houden, is alleenlik om de sake grondiger te ondersoeken: ende noch wel meest, om aan te wijsen, hoe weinig sekerheid sy hebben, die sulk een gevoelen als sy voorstaan, tot enen grond nemen van een gebow dat so breed beslagen, so misselik tsaamgesteld, en so topswaar is; dat het nood van vallen heeft, als men 't (om also te spreken) slechs ter naawer nood met den vinger komt te raken. Nu laat ons sien, wat ons de Reden van de werkinge der Geesten leert. §. 9. En waar sullen wy dat sien als in ons self, en 't gene wy van onsen Geest, dat is de Ziel, door eigene ondervindinge verneemen? Want dit is d'eenigste Geest die ons door de reden kenbaars is: d'anderen hebben wy slechs als mogelijk, maar niet als noodsakelik in wesen zijnde, aangemerkt, so verre als wy noch gekomen zijn. Nu sienwe dat de Ziel onmiddelik op haar eigen; ende op geen ander Lichaam, dan door middel van haar eigen werkt. En hoewel d'eene Geest den anderen in aart en eigenschappen merkelik nader dan onse Ziel haar eigen Lichaam is: nochtans bevindmen niet, dat d'eene ziel het minst aan d'andere te wege brengt dan door tusschenkomen van twee Lichamen; dat van de gene die op d'andere werkt, en van de gene die de werkinge der ander ontvangt. Maar dat de ziele des eenen onmiddelik op die van den anderen werkt, heeft nooit mensche vernomen; nochte ook begrepen hoe dat sulx geschieden kan. Waaruit dan volgt, dat, hoewel het Lichtelik te denken is, dat de Zielen naden dood van de Lichamen afgescheiden, met malkanderen gemeenschap hebben: ende verder ontrent God en sijne werken besig zijn: echter niet met allen met de minste sekerheid gesteld kan worden van de wijse hoe sy dat te wege brengen; dat is, hunne gedachten sonder spraak of schrift aan elkander openbaren.

{==42==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 10. Nu heeft nochtans de Schepper dese twee natuuren, so verscheiden alsse zijn, de menschelike Zielen seg ik met deselver Lichamen in dit leven so vereend: dat op sekere denkinge der Zielen sekere bewegingen in haar Lichaam; en wederom op sekere bewegingen van of uit het Lichaam voortkomende, seker gedachten in de Ziel ontstaan. Te weten: de Ziele werkt op 't Lichaam, wanneer sy 't na haren wille doet gaan, staan, sitten, liggen, eten, drinken; en aldermeest, spreken, lesen, schrijven, en dier gelijke. 't Lichaam werkt wederom op de Ziel, of liever de Ziele neemt oorsaak of gelegentheid om iet te denke, uit sekere Lichaams bewegingen hoedanige insonderheid de werkingen der vijf uiterlike sinnen zijn: alderklaarst te bespeuren aan 't Gehoor en 't Gesicht waarin de leden daar toe dienende van buiten door 't gene hoorbaar en sichtbaar is aangedaan, 't selve aan de Ziele doen begrijpen, daar aan denken, en daar van oordeelen: 't gene in een beest, sulk ene Ziele niet hebbende, so niet en is; hier te voren IV. §. 8. insgelijks al eens gemeld. §. 11. Al is 't nu dat wy niet begrijpen, wat dat gene zy, waardoor de Ziel dus op het Lichaam, of het Lichaam op de Ziele werken kan, ende metterdaad is werkende: so en laat het daarom niet de natuur des Lichaams en der Ziel te zijn, met malkander dus vereend te wesen; so dat de Ziele zulk een lichaam en geen ander, ende 't Lichaam wederom sulken geest als de Ziel is ende geenen anderen, tot die onderlingen en onmiddelbare werkinge vereischt. Want al hangt die tsamenvoeginge blotelik aan 't welbehagen van de Schepper, so verre als hy de opperoorsaak aller dingen is; die sulke of andere Geesten met sulke of andere Lichamen voegt: so en seit dat meer in desen niet, dan in alle andere schepselen, en besonderlik in allerhande lichamen; die sodanig zijn alsse zijn, om dat God self sodanige deelen ende op sodanige wijse heeft by een gevoegd, gescheiden en bewogen. Want niemant sal, sonder sijne onbepaalbare almachtigheid op 't hoogste te onteeren, derren lochenen, dat hy alles anders hadde konnen doen, dan hy heeft gedaan: evenwel so als hy alles heeft gemaakt, sodanig is' t; en dat moet de mensche, (die der meer niet af en weet noch weten kan) voor elx aart, natuur of wesen kennen, 't gene hy bemerkt van God also gemaakt te zijn. §. 12. Gelijkerwijs dan niemand soude mogen seggen; gemerkt dat God de deelen en bewegingen daar door het vuur bestaat wel niet die van 't water soude hebben konnen voegen: dat daarom 't water op deselfde wijse als het vuur, en 't vuur op sulken wijse als het water, werken kan: also magmen ook geensins besluiten, dat so hy de Ziele met een ander Lichaam of ons Lichaam met enen anderen Geest vereenigde, op gelijke wijse als hy Ziel en Lichaam in den mensch vereenigd heeft; het deselfde sake soude zijn. Want mijne Ziel (neemt et so eens) met enen steen of boom also verreend, gelijkse met mijn lichaam is: souden tsaam geen mensche zijn. Of een Engel desgelijx met mijn Lichaam vereend soude so veel minder dan een Engel, en een deel van 't geheel, 't welk is een mensch uit geest en lichaam bestaan-

{==43==} {>>pagina-aanduiding<<}

de; of na 't voornaamste deel genoemd, een lichameliken Engel zijn. Wie sal seggen, dat eens menschen ziele onmiddelik vereend met enen steen, of boom of ander lichaam; niet uit vleesch en been, uit aderen, senuwen, spieren, bestaande, en door bloed verwarmd, en door wasemende geesten bewogen; maar stijf en uit vaste deelen tsaamgesteld: op en door het selve even licht en even eens, ja wel het allerminste werken sal? Want het tegendeel word ons door de klare ondervindinge geleerd. §. 13. Hier uit besluit is dan, dat een ander Geest dan mijne Ziel uit eigenen aart door den Schepper in de scheppinge bepaald, en door de voorsienigheid ondersteund, geen eigen lichaam hebbende; ende noch minder sulk een als 't onse, tot beweeginge van andere lichamen bequaam: ons met reden verdacht moet zijn, hoe die allerhande lichamen, ook onmiddelbaar, ende in eenen ogenblik, (somen gemeenlik gelooft) bewegen; ende allerley lichamelike werken, des menschen kragten duisendmaal te boven gaande, verrigten kan. Want het baat niet, datmen de natuur en kragt der Engelen so veel volmaakter schatt: (hoe groot het onderscheid zy, word lichtelik geseid; maar is tot noch toe niet getoond) dewijl de volmaaktheid die de ziele boven 't lichaam heeft, niet en doet datse sonder lichaam singen kan, beter dan een nachtegaal, ofte spreken beter dan een papegaai of aexter sonder sulken siele doet. De wijste man in verstand, en de sterkste van lichaam, die nochtans nooit schip gesien noch zee bevare heeft: sal door sijne wijsheid ofte kragt geen schip het zy met of sonder zeil of riem of roer, bestieren: immers niemant sal my dat licht wijs maken, of sich selven (schoon seit) waarlik doen geloven. Die op zee geboren, en 't varen gewend is, schoon hy buiten dat vry bot en onervaren, of ook klein van kragten is; sal dat buiten twijfel beter doen. Waaruit ik dan besluite dat voor ons van de werkingen der Geesten, 't zy op Geesten of op lichamen; sonderling degene daar de onse niets met allen op vermag, niet het minste bescheid uit het gene ons de Reden leert te halen is.


VIII. Hoofdstuk. Wat nu de H. Schrift betreft, die geeft ons van den aart en oorsprong der Engelen niet seer veel bescheids.

§. 1. DE leeringen diemen per Locos communes, by gemeene Hoofdstukken, so genoemd, uit de H. Schriften tsamen stelt, worden vast op tweederleye wijse daarin na gespeurd. Van sommigen is 't dat de H. Geest voordachtelik en uitdrukkelik spreekt; van anderen hier en daar slegs by gelegentheid van iet anders, daar het by te pas komt, iet vermeld. Van desen aart is 't al, wat ons van d'Engelen of van de Duivelen, van Tovery en Spokery in den ganschen Bybel ontmoet. Hier op dientmen wel insonderheid te letten: dat hoe menigmaal de Schrift van

{==44==} {>>pagina-aanduiding<<}

Engelen of Geesten iet gewaagt; sy ons nooit en seit, wat die eigentlik zijn, so veel als de natuur betreft: of waar in dat het wesen van een Geest besta. En hoe soude se dat doen: dewijl doch de Bybel voor geen Engelen, maar voor de menschen is; welken daar in de wegh der saligheid gewesen wordt. Dien leertse ons alleen in Christus soeken, die Engel noch Geest, maar mensch om onsent wil geworden is. Want waarlik neemt hy d'Engelen niet aan, maar hy neemt aan Abrahams zaad, welk insgelijx uit menschen bestaat. Heb. 2: 16. Dies ook sal 't gene dat de Schrift van d'Engelen vermeld, geensins hunnen aart of wesen, noch oorspronkelike werkingen uit hunne nature vloeyende: maar blotelik dat gene van hen vermeld, dat den mensche van Gods wege betreft. In geen plaats der H. Schrifture salmen dat ooit anders vinden. Self de naam geeft geen wesen noch wesentlike eigenschappen te kennen, also Engel (volgens 't gene voor getoond is. I. §. 8.) niet anders dan Gesant of Bode (te weten, van Gods wesen aan den menschen) te seggen is. Het sal hier na te passen komen, alles op te speuren, dat van Engelen goede of, quade in de Schrift te lesen staat; en ieder daar uit sien dat het is so als ik segge. §. 2. Hier uit volgt nu 't gene ons voor af staat aan te merken, datmen gansch vergeefsche moeite doet, om een hoofdstuk van d'Engelen uit de Schriftuur op te maaken; waar in geleerd werde, wat eigentlik d'Engelen of Geesten aan sich selve zyn, waar toe van God geschapen, en watse doen. Verre van daar; datmen daar uit soude konnen leeren 't gene der Natuurkunde eigen is, die ons den aart van Geest en Lichaam leert: dese, als geseid, komt self so verre niet, datse ons versekeren kan, offer enig ander slag van Geest, dan des menschen Ziel in de weereld zy. En wat dan wederom Gods Woord betreft; 't is middagklaar, dat het nooit volstrektelik, maar altijd opsigtelijk van d'Engelen spreekt; in opsigte namelik van God, als sijne dienaars die sijn woord doen, gehoorsamende de stemme sijns monds. Psal. 103: 20. Ende ten aansiene der Gelovigen, datse uitgesonden worden tot dienst der genen die de saligheid beerven sullen. Heb. 1: 14. Want datse van nature soude zijn gedienstige Geesten, als of sy (van edelder aart dan de menschen self) om des menschen wille souden geschapen zijn; sulken hoovaardige inbeeldinge moet nooit het nedrig hert eens Kristgelovigen bekruipen. §. 3. Dit schrijvende, maak ik my selven nieuwe swarigheid; wanneer ik my te binnen brenge, dat de Schrift van geenderhande saken spreekt die in de Nature zijn tot haar gebruik; of deselve zijn te voren in de Nature bekend: so dat een filosoof daar stoffe vind, om den aart en eigenschappen na te speuren. Gelijkmen leest van wind en regen, van vuur en licht, van lucht en aarde, van allerhande dieren, groot en klein. Van dit alles heeft de mensche kennis buiten de schriftuur, en gelegentheid om den aart daar van te ondersoeken. Maar so aangaande d'Engelen geen kennis van naturen is: so schijnt, dat ons de Schrift door haar self onderregten moeste,

{==45==} {>>pagina-aanduiding<<}

hoedanige schepselen sy door d'Engelen versta; om te mogen weten, hoe sy verstaan wil zijn, wanneerse dit of dat van d'Engelen verhaalt. Doch dit alles overwogen brengt my noch niet van my stuk. Want ik sie dat dus wel meer dingen gemeld worden, van Naturen onbekend, ende noch tans in de Schrifture niet verklaard; nochte voor al 't minste gemeld dat sulx in gebruik of wesen was, daar het een of het ander van geseid word. So komen Urim en Tummim menigmaal te pas; sonder dat ergens word geseid wat daar door te verstaan zy: de Crethi en de Plethi onder Davids hofgesin, genaamd, sonder ergens te verklaren, wat het voor luiden waren diemen so te noemen plag. Self worden in de Schrift geschiedenissen gedacht, die nergens meer te boek staan: gelijk van Michaels twist met den Duivel Iud. v. 9. en van die 18 op welken de toren van Siloam viel; ja van de Galileers selve niet eens, wat het voor ene geschiedenis geweest zy, waar in Pilatus hun bloed met hunne offerhanden gemengd hadde; waarop nochtans de gansche rede onses Heeren gepast was. Luk. 13: 1. ens. Uit sulks en diergelijke magmen dan besluiten, dat de Schrift ook wel van d'Engelen, den mensch van naturen onbekend, kan spreken, sonder ons derselver aart of wesen te verklaren. §. 4. Nu en is 't ons niet geoorlofd, meer te willen weten, dan God van 't gene door natuurlik verstand niet kenbaar is gewild heeft dat wy weten souden. Laat ons echter sien, hoe veel dat zy. Daar af so vind ik in de Schrift het gene ik in de volgende stellingen begrijpen wil. 1. Datter buiten 's menschen Siel noch andere Geesten, sonder eigen lichaam zijn, welken sy den naam van engelen, dat is Boden, geeft. 2. Dat deselve twederley, goed en quaad zyn. 3. Dat de goede Engelen Gods dienaars, en beschermers der gelovigen zijn. 4. Dat het hoofd der bose Engelen, de Duivel en Satan genaamd, d'oorsaak is van 's menschen val. 5. Dat hy met deselven eewig van God verdoemt is. §. 5. Nu staat ons bescheidelik na te sien, waar en hoe de Schrift dit seit: en ofse ook iet meer seit, daarmen staat op maken mag, dat het na de letter moet verstaan zijn. Door en door leertse dat, het gene nu gesteld is; maar op alle die plaatsen niet diemen daar gewonelik op past. Sulx heb ik neerstig soekende dus nagespeurd, als ik nu vervolgens aan den Leser tonen sal. De gedurige tale van Gods Woord geeft genoeg te kennen datter Engelen, en datter Duivelen zijn: anders haddense nooit gedaan nochte geweest, het gene hen daar word toegepast; volgens den bekenden regel, Ejus quod non est, nulla sunt accidentia, 't gene niet en is, daar valt ook niet van te seggen. Waar uit vorders volgt, datse van God geschapen zijn; also 't gene watter is, van hem geschapen is, Open. 4: 11. Ende mitsdien dat de Duivel en sijne Engelen quaad zijn, en dat God alles goed geschapen heeft; Gen. 1: 31. sulx men ook van hem, die alleen oorspronkelik goed is, Matt. 19: 17. niet anders denken mag: so volgt, dat de selve met die boosheid, die wy

{==46==} {>>pagina-aanduiding<<}

hen toeschrijven, van God niet geschapen zijn. Indien so niet geschapen: wat blijfter anders over om te denken, dan datse in den staat der eerste scheppinge niet gebleven zijn? §. 6. Ondertusschen seit de Schrift, dat de Engelen Geesten zijn, wanneer syse gedienstige Geesten noemt. Heb. 1: 14. Maar uit Davids woorden Psal. 104: 4. is dat so licht niet te bewijsen als men meent. Het is waar, in onsen duitschen Bybel staat; hy maakt sijne Engelen Geesten; sijn dienaars tot een vlammende vuur ende valt op de vertalinge van 't eerste lid, en daar 't meest op aan komt, niets te seggen. Dit alleenlik, datmen de woorden in het Duitsch ook in dese orde stellen mag: hy maakt de Geesten zijne Engelen. {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Ruchos Geesten is ook winden; en 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Malachym Engelen insgelijx boden te seggen gelyk I. §. 7--10. gemeld is. Welk van beiden komt hier best te pas? Onse vertaalders hebben den sin uitgedrukt welke Paulus Heb. 1. 7. Volgens de grieksche oversettinge steld. De chaldeewsche loopt daar ook niet tegen. Die namaals gevoldd zijn, houden sich in andere talen aan den selfden sin. Sonder dat komtet met den ganschen inhoud van den Psalm op het naaste over een, datmen dit vers van den wind, en 't vuur des donderblixems mag verstaan. Want de gansche draad en rede is op Gods wonderwerken in 't natuurlik beloop van den Hemel, Aarde, Zee, derselver dieren en gewassen toegepast. Self en word van den Mensche buiten 't 5. en 23. vers niet uitdrukkelik gemeld: en dat noch verder niet, dat ten aansien van de vrugt des velds, en het licht der Sonne, die hy t'sijnen nutte uiter aarde spruiten van den hemel schijnen doet. So dat Gods werken in de Lucht, op der Aarde, in de Zee het gedurig, immers het voornaamste onderhoud van dese lofsang zijn. Om dese reden ging ik lichtelik van alle oversettingen af, so my Paulus daar aan niet en hielde. 

§. 7. Niet alleenlik seit de Schrift, dat d'Engelen Geesten zijn; maar ook wat een Geest is; te weten sonder vleesch en been. Luc. 23: 39. Dat is te seggen, een verstandig wesen dat geen lichaam heeft. Want alle eigenschappen en werkingen denselven in de Schriften toegepast, geven klaarlik te verstaan datse zijn 't gene boven I. §. 12--15. van Geesten gesegd is. Insgelijx zijnse van der menschen Zielen onderscheiden: om datse van den Mensche self, daar de Ziel een deel af is, over al waar de Schrift van hunne bediening spreekt, onderscheiden zijn. Sulx is klaar van self ende behoeft voor den genen die maar iet belesen is geen bewijs. De Lichamen daar somtijds d'Engelen in verschenen zijn, waren ook hunne eigene niet. Want die haddense in den Hemel, of op den weg, by hun op en neder varen, niet van doen; en moesten hen meer hinderlik dan nut zijn, hoe fijn of luchtig ook van stoff of maaksel men die schatten wil. §. 8. De scheppinge der Engelen, hoe seker datse is, word nochtans nergens in de Schrift verhaald. Een bewijs, dat ons God niet voor heeft om te leeren, wat Engelen, maar wat wy selve zijn. Sulx daar uit noch nader blijkt, dat hunne plaats, volgens de tale van Gods Geest in den Hemel is: maar de gansche draad en stijl der historie, waar in ons Moses

{==47==} {>>pagina-aanduiding<<}

d'eerste Scheppinge beschrijft, is enkelik na de Aarde, 's Menschen woonstede, (Psal. 115: 16. Hand. 17: 26.) geschikt; ende wel besonderlik na een seker volk uit Israel gesproten, aan welken de Schepper een besonder land had ingeruimd. In de Aanmerkingen op d' Historie van 's Weerelds Scheppinge, gedrukt op d'eerste kaarte in den Bybel, 's jaars 1687. 't Amsterdam by Hieronymus Sweerts en Daniel van den Dalen uitgegeven magmen breeder af lesen. De gemeene antwoord onser Schriftgeleerden komt die uitlegginge te gemoet: wanneerse seggen, dat Moses alleenlik de sienlike schepselen in sijne beschrijvinge beoogt; en daarom van de Geesten, als onsienlik, geen gewach en maakt. Over sulx moet het ook vergeefschen arbeid kosten, so onse nieuwsgierigheid verder gaat; om te willen weten, op welken dag van sessen de Engelen van God geschapen zijn. §. 9. Doet ons nu de Schrift van de scheppinge der Engelen geen verhaal: wat soudese dan ook van derselver vall en oordeel veel gewagen? Weinig sprekende van 't gene d'Engelen doen, so hadse noch veel weiniger te seggen van 't gene dat de Duivel doet. Maar dat is niet weinig, sult gy seggen. Want Gods Woord doorgaans van 't een en 't ander spreekt. Ik beken dat, kristen Leser: maar versoeke dat gy met my leest en overweegt, hoe veel daar in van sulx te vinden zy, alsmen gemeenlik daar uit trekt. Derhalven wil ik hier vooraf bedingen, datmen my de vryheid late die elk neemt, om de Schrift in den grond na te sien sonder omsien na geleerde luiden uitlegginge of toepassingen; schoon van langer hand vast by alle man in besitt geraakt, om Gods woorden in alsulken sin als sy gewoon zijn, te verklaren. §. 10. In desen heb ik al voorlang met droefheid aangesien, datmen sich tweesins te buiten gaat. Ende eerstelik daar mede: dat elk schier genegen is veel over sulke dingen te bepalen, daar de Schrift af swijgt, of in 't voorbygaan, of wat duister spreekt: ondertusschen datmen over saken daar de H. Geest het meeste werk af maakt, niet veel en doet. Ik sal hier af geen andere exempelen verhandelen, schoonder veele zijn, dan die sich op doen in 't geschil dat wy behandelen. 't Is een hoofdstuk van de Godgeleerdheid; van de Scheppinge der Weereld ende in 't besonder der Engelen en Menschen. Men gist den tijd, dat die was de eerste dag: en dat sal uit Iob 38: 7. te bewijsen zijn. Andere stellen 't liever op den sesden dag: uit vrese dat somen daar toe den eersten namen, de Arianen of Socinianen: daar mede voordeel mogten doen; om te denken, dat d'Engelen dus vroeg geschapen, God in het maken van de Wereld ook geholpen hadden. Dan overlegtmen verder, of en hoe verre d'Engelen ook als de Menschen na Gods Beeld geschapen zijn, en of de Duivel ook Gods Beeld noch heeft: sonder eens verklaard te hebben, waarin Gods Beeld besta, 't gene volgens de gemeene orde der verhandeling in een besonder hoofdstuk achterna geleerd word. Maar dan is men 't noch in lang niet eens: mitsdien dat d'een dat Beeld in de geestelikheid der nature stellende, volgens toestaat,

{==48==} {>>pagina-aanduiding<<}

dat de Duivel self Gods Beeld noch heeft; d'ander niet als geregtigheid daar door verstaande, rond uit belijd, dat de mensche door den val Gods Beeld verloren hebbende, het Beeld des Duivels in de plaats gekregen heeft. Behalven dit so wilmen enkelik weten, waar in den af val van de bose Engelen bestond; of 't hovaardy of nydigheid of anders iet geweest zy: en 't komt'er seer op aan, dat de menschen laten konnen den tijd te bepalen, op welken dat de Duivel viel. Van dit alles leestmen in de Schriften niet een eenig woord: oorsake dat ik 'er ook niet eens van spreken wil. §. 11. Het ander is, datmen met een bloot verhaal van Engelen die nu en dan verschenen zijn, om te verstaan het gene door de letter klaar betekend word, niet eens te vreden is: maar wil daar onder noch verborgentheden soeken, en geloofstukken daar uit bevestigen, die van geheel anderen inhoud zijn. Ik segge de verborgentheid der allerheiligste Dieënigheid, en der Menschwerdinge onses Heeren en Salimakers: als of die waarheden op geen wisser gronden waren vast te maken. Ik houde van die buitenwerken niet, die men tegens vyands list of wagt niet kan bewaren; en die hem tot voordeel strekken, wanneer hy een daar af in krijgt, (gelijker menig van onse eigen voorvechters van self verlaten word) om daar in te nestelen, ende ons also uit onse eigene werken te beschadigen. Die daarvoor besorgd zijn datmen de waarheid voor den vyand bloot sal stellen, in dienmen sulke lichte buitenschansen niet bewaart, die en bedenkt niet, dat se van dien aart is, om so blood bestreden te worden. Sy en wil niet anders vechten: sy komt voor den dag, en siet uit hare ogen. Sy en behoeft geen schild noch wapen dan haar selve: sy is schoot- en steekvry: de vurige pijlen des bosen is sy machtig uit te blusschen. Daarom niemand sy om ons verlegen, dat wy die verborghenthede des Geloofs niet onverwrikbaar soude konnen staande houden: al is 't dat wy mogelijk 't bewijs niet sien, daar het andere soeken; het zy in benamingen, het zy in verschijningen van Engel of Engelen, in de Schrift gemeld. §. 12. Noch isser iets dat ons te byster in den wege staat: om een vry en onpartijdig ondersoek te doen. Te weten, dat de Vertaalders van den Bybel, en insonderheid de Nederduitsche (anders mogelik de besten) mede doorgaans in 't gevoelen zijn geweest, dat ik ondersoeke; en daar door niet alleenlik Engelen, maar insonderheid menigte van Duivelen in de Schrift vermelden, daar geen woord in sulken sin in de griekschen noch hebreeuschen text te lesen staat: of 't gene men daar leest, so wel: indien niet beter, op menschen als op geesten mag gepast zijn. Maar wy moeten seker gaan, salmen sulk een groot gevaarte stichten of ter neder werpen, als de magt en 't rijk des Duivels is, daar wy nu na komen sien; om eens grondig te verstaan wat daar af de regte waarheid zy, daarmen over al so breed af spreekt. Ondertusschen wil my dit noch merkelik verlichten, dat ik d' Oversetters niet als of ik so veel wyser ware; maar uit hunne eigene oversettingen en aantekeningen op ander plaatsen overtuigen kan, wanneer ik ergens van hen kome afte gaan: of ten minsten tonen, dat an-

{==49==} {>>pagina-aanduiding<<}

dere vertaalders of uitleggers insgelijx van hen verschillen.


IX. Hoofdstuk. Van den herkomst en den staat der bose Geesten, geeft sy weinig, ende nochtans duidelijk berigt.

§. 1. GEseid zijnde, dat d'Engele, gelijk alle dingen, van God goed geschapen zijn: so en konnender geen quaden zijn, dan door afval; noch sodanig blijven, so die val niet onherstelbaar zy. Van den selven word wel so veel hier en daar getuigd, dat die is geschied: maar (gelijks reeds geseid is) nergens verhaald, wanneer, of waar die by toe quam, of waar die in bestond. De Saligmaker Ioh. 8: 44. noch d' Apostelen, 2 Pet. 2: 4. en Iud. v. 6. en seggen ons ook niet, hoe de val der Duivelen geweest zy; dan ten hoogsten maar, datse gevallen zijn. Want eerst in de waarheid zijnde, misdien datse neffens d'andere Engelen opregt en goed geschapen zijn: so en zijnse daarin, seit de Heere, niet staande gebleven; als daar uit bleek, dat de Duivel van 't begin af al een Menschen moorder was. Iohannes seit daar beneven: die de sonde doet is uit de Duivel, want de Duivel sondigt van den beginne. 1 Ioh. 3: 8. Dit by malkanderen gebragt, maakt ten minsten so veel uit: als dat de Duivel in 't begin geweest, in de waarheid geweest; maar terstond afgevallen, d' eerste oorsaak van de sonde en verdoemenis, en also genoegsaam moordenaar van 't menschelijk geslagt geworden zy. Met die twee getuigenissen des Heeren Iesus self en sijns lieven Apostels, klaar en duidelik sprekende dat de Duivel van den staat, daarin hy van God geschapen was, afgevallen zy: behooren wy vergenoegd te zijn, al komter meer niet by. Alleenlik geeft de Heere van ter zyden noch te kennen, dat een menigte van Engelen met dien eenen welken hy den Duivel noemt, gevallen zy, die sijne Engelen, dat is; (als meermaal nu geseid) sijne boden genaamt zijn. Matt. 25: 41. Tot wat boodschappen van hem te voren uitgesonden, en of sy daarom so genoemd zijn, dat swijgt de Schrift. §. 2. Dat van Petrus nochte Iudas leit so klaar niet als 't wel schijnt. Want Petrus, (so hy daar van dese sake spreekt) seit ons meer niet van d' afvallige Engelen, dan datse gesondigd hebben; sonder te verklaren wat die sonde was. Iudas (indien hy mede van den val des Duivels handelt) getuigter af, datse hun beginsel niet bewaard, maar hunne eigene woonstede verlaten hebben: en hy verklaart ons mede niet, hoe 't by quam datse hun beginssel so verlieten, ende hunne eerste woonstede niet en sochten in te houden. Waar uit wel te sien is, dat hetgene men besonderliker van den val der Engelen kalt, uit der Ioden oude dromeryen opgehaald, en den verdichtselen des Alkorans gelijkmatig zy. Daar van gelieve mijnen Leser I. B. XII. §. 12. XIV. §. 5. 't gene uit beiden aangetekend is, eens na te sien.

{==50==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 3. Daillon in sijn Examen de l'Oppression des Reformez en France doet, dat ik daar effen als met twijfeling over de woorden der Apostelen Petrus ende Iuda sprak: of sy daar den val des Duyvels by verstaan. Al en vind ik my niet ten vollen overtuigd, dat sijne verklaringe vast gaat; sy brengt my echter so verre, dat ik my op d'andere ingelijks niet meer verlaten dierf, die des Apostels rede hier, en by Petrus van den val der Engelen verstaan. Des dunkt my dat ik wel sal doen, so ik denselven schrijver in dat deel alhier vertale, en aan 't oordeel van den Leser stelle. Hebbende dan voor af beweerd, datter maar een Duivel ofte Satan in de Schrift bekend is: so schikt hy sich om de swarigheden op te lossen, die hem waren voorgeworpen. Onder anderen seit hy dan. Gy wilt tegen my inbrengen 't gene ‘Iudas in 't 6 v. van sijnen sendbrief seit, van Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben; gelijk onse oversettinge mede brengt. Maar gy en sult daar niet vinden sulken bende van Geesten, onder 't gebied des Satans staande, en die hem in sijne wederspannigheid gevolgt zijn. 't Is enkel vooroordeel datmen daar Engelen vinden kan, die nooit Engelen geweest zijn. Dit bestaat hy eerst te tonen; en daar na, wat door dese Engelen te verstaan zy. ‘§. 4. De H. Geest, die geen andere als bequame namen geeft, die en noemt nooit Engelen dan de genen die om enige sake uitgesonden zijn. Maar dese Geesten, dienmen stelt dat den Satan van 't begin des Weerelds af in sijne wederspannigheid gevolgd zijn, waren noch van God niet uitgesonden, toenze vielen: en daarna ook niet; also hen Iudas hier vertoont als gebonden en getekend tot den dag des oordeels toe. Die van 't begin ten einde toe gevangen blijft, wanneer is die een gesant geweest? Dese reden gaat by my niet vast: also mede Duivels Engelen van den Heere Iesus genoemd zijn, Matt. 25: 41. degene diemen niet en weet waartoe dat van hem uitgesonden worden, na den val, of voor den val gesonden zijn geweest. Al is 't dat de naam niet op den aart of 't wesen van de Geesten, maar op derselver bedieninge slaat; so word die echter ook gebruikt om blotelik dat slag van schepselen, buiten meldingen van hun gesandschap te betekenen; 1. Sam. 29: 9. 2 Sam. 14: 17, 20. en 19: 27. Zach. 12: 8. Matt. 22: 20. Mar. 13: 32. Hand. 23: 8. 1 Kor.13: 1. Kol. 2; 18. 1 Tim. 5: 21. Heb. 2: 16. en 12: 22. 1 Pet. 1: 12. 2 Pet. 2: 11. en daarom konnen sulke Geesten die gevallen zijn, schoon nu buiten desen dienst, door gemeinschap van nature met den selfde name wel betekend worden. ‘So gy dese rede des Apostels sonder vooropgenomen oordeel leest; gy sult sien, dat hy volgens de gemeene uitlegginge geen goede redeneeringe gebruikt. Sijn oogmerk is, de gelovigen te verpligten, om volstandig te strijden voor 't Geloof; ende niet de doen gelijk de genen, die Gods genade veranderen in ontuchtigheid en God den eenigen Heerscher ende onsen Heere Jesus Christus verlochenen: ende sulx door vrese van Gods oordeel, waar af hy enige exempelen verhaalt. Het eerste van dien is dat van de Israelyten, die nade verlossinge uit Egypten on-

{==51==} {>>pagina-aanduiding<<}

gelovig geweest, en daar over verdorven zijn. Sulx was uit de historie hunder wederspannigheid Num. 13. en 14. Deut. 1. en Psal. 95. genoeg bekend; geschied zijnde op de wederkomst der genen, die uitgesonden waren om 't land Kanaan te verspieden. Tot een derde exempel brengt hy by, de bekende geschiedenissen van Sodoma en Gomorra. Gen. 19. Tusschen beiden neemt men voor een tweede, de straffe der Engelen, die met den Satan in 't begin des weerelds tegen God zijn opgestaan, en met eewige banden onder de duisternis bewaard worden; daarmen in voorgaande boeken van de H. Schriften af leest. Over sulx kond ene geschiedenis, tot op dien tijd onbekend, geen kraght hebben op t' gemoed des lesers; ende wierd seer t'onpas by de twee anderen gevoegd. §. 5. Men behoeft sich hier op geen overleveringe te beroepen, noch op enig boek dat doe noch voor handen, doch daarna verloren was. Want behalven dat dit beide seer onseker is: so en heeftet geenen schijn, dat Iudas tusschen twee exempels, uit de H. Schrift so wel bekend, een ander heeft willen stellen, waar af de Godspraak den Ioden toebetrouwd gansch niet en meld. Ik vrage wat d' Oversetters bewogen heeft om het grieksche woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

archee beginsel te vertalen; so 't niet en en is om daar den val der Geesten door te vinden, daarmen elders niet af leest? De gemeene latijnsche oversettinge gebruikt hier 't woord principatus meesterschap; 't gene op Geesten, die onder een hoofd staan, niet wel past.

§. 6. Dan so gy op 't vervolg van des Apostels rede lett, en op de spreekwijsen die hy gebruikt: gy sulter dese Engelen, dat is gesanten haast in vinden, die 't land van Canaan verspied hebben: zijnde Oversten der stammen en Hoofden der kinderen van Israel. Num. 13: 2, 3. Dese hebben hunne waardigheid, diese boven andere hadden, niet bewaard: uit welke oorsaak sy die ook teffens met het leven verloren hebben. D'Apostel leit hen twederleye misdaad te last. D'eene, datse hunne waardigheid niet wel bewaard hebben; door dien sy te licht besweken, en also die hartigheid niet en hadden die den hoofden des volx betaamde. D'andere, datse {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

to idion oiketerion hunne eigene woonstede, 't land dat hen God in eigendom bescheiden hadd, 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

apolipontai verlaten hebben; mits datse daar van afstonden, beschoomd zijnde om het in te nemen. Dit past duidelik op de genen daar ik van spreke: gelijk sulx ook uit Petrus woorden lichtelik te bespeuren is. Die seit 2 Pet. 2: 4. dat God d'Engelen (ik sett hier wederom Boden of Gesanten) die gesondigd hadden, niet gespaard heeft. Want de woorden, die gesondigd hadden, betekenen seer wel de genen van welken Paulus Heb. 3: 17. schrijft: die gesondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijne, ende welken God gesworen heeft, datse in sijne ruste niet en soude ingaan. Dit zijn deselfde die enen opstand maakten, wanneerse op 't stuk waren om in 't land Canaan te gaan, 't welk sy waren 

{==52==} {>>pagina-aanduiding<<}

wesen verspieden. 't Is waar, dat dit op alle Godsgesanten die ongehoorsaam zijn wel enigsins gepast kan worden: maar in de gansche Schrift is geen exempel van wederspannigheid te vinden, so merkweerdig als dit is, en daar sig God so heftig om vertoornd heeft, en dat so swarelik van hem gestraft is. §. 7. So gy vraagt, of menschen van menschen uitgesonden ook wel Engelen genoemd zijn: ik antwoorde, dat de genen daar wy nu van spreken van God self gesonden waren: die daar last toe gaf, en met namen noemde wiemen daar toe senden soude. Daar by komt noch, dat niet alleenlik by de grieksche schrijvers ook wel angeloi genoemd zijn die van menschen uitgesonden waren: maar dat het ook seer gemeen is in den griekschen Bybel, het hebreewsche woord malach op menschen gepast, door het grieksch angelos te vertalen. Dus worden sy die Iacob aan Esau sond, Gen. 33: 3. Moses aan den koning der Edomijten, Num. 20: 14. Gideon aan die van Efrajim, Right. 7. 24. so wel {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

malachym, 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

angeloi engelen genoemd, als elders die van God gesonden waren. In 't niew Testament is dit gebruik ook niet onbekend: als te sien is Iak. 2: 25. daar de twee verspieders van Iosua uitgesonden 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

angeloi engelen genoemd zijn; 't welk by onse nederduitsche oversetters gesondene vertaald is. So d'een Apostel dan Engelen noemt, die van Iosua gesonden, ende maar gemeene luiden waren: wie wil sich verwonderen, dat d'andere twee den selfden name geven aan de genen die beneffens hem van Moses uitgesonden, en hoofden des volx geweest zijn?

§. 8. Hier en wil in niet ontkennen, dat ik tegen dese redenen niet veel en hebbe, so veel het eerste deel betreft; te weten, van d'Engelen die daar in gesondigd hebben; datse hun beginsel niet bewaarden, maar hunne eigene woonstede verlieten. Maar het hapert my noch aan so swaren straffe alsse daar voor leden: gemerkt dat de bewuste verspieders sleghs gestorven zijn, sonder in 't beloofde land te komen: volgens de godlike bedreiginge, Uwe dode lichamen sullen in de woestijne vallen. Num. 14: v. 29. Maar dat en is niet het gene hier geseid word: datse God in de helle geworpen, en aan de ketenen der duisternis overgegeven heeft om tot het oordeel bewaard te worden: 2 Pet 2: 4. of gelijk Iudas spreekt, dat hyse tot het oordeel des groten daghs met eewige banden onder de duisternisse bewaart. Doch de swarigheid komt op de woorden, Helle, Ketenen, en Duisternisse aan. Door alle drie word by den Hebreën de Dood betekend. So dat de meininge kan zijn, dat sy tot straffe hunder ongehoorsaamheid en ondankbaarheid, op ene sonderlinge wyse, anderen ten voorbeeld gestorven zijn: 't welk met sulken verbloemde rede kragtigst geseid word, om 't gemoed te bewegen. §. 9. Want het hebreewsche woord Scheol en 't grieks Hadees, die op malkanderen slaan, word so wel graf als helle vertaald. Ia onse Oversetters hebben 't ook wel Helle verduitscht, darmen nochtans wel kan

{==53==} {>>pagina-aanduiding<<}

sien, dat het Graf betekend word. Gelijk daar Petrus des Heeren opstandinge uit den 16. Psalm bewijst: Hand. 2: 27, 29. Gy en sult (seit David in onsen duitschen Bybel) mijne ziele in de Helle niet verlaten: en Petrus, om te tonen dat hy dit op hem selve niet en seit, sijn Graf is by ons tot op dese dagh. Hoe komt dat te pas, indien 't gene eerst Helle genoemd is het Graf niet en is: Van Kora en sijne aanhang word geseid, datse levendiger ter helle voeren, wanneer hen de aarde verslond. Num. 16: v. 30, 32, 33. De Ketenen zijd dan mede wel te vinden: want die komen best in de Gevangenis te pas. Doch Petrus selve geeft die naam elders aan den Dood en 't Graf: wanneer hy seit, dat Christus eertijds door den Geest gepredikt heeft, den Geesten die in de gevankenisse zijn, zijnde degene die in Noags tijd ongehoorzaam gestorven zijn. 1 Pet. 3: 19, 20. Want een dode kan sich minder reppen of bewegen, dat die op't allerstrengst geboeid, geketend en gevangen is. Eewige banden is niet verder te verstaan, als datse nooit wederom los raken sullen, so lang als de weereld staat. Want die eewigheid houd op met het oordeel des groten dags, daar sy toe bewaard zijn. Banden derhalven so eewig als de Heuvelen, die nochtans een einde nemen sullen. Genes. 49: 26. De duisternis is mede eigen aan de doodschaduwe: Psalm. 23:2. Weshalven Iob den Dood beschrijft als een land der Duisternisse en der schaduwe des doods: en stikdonker land, als de Duisternisse selve; de schaduwe des doods ende sonder ordeningen; ende het geeft schijnsel als de Duisternisse Iob. 10: 21, 22. §. 10. Nu kanmen lichtelik met een verstaan, hoe dese Engelen, dat is weerspannige gesanten, op sulke wijse tot het oordeel des groten dags bewaard worden. Want dat en seit niet noodsakelik datse eewig verdoemd zijn: niet meer dan de genen die van elk ydel woord rekenschap geven sullen in den dag des Oordeels. Matt. 12: 36. Alle menschen sullen dus geoordeeld worden; maar alle menschen sullen niet verdoemd worden. 't Is alleenlik, datmen op dien dag, dien de Heere maken sal, het onderscheid sal sien tusschen den regtveerdigen en godlosen. Malach. 3: v. 18. So verre dan als de bewuste verspieders onberouwelik gesondigd hebben, ende in hunne sonde gestorven zijn, (des wy liever niet van hen vertrouwen) so wordense tot den dag des Oordeels bewaard om gestraft te worden. 2 Pet. 2: 9. Anders konnen hunne zielen, door de straf in dit leven gebeterd, behoudens al 't voorseide, in gerusten stand by God; en dit uitwendig oordeel tot verderf des vleesches geweest zijn, om den geest te behouden in den dag van Jesus; gelijk Paulus den groten dag des Oordeels noemt. 1 Kor. 5: 5. §. 11. Dit en heb ik, waarde Leser, geensins bygebragt, om u die verklaring op te dringen; of de gemeene uitlegginge te verwerpen. Want de sake blijft daarom in wesen, so als uit Christus eigene woorden Ioh. 8: 44. genoegsaam blijkt. Het zy dat dese twee Apostelen het selfde seggen, of datse van iet anders spreken; de mond der waarheid self is ons alleen genoeg. Wat meer is: ik hadde self een groot behulp in die verklaring,

{==54==} {>>pagina-aanduiding<<}

die ik dus in twijffel trekke, ware 't my om louter waarheid niet te doen. Mijn gebow steunt voornamelik daar op, dat de Duivel Gods gevangen, en ter Hellen opgesloten is; welke stijl van spreken na 't gemeen gevoelen uit die twee plaatsen voornamelik ontleend is. Dan hier uit siet nu de Leser, hoe weinig ik my selven soeke: en dat ik de Schrift niet na mijn hoofd wil buigen, om haar te doen spreken so als best op mijn gevoelen past; aangesien dat het weinig scheelt, of ik soude hier, de waarheid te geval, my selve 't vonnis tegen wijsen. Hout het my dan ook ten goede, Leser, dat ik insgelijx den tegenspreker en van ons Geloof tot nadeel niet en doe, het gene ik tot voordeel van my self niet eens wil doen. De waarheid moet steeds waarheid, en wy haar onderdanig zijn. §. 12. Nochtans wat isset dat de Schrift met sekerheid ons van dat Oordeel leert, waar onder d'Engelen na sulken val geraakt zijn? Het eewig vuur (buiten twijffel by gelijkenis, om de swaarste en eewigdurende pijnigingen te verstaan also genoemd) is den Duivel en sijnen Engelen bereid, Matt. 25: 41. De woorden brengen noch niet mede, datse terstond na den val in dat vuur geworpen zijn: maar blotelik dat het hen bereid is; 't welk schijnt op het toekomende te zien; gelijk het koninkrijk' in tegendeel noch eerst sal gegeven worden dien het bereid is; Matt. 20: 23. en 25: 34. Dat voor te komen is voor hen geen middel nochte Middelaar. Want waarlik hy en neemt d'Engelen niet aan, om te verlossen; maar alleen de menschen van Abrahams zaad. Heb. 2: 17. §. 13. In wat staat zijn dan de bose Geesten nu? de heilige Schrift en seit dat niet, maar wijst het ons genoeg. De mensche met dat hy gevallen was, waar bleef hy doe? was hy beter dat in de Hel, wanneer hy in den Hof de stemme des Heeren horende, al bevende voor hem vlood? gelijk het in den 17. artykel onser Geloofs belydenisse staat. En meinen wy, dat het de Engelen beter hadden na datse gevallen zijn? Wie en swigt niet voor Gods toorn, ende word verschrikt door sijne grimmigheid? Psal. 90: 7. Hebben dan de Geesten die gesondigd hadden, uitstel van hun vonnis verkregen, dat moest klaarlik blijken; of het antwoord is van selve, Neen. Nu het blijkt geensins, de Schriftuur en spreekter nergens af, dat den wederhorigen Geesten ooit de minste jonst of genade zy geschied: noch tot vernieuwinge ter bekeeringe, noch tot uitstel of versachtinge der straffe. Sulx geschied ook aan den mensche niet dan om ons door Gods langmoedigheid en goedertierenheid te leiden tot bekeringe. Rom.2: 4. Maar daar toe vinden wy, als geseid is, voor de bose Geesten geene hoop. Derhalven isser ook geen reden om te denken, dat de regtveerdige God, de magt tot straffen self in hande hebbende: en geen genade in den sin, ontrent schepselen die gesondigd, ende geenen Middelaar en hebben: niet en soude na verdienster straffen, van de uur af datse eerst gesondigd hebben. §. 14. Seitmen echter, (gelijk in 't I. B. XIX. §. 8. uit Schott verhaald is) dat die bose Geesten sommige noch vry, en sommige voor een tijd wel vry gelaten zijn, om de menschen hier te quellen: dat en word anders ner-

{==55==} {>>pagina-aanduiding<<}

gens om geseid, dan om dat men sulx alreeds gelooft, eer men de Schrifture leest. En wanneer die dan het tegendeel betuigt, of schijnt te betekenen: so word alsulken onderscheid versonnen; om dan de Schrift niet te weer-spreken, en echter 's menschen opgevatte meninge niet te versetten is. Want of de Schrift sulkx van den Duivel seit, staat ons noch met ernst en aandacht na te speuren, en wat die sake betreft, dat om den mensch te plagen, bose Geesten op der aarde souden nodig zijn; dat vind ik echter niet. De doorgaande taal der H. Schrifturen is, dat Gods gelovig volk geduriglik van bose menschen word gequeld: van bose Geesten blijkt dat niet so klaar. Want wat die plaatsen aanbelangt, daar uit men sulkx beweeren wil: daar sullen wy hier na bysonderlik af spreken. Men moet sich ook, als Iob, wel wachten, dat men Gode niet ongerymds toe en schryve Iob.1: 22. Voor sodanig sie ik 'taan, somen seit dat God de bose menschen spaart, om den tijd hunner bekeringen; of so niet, overtuiginge te verlengen: en dat hy ondertusschen hen door bose Geesten tot de sonde aan dryven, en hunne bekeeringe hinderen soude. §. 15. Op sulke gronden als daar nu verhaald zijn, stell ik vast, dat de bose Engelen van de ure hunnes eersten afvals aan van God verlaten, en in eewige verdoemenis verstoten zijn: en dat hen 't eewig vuur, also genoemd, bereid is om daar aanstonds in te gaan; ende namaals noch tot hun geselschap sulke menschen te verwachten, als in de sonde, door des bosen Geests verleidinge eerst ontstaan, onberouwelik volherden. Derselver tijd en is noch niet; maar der genen tijd is albereid: so mag ik hier ook spreken, als Christus by andere gelegentheid. Ioh. 7: 6. Want gelijk als God aan d'eene zijde den regen niet bereid, dan om dien aanstons op der aarde te doen vallen, en de vrugt te doen voorkomen: Psalm 66: v. 10. Psal. 147: v. 8. so doet hy mede, wanneer hy strikken; vuur en swevel op den godlosen regent, Psal. 11: 6. dat is, veerdige straffe in dit leven: dan heeft de heere sijne boge gespannen en bereid. Psal. 7: 13. Wanneer God een slacht-offer van gramschap bereid heeft, dan is de dag niet verre; maar naby. Sefan. 1: 7. Eindelik, gelijk God den sijnen goedertierentheid en waarheid bereid, op datse hem sonder uitstel behoeden; Psal. 61: 8. also is 't billik, daar de selfde reden, of geen reden van verlang te vinden is, dat den bosen Engelen die dodelike wapens, en 't gevoel des eewigen vuurs van eersten aan bereid zyn. Dus verre van der Engelen aart en onderscheid, so veel als ons de Schrift daar af te kennen geeft, gesproken: Nu laat ons gaan besien, of sy ook iet verder seit, waar uit deselve noch wat nader mogelik te kennen zijn.


{==56==} {>>pagina-aanduiding<<}

X. Hoofdstuk. D' Eigenschappen en werkingen die sy den Engelen toeschrijft, met onderscheid aan te merken.

§. 1. GElijk de Schriftuur haar werk niet maakt van der Engelen eigentliken aart of eigenschappen te beschrijven: so moetmen daar af oordeelen, uit het gene sy hier en daar van derselver werkingen en verrigtingen verhaalt: of by andere gelegentheid als van ter zijde te kennen geeft. Het gene daar door aan den dag komt, is ten deele van derselver wetenschap of kennisse, hoewel weinig: maar ruim so veel van hunne kragt of mogentheid geseid. Ende dat noch met alsulken stijl van spreken, datter byna niet eene plaats is, welke na de letter uitgeleid enen goeden sin uitmaken; of op der Engelen natuur of wesen, so veel als ons de Schrift self wil te kennen geven, te passen zy. Hier op bid ik mijnen Leser wel te letten: op dat hy mag begrijpen hoe veel dikmaals de uiterlijke klank der woorden, volgens hun gewoon gebruik verstaan, van den waren sin uit de omstandigheden en natuur der saken blijkende verschilt. Somen dit voor desen niet in acht genomen heeft; sal het mijn schuld niet zijn, wanneer ik sulx doende, tot enige andere uitlegginge genoodsaakt worde. §. 2. Nu dan de kennisse der Engelen belangende: God laat ons, in sijn Woord weinig daar af meldende, self oordeelen, of die niet seer groot moet zijn; dewijle sy Gods aangesigte altijd sien. Matt. 18: 10. Dat is meer dan Moses ooit gebeuren mocht, hoe seer hy daar om bad; Exod. 22: 18, 20. en dat ons eerst in 't ander leven te verhopen staat, Kor. 13: 12. het gene sy van 's weerelds oorsprong af genoten hebben. Door 't sien van Godes aangesigte word by Mattheus een besondere ommegang en tegenwoordigheid met God, en by Paulus ene nette kennisse verstaan; als uit d' omstandigheden van beider woorden lichtelik te merken is. So dat d'Engelen, geduriglik met God omgaande en voor God staande, buiten twijfel veeler dingen kennis hebben die geen mensche weten kan; sulx de Heiland self te kennen geeft: wanneer hy seit, dat niet alleen de menschen, maar ook selfs d'Engelen van des Heeren dag onkundig zijn; Matt. 24: 36. als willende seggen dat het seer geheim moet wesen 't gene d'Engelen self niet weten mogen §. 3. Hier by komt, dat sy die in de waarheid staande blijven, aan geen verduisteringe des verstands, door verdorventheid van hunnen wille onderhevig zijn: daar 't ons echter meest aan schort. Ik en wil niet seggen, hoe groot onse natuurlike verdorventheid in desen zy, van Paulus beschreven: Eph. 4: 18. maar dat wy, schoon tot God bekeerd, noch al geduriglik te bidden hebben om verlichtede oogen des verstands. Efes. 1: v. 17, 18. Dus hebben d'Engelen dat niet van node: also men niet en weet,

{==57==} {>>pagina-aanduiding<<}

noch iemant gelooft, dat van de genen die gevallen zijn ooit een bekeerd is; of die in 't eerst gebieden zijn, een eenige tsedert afgevallen. En genomen eens dat iemant sulx al woude denken, om dat de Schrift ons hier onseker laat, en derhalven so veel vryheids tot het een als 't ander geeft; so blijkt nochtans: dat d'Engelen die gebleven zijn, dat voordeel boven d'anderen, en boven d' allerbeste menschen hebben, datse suiver van gedachten zijn t so als hen God in 't eerst geschapen heeft. Waar by gevoegd die allerschoonste gelegenheid, om geduriglik met God en in sijn werk te zijn: so moet volgen, dat die heilige Engelen van seer groot verstand zijn. §. 4. Echter dient hier by in acht genomen, dat Gods Engelen wel sijne dienaars, maar sijne raadslieden niet en zijn. Want wie is sijn Raadsman geweest? Rom. 11: 34. Iesa. 40: 13. So heeft hy dan ook met hen niet te rade gegaan, door wat middel hy den mensche herstellen soude: nochte sy en waren ooit van self so schrander, om so diepen verborgentheid uit te vinden. God heeft die ook aan de menschen, dien 't aangaat: en meest door menschen, somtijds door Engelen verkondigd. Dese dan weten so veel daar af, en niet meer, als de boodschap behelsde, die sy dien aangaande van tijd tot tijd, hier en daar, door Gods last aan de Menschen overbragten. Doch dit kan hen maar stuks-wijse in die kennisse verlichten: waarom sy steeds begeerig zijn om die dingen nader in te sien. 1 Pet. 1: 12. Paulus geeft genoegsaam te verstaan, dat niet tegenstaande alle die voordeelen der Engelen boven ons, beneffens alle die boodschappen die sy ooit daar af aan de menschen bragten: nochtans niet so veel door d'Engelen aan de Gemeinte; maar door de Gemeinte aan den Overheden en Magten in den Hemel, Gods veel voudige wysheid word bekend gemaakt: Efes. 3: 10. immers by aldien men dan van d'Engelen verstaat, so als 't gemeen gevoelen is. §. 5. Van de menscheliken saken is veel licht hunne kennisse wel groter: immers lichteliker na te speuren dan Gods onnaspeurlike wegen zijn. Dog wie sal ons seggen, hoe verre dat sulx gaat? Het komt daar meest op aan, of d'Engelen der menschengedachten weten konnen. Dunkt iemant, ja: so wil ik dit wel van hem leeren, hoe de kennisse van 's menschen herte ene onafscheidelike eigenschap des alweetenden Gods kan zijn, die ook daar uit besonderlik als God gekend wil zijn. Want hy alleene kent de gedachten van 's menschen herte, 1 Kron. 28: 9. d'Engelen dan niet. Want wie van de menschen weet wat in de mensche is, dan de geest des mensche die in hem is? 1 Kor. 2: 11. Dat is: de Ziele self weet watse denkt; maar een ander niet. Een Engel kan die net beter weten dan de Ziele van een ander mensch: also hy hem niet so na als d'eene mensch den anderen is. Want self onder de lichamen, dingen van eenerleyen aard lichteliker gepaard en vereenigd worden, dan die van verscheidene; en minst die van strijdige nature zijn. Ik segge dan: kent d'eene mensche de gedachten van den anderen niet: een Engel kentse noch veel min. Dit wil ik van dat gene dat een Geest uit eigener nature weet, verstaan hebben; so verre ons daar uit of uit de Schrifture

{==58==} {>>pagina-aanduiding<<}

blijken kan. Doch wat sy door Gods openbaringe weten, daar van is albereids beleden, dat het gaat so verr als 't God belieft. §. 6. Doch d' eere deser openbaringe sta ik geensins aan den Duivel toe. Onder de menschen geeft God die alleenlik aan de genen die hem vresen; Psal. 25: 14. of aan anderen ten dienste, nooit tot nadeel van sijn volk Want het was om Abraham, dat God Abimelech verscheen; Gen. 20 om Israëls behoudenis, en Iosefs verheffinge, dat hy Farao dede dromen. Gen. 41. om sijns volx segeninge, dat hy den vervloekt Bileam iet openbaarde; Num. 22, 23, 24. om Davids wille, dat Saul profeteerde: 1. Sam. 19: 22, 23, 24. Eindelik, dat God tweemaal aan Nebucadnetsar in den droom te kennen gaf, wat hier na geschieden soude; het was enkelik om de eere sijns Naams, als des Gods van sijn gevangen volk. Dan. 2. en 4. Ende noch moest de droom van Farao door Iosef, en die van Nebucadnetsar door Daniel verklaard zijn; beide lievelingen van den God des Hemels, die verborgentheden openbaart: noch Egiptische noch Chaldeewsche Wijsen hadden 't minste deel daarin. Het soude dan na den algemeinen stijl van 't heilig Woord, de grootste ontheiliging van Gods allerheiligsten Name zijn, te seggen, dat hy sijne verborgentheden aan den Duivel openbaart. §. 7. Dunkt dat iemant evenwel: so vraag ik, of hy dat tot dienst of ondienst sijner uitverkorenen sal doen? Tot dienst: dat zy verre, dat d' Allerheiligste den alleronheiligsten in plaats der heilige Engelen gebruiken sal; welke van hem uitgesonden worden tot dienst der genen die de saligheid beerven sullen. Hebr. 1: 14. Waar word dat ooit of ooit van des Duivels Engelen geseid? Ook mein ik dat hy weinig lust sal hebben, om sich t' onsen besten aan te bieden: gelijk van hem verbeeldender wijse gesegd word, dat sich een bose Geest, of de Satan selve bood; dees om Iob te plagen, die om Achab te verleiden. Iob 1. en 2. 1 Kon. 22 Tot ondienst: datzy verre van den goeden en getrouwen God, dat hy door ontdekkinge van sijn geheim, 't volk van sijn verbond, daar hy dat als wat besonders voor bewaart, aan den snoodsten vyand sal verraden. §. 8. Van de kennis kom ik tot de Kragt. Dat die groot in d'Engelen is, blijkt aan den lof die hen David geeft, wanneer hy hen Gods kragtige helden noemt, Psal. 103: 20. En Petrus van d'Engelen sprekende seit, datse in sterkte en in kragt meerder zijn dan wy, of misschien de genen die in heerschappy of heerlikheid zijn. 2: Pet. 2: 10 11. Maar de Schrift en seit ons nergens, waarin die kragt bestaat. Dan de natuur der Geesten heeft dat in, dat sy alles door den wille doen; men kander anders geen begrijp af maken. Sulx echter voor de Filosofen latende, dientet ons te weten, hoe verre sy door hunne kragt op de Geesten: of op de Lichamen werken. Op de Geesten: dat is op malkanderen, of op de Zielen der menschen Hoe sy hunne gedachten aan elkander mededeelen, is niet wel te begrijpen en de Schrift en seit ook niet hoe sy dat doen; maar datse 't doen. Want de Serafijn, die Iesaias in een gesigte voorquamen, riepen d'een den anderen toe. Ies. 6: 3. Daniel vernam ook op gelijke wijse, datse t'samen

{==59==} {>>pagina-aanduiding<<}

spraken. Aan de menschen hebben sy sich in de Schrift niet dan door de spraak geopenbaard: doch dat is doorgaans in gesichte, en door middel van een lichaam so geschied. §. 9. Hoe een Geest of Engel op onse Geest, dat is de Ziele, werkt word ons in de Schrift ook niet verklaard. Maar hoe kan hy ook iets doen aan 't gene hy niet weten kan? Ik wil seggen: so d'Engelen op onse Ziele werken; 't moet zijn door bestieringe onser gedachten. Die staat ook alleen aan God, diese kent, ende neigt waar henen dat hy wil. Spreuk. 21: 1. Sal my een Geest ergens toe aansporen, sonder taal of teken, dat door middel van een Lichaam geschied: het sal zijn, om dat de gedachten die hy in my vind hem niet behagen; of dat hy andere vereischt die hy in my niet en vind. Maar wat vind hy of wat vind hy niet, die geens menschen gedachten weten kan? Deselve in den mensch te vinden, of in den mensch te brengen, of te verbeteren, of te versterken, is alleen het werk van 's Heeren Geest. Dies salmen ook in de gansche Schrift niet een eenige spreuk noch exempel vinden, dat ooit Engel wiste wat een mensche dacht; of hem enige gedachte ingaf, of het minste wrocht op sijn gemoed. Te weten, sonder tusschenkomen van Lichamelike gemeenschap is dat nooit geschied. §. 10 Wanneer wy dan geen eens, maar menigmalen lesen, dat den bosen Geest of Duivel sulke dingen toegeschreven worden, waar door het schijnt, dat hy den menschen 't quaad ingeeft, ofte hem ten quade port; so als ik over sulx hier na verscheiden plaatsen ondersoeken sal: de billikheid moet ons dan leeren, dat wy sulken tale nooit in anderen sin verstaan, dan Gods Woord doorgaans betuigt, wanneer het iet van God of sijne Engelen seit. Te weten, 't kan de meininge des H. Geestes niet wel zijn, 't schepsel in gelijkheid tegen over sijnen Schepper so te stellen, dat het alles doen sal tegen 't gene dat hy selve doet; of de bose Geesten in bedrijf en kragt verre boven d'Engelen te setten. Sulx geschied in schijn, wanneer al 't goed dat in den mensche word gewerkt, den heiligen Geest self, en sijner goddelike kragt word toegeschreven; maar dat het is de Duivel die hem 't quaad ingeeft, en tot het quade port: dat het is Gods eigen Geest en kragt, die hem geleid; maar dat de verleiding van den Duivel is. Wederom, datmen nooit van goeden Engel leest, die den gelovigen onmiddelijk wat goeds in 't herte gaf; ik swijge den verworpenen, die noch in sonden leeft, om hem tot overtuiginge te brengen: en datmen dies niet tegenstaande in de Schrift bevinden soude, dat de Duivel 't bose, niet alleen den ongelovigen sijn eigen volk; maar selfs ook den gelovigen so dikmaals en so kragtig inblaast, hen daar toe aandrijft, en daar toe verleid. Sulkx alles acht ik ongerijmd. De Schrift spreekt, so, datse God den Schepper sonder eind of mate boven 't schepsel; en de goede Engelen verre boven allen bosen Geesten verheft. Ia, wanneermen regt bemerkt, waarom den Hemel als de lustplaats der goeden, en de Helle als de Kerker van de bose Geesten word gemeld: wat wil dat anders seggen, als dat het onderscheid van beider kragt so wel als van

{==60==} {>>pagina-aanduiding<<}

hun lot, so veel als Hemel ende Hel verscheelt? §. 11. Maar laat ons nu de Schrift besonderlik besien, of die ons niet en seit dat veelmaals een Engel op der menschen Zielen of Lichaamen werksaam was. Aangaande de Ziele vindmen, dat een Engel Iesus in sijn lyden heeft versterkt; Luc. 22: 43. het enigste dat my voor komt van dien aart, daar geen Lichaam by te werke quam. Niet geheelik evenwel: want die Engel wierd van hem gesien. So was't dan een Gesigte: waar in sich een Engel (even veel in wat gedaante) als getuige van Gods wege aan den Saligmaker vertoonde; op so kragtigen wyse, dat het sulken troosteliken indruk gaf op sijn gemoed, magtig om hem in den grootsten anxt te ondersteunen. In deser voegen geeft dit een bewijs van 't gene God daar in op sulken wijse heeft gewerkt; maar niet van 't gene dat een Engel door ingeschapen aart of kragt op onse Zielen werken kan. Hoe self een bose Geest onse eerste Moeder Eva heeft verleid, of onsen tweede Adam in sijn gemoed versocht: of met sijn Lichaam vervoerd heeft, daar af sal ik ieder stuk in een besonder hoofddeel ondersoeken. §. 12. Nu van de lichamelike werkingen der Geesten, ende eerst der goede Engelen, waar op de volgende exempelen slaan. Door Engelen heeft God Sodama en Gomorra eens verbrand. Gen. 19. Een Engel worstelde met Iacob; en 't schijnt geen bloot gesichte geweest te zijn, alsoo hy daar af letsel aan sijne heupe behield. Gen. 33: 29, 32. Die daar een man hiet, word elders Hos. 12; 5. een Engel genaamd. Een Engel sloeg d' eerstgeborenen in Egypten, dat duisenden van menschen bedroeg: en dat in eene nacht. Exod. 12. Een Engel was des volks leidsman door de rode Zee, Ex. 14: 19: en door de Woestijne. Ex. 23: 20. en 33: 2. Een Engel sloeg met de peste in drie dagen tijds 70000. man. 2 Sam. 24: 15, 16. 1 Kron. 21: 14, 15. Een Engel versloeger 185000. t'eener nacht, in 't leger des Assyriers 2 Kon. 19: 35. Ies. 37: 36. Een Engel wentelde den swaren steen van 's Heeren graf. Matt. 28. v. 2. Door enen Engel wierden Petrus en Iohannes uit de gevangenis verlost. Hand. 5: 19. en 10: 7--11. Een Engel sloeg Herodes Agrippa, dat hy stierf. Hand. 12: 23. Wilmen uit de Apocrijfe boeken meer hebben; een Engel stiet het vuur uit den oven, dat het drie jongelingen geen schade dee: in Daniels Aanhangsel v. 49, 50. En een Engel sleepte Habakuk by den haire door de lucht. Dan. 5: 35. §. 13. Om dese en dier gelijke plaatsen te verstaan, moetmen wel toesien, datmen de Schrift niet tegen haar selven doe spreken. Te weten, datmen den schepselen niets toe en schrijve, 't gene den Schepper alleen eigen is. Die is alleen meester van de Lucht, om regen en wind, donder en blixem,

{==61==} {>>pagina-aanduiding<<}

hagel en sneeuw te doen ontstaan; altesamen werken, die nevens d'Engelen stoffe geven aan den mensch, om den Schepper en Regeerder aller dingen boven al te roemen: sulx het niet en soude konnen zijn, so iemant anders buiten hem diergelijke werken konde doen. Psal. 104. en 148. Ierem. 14: 22. Dunkt nu iemant dat het lichter zy, de lucht met enen pestigen adem te ontsteken, dan den regen of donder te verwekken? Ik en kan altoos met mijn verstand niet verder komen, dat ik meerder kragt in 't een dan in 't ander soude konnen: ende bender wel gerust in, dat my niemant ligtelik ook anders tonen sal. Waar uit volgt dat nooit Engel self, en door eigene kragt menschen door de peste gedood heeft. So als 't een, so heeftmen ook van 't ander te geloven, daar Engelen in Gods werken benoemd zijn: dat het daarom niet het eigen werk der Engelen geweest zy. §. 14. Wil nu iemant sich aan d'Engelen so veel gelegen laten, dat hy my, die dese eer alleen voor hunnen Schepper wil bewaren, hier over tot een dingtaal roepe, dien set ik voet by stek. So menigmaal als hy met enen Engel komt, die dit of dat mirakel heeft gedaan, so als de woorden mede brengen; so wil ik hem met menschen tegen komen, die na luit der woorden van de Schrift, even groten werken hebben uitgeregt. Moses sloeg het water in Egypten, en 't veranderde in bloed. Gen. 7: 20. Aaron strekte sijne hand uit over de wateren van Egypten; en daar quamen vorschen op. Exod. 8: 6. Deselve sloeg het stof der aarde, dat het wierd tot luisen vs. 17. Sy beiden wierpen vuisten vol assche na den hemel, dat het tot klein stof, ende voorts aan menschen en aan vee tot sweeren wierd. Exod. 9: 9. Nog eens; als Mose sijne hand uitstrekte na den hemel, so wierder ene dikke duisternisse. Dit zijn d' eigene woorden Exod. 10: 22. op allerduidelixte gesteld: heft uwen staf op, ende strekt uwe hand uit over de Zee, ende klieftse sprak God tot Mose. Exod. 14: 16. En daarna: Strekt uwe hand uit over de Zee, dat de wateren wederkeeren over de Egyptenaars. Doe strekte Mose sijn hand over de Zee, ende de Zee quam weder. ens. v. 20, 27. Even eens of het door de uitstrekkinge sijner hand ware veroorsaakt geweest. Daar beneffens was 't niet even eens oft hy met sijnen broeder tsamen 't water uit de rotsen sloegen, wanneer sy seiden: hoort doch gy weerspannelingen? sullen wy water voor u lieden uit desen steenrots hervoor brengen? Doe hief Mose sijne hand op, ende sloeg de steenrots tweemaal met sijne staf, en daar quam veel waters uit. Num 20: 10, 11. §. 15. Ik sal den Leser hier dan seggen, hoe my dunkt dat men de Schrift in sulke dingen moet verstaan. En op dat ik te klaarder spreke, sal ik het werk uit den grond ophalen, so verre als tot dese stoffe dienstig is: doende hier den Leser wederom gedenken, 't gene dat voor af. I. §. 9. geseid is, dat het gebruik der tale in de magt des volx is en dat sich een geleerde daar na schikken moet: als mede dat ons God in sijn verschreven Woord

{==62==} {>>pagina-aanduiding<<}

geene niewe tale heeft geleerd; maar deselve latende sodanig als die was, sig daarna gevoegd heeft, om tot ons meeste gemak, de volmaaktste dingen met onvolmaakte woorden uit te stameren. Dat ingelijx de Schrift, als Paulus seit, van God ingegeven, tot onderwijsinge in de regtveerdigheid dient: 2 Tim. 3: 16. om ons te bewegen tot het gelove; 2. Kor. 5: 11. op dat wy 't eewig leven souden hebben in Jesus naam. Ioh. 20: 31. Derhalven is de stijl der Schriften niet geschikt, om ons natuurlike dingen te leeren, sodanig alsse in hen selve zijn: maar om deselve tot Gods eere en 's menschen saligheid te betrachten; en so verre alsse in onse magt zijn, daar toe aan te leggen. Waar uit nu dan volgt het gene hier besonderlik te passe komt: dat God, de natuur self niet verklarende, noch de taal veranderende, self menscheliker wijse van hem selve spreekt; te vrede zijnde, dat hy sijne uitnementheid boven den mensch en alle andere schepselen by gelijkenis verklaart; invoegen dat hy 't gene onvolmaakt is in den mensche van hem self ontkend, en desselfs volmaaktheden in d' uiterste voortreffelikheid op hem selve past. §. 16. Nu sal ik bet ter sake komen, om voor d'Engelen plaats te maken. By den mensche is niet hoger dan een Koning; en de grootste koning, die breedst en kragtigst heerscht. Sijn Paleis, sijn Troon, Kroon en Scepter, sijn Hofstaat, zijn de gewone bewijsen sijner heerlikheid. Sijne Vuurschaar, sijne Heirscharen, sijn Vestingen, sijne Wapenhuisen, zijn de kragt en klem der regeeringe. Om meer te seggen ontbreekt geen stoff, maar hier onnodig. Dit is genoegh. Om God dan te verheffen, so maak hem Koning: om het boven alle koningen te stellen, so strekt sijn Rijk door de gansche Weereld uit. Sijn Paleis zy den Hemel, om datter geen op aarden is dat sijner hoogste heerlikheid past. Sijn Troon sy daar gesteld, om dat geen ander ooit so hoog verheven is. Sijne Kroon zy 't heerlik aansien sijner schepselen. Sijn Rijkstaf zy de kragt van sijn bevel; sijn bloot willen sijn bevelen, en sijn doen. Nu sullen hem d'Engelen voor Staat-dienaars, voor Gesanten, en voor Heirscharen strekken; om dat de mensch geen edelder schepsel kent, om in dienste van so groten Heer te zijn. Men vind ook geen nader, om hem als Rigter der ganscher Aarde in de Vuurschaar ter hand te staan. Stelt dan verder, dat sijne almogentheid geene Vestigen, sijne algenoegsaamheid geen Wapenen behoeft: of segt by gelijkenisse, dat hy in den hogen Hemel onverwinnelik gevesigd, en met alle schepselen gewapend is. Siet gy wel, Leser, dat hier d'Engelen even eens als alle d' andere schepselen te passe komen: en dat die so veel doen als dese doen, behoudens ieders aart en kragt en waardigheid? §. 17. De voorgaande en bekende tale van de Schrift komt hier op uit. De Heere is een groot God: ja een groot Koning boven alle Goden. Psal. 95. vs. 2. Hy heeft sijnen Troon in de hemelen gevestigd, en sijn Koningrijk heerscht over alles. Psal. 103: 19. Hy is bekleed met Majesteit en Heerlikheid Hy bedekt sich met het licht al met een kleed; hy rekt den hemel

{==63==} {>>pagina-aanduiding<<}

uit als ene Gordijne. Sijne Opperzalen soldert hy in de wateren; Psal. 104: 2- 4. Hy maakt sijne Engelen Geesten; dat is, de Geesten maakt hy tot sijne Gesanten; sijne Dienaars een vlammende vuur. Duisendmaal duisenden dienen hem, en tien duisendmaal tien duisenden staan voor hem, wanneer hy sich ten Gerigte sett. Dan. 7: 10. De Schepter sijns Koninkryks is een rechtmatige Schepter. Psal. 45: 7. Hy schowt uit den Hemel, ende siet alle menschen kinderen: hy siet uit van sijne vaste Woonplaatse, op alle inwoonders der Aarde. Hy formeert hun aller herte; hy siet op alle hunne werken. De Raad des Heeren bestaat in eewigheid: hy spreekt en 't isser, hy gebied, en 't staater Psal. 33: 13, 14, 15, 11, 6. De Heere is een Krijgsman; Heere der Heirscharen is sijn naam. Exod. 15. Psal. 48. 2. §. 18. Dat is daar: nu staat ons te overleggen, hoemen dit alles, en besonderlik dat van d'Engelen verstaan sal: na de letter of in een verbloemden sin. Om dat na te speuren, sal my niemant lochenen dat alle dese spreekwijsen en exempelen gemakkelik op eenerleye wijse te begrijpen zijn, het zy dat mense eigentlik of oneigentlik versta. So 't een so 't ander: want het word altemaal op eene wijse geseid. Dan salmen my dit ook lichtelik toestaan, gelijk noodsakelik volgen moet, datter geen reden is om 't een als eigentlik gesproken te verstaan, so 't ander na de letter niet verstaan mag worden. Nu is 't seker dat God eigentliker wijse noch Huis, noch Troon, noch Voetbank, noch Peerd of Wagen heeft noch hoeft. Sulx alles en wat dien gelijks is, word hem menscheliker wijse toegepast. De Schrift seit ons dat self. In eenen aassem by na salse den Hemel de vaste plaatse sijner woninge noemen; en ondertusschen belijden, dat die hem te klein is, (de Hemel der Hemelen soude u niet begrijpen: 1 Kon. 8: 27, 39, 43, 49.) en dat hy Hemel en Aarde vervult. Ierem. 23: 24. Hoe toch? niet by uitstrekkinge, maar by wege sijner albestuursame voorsienigheid. Psal. 139: 7, 8, 9. Am. 9: 2, 3. In geenen anderen sin magmen hem Dienaars en Krijgsmagten toeschrijven. Die naam word niet alleen den Engelen, maar ook den onvernuftigen dieren toegepast. §. 19. De 148. Psalm geeft daar af een klaar bewijs. Want daar worden d'Engelen voor aan: ende nevens hen alle Gods Heirscharen, Sonne, Mane, Sterren, (die self uit hunne loop-plaatsen stryden Right. 5: 20.) Vuur, Hagel, Sneeuw, Damp en Stormwinden geroepen, om Gods lof te melden: voorts de Dieren als Walvisschen uiter Zee, het Wild en 't Vee der Aarde, het Kruipende gedierte en 't Gevogelte: als mede 't gene uiter aarde wast, Vrugtbomen en Cederboomen: eindelik de Menschen van allerleyen stand de Koningen met hunne Volkeren, Vorsten, Rigters Jongelingen, Maagden, oud en jong. Dese alle zijn daar niet anders dan als sijne schepselen, d'een so wel als d'ander genoemd; om sijner voorsienigheid te dienen, tot stoffe van sijnen groten roem. Het zy dan wat middel dat God gebruikt, om sijne wille keuren uit te voeren, die zijn sijne Dienaars, Boden, Engelen; so alsmense noemen wil, en so als de Schrift hen noemt. Welverstaande evenwel, dat elk schepsel God den Schepper

{==64==} {>>pagina-aanduiding<<}

eert en dient na sijnen aart: ende also d'Engelen op d' allervolmaaktste wijse, also sy in volmaaktheid self den mensche te boven gaan. Doch die volmaaktheid is also te min begrijpelijk voor ons, die niet en weten hoe wy werken, noch vernemen, watse doen. §. 20. Het blijkt van d'Engelen nader: wanneermen bemerkt, dat nergens die wijse van spreken breder noch kragtiger gevonden word dan in den 18. Psalm; zijnde de woorde van dat lied door David gesproken, ten dage als hem de Heere gered had uit de magt van alle sijne vyanden, ende in sonderheid van Saul. Daar komt onder anderen op 't 11. vs. dat God op enen Cherub vloog, ende met een op de vleugelen des Winds? wanneer hy, so te seggen, quam (die alom tegenwoordig is) om David in sijne oorlogen by te staan. Wy sullen haast sien dat de Cherubim Engelen zijn. En wat reden isser om te denken, dat de vyanden op ene andere wijse van de Engelen verslagen worden als God van hen gedragen word? het een word hen so wel als 't ander toegeschreven. Word dan het een oneigentlik geseid, so magmen 't ander ook niet eigentlik verstaan. De meininge is dan slegs, dat die allerhoogsten Majesteit menscheliker wijse, by gelijkennis van 't gene by de menschen 't alderheerlixt is, beschreven; de volmaaktste schepselen tot sijnen dienst gebruikt. Hy en behoeft Wagen noch Peerd: maar so gy iets diergelijx gebruiken soude; de Wolken moesten hem voor staatkarossen, 't Vuur voor een behangsel, en de Wind voor paarden strekken; of d'Engelen in stee van lijf dienaars hem gelijk als op de handen dragen, so de koningen in verre landen laten doen. §. 21. Men sal seggen, dat in d'Engelen, dus doende, van alle werk ontledige, en onnut in de weereld make; ende dat dit eindelik daar henen loopt, datter gansch geen Engelen en zijn. Maar die al 't voorschreven slegs gelesen heeft, moet al te verkeerde gedachten hebben, om van mijn gevoelen so te spreken. Sulk een bewijse my eens, datter Engelen zijn, sonder sulke redenen als ik tot bevestiginge dies heb voortgebragt. Maar isset niet ene schone redeneeringe: so het ons niet blijkt wat d'Engelen doen, of wat de Duivel doet, datter dan geen Engel nochte Duivel is: of dat Gods dienaars ledig zijn, om dat hy ons geen rekening en doet, van 't werk dat hy sijn volk laat doen; of van de pijniging waar mede hy de bose Geesten plaagt; of watter doorgaans ommegaat, het zy in Hemel of in Hell. Weet God geen werk voor Engelen, of 't is aan ons te doen? Dan belijden wy ten minsten, dat wy een seer werkelik volk zijn, daar veel aan valt te verhandselen; so dat de Engelen nooit rust hebben van ons op te passen, en te tonen watse doen. Maar dan bewijsen wy met een, hoe opgeblasen dat wy aan ons selve zijn; die ons inbeelden derren, dat de hemelschepselen, so veel edelder dan wy, schier maar om onsent wille zijn. §. 22. Vraagt iemant echter noch, wat d'Engelen doen? hoe bid gy? Uwe wille geschiede also op der Aarde, als in den Hemel: 't gene de kinderen uit den Catechismus weten te verklaren, dat het te seggen is, Gods wille onder ons op Aarde so gewilliglik en getrouwelik uit te voeren, als de

{==65==} {>>pagina-aanduiding<<}

Engelen in den Hemel doen. So weten dat de kinderen wel, dat Engelen in den Hemel dagelijx werk hebben; en daarom, schoon wy hen niet sien werken, of altijd daar vrugt uit trekken, in geenen deele ledig zijn. Even al so weinig klemt de reden, dat hy van geen Duivel weet, die niet kan sien, dat hy de weereld steeds in roere stelt, en overal 't onderste boven keert. Iuist so of 't iemant niet geloven konde, datter volk in 't rasphuys of in de boeyen sitt; om dat hy hen niet over straat siet lopen, en de pijpen stellen, tot verdriet der borgers en der buren. De geheele aardkloot is in opsigt van dit uitgestrekte vlak met al wat God geschapen heeft, maar als een stip: en op dat stipken daar sich d' arme menschen kinderen op behelpen, soudemen juist weten moeten, watter allenthalven in de wijde weereld omgaat; ofte aanstonds seggen 't gene men op desen smallen hoek niet en verneemt, dat het daarom nergens is. Dat meen ik, is den tegensprekeren genoeg de mond gestopt. §. 23. De Schrift dan, als geseid, sich na ons voegende, stelt ons alles watmen in de weereld vind of bemerkt, in diervoegen voor als het ons betreft. D'Engelen derhalven als gedienstige geesten; Heb. 1: 14. niet alleenlik ter eere van God, maar tot welstand van sijn volk, Ik denke dat ons d'Engelen bewaren, helpen en op de handen dragen, Psal. 91: 11, 12. gelijkse met ons eten. Want het Manna word het brood der Magtigen genaamd; Psal. 78: 25. het was een hemelsch koorn: Psal. 105: 40. dat wil seggen, so als elk by hem selve mag verstaan, dat het ene uitnemende spijse was; weerdig om van d'Engelen in den Hemel, indien 't hun gebruik ware, gegeten te worden. Gelijk dan sulx alleen tot lof van 't Manna word geseid, sonder ons daar mede te betekenen, dat het eigentlik der Engelen gewone spijse was, welke God sijn volk als uit den Hemel gaf: wat behoeftmen 't ander mede nader aan te halen, als dat de hoogste Majesteit het selve volk so weerdig houd, dat hy het door geen gemeene, maar door hemel-benden, so hy die daar toe van noden hadde, wel behoeden wil? Een Engel legert sich om ons, draagt ons, leid ons, vecht voor ons; plaagt den bosen, slaat hem dood: alles in dier voege, dat God self het werk vast doet.


XI. Hoofdstuk. Waar uit des te klaarder te verstaan is, in welken sin denselven enige besondere verrichtingen toegeschreven worden.

§. 1. NU sal ik dan 't gene dus lang in 't gemein geseid is, voortaan in 't besonder tonen. In drie exempelen, van de gene die X. §. 12. gemeld zijn, is dat klaarlik te bemerken. Zijn die twee die tot verderf van Sodom uitgesonden waren, Engelen geweest; het blijkt niet datse so veel daar toe gedaan hebben, als twee menschen

{==66==} {>>pagina-aanduiding<<}

souden hebben konnen doen. Want hun verderven, gelijk sy 't noemden, magmen so verstaan, dat sy 't verderf verkondigen; en den regtveerdigen Lot ter veilige plaatse geleiden, eer het quam. Maar doe dat quam, so en deden het die Engelen of die mannen niet; maar de heere dede vuur en swavel over Sodom en Gommorra regenen, van den heere (dat is van hem self, door sijn bestuur) uit den Hemel, Gen. 19: 24. Een van die twee seide; Siet ik hebbe uw aangesicht opgenomen over dese sake, dat ik dese stad niet om en keere daar gy van gesproken hebt. Haast, behoud u derwaarts: want ik sal niets konnen doen, voor dat gy daar gekomen zyt. v. 21, 22. Doch so sy self ook iets daar in te doen hadden, dat mogtense, gelijk Elias, door gebeden doen. 2 Kon. 1: 10, 12. Tot sulk verderven dan, gaf God ook wel den Profeten magt en last. Siet ik stelle u te desen dage over de volkeren en koningrijken: om uit te rukken en af te breken, te verderven en te verstoren. Hoe dede hy dat? So als 't hem de Heere in den selfden aassem voor af seide Siet ik legge mijne woorden in uwe mond. Ierem. 129, 10. En op geen andere wijse leestmen dat Ieremias ooit iet brak of scheurde: dat was sijn doen niet: maar het deed hem leed, (schoon hy des gewillig was) dat hy 't slegs maar seggen moest. §. 2. De twee anderen zijn gemakkelik op de selfde wijse te verstaan: de 70000. in Davids tijden aan de pest gestorven, en Herodes gegeten van de wormen: beide so verhaald, dat het een Engel was diese sloeg. De peste nu is des Heeren hand; daar had hy genen Engel toe van doen. Dat heeft hy trouwens nooit, sult gy seggen, die om iets te doen den dienst der schepselen niet behoeft. Seer wel: maar waarom is het meer de hand des Heeren, wanneer hy den dienst der Engelen in de pest, dan wanneer hy dien van menschen in den oorlog gebruikt? De Historie seit selfs van den Engel anders niet, dan dat hem David sag met sijn uitgetrokken sweerd in sijne hand, uitgestrekt over Ierusalem. Door den slag van enen degen kreeg nooit menschen de pest en noch minder van 't gesigt. Desgelijx hoorde David dat God tot den Engel seide: trekt uwe hand af, 't is genoeg. Meinen wy dat God van noden heeft, aldus met hoorbare woorden tot de Engelen te spreken? Of was dat slegs om David hier te doen? so als wy nader sullen sien. §. 3. Dus groeijen ook de wormen, natuurliker wijse; sonder dat daar dienst van Engelen toe nodig is: als is 't dat sulx in de siekte van Herodes enen Engel toegeschreeven word: ende heeft niemant ooit gedachten gehad, buiten dit exempel, dat waar wormen groeiden, daar een Engel was te werk geweest. Ook en is Herodes niet so schielik, als van den slagh des Engels dood gebleven: also de wormen tijd behoefden om sijn Lichaam te doorknagen, tot dat hy stierf. Iosefus bevestigt mijn vermoeden: seggende in sijn 19. boek van d' Oudheden, dat hy vijf dagen met onlijdelike buikpijn gequeld, en daar aan jammerlik gestorven is: sonder van den Engel iets te melden, daar hy anders seer gereed is sulke verschijningen, meerder dan hy waar kan maken, te vertellen. Dit doet my gissen, datter self geen Engel is gesien geweest. Maar die wormen, knagende des trotsen Ko-

{==67==} {>>pagina-aanduiding<<}

nings darmen, zijn buiten twijffel oorsaak van die scherpe pijn, en van den dood geweest. En heeft die quellinge so veel dagen geduurd: so is 't niet so seer de schielikheid des dodeliken overvlas; maar Gods geregtigheid geweest, die den hoogmoed dus gestraft, en anderen ten exempel gesteld heeft. §. 4. Wat seg ik dan? dat het niet waar is, 't gene hier van d'Engelen geseid word? Dat zy verre: maar dat het niet en blijkt, dat een Engel daarin heeft gewerkt, het gene Gods werk en der Nature was. Hoe komt dan hier een Engel by te pas? Ik segge tweesins; dus by David, en weer anders by Herodes. Dat David enen Engel dus gewapend sag; het was om hem sigtbaarlik te doen begrijpen, dat het Gods besonder oordeel was, die sich menscheliker wijse dus vertoonde: gelijk een Koning of een Regter, die sijne trawanten en scherpregters gereed heeft, om den misdadigen te straffen. God is een rechtveerdig Regter, ende een God die alle dagen toornt. Indien sich iemant niet en bekeerd, so sal hy sijn sweerd wetten: hy heeft sijnen boge gespannen ende dien bereid: ende heeft dodelike wapenen voor hem gereed gemakt; hy sal sijne pylen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. Psal. 7: 12, 13, 14. So als David hier dan by gelijkenisse spreekt so heeft hy 't daar ook by gelijkenis gesien. Desgelijken, dat den Engel word belast, sijn sweerd weer op te steken; het was om dat het David horen, en daar door van sijns gebeds verhoringe versekerd worden soude. En wat Herodes belangt: de dodelike plage, hem aanstonds op dat godslasterlijk vertoog, dus kragtig treffende, gelijk 't Iosefus ook (hoewel niet enig inmengsel van verdichtselen) verhaalt; word, als een bewijs van Gods besonder oordeel, enen Engel, als sijnen dienaar toegepast. Want, menschelijk gesproken, de Rigters hunne dienaars, tot uitvoeringe der straffe aan de misdadigers, gebruiken. §. 5. Nu dit klaar is, (gelijk my toeschijnt dat het is) heeftmen met d'andere exempelen niet veel werx. Want somen die naders nemen wil, als dat God het werk gedaan heeft, daar sich een Engel of meer by liet sien: so vervaltmen t'elkens in de selfde swarigheid. En noch meer: want so een Engel genoeg was, om 185000. neer te vellen, waartoe hadden Elisa en Gehasi met hun beiden een gansch heir van Engelen te sien? Want siet de gansche berg was vol vierige peerden en wagenen rondom Elisa. 2 Kon. 6: 17. Daarenboven word het doden der Egyptische kinderen genen Engel, maar over al God den Heere self toegeschreven. Men sie d' historie na, Exod. 12. 12, 13, 23, 29. daar en word geen Engel in genoemd. Desgelijx ook op andere plaatsen niet, daar dit doen als een exempel van Gods wonderen verhaald word. Psal. 78: 51, en 105: 36. en 135: 8. en 136. 10. Alleenlik word daar, en Ex. 12: 23. en Hebr. 11: 28. van den Verderver gewaagd. So noemt God hem self, die sig niet alleenlik tegen d' Egiptenaars so droeg; maar ook self sijn volk uit Egypten land verlost hebbende, wederom de genen die niet en geloofden verdorven heeft. Iud. v. 5. Die met Iakob worstelde word self God genoemd. Gen. 35: 9, 10. Hos. 12: 4. Van den Engel die 't volk door

{==68==} {>>pagina-aanduiding<<}

de Zee en door de woestijne leidde, sullen wy hier na noch in 't besonder spreken. §. 6. Aan 't gene voorts verhaald word, dat Daniels gesellen van den Engel weder voer, laat ik my niet veel gelegen zijn: want ik ongehouden ben, een verhaal op te lossen dat van geen onfeilbare waarheid is. En al ware 't so: noch en stond ik echter niet verlegen. Want dat van de drie jongelingen is met dan van David seer gelijk. Sulx blijkt uit dien dat het hen niet nodig was te sien, so als 't verhaald word, dat sulx door den Engel wierd gedaan: dan alleenlik om tot hunnen troost daar uit te begrijpen, dat het Gods besondere hulpe was die hen dus verwonderlik in 't heetste vuur bewaarde. Of het word slegs op die wijse daar verteld, om den leser sulx op 't levendigste te verbeelden; even eens of men seide, dat een groot heer sijne dienaars sond, om verlegene menschen uit den nood te helpen. §. 7. Wat dat van Habakuk betreft; daar valt noch vry wat meer aan te besnoeyen. De konst van verdichten eischt, dat het gene verdicht word, schoon het in de sake diemen voor heeft eigentlik niet waar kan zijn; echter enige gelijkenisse met de gemeene waarheid hebben mag. Dus, al en past het op de Ziele niet: het past nochtans op de menschen wel, dat Lazarus van Engelen gedragen wierd. Luk. 16: 23. So ook, dat een wind de twee wijven, die elk twee vleugelen hadden; met de Efa, en de vrouwe die daar in sat, door de lucht in 't land Sinear dede voeren. Zach. 5: 9, 10, 11. En dit zijn echter, 't een slegs ene gelijkenis, en 't ander een gesigte. Veel min kan 't dan voor een historie bestaan, daarmen 't voor opgeeft; dat een mensche, sonder vleugelen, door de lucht, niet als met handen gedragen, maar by den hairen gesleept is. En waar toe doch? Om Daniel in den leewenkuil te spijsigen; en ondertusschen de maayers op 't veld, voor wien die pap gekookt was, te laten vasten. Dat paste Daniel beter die in lijden was, en hy was daar beter toe gewend, dan die so suren arbeid deden. Vorder is de waarheid van dit gansch verhaal om reden by my seer verdagt. Want so Daniel tweemaal onder de leewen geweest is: (gelijk het in sijn boek cap. 6. noch eens verhaald word) hoe en was Cyrus, onder wiens regeeringe dit gesteld word door 't exempel van Darius niet geleerd; Die Cyrus, die den God des Hemels, welken Daniel aanbad, beter kende dan ooit koningen van Babel voor dien tijd? Die sulken heerlijken belijdenisse heeft gedaan, als op 't einde der Kronijken en 't begin van Esra staat verhaald: het is niet te denken, dat hy Daniel, om het breken van een afgodsbeeld, in den kuil der leeuwen werpen sal. §. 8. Hoe salmen dan verstaan, het gene ons Gods regelmatig Woord van de verrigtinge der Engelen meld? So als van de Wolke, die onse Heere opnam datmen 't sag; Hand. 1: 9. daar eigentlik geen wolke toe bequaam noch nodig was. So als Elias in een onweder ten Hemel voer; dat in Donder en Blixem bestond, waar in sich een vuurige wagen en peerden vertoonde. 1 Kon. 2: 1, 11. Wie gelooft, dat het al verslindend vuur bequaam is, om den mensch tot peerd en wagen te verstrekken? Besluit

{==69==} {>>pagina-aanduiding<<}

dan iemand uit het gene hier van d'Engelen gemeld word, datse in henselve magtig zijn met menschen te worstelen, of hen door de peste te doen sterven: of dat een der selven een overmaten talrijk leger teffens kan verslaan: so wil ik insgelijkx beweeren, dat een wolke; ja dat self het vuur beqaam is, om de menschen van der Aarde na den Hoogsten Hemel op te voeren. Wat seg ik dan? Gods kragt heeft Christus en Elias opgevoerd: de Wolke en het Vuur waren slegs de tekenen van sijne majesteit. So ook: God sloeg d' Eerstgeborenen in Egypten, de 70000. Israëlyten en de 185. duisend Assyriers met de peste; Herodes met enen smerteliken dood: d'Engelen zijn daar in genoemd of vertoond, om de staatsie te verbeelden, die so hogen majesteit en so groten Rechter past. §. 9. In den selfden sin was 't een Engel die met Iacob worstelde, die 't volk door de Zee en Woestijne voerde, die Petrus uit de gevangenis verloste, die den steen van 's Heeren graf wentelde. In dat worstelen droeg sich Jacob vorstelik met God, Hos. 12: 4. en die heeft self sijn volk geleid als ene kudde, door de hand van Mose en Aaron. Psal. 77: 21. en 78: 52. Ies. 63: 11. En 't gene ontrent Petrus en Ioannes van den Engel word gemeld, Hand. 5: 19. en 12: 7. dat selve word aangaande Paulus en Silas verhaald, sonder Engel te noemen. Hand. 16: 26. So is 't Mattheus ook alleen, die den Engel in 't afwentelen van den steen benoemt: d'anderen swijgen dat; en Marcus seit alleenlik, dat de steen afgewentelt was. God self heeft Christus opgewekt; Hand 2: 24, 32. hy self is opgestaan: Mat. 16: 6. 't gene vry wat meer is dan een steen, hoe swaar hy ook soude mogen wesen, te verleggen. Geen der Apostelen, noch der vrouwen die aan 't graf quamen, heeft den Engel ook gesien, voor dat het graf geopend was. Alles komt op een en 't selfde uit: God heeftet self gedaan: d'Engelen zijnder niet dan tekenen der goddelike majesteit geweest; het zy datse blotelik daar in genoemd zijn, of met een gesien. Dit wil ik nu op by gebrachte proeven noch wat nader in 't besonder tonen. Dus ga ik dan van stuk tot stuk: ende wil den Leser seggen, hoe het een en 't ander na den stijl der schriften word verstaan, dat het alles waarlik is geschied. §. 10. Iacobs worstelen met God, ende spraak die sy met malkander hielden, acht ik dat gelijk als anders t'elken male, voor en na, in een godlijk nagt gesichte is geschied. So sag hy Engelen klimmen, en hoorde God van boven spreken; hoorde enen Engel ende sag het reelen van sijn vee; ontmoeten hy te Mahanajim Mahanajim, dat twee heirlegers van engelen te seggen is. Genes. 28: 12. en 31: 11: en 32: 1, 2. Hem docht dan in dit gesigte, dat hy worstelde met enen man; so de gedaante was die hem verscheen. De kragt der inbeeldingen, die hier van besonderen godliken indruk was; deed hem sijn Lichaam, niet by inbeeldinge, maar in waarheid so kragtiglik bewegen, dat hem sijne heupe daaraf dus verwrongen wierd. Want natuurliker wijse sullen sommige menschen in den droom sich kragteliker bewegen, dan sy wakende souden konnen doen; door dien d' inbeeldende kragt, by stilstand van des menschen werk, wanneer de levende geesten in

{==70==} {>>pagina-aanduiding<<}

hem rusten, so veel sterker is; en dat de herssenen, dien diepen indruk ontvangen hebbende, deselve elders heen te kragtiger bepalen. Dit sietmen in de nachtwandelaars gebeuren, daar van d' exempelen onlochenbaar en menigvuldig zijn. Op dese wijse heeft God hem van sijnen wille in 't besonder onderrecht. §. 11. Van 't slaan der Egyptenaren, der 70. en der 185. duisend, is, mijns oordeels, al so veel geseid, dat het klaar genoeg is om te verstaan; God heeft al die menschen met de Pest gestraft. So als hy menigmaal door de gansche wereld doet; heeft hy doe op ene sonderlinge wijse, en boven al merkweerdig, een bewijs van sijn regtveerdig oordeel willen doen. Want men diergelijke in de weereld nooit en vond: somen ook van alsulken swaren Pest nergens in geen boeken leest; noch die so besonderlik bepaald en bestuurd wierd. In Egypten alle d' Eerstgeborenen, niemant uitgesonderd, en ook niemant buiten dien: altemaal Egyptenaars, niet een Israelijt; en dat al in eene nacht wel 70. duisend menschen in drie dagen tijds, binnen de palen van dat eene land; en nochtans tot d' uiterste grensen van Dan tot Berseba toe; effen op alsulken tijd als het God aan David had voorseid: dat was voor een besonder werk van Gods wreekende geregtigheid aan te sien; ende moest met de benaminge en verschijninge eens Engels met den degen in de vuist op 't kragtigste vertoond, en daar door de geschiedenisse van aanmerkeliker geheugenisse zijn. met de 185. duisend Assyriers isset even eens gelegen. Een onweergalijk proefstuk der godliker geregtigheid is daar in openbaar: want wie heeft ooit van so vervaarliken sterfte gehoord? §. 12. Ik weet wel, 't word my qualijk afgenomen, dat ik dus den Engelen verkleininge schijn aan te doen: terwijl ik alles breng tot God. De Schepper word hier door dan niet verkleind: en wat sal my het schepsel doen? Geen Engel (so God voor ons is) sal ons daarom van Gods liefde scheiden, mag ik ook in desen wel met Paulus seggen, Rom. 8: 38. Maar hoe na souden d'engelen gebelgd zijn, als men hen de eere geeft, datse Gods gesanten, Gods trawanten, Gods heirlegers zijn: somen niet met een en seit, dat sy onder sulke namen ook aan God deselfde diensten doen, welken aardsche koningen behoeven? Wanneer sy slechs by God so veel eere, als lijf-dienaars en hovelingen by de Prinssen hebben, is dat niet breed genoeg? en wat hunne kragt belangt, die mag wel groter zijn, dan om 185 duisend man te doden; en nochtans sodanig niet, maar van anderen aart. Ons werk is hier alleenlik, dat te ondersoeken 't gene ons betreft. En wat daar buiten of daar boven is, dat laat ik al aan God. §. 13. Maar hoe groot ik achte dat de kracht der engelen zy, die by God gebleven zijn: (waarover ik met niemand langer twisten wil) so kan ik echter niet verstaan, datmen die gevolgelik den Duivel of den bosen Geesten toe kan schryven. Want dat de Mensche door den val so merkelik van sijne kragt des Lichaams, en voornamelik der siele sal verloren, en de Duivel alles noch behouden hebben, acht ik ene ongerijmde saak te zijn. Daar

{==71==} {>>pagina-aanduiding<<}

beneffens, waarin salmen seggen dat de straffe van den Duivel (buiten twijfel swaarder dan des Menschen) mag bestaan? In den mensch is lichaam en Ziele, in de Ziele is de Wille en 't Verstand. Hoe seer des menschen Lichaam door den val verswakt zy, is genoeg bekend. Maar de Duivel, sonder lichaam zijnde, word in 't lichaam niet gestraft. Sonder lichaam dan moet hy in Verstand en Wille so verdorven en verswakt zijn, dat hy ruim so weinig als de mensche na sijnen eersten staat gelijke. Dieshalven kan ik niet bevroeden, hoe de bose Geest so veel weten soude alsmen meint dat hy weet, ofte doen als men seit dat hy doet.


XII. Hoofdstuk. Van derselver Ordeningen word daar in niet sekerlijk noch bescheidelix geleerd.

§. 1. WY hebben in 't begin I. B. XII.§. 6, 7. XV. §. 16, 17, 18, 31: van d' Ordeningen daar Gods Engelen in verbeeld zijn, so wel Kristenen als Ioden horen spreken. Desgelijx van de Bedieningen, die sy elk in hunne ordening betrachten I. B. XIV. §. 6, 7. XV. §. 9, 16, 17. en elders meer. Nu staat ons te besien, wat ons de Schriftuur van desen handel leert. Men haaltet uit verscheiden hoeken, 't gene van die Ordeningen word geleerd: eerst, dat d'Engelen een hoofd hebben, daar d'anderen onder staan; daar na, dat elke Ordeninge of Engel sijn bewind heeft, over landen, volken, saken en personen, hen besonderlik van God betrouwd. Ik hebbe reeds I. B. XVII. §. 7. aangewesen, waar sulx alles, so by Kristen als Onkristen Schrijvers, dus te vinden is. Hier word nu de waarheid ondersocht. Waar na soekende, so vind ik wel een hoofd: maar buiten dat so vind ik in den ganschen Bijbel niet van al 't gene men seit. Ik sal de plaatsen by brengen daarmen alles uit bewijsen wil; en dat bewijs proevende, sal ik tonen dat het weinig gelden mag. §. 2. Mitsdien dan datter tweederley Engelen zijn, 't een deel goed, en 't ander quaad: so heeft elk deel sijn hoofd. So sag Iohannes datter krijg wierd in den Hemel: Michael en sijne Engelen krijgden tegen den Draak en sijne Engelen. Openb. 12: 7. De Draak, by gelijkenis alsoo genaamd, heeft anders den naam van Duivel ende Satan vers 9. Doch dit is by wege van een gesichte, ende also oneigentlik geseid: so daar uit mede blijkt, dat dese krijg in den Hemel was, daar Duivel ofte Satanas met sijne Engelen geen plaatse heeft. Maar buiten gesichte heeft Paulus geseid, dat de Heere ten jongsten dage met de stemme des Archangels, dat sy (om goed Duitsch te spreken) des Opper Engels uit den Hemel nederdalen sal. 1. Thess. 4: 16. Daartegen voorseid ons de Heere self, dat de Duivel met sijne Engelen te dien dage in 't eewig vuur verwesen word: welk laaste even wel ook oneigentlik geseid is; also het vuur geen vatt op geesten heeft. Iu-

{==72==} {>>pagina-aanduiding<<}

das meld van enen twist, nergens meer gemeld, welken d' Opper-engel Michaël met den Duivel hadde, wanneer sy over 't lichaam van Moses handelden. v. 9. Dit is 't al, wat ons van die twee opperhoofden en derselver aanhang in de Schrift gemeld word: dan van elk wil ik noch wat nader in 't besonder spreken. §. 3. Michaël dan heeft sig eens aan Daniel cap. 10 in gesigte vertoond: als een van de Vorsten (so spreekt hy daar) die 't bestuur over de volkeren der Aarde hebben: ende word van hem de grote Vorst, die voor Gods volk staat, genaamd. cap. 12: 1. 't Gene hy verder van hem seit hoe hy sich daar in queet, behoeft hier niet verhaald. In mijne uitlegginge over den Profeet Daniel heb ik dat verklaard: ende met eene getoond dat Michael Christus self niet is, daar hy by velen voor gehouden word: Mijne redenen waren doe: dat Michaal Dan. 10: 13. een van d'eerste vorsten genaamd word: 't welk te gering is voor hem die aller vorsten opperheer, en koning aller koningen is. Openb. 1: 5. en 19: 16. Daar beneffens soude hy, so hy de Heere self ware niet beschroomd geweest zijn, om den Duivel te bestraffen; noch in plaats van dien geseid hebben, de Heere bestraffen U, gelijk Iudas verhaalt. Wat dan? Setter Gabriel by, die eens ene boodschap aan Daniel, en namaal aan Zacharias en Maria dede. Dan. 8: 16. en 9: 20: Luk. 1: v. 11, 19, 26. Dese maakte hem self bekend, dat hy de gene was die voor God staat: als of hy dat besonder boven d'andere Engelen hadde; welke nochtans alle tot die van de kinderkens toe, het aangesigt des hemelschen Vaders sien. Matt. 18: 10. Ik sie dit alles so verbloemder wijse gesegd word, gelijk het ook met de drie boodschappen in een gesigte was; datmen qualik weten mag watter af te seggen zy. Alleenlik kan ik sien, dat Gabriel uitnemender wijse voor God staat dan d'anderen doen, en dat Michael het hoofd van allen is. Hun beider namen geven in 't Hebreewsch wat groots te kennen; Gabri-Eel, God mijne kragt; en Micha-Eel, Wie is als God? §. 4. Der bose Geesten oppervoogd word Duivel, in 't Grieksch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, Diabolos, dat is Lasteraar: ende in 't Hebreewsch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Satan, dat is Tegenstander genoemd. In 't Oud Testament komt ons de naam van Satan op vier plaatsen voor, ende word overal in den griekschen Bijbel Diobolos vertaald. Ende staat op denselven wel in acht te neemen, dat op twee plaatsen slegs 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Satan te lesen staat, dat een Tegenparty in 't gemeen te seggen is; daarby wel een boosaardig mensche mag verstaan zijn: op de twee anderen 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hassaten de Tegenpartije, als van enen sekeren in 't besonder. Te weten, het was Satan, een tegenparty, (gelijk Petrus ook genoemd wierd) doe hy Iesus tegensprak (Matth. 16: 23.) die David aanporde om sijn volk te tellen: 1 Kron. 21: 1. ende wenschte David sijnen en Gods vyand toe, dat Satan of een Satan (niet de Satan gelijk het onse Oversetting heeft) aan sijne regterhand, tot sijner beschuldiging mogt staan. Psal. 109: 6. Maar die Iob voor God beschuldigde, en die Iosua den Hoogepriester tegenstond, word geduriglik hassatan, de Satan of Tegenstan-

{==73==} {>>pagina-aanduiding<<}

der genoemd. Iob. 1: 6, 7, 8, 9, 12. en 2: 1, 2, 3, 4, 6, 7. Zach. 3: 1, 2. Dit en kan geen een mensche zijn, so 't een mensch is: om dat de tijd van Iob en Zacharia meer dan een menschen leven verscheelt. Dan het soude wel een seker mensche by vervolg konnen zijn: gelijk verscheidene na malkander de Koning, en de Hoogpriester genaamd; elk in sijnen tijd, ende nochtans nooit meer dan een. Of men soude moeten seggen, dat een seker slag van quaadaardig volk daar voor betekend word: gelijkmen de Turk, de Fransman seit; ende meent daar mede 't gantsche volk dat Turksch of Fransch is. §. 5. By desen staat ons noch een ding met besonder opmerkinge waar te nemen. Daillon heeftet my eerst aangewesen; en ik hebbe 't geheel Niew Testaament nasiende, bevonden dat hy gelijk heeft. Hy seit, dat de Schrift niet meer dan eenen Duivel kent, dat is, maar eenen bosen Geest die door desen naam betekend word. Also vind ik dan het woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Diabolos Duivel, 35. maal in 't niew Testament te lesen is: maar 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Diaboloi door 't woord duivelen vertaald nimmermeer; dan wanneer ons dat in 't duitsch ontmoet, so staater t'elkemaal 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Daimonia in 't grieksch. En de bose Geesten, die onder den voorseiden eenen Duivel staan, worden nooit Duivelen; maar des Duivels of des Satans Engelen genaamd. So spreekt Christus, als geseid is; Math. 25: 41. En so klaagt Paulus over enen Engel des Satans, die hem met vuisten sloeg. 2 Kor. 12: 7. 't is waar, dat het woord Diaboloi ook tot driemaal toe in 't meergetal gevonden word; maar dan hebben 't onse Oversetters niet met duivelen; maar eens achterklappers. 2 Tim. 3: 3. en tweemaal (op vrouwen geseid) lasteressen verduitscht. 1. Tim. 3: 11. Tit. 2; 2. So veel dan als de sake self betreft, so blijft, dat die eene Duivel of Satanas sijnen aanhang onder d'Engelen heeft, die derhalven sijne Engelen genaamd zijn. Beza heeft dit so al aangemerkt, die Heb. 2: 14. op 't seggen des Apostels, dat de Duivel 't geweld des doods hadde, schrijft: De uno loquitur tanquam omnium principe, ut alibi saepe Schriptura; cui tacite adjunguntur reliqui ipsius Angeli, ut Matt. 25: 41. Hy spreekt van eenen als het hoofd van allen, gelijk de Schrift dikmaals elders doet: stilswygens daar by verstaande sijne andere Engelen, gelijk Matt. 25: 41. Salmen dan schriftmatig spreken, so moet dit onse regel zijn: dat de Duivel maar een; doch de bose Engelen; welker hoofd hy is, veele zijn.

§. 6. Nochtans sult gy seggen, word so menigmaal in de Schrift van Duivelen, als van veelen; ja van een legioen Duivelen gesproken. Marc. 5: v. 9. Dat is dan vry wat meer dan een. 't Is waar, in onsen Nederduitschen, in den Hoogduitschen, Engelschen, en Franschen Bybel leestmen so: maar dat bind ons niet; de Grondtext moet de maat hier slaan. Nooit leest gy Duivelen in 't Duitsch, of gy sulter in 't Grieksch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Daimones of 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Daimonia vinden; dat geheel wat anders is. Doch ik wil dit slag van Duivelen, so alsse by den Oversetteren genoemd zijn, noch wat rusten laten: also wy hen noch niet van noden hebben; en datse d'ordre steuren souden die ik in 't begin van dit hoofdstuk hebbe voorgesteld. Die vereischt nu, dat ik verder van d' Ordeningen en 't Bedrijf der goeden en der quaden

{==74==} {>>pagina-aanduiding<<}

Engelen spreke, so veel als daar de Schrift af leert. Hunne hoofden zijn dan nu by name, en verder niet bekend; Michael en Satan zijn hun beider namen in 't Hebreeusch. D'eerste houd dien selfden naam in 't Grieksch: maar d'ander word daar in de Duivel, en by gelijkenis de Draak genaamd. Nu van d' Ordeningen eerst te spreken, sal ik van Michaels Engelen beginnen, en dan tot die van Satan overgaan. §. 7. So by een der beiderleye Engelen order is so salse by de goeden zijn. En 't schijnt ook dat de Schrift het seit. Daniel vernam in een gesigte, dat duisendmaal duisend den Gedurigen van dagen dienden, ende tien duisendmaal tien duisenden voor hem stonden. Dan 7: 9, 10. 't Zy dat dit onderscheid gedurig, of alleenlik voor dien tijd, ende by beurtwisselinge was, men siet echter de geenen, die blotelik der majesteit wege voor God stonden onderscheiden van de genen die hem dienden. Doch so dat onderscheid niet gedurig is, so en is 't geen onderscheid. Men twijfelt mede niet, of de Chrubynen en Serafynen: beide Engelen, waren van malkander onderscheiden. Doch of dit so zy magmen billik nader ondersoeken. Te weten: 't blijkt altoos niet, dat het verscheidene ordeningen zijn: also die twee namen nergens by malkanderen staan, om te tonen dat Cherubym en Serafym twee zijn; en nergens iet van d' eenen werd geseid, dat op d'anderen niet en past. Dit versta ik van die plaatsen die op d'Engelen gepast worden: welker van de Cherubim niet meer dan twee, en van de Serafim maar een te vinden is. Laat ons beide desen namen eens wat nader ondersoeken. §. 8. Wat het eerste woord betreft, so is seker, dat Kerubym in 't Hebreewsch oorspronkelik Ossen betekent. Want Kerub komt van Karab; dat ploegen te seggen is: waar toe d' Israëlijten, als men weet, d' Ossen gebruikten; somen noch heden by verscheidene volkeren siet. Doch 't woord Kerub en Kerubym is by d' Oversetters niet vertaald, maar so gelaten als 't is; om datse nooit seker waren watser eigentlik af maken souden. Op 30. plaatsen komt ons dit woord in 't oud Testament, en op sommige derselven verscheidemalen voor: in 't Niew niet meer dan eens. Daar onder zijn maar twee of drie, daar het geen beeldselen betekent, boven de Verbondkist door Gods last gesteld, of in Gesigte vertoond. Siet dese beeldselen Ex. 25: 18. 19, 20, 22. en 26: 1, 31. en 36: 8, 35. en 37: 7, 8, 9. Num. 7: 89. 1 Sam. 4: 4. 2 Sam. 6: 2. 1 Kon. 6: 23- 29: 32, 35. en 7: 29, 36. en 8: 6, 7. 2 Kon. 19: 15. 1 Kon. 13:6. en 28: 18. 2 Kron. 3: 7, 10--14. en 5: 7, 8. Psal. 80: 2. en 99: 1. Iesa. 37: 16. Ezech. 9: 3. en 10: 1--9, 14, 15, 16, 18, 19, 20. en 11: 22. en 41: 18, 20, 25. Daar 't op geen gemaakte beelden, past, is, dat God den mensche uit het Paradijs verdreven hebbende, Cherubym met een vlammig lemmer stelde om den ingang te bewaren. Genes. 3: 24. En dan noch, wanneer Gods majesteit hier in word afgebeeld, dat hy op enen Cherub vloog. 2. Sam. 22: 11. Psal. 18: 11. Seker man, die nevens d'anderen uit de Babylonische ballingschap wederom na 't vaderland reisde, wierd ook Cherub genaamd. Esra. 2: 59. Nehem. 7: 61. §. 9. Wat is nu hier af te maken? Men diende wel van dit onvertaalde

{==75==} {>>pagina-aanduiding<<}

woord wat meer te weten, wat het toch voor beelden, en van wat dieren het geweest zijn; om te sien of die naam ook op Engelen past. In 't eerst is kennelik, uit alle die Schriftuuren daar gemeld, dat het Afbeeldsels waren tot den heiligen dienst geschikt. So heeftse God aan Moses voorgesteld; daar toe heeft hyse gemaakt; en als sodanig heeftse Ezechiel in profetische vertoningen gesien. Nooit komense anders voor. De gestalte deser beelden schijnt geen eenerley geweest te zijn. Want van aangesigte gelekense na Ossen, doch die vleugels hadden. Dat van Ossen blijkt uit dien, dat Ezechiel op twee plaatse eene selfde sake seggende, van vier dieren, die elk van besondere gedaante waren; drie derselve even eens, maar het vierde hier Cherub en ginder Ossen noemt. Sulx is uit vergelijkingen van Ezech. 1: 10. en 10: 14. klaar te sien. Want dit was 't selfde dier, seit Ezechiel, dat ik by de reviere Chebar gesien hadde. 10: 15. Dit was in 't 10. en 't ander had hy in 1. cap verhaald. Nochtans was dat Ossen aangesichte niet eenparig: want die hy daar na cap. 41: 18, 19. beschryft, hadden elk twe aangesigten? eens menschen ende eens jongen leews. Dan dit blijkt bestendig, dat de Cherubym gevleugeld waren: want so heeftse God aan Moses belast te doen maken, om met hunne uitgestrekte vleugelen de Verbondkist te bedekken. Exod. 25: 20. en 37: 9. Sodanig heeftse ook Salomo in den Tempel gesteld 1 Kon. 6: 24, 27. 2 Kron. 3: 11, 12, 13. Dus veel hadden deese beelden dan van 't viervoetig en van 't pluim gediert: doch buiten dat schijnt datse eens menschen lichaam vertoonden; so de hoogte van 10 ellen vergeleken met die van elken vleugel tot 5 ellen, op 't naaste te kennen geeft. 1 Kon. 6: 24, 25, 26. Want wanneer de konst al iet versiert, so salse 't regelmatig doen: Versintse menschen of beesten met vleugelen; het sal zijn in die gelijkmatigheid van leden, datse 't gebruik souden konnen hebben om daar mede te vliegen. Maar een viervoetig dier gelijk een Osse, en dat tien voeten hoog te doen vliegen, soudemen 't veel langer wieken als van ieder vijf voet moeten geven: doch voor enen menschen van die lengte soude 't even matig zijn. §. 10. Eer ik meer van de Cherubijm segge, moet ik even verre van de Serafijnen spreken; om als dan des te beter de vergelijkinge te maken. De betekenisse deses naams laat ons in den oorspronk soeken. Saraf heet branden, in den brand steken en verbranden: waar af het woord saraaf, alsmen van eenen spreekt, en serafijm als van veelen geseid, den oorsprong heeft. Onse Oversetters hebben dat tweemaal vurige slangen, Num. 21: 7. Deut. 8: 15. en tweemaal vurige en vliegende draken vertaald. Iesa. 14; 29. en 30: 6. Maar op eene plaatse Ies. 6. 2, 6. hebbense 't hebreewsch woord Serafijm behouden; om dat daar slang noch draak te passe quam. Hier mede ben ik noch niet wys genoeg, om te seggen wat gedaante of gestalte dat de Serafijnen hadden: en de joodsche meesters weten 't mede niet. Dan de Schrift self geeft ons dese openinge: dat de gene die aan Iesaias in gesigte vertoont zijn, mede als de Cherubijm gevleugeld waren; doch met drie paar vleugelen elk, daar de Cherubijm nooit meer hadden dan twee. Van de vordere

{==76==} {>>pagina-aanduiding<<}

gestalte is met eene daar uit iets te gissen, datse de Profete dus beschrijft: dat een ieder derselver ses vleugelen hadde; met twee sijn aangesigt, en met twe sijne voeten bedekte en met twe vloog hy. So geleek dan 't lichaam geen viervoetig dier; also twee paar voeten, 't zy in 't gaan, 't zy in 't vliegen door een paar wieke niet konde bedekt worden. §. 11. Nu is van die beiderley gedaanten eenerley te seggen: datse dus in Gesigten vertoond, gelijk van beide gemeld is; of door konst uitgebeeld, het welk alleenlik van de Cherubijnen word verhaald: beide echter d'Engelen verbeelden, voor so verre sy Gods dienaars zijn. Want geen ander reden kander zijn, waarom die bewaarders van den weg na den Boom des Levens, Gen. 3: 24. en de gene die God, by gelijkenis gesproken, door de lucht voerde, 2 Sam. 22:11. Psal. 18: 11. Cerubym genaamd worden: aangesien dat d'Engelen Gods dienaars zijn, die sijn woord en welbehagen doen. Psal. 103: 20, 21. Daarvoor staan de Serafijnen ook te boek: als besig in dat gene, dat den Engelen dikmaals toegesonden word, Looft den Heere sijne Engelen. Psal. 103: 20. en 148. 2. Want so deden de Serafijnen wanneer hen Iesaias sag. D'een riep tot den anderen, heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen; de gansche Aarde is sijner heerlikheid vol. Iesa. 6: 3. Hier van is 't, dat eveneens als Gode, tot betekenisse sijner allerhoogschte majesteit, den Hemel tot sijnen Troon word toegepast; Psal. 103: 19. Ies. 66: 1. daar hem d'Engelen als hemelsche heirscharen by duisendmaal tienduisenden rondom ten dienste staan: Psal. 105: 20, 21. en 86. 19. Dan. 7. also verre als hy, door bewijs sijner genade, en sitplaats onder sijn volk in den heiligen Tempel heeft; so is sijn eernaam, de God die tussen de Cherubijnen woont. 1 Kron. 13: 6. Psal. 80: 2. en 99: 1. De Serafym heeft Iesaias insgelijx in den Tempel gesien, sonder van de Cherubym daar by te melden. cap. 6: 1. §. 12. Doch uit dese selfde reden sluit ik ook, dat de Cherubym en de Serafym geen verscheide ordening van Engelen betekenen. Want dese worden nergens anders, als te deser plaatse, in den sin van Engelen gemeld. Ende gesien in den Tempel, daar den anderen Profeten, sonderling Ezechiel, altijd de Cherubijm in 't oge liepen, sonder datter ooit van Serafijm gemeld is; ende dat sonder Cherubijm: so volgt, dunkt my, waarschijnlik genoeg, dat Cherubijm en Serafijm een en de selfde zijn: en datse slegs om redenen op dese eene plaatse dus, en op alle d'anderen so genaamd zijn. Te weten, gelijk d' eigene namen van Michaël en Gabriël IX. §. 7, 8, 9. alsmede de gemeene benaminge van Gods Helden, Dienaars, Heirscharen, Psal. 103: 20, 21. Boden, Psal. 104: 4. Heiligen, Wachters, Dan. 4: 13, 17. den Engel door malkanderen, sonder onderscheid zijn toegepast: so mag 't ook wel met dese zijn. Altoos is 't onmogelijk, uit al 't gene dat de Schrift ons daar van seit, enig onderscheid van ordening te merken. Maar die verscheidenheid van verbeeldinge is alleenlik, om verscheidene eigenschappen deser heiligen Engelen te drukken. Neemt dat de brandigheid der serafijnen hunnen vurigen yver tot Gods eer en dienst, of Gods hittigen toorn in 't straffen van

{==77==} {>>pagina-aanduiding<<}

de sonden; de vleugelen der Cherubijm en Serafijm hunne veerdigheid, de menschelike gestalte hun groot vernuft; en de gelijkenisse van Leew of Osse, hunne edelmoedigheid en kragt of sterkte bedieden mogte: want so hebben 't d' Uitleggers dus verre op 't waarschijnelixt gegist. Ende blijkt noch tot overvloed, dat Cherub, buiten dit gebruik, enen mensche die seer verheerlikt is word toegepast. Want de schranderheid, mogentheid, en volslagene heerlikheid, den koning van Tyrus, so van hem self, als van anderen in voortijden toegeschreven, word hem van Gods wege dus verweten: dat hy een gesalfde overdekkende Cherub was. Ezech. 28: 14, 16, 1--6, 12, 13. Uit allen dese blijkt dan slegs, dat de namen Cherubijm en Serafijm, op drie of vier plaatsen in 't geheel van 't oud Testament, ontleend zijn; om daar door by gelijkenisse Gods uitverkorene Engelen, als boven mate heerlijk, doch sonder enig onderscheid van ordeninge, af te beelden. §. 13. Nu moeten wy wat verder gaan, en sien of elders enig onderscheid van ordening te vinden zy. Sulx soude moeten zijn (en daar soeken 't ook de genen die van sulke Ordeningen schrijven) ter plaatsen daar die schepselen, die in den Hemel zijn, met enig onderscheid genoemd staan. Die laat ons dan vervolgens in sien; en aandachtig overwegen, of daar sulx iet in te sien is. Altoos daar in niet, dat Paulus den Heere Christus aan Gods regterhand in den Hemel bemerkende, van hem seit, dat hy daar nu is verre boven alle Overheid en Magt en Heerschappye: Efes. 1: 20, 21. want daar in spreekt hy niet een woord, dat op de menschelike magt op Aarde niet en past; boven welken hy, dus hoog geseten, verre genoeg verheven is. §. 14. Maar nu komt deselve Paulus nader: ende versekert ons, dat God, die alle dingen geschapen heeft door Jesus Christus; het Euangelium tot dien eynde onder anderen doet verkondigen, op dat sijne veelvuldige wijsheid door de Gemeinte bekend werde den Overheden en Magten die in den Hemel zijn. Efes. 3: 10. Dese Overheden en Magten kan ik by voorraad wel voor Engelen aansien; want hierna komense noch wel eens te pas; maar ik kan daarin geen onderscheidene Ordeningen sien. Want Overheid en Magt is by Paulus al een selfde ding; gemerkt dat hy elders in 't gemeen alle Magten Oversten noemt. Rom. 13: 1, 2, 3. Te vreden zijnde even eens wat naam dat hy hen geeft, so hen die maar past; en hy hen daar door kent als van God gestelt, ende dien hy schattinge geven moet. V. 1, 6, 7. So sien wy mede dat by Christus self Oversten en Groten in 't gemein, sonder onderscheid genaamd zijn, die 't vermogen in de weereld hebben. Matt. 20: 25. Maar Paulus seit op dese plaatse niet, dat die Overheden van verscheiden Orden, trappen, weerdigheden zijn. §. 15. Ik kome dan noch nader. Door Christus zijn alle dingen geschapen; die in de Hemelen en die op de Aarde zijn; die sienlijk en die onsienlik zijn: het zy Tronen, het zy Heerschappyen, het zy Overheden, het zy Magten Kol 1: 16. Hier sag ik wat meer in, stonder den Hemel alleen genoemd; ende niet met een de Aarde; daarmen weet dat Tronen, Heerschappyen, Overheden en Magten zijn. Boven dien geven die vier namen noch geen twee

{==78==} {>>pagina-aanduiding<<}

Ordeningen te kennen. Want waar vindmen Tronen sonder Heerschappy, of Overheden sonder Magt? De Troon is een bewijs van heerschappy en de Magt is by de Overheid: waar het woord des Konings is, daar is Heerschappy. Pred. 8: 4. Het een is sonder 't ander niet. 't Zijn slegs verscheiden namen, waar mede men de genen qui sunt cum imperio (gelijkmen in Ciceros tijd te Romen sprak) dat is, die deel in de regeeringe hebben, te noemen plag. 't Is waar, dat alle Overheid so hoog niet is datse den Troon beklimt; noch alle magt so groot als Heerschappye: maar somen meint, dat sulk een onderscheid door die twee woorden word beduid, die moet ook raad met de twee anderen weten; ende also wel de Heerschappye van den Troon, als die beide van de Overheden onderscheiden. Sonder dat moetmen konnen tonen, dat het gebruik van dese namen in dien tijd ten minsten by de kerk of in den stijl van Paulus, onderscheidelike Hoogheden betekende, welker eene boven d' andere zy; om daar uit de Ordeningen, diemen van Gods Engelen meld, vast te maken: maar dat heeft noch niemant ooit gedaan. §. 16. Daar zijn echter al de namen nu, na welken d' oude kristen schrijvers, als uit de scholen der Ioden, de Engelen die by Godt gebleven zijn in so veel reyen plagten te onderscheiden: en so meesterlik daar af te spreken, of se seer wel wisten, hoe 't daar mede gelegen is: so wy in 't I. B. XV. §. 16. 31. van Athanasius, Gregorius en anderen gesien hebben. Deselfde van daarna noch verder van de Schoolgeleerden opgemaakt, gelijk in 't I. B. XIX. §. 7: uit Lombardus is getoond; steunt dan ook al op geenen anderen grond. Kragten, sie ik daar, soude de negende name zijn, boven de acht alhier verklaard: maar die word in de benaminge der goede Geesten niet geteld; van de quaden sullen wy hier na noch sien. Dese dan uit de Schrift by misverstand opgevatt, sullen d'anderen by ons noch minder laten gelden: die de joodsche leeraars, volgens hunne gewone dertelheid, buiten 't godlik Woord daar by versonnen hebben; waar af insgelijx hier voren I. B. XII. §. 8, 11. gedacht is. 't Schijnt, so dese luiden 't albestuur des Weerelds, en den dienst der Engelen in handen hadden: sy souden 't dan so doen. Elk echter na sijn eigen hoofd; een alleen soude moeten meester zijn: want wy sien, datse nu (schoon in 't minste daar over niet te seggen hebbende, evenwel noch so oneenig zijn. §. 17. Met weinig moeite staat ons nu te vernemen, of sich sulke lieden, en insonderheid de Pausgesinden, beter op des Duivels Engelen verstaan. Wat hun seggen daar af is, heb ik I. B. XIX. §. 8. mede al gemeld. Onse Protestanten lacchender vast mede; ende gieten ondertusschen self noch oly in die lamp. Want het komt daar niet so seer op aan, of de spreuken der H. Schrift, daar dit d' anderen uit halen, ook te ver getrokken; maar ofse wel met enig regt tot des Duivels Engelen te trekken zijn. Wy sullen die dan sien: 't zijn de gene die van Overheden, Magten: Kragten, spreken; in alsulken sin, datse van Engelen verstaan, niet ander dan op bose Engelen te passen zijn. Want men leest niet alleen van den Oversten der magt des luchts:

{==79==} {>>pagina-aanduiding<<}

Efes. 2: 2. (welken ik als Oversten voor eerst noch wat sal laten rusten tot dat ik nader van den Duivel self sal moeten spreken) maar van Overheden, Magten, Geweldhebbers der weereld, en der duisternisse deser eewe, en van geestelike Boosheden in de lucht: (so men in den Nederduitschen Bybel leest) tegen welke ieder Kristen moet gewapend zijn. Efes. 6: 12. Dus heeft Paulus Engelen, Overheden, Magten onder sijns geloofs en sijner saligheid allerhardste vyanden geteld. Rom. 8: 38. Daar komt'et nu op aan, of dit geen benaminge van verscheidene Ordeningen of sorteeringen der bose Geesten zijn. §. 11. Uiterlik gelijktet daar wel na, so als 't hier te lesen staat. Want hier helpt my niet, of ik segge datter Overheden, Magten ens. op der Aarde zijn: want die is nu in de Lucht. Daarenboven seit d' Apostel in dit selfde vers, dat wy desen strijd niet hebben tegen vleesch en bloed. Sodanig zijn de menschen; maar de Geesten niet. Ik moet ook bekennen, dat ik niemant noch vernomen hebbe, die den sin van dese woorden op de bose Geesten niet en past. Onse leeraars, schoonse in 't vertalen wat verschillen, zijn het echter in de sake met de Roomsgesinden dus verre eens. Daar spreek ik nu niet breder af, om dat het noch geen tijd is: maar segge slegs, dat ik hier die Ordeningen noch niet in kan sien; daar echter sommigen der onsen wat na hellen, en sommigen seggen wel volmondig, ja. Doch sonder ons nu daar mee op te houden: (ander luy gevoelens hebben wy in 't I. boek genoeg gehoord) wat seit dit doch van 's Duivels Engelen meer, als in voorgaande spreuken van Gods heilige Engelen is geseid? En desgelijx, indien dat ander Rom. 8: 38. ook op de bose Geesten slaat: wat heeftet meer als namen in, bequaam om ons het herte te doen ontwaken, om tegen sulken fellen vyandschap schrap te staan? Want die met sijn magtiger te doen heeft, die moet weten dat hem werk en wacht bevolen is. Doch dewijl de Schrift daar in der waarheid niet af spreekt: so en past het ons niet, buiten deselve enige order of regel van uitregelige geesten te verdichten. Daar over toonde men sich al van ouds af seer verlegen: om dat men anders geenen raad wist, hoe des Duivels rijk soude kunnen staan: even eens of 't ons paste, so die deugd by hem plaats hebben konde, die hem d' eere toeschrijven, dat hy sulken schonen polizye heeft, als by weinig aardsche Vorsten mag te vinden zijn. Het algemeen vooroordeel van so magtigen Koningrijk, als men sich van den Duivel inbeeld, heeft dat gevoelen gebaard; en 't misverstand ontrent den sin der Schrift, daar die in schijn so iet seit, heeft het noch meer versterkt.


{==80==} {>>pagina-aanduiding<<}

XIII. Hoofdstuk. Van hun Bewind ontrent de menschelike saken, heeftmen (hoewel duisterlijk) wat meer bescheids, ende noch meest van 't gene dat de goede Engelen betreft.

§. 1. NU vereischt de order, datwe tot het Bewind en 't Bedrijf der Geesten overgaan, so veel als ons de Schrift daar van is leerende. En na dat wy eens het onderscheid, tusschen d'Engelen die staande blijven en de genen die gevallen zijn, versekerd hebben; moeten we van d'een en d'ander slag besonder spreken. Van Gods Engelen is dat ook al by een ander voorval aangemerkt, datse Dienaars van den Schepper, en Beschermers van sijn schepsel zijn. Hoese Gods Dienaren zijn dat word meer door namen by gelijkenis geseid, die reeds verhaald zijn; dan met eigentlike redenen verklaard. En so wy dat begeeren, in wat tale willen wy datmen ons dat soude doen? Geene in de weereld die daar half bequaam toe is. Hoe God met de Geesten leeft, en sy met hem: wy die met ons eigen lichaam, en duisenden daar buiten so belemmerd zijn; hoe souden wy 't begrijpen konnen? En ook wat raaktet ons? als dat wy pogen om ook eens te worden, so na als ons nature lijd, het gene zy alrede zijn. Want voor Gods eere bidden wy, dat zy dat gene mogen doen, dat boven ons vermogen is: Looft den Heere sijne Engelen gy kragtige Helden, die sijn woord doet; gehoorsamende de stemme sijns woords Psal. 103: 20. Uw Wille geschiede van ons so op der Aarde, gelijk van d'Engelen in den Hemel. Maar wat doen Gods Engelen aan ons? dat dient ons om te weten, so daar iet af is. Dit laat ons driewerf ondersoeken: of, en wat ons in 't gemeen van hen geschied? wat onderscheidene bedieningen sy 't onswaart hebben? en of het iewers blijkt, dat ieder mensche sijnen Engel heeft? §. 2. Het eerste seit ons Paulus heel volmondig uit; d'Engelen so beschrijvende, datse desen naam, so 't schijnt, alleen om onsent wille voeren; en daar af in dier voege sprekende, dat het een bekende sake zy. Want hy vraagt slegs: zijnse niet alle gedienstige Geesten, die tot dienst uitgesonden worden, om dergenen wille die de saligheid beërven sullen? Gedienstig zijnse daar genoemd, somen siet, om den Dienst waar in sy uitgesonden worden: den Dienst, welverstaan, des genen die hen send; niet der genen, maar om der genen wille, die de saligheid beërven sullen. Want de Menschen zijn niet meer, maar een weinig minder dan d'Engelen van God gemaakt. Dienvolgens hadden sich de Duivel dien aangaande geensins te beklagen, noch den mensche sijnen staat te misgunnen; so alswe gesien hebben I. B. XII. §. 12. dat de Ioodsche leeraars dromen. Ende word met eenen openbaar, hoe groven verdichtsel 't zy, 't gene Mahomet vermeld, dat God den Engelen geboden hebbe, den eersten mensche aan te bidden. I. B. XVI. §. 5.

{==81==} {>>pagina-aanduiding<<}

Ondertusschen leert ons hier d' Apostel, met also te schrijven, dat ons God den aart en 't doen der Engelen niet verder heeft bekend gemaakt, dan so veel ons self betreft. §. 3. Maar sult gy vragen, wat doen d'Engelen aan God, in aansien van ons self? In 't gemein bevinden wy hen in twederleyen dienst gemeld: den menschen van Gods wegen iets te seggen, of te doen. Want nooit word een Engel of meer in enige geschiedenis gemeld, of in enige spreuke te pas gebragt: ten zy om iets te boodschappen, of om iets uit te werken; beide goed of quaad. Met woorden, om den mensch te troosten of te dreygen: met werken, 't sijnder hulpe of tot sijn verderf. Ik gedrage my tot elke plaats der H. Schrift, daar van Engelen gedacht word. Doch laat ons de boos saken slegs onderscheiden, en de besondere spreuken of vertellingen der Schrift ieder tot haar eigen hoofdstuk brengen. §. 4. Wat hunne boodschappen belangt: die waren goed of quaad. De goede meld ik eerst. Door Engelen, seit de Schrift, wierd aan Abraham geboodschapt, dat hem God uit Sara noch dien Sone soude geven, door wien 't gesegend' Saad moest worden voortgeteld; Gen. 18: 10. en 22: 11. aan Iacob d' eerste beloftenis verniewd; Gen. 18: 12. en 32. 1. Hos. 12: v. 17. aan Gideon belast en beloofd, dat hy 't volk van de Midianiten verlossen soude; Rigt. 6: 12. aan Sansoms ouders desselfs geboorte voorseid. Rigt. 11: 3, 10, 11. Dit in 't Oud Testament: in 't Niew is des veel meer. De voorsegginge van de geboorte des Heeren en des Dopers is door enen Engel geschied; Luk. 1: 11, 26. Matt. 1: 20. daar na door enen Engel bekend gemaakt, en door een heir van Engelen toegesongen. Luk. 2: v: 8--14. Sijne opstandinge wierd door Engelen verkondigd, Matt. 28. Marc. 16. Luc. 24. Ioh. 20. en sijne wederkomst by sijnen Hemelvaart door Engelen voorseid. Hand. 1: 10, 11. Door dienst van Engelen hebben Daniel, en Zacharias en Iohannes, hunne openbaringen ontvangen. §. 5. Met raad en daad heeft God sijne dienaars door Engelen ondersteund. Want so heeft Elias in sijn gesandschap aan den koning Ahasia onderregt; 2 Kon. 1: 3. Filippus na den Moorman toegewesen, en Kornelius in sijn gebed versterkt. Hand. 8: 26. en 10: 3. In den nood isser menig door Gods Engelen vertroost. Hagar, wanneerse Sara was ontvlugt: Gen. 16: 7. en 21: 17. Iacob, wanneer hem twee heiren teffens ontmoeteden, om sijn gemoed tegen de vreese van Esaws vyandschap te wapenen; Gen. 32: 1. 2. Elias, wanneer hy van Isabel vervolgd was; 1 Kon. 19: 5. Gehasi, wanneer hy van de Syriërs om singeld was. 2 Kon. 6: 17. Paulus wierd in nood op zee door enen Engel der verlossinge versekerd. Hand. 27: 23. Anderen zijn blijkelik uit den grootsten nood door Engelen gered: Lot uit den brand van Sodom; Genes 19. Daniels gesellen uit den heetsten gloed des ovens, en hy self uit den Leeuwenkuil verlost. Dan. 3 en 6. d' Apostelen eens tsamen, en Petrus eens alleen uit de gevankenis geleid. Hand. 5: 19. en 12: 7. §. 6. Dit zijn besonderen exempelen: des David in 't gemein wel vryelik

{==82==} {>>pagina-aanduiding<<}

mag seggen; d'Engel des Heeren legert sich rondom de genen die hem vresen, ende ruktse uit Psal. 34: 8. Bedenkelike spreuke, waardig, eer wy verder gaan, wat nader in te sien. Om den sin ter dege te verstaan, so merke toch de Leser eerst: dat hy seit, d'Engel, als van eenen; ende niet, d'Engelen, als van veel. Hoe kan dan een Engel een leger maken? Men siet hier by terstond, dat dit wel collectivé (alsmen in de scholen spreekt) dat is in vergarenden sin verstaan mag zijn: zijnde sulk ene wijse van spreken, waar door men ene geheele menigte van allerleyen aart, op eenerhande wijse, en dienvolgens onder een begrijpt. Gelijk dit: Wat is de mensche? En, de Mensch is de ydelheid gelijk: waar mede men alle menschen even seer verstaat, om dat het iets is dat op allen past. Also hier dan lichtelik ook d'Engel, in plaats van d'Engelen des Heeren in 't gemein; om datser alle even na toe zijn. Somen 't anders neemt: d' hebreeuwsche text heeft geen bewijs, dat een besonder Engel by uitnemendheid alhier verstaan word: also de tale sich in desen op die wijse niet verklaren kan. Want daar soude hammal-ach, dat is, de Engel hebben mogen staan, soder 't woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Heere niet en ware bygevoegd; maar dus aan een ander woord bepaald, magh 'er 't woord ham, dat is de, niet blyven; ende staater daarom slegs mal-ach, engel, in 't Hebreewsch. Onse taal ondertusschen heeft dit woordeken van node: om datmen in ordre van de woorden niet en soude mogen seggen, Engel des Heeren legert sich, of mensch is ydelheid, of os eet gras maar de Engel, de mensch, een os of den os: dan wel, somen seit, des Heeren Engel sonder 't woordeken de. So ben ik dan verpligt, dese spreuk in dien sin te nemen: dat God sijne Gelovigen met een leger sijner Engelen bewaart. Nu wederom tot het vorige: daarna sullenwe verder gaan.

§. 7. Ten quade meld Gods Woord, dat sich ook verscheidenmaal een Engel heeft vertoond: het zy dat hy blotelik sprak, of dat hy ook met eenen iet bedreef. 1. Door blote aanspraak wierd Bileam, om misbedrijf, door enen Engel wederstaan; Num. 22: 22. en 't volk van Israël om ongeregeldheid wel ernstelik bekeven. Righ. 2: 1. 2. Komtet tot de daad: door Engelen heeft God Sodoma en Gomora verbrand, Gen. 19. By de Pest, daar wel 70000 in Israël aan stierven, heeft sig een Engel met het wraaksweerd laten sien. 2. Sam. 24. 1 Kron: 21. de dood der 185 duisend in 't leger des Assyriers word enen Engel toegeschreven; Iesa. 37: 36. insgelijx Herodes de derde, wanneer hy pijnelik en schielik stierf, 't was dat hem een Engel sloeg. Hand. 12. 23. §. 8. Op wat wijse nu den Engelen sulx al toegeschreven word, daar over heb ik mijne meininge IX. §. 6- 15. al verklaard. Dan hier komt 't slegs te pas, dus kortelijk aangetrokken; om daar by te tonen, dat selfs het quaad, dat d'Engelen den menschen boodschappen, ofte ook aandoen, ten goede van de genen komt, die de saligheid beërven sullen. Hebr. 2: 14. Sulx geven de heirlegers insonderheid te kennen, die Israël en Gehasi ont-

{==83==} {>>pagina-aanduiding<<}

moet zijn, als 't ware om voor hem te strijden, ende hen te dekken. Want een heir is om te vechten, tegen de vyanden van alsulken volk als hunder bewaringe aan bevolen is. In desen dienst der Engelen toont sich God aan den opregten opregt, en aan den reinen rein: maar tegen den verkeerden toont hy sich als een worstelaar. Psal. 18: 26, 27. §. 9. Maar heeft God, sult gy nader vragen, om den mensch te helpen of beschermen, de Engelen van doen? Dat sal niemant seggen. Of heeft hy de natuur in sulken ordening geschikt, dat de menschen door middel van andere schepselen, en besonderlik van Engelen ondersteund zijn moeten: so dat hy eerst sijnen invloed op d'Engelen, en door d'Engelen op de menschen heeft? Want so werkt hy door middel van de Lucht op de Aarde en door middel van die beiden op 't gewas; en door dat gewas onderhoud hy mensch en beest. Hos. 2: 20, 21. Psal. 65: 10, 11, 12, en 104: 13, 14, 15. Maar wie sal ons dat verklaren, hoe sulx in sijn werk mag gaan? nadien bereids getoond is, XI. §. 7. 8. hoe beswaarlik 't voor ons zy, om te weten op wat wijse dat een Engel werkt? Soudemen 't dan ook niet veilig daar by mogen laten rusten, 't gene X. §. 16- 23. geseid is: dat de Schrift van God als Heer en Koning over al, besonder van sijn volk, op menschelijke wijse sprekende; de schepselen bemerkt als dienaars en uitvoerders sijner willekeuren, en d' edelsten derselven acht, als de gene die aan hem de naaste zijn, Dat is tot sijnder eere, dat hem d'Engelen dienen; gelijk daar getoond is, en op Christus mede gepast word. Matt. 4: 11 Hebr. 1: 6. Also is het tot heerlikheid der Gelovigen, dat d'Engelen hunne bewaerders genoemd worden: zijnde in dien opsigte van Christus self geseid, om te tonen, dat hy van de vyanden omringd, noch goed betrouwen op God sijnen Vader hadde: Meint gy, dat ik mijnen Vader niet kan bidden; en hy sal my meer dan twaalf legioenen Engelen bysetten? Matt. 26: 53. 't Is dan sulken wijse van spreken, als oft een groot koning, iemant groter eere aandoen willende, hem door sijnen hoogsten staatdienaar aanspreken, besorgen, en ook wel bedienen liete. Haman, 's konings grote hoveling, helpt Mordechai te peerd, en leid hem door de stad; mits roepende: Also salmen dien man doen, in wiens eere de koning een welbehagen heeft. Esth. 6: 11. §. 10. Insgelijx, als of God, menschelik gesproken, den mensche door sijne staatlikste hof dienaars of lijfschutten sijner hoogste gunst versekeren woude: so sal hy door sijn Engelen, d'edelste sijner schepselen, als met een leger dekken de genen die hem vreesen. Ende sulx daarom, om datse door sulk sigtbaar teken in hun gelove versterkt worden souden. Want dat blijkt uit dien, dat Petrus daar op past: so weet de Heer de godsaligen uit de versoekinge te verlossen. 1 Pet. 2: 9. En God selve, om sijn volk te troosten; Siet, seit hy, ik sende enen Engel voor uw aangesigte; om u te behoeden op desen weg, ende om u te brengen tot de plaatse die ik u bereid hebbe. Ex. 23: 20, 23. De verlossinge der Apostelen, als door enen Engel, maakte dat de hoofdman des Tempels; en d' Overpriesters twijfelmoedig wierden; ende een ander verbaast quam seggen, Siet de mannen die

{==84==} {>>pagina-aanduiding<<}

gy in de gevangenisse gesett hebt, staan in den Tempel en leeren 't volk Hand. 5: 24, 25. Allerduidelixt Petrus, uit de gevangenis verlost, tot hem self komende seide: Nu weet ik waarachtelik, dat de Heere sijnen Engel uitgesonden heeft; ende my uit de hand van Herodes verlost heeft, ende uit alle verwachtinge des Ioodschen volx. Hand. 12: 11. §. 11. Door dese middelen heeft Godt sijn eigen volk, als 't ongelovig was, overtuigd: de volgende proeven hebben self op d' ongelovigen gewerkt. Over de drie jongelingen in den oven riep self de heidensche koning Nebucadnetzar uit: Geloofd zy de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die sijnen Engel gesonden, en sijne knechten, die op hem betrowden, verlost heeft. Dan. 3: 28. Desgelijx Darius, aan Daniël met verwondering gevraagd hebbende, het gene hy voor ogen sag; heeft ook uwe God u van de leewen konnen verlossen? kreeg van hem tot antwoord; Mijn God heeft sijnen Engel gesonden, en de muil der leewen toegesloten. Dan. 6: 21, 23. Dit doet sich klaarlik op met gelyken stijl als daar effen Nebucadnetsar, ende volgens dien waarschijnlik na der Heidenen gevoelen dus gesproken; die alle onvoorsiene hulpe den Daimones toeschreven, welke van der opperste Godheid wege de saken hier beneden sturen. Want ik stelle voor bekend, dat een afgodisch koning, den waren God niet voor den sijnen, maar wel voor Sadrachs en der Ioden God erkennende, van desselfs Engel niet en soude gewaagd hebben; sonder dat aloud en algemeen gevoelen, dat hy met den Heidenen van der Goden veelheid, en derselver Boden hadde. So ook Darius, uwe God; en Daniel, mijn God, en sijnen Engel. 't Is dan even veel als ofse seiden: dat het den God des Hemels, als hy iet doet (of besonderlik de sijnen helpen wil, aan geen dienaars noch middelen ontbreekt. §. 12. Doch in desen is, tot nader opening van alles, noch iet aan te merken, daar veel aan gelegen is. Te weeten dat dit doen, en die verschijningen der Engelen flus genoemd, van seer verscheidene nature zijn. In sommigen was waarlik 't gene gesien wierd; in anderen wierd maar iets gesien, sonder dat het waarlik was. Te weten d'Engelen die Iakob in den droom sag, op en neerwaarts klimmende, die sich aan Daniël en Zacharias in Gesigt vertoonde, die Iosef in den droom verscheen, waren slegs by inbeeldinge: so als den aart der Dromen en Gesigten mede brengt. Meer was het mede niet, dat Gehasi den berg vol wagenen en peerden sag; en dan van vuur. Van den Engel die sig ten tijde van de pest vertoonde, merktmen niet dat hem iemant sag, dan David alleen. Die d'eerstgeboornen in Egypten, en die 't magtig Leger der Assyriers versloeg, zijn van niemant gesien; immers so veel alsmen uit d'historie merken kan: ook niet die den Apostelen de gevangenis opende, noch die Herodes van 't leven hielp. Sulx is derhalven alles op die wijse te verstaan, als VII. §. 8. VIII. §. 1- 7 geseid is: te weten dat het blote vertoningen geweest zijn, het zy dan aan 't gehoor, of aan 't gesigt. §. 13. D'Engel die aan Hagar, die aan Gideon, die aan Samsons Ouders, die aan Cornelius verscheen, terwijle sy klaarlik waakten; desgelijx

{==85==} {>>pagina-aanduiding<<}

die den Herderen by Betlehem verschenen zijn, en die Petrus uit de gevangenis verloste: 't word niet verklaard, hoedanig die verschijninge was. Dan sy spraken duidelik met de genen aan welken sy verschenen zijn. Van de genen die by 's Heeren graf, en t'sijner Hemelvaart vernomen zijn, leestmen daarenboven, hoese gekleed waren, so 't scheen, wanneerse sich vertoonden. Als God mirakel doet, so doet hy mirakel: daar is geen verklaring van te doen. Want dat het geen gewone werkingen der nature waren, bleek ginder aan de aardbevinge, en daar aan de wolke; die om 't graf te openen, dese om den Heiland op te voeren: so dat daar uit van d'eigene kragt of maniere van werkinge der Engelen, niet meer dan van de wolke te besluiten is. Maar die plaatsen vind ik onder alle, daar wat breeder af te spreken is d'Engelen die aan Abraham en Lot verschenen zijn, d'Engelen door wien de wett besteld is, en d'Engel die 't volk Israel na Kanaan geleid heeft: van welken t'samen ik afsonderlik in de twee volgende hoofd-stukken handelen wil.


XIV. Hoofdstuk. D'Engelen aan Abraham en Lot verschenen, zijn uit d'omstandigheden van 't verhaal, vergeleken met het gene de Schrift elders leert, byna te kennen.

§. 1. ENige besondere plaatsen der Schrifture hoortmen so van d'Engelen spreken, datse mijn gevoelen schijnen om te stoten. Want voor eerst so word uitdrukkelik geseid, dat het Engelen waren die aan Abraham en Lot verschenen zijn. Paulus d'herbergsaamheid prijsende, seit dat sommigen daar door onwetens Engelen geherbergd hebben. Hebr. 13: 2. Dit en kan op geen ander voorval geseid zijn, dan 't gene Gen. 18. en 19. verhaald word. Doch daar word cap. 18: 2. van drie Mannen gewaagd; welker twee daarna cap. 19: 1. Engelen genoemd zijn. Andere Engelen, gelijk degenen die by 'sHeeren Iesus graf en Hemelvaart gesien zijn, worden ook Mannen genoemd; om de gedaante daarse in verschenen; en elders Engelen, om datse 't waren. Maar dese, acht ik, waren Mannen, en hieten Engelen, om 't gesandschap datse bekleedden. De sake toont haar self so klaar, dat ik niet en wete, waarom dat het elk niet siet. Mogelik om datmen al te verr of al te scherp wil sien: om ene vertoninge der alderheiligste Drieeenigheid, of ene voorbeeldinge van 's Heilands Menschwerdinge ter baan te brengen; dat is, (so ik het wel begrijp) om die ten toon te stellen, en de vyanden met ons te doen lacchen. Ik wil tonen, dat het Mannen, dat is Menschen waren; en met een, dat het gene daaraf anders geleerd word, sonder grond of reden is. §. 2. Iemant bewijse my slegs dat Abraham self een mensche was, so dese drie geen menschen waren. Met wakende ogen, by klaren lichten dage (als de dag heet wierd; so dat het tegen den middag ging) sag Abraham drie Mannen: niet halvelings, of met enen swenk als in 't voorby gaan, maar tegen over hem. Eenen van de drie, als 't hoofd van dit gesandschap sich vertonende, spreekt hy aan: Heere: seit hy, Adoni, enen name dienmen

{==86==} {>>pagina-aanduiding<<}

eerenthalven aan de menschen geeft. Hy noodse tot ververschinge, niet wetende wiese zijn. Wat beweegt hem daar toe? Gods rijke segen, waar door hy 't konde doen; en sijne herbergsaamheid, seit Paulus, waar door hy wilde. Hy geeft hen voetwater; sy eten en drinken. Is dat werk van Geesten? waarom was Christus dan geen Geest, wanneer hy, om te tonen dat hy 't niet en was, vraagde, hebt gy hier iet om te eten; ende nam hetgene sy hem gaven, ende at het voor hunne ogen? Luk. 24: 42, 43. Dat was de sekerheid sijner Opstandinge, daar op sich Petrus beriep: gevende reden van wetenschap, waar op sy voor getuigen van volkomene geloofweerdigheid wilden gehouden zijn; dat sy de gene waren, die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hy van den dood was opgestaan. Hand. 10: 40, 41. Segt niet, dat het eten van die drie met Abraham in schijn geschiet is; of een ander seit dit dan van Christus ook: so dat de gene die ontkent, dat het Menschen zijn geweest; beneemt ons dit bewijs, dat Christus van den dood is opgestaan. Doet hier by, dat so Abraham, dat so d'Apostelen in dat gesigt bedrogen zijn; dat se 't dan ook sijn geweest in hun gehoor; of waarom niet so wel in 't een als 't ander? So heeft dan Abraham waarlik niet gehoord het gene hem beloofd wierd, noch d'Apostelen het gene Christus tot hen sprak. Siet eens waar het henen loopt. §. 3. Men moet my niet seggen, dat het Engelen konden zijn, die waarlik aten; met lichamen die sy voor dien tijd mogten aangenomen hebben. Want dan seg ik wederom, dat het met Christus ook so wel geweest kan zijn: te weten, dat een Geest sijn lichaam uit het graf gelicht en besield heeft, niet sijne eigene Ziel; of dat het sijn lichaam niet en was, maar een ander, even eens gesteld, als het sijne was geweest. Waar blijft nu alle sekerheid van Schrift of Reden; so men die beidegaar op dese wijs misbruiken mag? Men sal tot d'oude dolingen van Marcion en andere vervallen moeten, somen die weg henen wil. Daarenboven; byaldien 't God ooit so schikt, dat een Geest in eens menschen lichaam eet en drinkt; in diervoege, dat die 't siet onmogelik niet anders weten kan, of 't is een mensch: wat schuld heeft hy die daar in doolt, so 't God is die hem dolen doet? Eindelik mogt ik noch wel vragen, wat reden 't hebben konde, dat God lichamen aan Engelen gaf, om Abraham sijns soons geboorte, en Sodoms ondergang te voorseggen; wien hy te voren al door verscheidene Gesigten t'sijner gemeensame t'samensprake gewend, en van de grootste beloftenis versekerd hadde; Genes. 12: 1, 2, 3. en 13: 14. en 15. en 17: 1--22. §. 4. Maar 't gene men gemeenlik voor dat ander gevoelen seit, is dat hen Paulus Engelen noemt; en dat in de historie self d'een de heere, jehova heet, en de twee anderen mede Engelen genaamd zijn. Daarop seg ik, dat, so het tot den name komt, veelmaals in de schrift Engelen, dat is Boden of Gesanten genaamd zijn, die geen Geesten waren: VII. §. 7. maar nooit Mannen die gegeten en gedronken hebben, en geen Menschen waren. Doch so Paulus door Engelen die gedienstige Geesten verstaat: so vraag ik, of hy hen alle drie of alleenlik die twee betekend heeft, die van

{==87==} {>>pagina-aanduiding<<}

Lot geherbergd zijn? Indien de drie: so is ook die eene, voor welken Abraham bleef staan, na dat de twee vertrokken waren, een geschapen Engel geweest. Waar blijft dan 't groot bewijs, datmen uit het woord jehova trekt? Maar by aldien dat op 't herbergen van die twee slegs word gesien: so hadde Paulus sijne reden, om de Hebreen tot herbergsaamheid te bewegen, duisendmaal kragtiger konnen voorstellen dan hy doet. Want het was oneindelik meerder eere, dat Abraham den heere self, dan dat hy, of sijn neve Lot, een paar sijner tienduisendmaal tien duisenden dienaars geherbergd heeft. Wonder daar beneffens, dat het nergens tot lof van Abraham verhaald word, daar de Schrift buiten de historie so veel af roemt: dat hy met God self onder enen boom gegeten en gedronken heeft, wiens aangesigte slegs te sien aan Moses self geweigerd is. Exod. 33: v. 18, 19, 20. §. 5. Die knoop blijft echter noch: daar 't schijnt dat een van de drie jehova genaamd word. Wy sullen 't nasien. Gen. 18: 13. word geseid, dat onder 't eten de heere seyde tot Abraham, waarom heeft Sara gelacchen? Daar is raad toe, so dikmaals als God Profeten sond, so was 't altijd de heere die tot hen sprak, ende hun woord also des heeren woord; waarom sy sprekende mogen seggen, alsoo spreekt de heere en hoort des heeren woord. Maar dan volght op 't 16. v. dat die mannen van daar opstonden, ende sagen na Sodom toe; en dat Abraham met hen ging om hen te geleiden. Wonder, so een van die mannen jehova was, dat een mensch de leidsman is geweest van hem die onse treden telt en meet. Doch voorts v. 17. Ende de heere seide; sal ik Abraham verbergen wat ik doe? Wie seit nu, dat de heere die dit seide, een van die drie mannen was? Het schijnt daar uit, om dat daarna v. 22. word geseid, dat die mannen daar op 't aangesighte van daar keerden, ende na Sodom gingen: maar dat Abraham noch staan bleef voor 't aangesighte des heeren: ende op 't einde v. 33. dat de heere wech ging, als hy geeindigd hadde met Abraham te spreken. Evenwel niet na Sodom toe: want terstond word op 't begin des 19. cap. van maar twee Engelen gewaagd die in den avond te Sodom quamen. Nergens lees ik hier dat een van die drie de heere was: maar wel, dat de twee voortsgegaan zijnde na Sodom toe, Abraham ter plaatse staan bleef, daar hy hen aan toe geleid hadde. Echter stond hy daar doe niet alleen: maar voor 't aangesight des heeren. Dat en seit daarom niet, dat het was het aangesighte van den derden, die niet met d'andere twee na Sodom ging; misschien ook elders heen van God gesonden. De heere was niet ver te halen noch te soeken, die alomme tegenwoordig is. De derde kan wel onder des zijn wech gegaan: als hebbende sijne boodschap slechs aan Abraham gehad, en afgedaan; gelijk de twee aan Lot. Dat hy daarom alleen sprak, als 't Isaak betrof; seggende, Ik sal voorseker wederkomen ens. en Sara sal enen Sone hebben: c. 18: 10. maar dat de anderen verder moesten, om dat hun last op Sodom lag; volgens hun woord, Wy gaan dese plaatse verderven. c. 19: 13. Gelijk uit, maar niet gelijk weer t'huys.

{==88==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 6. En so men op den t'samenhang der geheele vertellinge lett; men sal bevinden, dat geen van die drie Engelen de heere was. Op 't 16. vers word geseid, dat die Mannen, te weten, de drie, dus verre gemeld: (anders had hy hier so wel als daarna twee Engelen, moeten seggen) van daar opstonden, ende na Sodom toe sagen. En terwijlen dat Abraham hen een stuk weegs geleidde: so word menscheliker wijse verhaald, hoe God by hem selven voornam, aan Abraham bekend te maken, wat boodschap dat die Engelen tot Sodom hadden. v. 17, 18, 19. Dit besluit dan te werk stellende, so spreekt hy Abraham aan, v. 20,21. Mitsdien so keerden die mannen (hy seit noch van geen twee, des waren 't noch de drie) van daar, en gingen na Sodom: v. 22. waar ondertusschen d'eene bleef, also die te Sodom, so 't schijnt, niet wesen moest; dat word ons niet gemeld. Veel gemakkeliker isset, dat niet te konnen seggen; dan om sulk een kleine reden, van een schepsel, dat terstond noch at en dronk, God te maken. §. 7. Maar het was de heere, die aan Abraham verscheen, doen de drie mannen tot hen quamen; word op 't begin der historie geseid: en daarna, dat Abraham, wanneer de twee, (ik seg om voorseide redenen de drie) van daar gingen, noch staan bleef voor 't aangesigt des heeren. v. 22. 't Is wel: maar hoe verschijnt d'onsigtbare God? door een sigtbaar teken sijner tegenwoordigheid. Dus verscheen hy namaals in de wolke. Exod. 16: 10. en 34: 5, 34. Lev. 16: 2. en hier nu in die drie levendige menschen. Een van drie was weerdiger, en met een bequamer, vermits verstand en spraak, om Gods goeden wille tot de sijne, daar sijne tegenwoordigheid in bestaat, uit te drukken, dan de stomme en levenlose Wolk. Verscheen de Heere dan wanneer men slegs een Wolk van sijnen 't wege sag: hoe veel klaarder en verscheen hy niet, wanneer drie Mannen sich uit sijnen last aan Abraham vertoonden. §. 8. Wanneer hy nu voor dese mannen stond, so stond hy als voor 't Aangesigt des heeren; so wel als Israël, wanneer hy voor de Wolke stond. Exod. 33: 7--10. Maar al gingen de drie Engelen van daar, in welken hy (om so te spreken) het aangesigt des Heeren sag: des niet te min, so konde hy voor 't Aangesigt des heeren noch wel staan. Blyven dat en staat niet in 't Hebreewsch. Derhalven brengt de sin niet mede, dat Abraham noch bleef staan, maar dat Abraham noch stond. Gods verschijningen eindigden daar mede niet, maar duurde noch; of wierd die eene openbaringe met ene ander vermeerd: op wat wijse, dat behoeft hy ons niet meer op dese plaats te seggen, dan hy elders doet. Gen. 12: 1. en 13: 14: en 15: en 17: 1. en 22: 1 en 26: 2, 24. en 35: 1. en 46: 2. God verscheen en hy sprak tot Abraham, Isaak en Iacob; sonder ons te melden, hoe. §. 9. Wat was het aangesigt des heeren dan, daar Abraham doe noch voor stond? Ik segge, dat die voor 't aangesigt des Heeren staat, die op de plaatse staat, daar God, al even veel op welke wijse, met hem spreekt: gelijk Moses menigmaal voor 't Aangesigt des heeren quam om met hem te spreeken. Exod. 34: 34. Die in den geest, dat is, in

{==89==} {>>pagina-aanduiding<<}

heilige overdenkingen is, gelijk Iohannes op den dag des Heeren was; Openb. 1: 10. 't zy dat hy staat of gaat; die staat en wandelt voor Gods Aangesigt. Gen. 17: 1. Abraham die stond en sprak met God; self na dat de drie mannen waren wech gegaan: dat was so veel, als dat hy voor Gods aangesigte stond. 't Is wonder dat dit iemant wonder dunkt; daarmen heden noch tot de genen die in de Kerk voor de gemeinte, ofte anders in ene kerkelike vergaderinge voor de leeraars en ouderlingen ondervraagd worden tot ernstiger overtuiginge, om opregtelik de waarheid te belijden; niet in 't hebreeuwsch, maar in gevolge van d'eigenschap der selve tale in rond duitsch gewonelik so spreekt: siet toe, wat gy segt, en weet dat gy hier voor 't aangesigt des heeren staat. Ik vond hier noch wel meer te seggen: maar achtende dit nu genoeg te zijn, so sal ik 't hier by laten.

§. 10. Dan so my iemant vraagt, wat het voor drie mannen zijn geweest: Ik sal seggen, dat ik het niet en wete. Of hy segge my eerst wie Melchizedech geweest zy, die in 't verhaal van den slag der negen Koningskens als uit de lucht quam vallen, om Abraham te segenen. Gen. 14: 18. God is om geen volk verlegen, wanneer hy menschen aan de Menschen senden wil, om d'een of d'ander boodschap voor hem te verrigten. Wanneer Israël noch geen volk was, so bond sich God aan 't een volk of geslagte niet: om uit geen anderen, dan hier dan daar, sijn volk te roepen. Had hy Melchisedech Priester gemaakt te Salem, daar hy Koning was; 't mogt hem mede beliefd hebben, dese drie voor Profeten uit te senden. Wy behoeven niet te weten van waarse quamen: maar mogen denken dat het van naby, ende namentlijk van Salem was. Want hadde d'Allerhoogste God daar enen Priester, so had hy daar ook volk. Geen Priester isser voor hem self alleen. Daarom seg ik: mag hier gissing helpen: (want dat het menschen waren, houd ik seker) God sond uit de gemeente van Salem drie mannen uit: eenen aan Abraham; om hem te seggen, dat Sara binnen 't jaar van enen soon geliggen soude: en twee aan Lot; om hem uit den brand der stad te redden.

§. 11. Laat ons de geschiedenisse by den weg eens meten; en sien hoe dat uitkomen wil. Van Ierusalem na Hebron, en van daar na Sodom, was met spoed elk deel met enen halven dag wel af te gaan. Sy hielden 't middagmaal by Abraham, die daar pas op 't midden onder Hebron woonde, also daar d'Eikenbosch van Mamre was. Sy quamen wanneer de dag heet wierd. Waarom staater dat? als om te seggen, wat Abraham bewoog, om onbekende mannen van self te noden; schoon sy quamen daar se wesen wilden. Te weten 't was om dat hy sag, dat sy so verre gegaan, de warmte al hadden; en derhalven hen ververschinge van self aanbood. Lot, ook so edel van gemoed, wierd door het naderen van de nacht, en de boosheid der inwoonderen bewogen, om ook so te doen; gelijk d'historie verder seit. En so hebbense beide onwetens Engelen, dat is gesanten van den God des Hemels geherbergd: want een Profeet of Priester is een Engel

{==90==} {>>pagina-aanduiding<<}

van den heere der heirscharen. Mal. 2. 7. §. 12. Dus verklaar ik op 't eenvoudigst een verhaal, dat wonderen genoeg van self behelst; ende nochtans, om het noch wonderliker op te maken, met sinspelingen die daarna voor bewijs zijn aangenomen, bemanteld is. Nu heb ik buiten twijfel grotelijx misdaan, dat ik my verstoute die vermaarde verschijning anders uit te leggen, dan so veel voorname Godgeleerden, die by na daarin eenparig zijn. Dat haddense voorwaar wel licht te wesen, daar d' een den anderen slechs op sijn seggen volgt, sonder self niew ondersoek te doen; also het gemakkeliker toevalt sulx op anders rekening aan te nemen. En wie weet of hy die d'eerste mag geweest zijn, om uit dit verhaal een bewijs voor de H. Drieeenigheid (al te hogen verborgentheid om so los te behandelen) of de Godheid van den Soon te trekken; wel half so veel moeyte als ik gedaan heeft om den regten sin te weten. Die hier echter niet op staan, sullen evenwel niet goedvinden, dat ik Engelen tot Menschen make. Maar waarom mag ik dat niet doen, so wel als anderen, het gene op God en sijnen Soon geseid is op den Duivel passen? het behaagde den heere hem (te weten den Messias) te verbryselen: hy (te weten de heere) heeft hem krank gemaakt. Iesa. 53: 10. Dus hebben 't alle uitleggers tot noch toe verstaan. Maar Coccejus brengt ons hier den Duivel tusschen God en Christus in, ende stelt hem in beider plaats: want dus danig is sijne vertalinge: het behaagde den heere dien te verbryselen (dat is den kop te vermorselen) die hem (te weten Christus) het beloofde zaad der vrouwe, krank gemaakt, dat is (de versenen vermorseld) heeft. De gemeene uitlegginge is, dat God den Messias verbrijsseld heeft en krank gemaakt: maar die van Coccejus; dat de Duivel den Messias krank gemaakt, maar dat God de Duivel verbryseld heeft.


XV. Hoofdstuk. D'Engelen door welken God de Wett op Sinai bestelde, en d'Engel die 't volk Israël door de woestyne geleid heeft, waren beidegaar aanmerkens weerdig.

§. 1. DUs hebben wy verstaan, wie d'Engelen mogten wesen, die aan Abraham en Lot verschenen zijn: met weinig woorden wil ik nu noch seggen 't gene van de wett door d'Engelen besteld, en den Engel van Gods aangesigt, in de Schrift gemeld, alhier ter sake dienen kan. De gene die het beide op den Heere Christus passen: ontslaan my van dat werk, om te ondersoeken wat een geschapen Geest vermag; of wat deel hy heeft in bedieninge der saligheid aan Gods volk. Want aangaande den Oversten Leidsman onser saligheid en voleinder des geloofs Jesus zijn wy des genoegsaam eens. Dus word hy Hebr. 12: 2. uitdrukkelik genaamd. Doch ten minsten salmen d' uitleggers sien verschillen over de bestellinge der

{==91==} {>>pagina-aanduiding<<}

Engelen, so als Stefanus Hand. 7: 53. spreekt, door welken Israël de Wet ontfangen heeft: waar mede Paulus t'samenstemt, wanneer hy seit, dat de wett door d'Engelen besteld is in de hand des Middelaars. Gal. 3: 19. Ik meine dat God self, in 't Lied aan Moses gegeven 't selfde seit. Deut. 33: 2. De Heere is van Sinai gekomen, ende is hen voorgegaan na Seït: hy is blinkende verschenen van 't gebergte Paran, ende is aangekomen met tien duisenden der Heyligen: tot sijne regterhand was een vurige Wet aan hem. Geleerde mannen wijsen ons tot dese woorden, om die van Stefanus en Paulus te verstaan. §. 2. Wat willen die dan seggen? Dat de Wet op Sinai met de grootste statelikheid, Gode betamelik is uitgesproken. En wie zijn die tienduisenden der Heyligen? Daar af laat ons de profeet Daniel niet onkundig zijn, die ene vertoninge van Gods heerlikheid in een gesigte bemerkende: duisendmaal duisenden sag die hem dienden, en duisendmaal tienduisenden die voor hem stonden: cap. 7: 10. Deser eenen had hy te voren ook enen Heylig genoemd en die een Wachter was, cap. 4: 13. Dit heb ik, over dat boek schrijvende, op Gods Engelen geduid: waar in ik niet en wete dat my iemand tegen is. Dese godlike Lijfwachten, om so te spreken, niet tot sijner beschermenisse: maar tot vertoninge sijner heerlikheid om hem staande, waren mede by 't af kundigen der Wett: om 't werk so veel groter luister toe te brengen; en met een te tonen, datse met dit huisbestel, en 't Verbond dat God met Israël dus bevestigde, te vreden waren; gelijkse altijd zijn in 't gene dat God doet of spreekt. So datmen van die Wetgevinge insgelijx mag seggen, als Daniel van Gods besluit dat over Nebucadnesar ging: Dese sake is in 't besluit des Wachters, en dese begeerte is in 't woord der Heiligen, v. 17. In 't voorseide boek §. 238, 242. heb ik dat verklaard, waar henen ik den Leser wijse. §. 3. Maar seit de Schrift ook meer? Niet meer: want dat moest in de historie staan: also Moses, Stefanus, Paulus, buiten twijffel so niet souden spreeken; sose niet voor uit stelden, dat de gene tot wien sy dit seiden seer wel wisten, dat sulx was geschied. Nochtans seit de historie niet, dat sig Engelen daar by vertoonden, wanneer God de Wet op Sinai gaf. Maar het volk sag de donderen en de blixemen, en 't geluid der basuinen, en den rokenden berg. Exod. 20: 18. Want de Heere sprak tot de gansche Gemeinte, op den berg in het midden des vuurs, en der wolke en der donkerheid. Deut. 5: 22. In den brief aan d'Hebreen, daar dese geschiedenisse te pas komt, word ook niet uitdrukkelik noch afsonderlik van Engelen gewaagd, die op dien tasteliken berg tegenwoordig waren: maar van een brandend vuur, en donkerheid, en duisternis en onweder; een geklank der basuine, en stemme van woorden. Vele duisenden van Engelen worden daar op den berg Zion geplaatst, tot welken wy (welverstaan geesteliker wijse) gekomen zijn. Heb. 12: 18, 19, 22. Waar uit ik wederom besluite, dat het gene Moses, de geschiedenis verhalende, van dien onsaggelijken toestel der hoogste Majesteit geschreven hadde, op ene wijse voor God betamelik sijnen Engelen toegeschreven word.

{==92==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 4. Want neemt eens verder, dat God nochmaal ten jongsten dage komen sal met sijne veel duisend Heyligen. Iud. v. 14. met de stemme des Opperengels; 1 Tess. 4: 16. in de openbaringe des Heeren Jesus, met de Engelen sijner kragt; 2 Tess. 1: 7. te weten, wanneer de Sone des menschen komen sal in sijne heerlikheid, en alle de heilige Engelen met hem. Matt. 25:31. wat is dat meer te seggen, dan dat hy sitten sal op den Throon sijner heerlikheid? Hoe menen wy dat dit toegaan sal? Hy self heeft geen lighaam, om te komen, en te sitten: maar d'Engelen zijn geesten, die eigentlik noch sitten, noch van plaats tot plaats vervaren. So heeft dat dan een ander bescheid, 't welk beswaarlik voor ons valt om uit te leggen. Maar dit isser nochtans uit te merken, dat de komste des oversten Regters met ene Majesteit hem betamelik geschieden sal. En d'Engelen, sose als de menschen waren, tot lichamelike bewegingen en plaats bekledinge bevoegd; wie soude nader zijn dan sy, om ter hoogste statelikheid huns Heeren, lichamelik en plaatselik daar by te staan. §. 5. Van den Engel aan 't volk Israël belooft, vielder vry wat meer te seggen; by aldien dat stuk hier eigentlik, en uit sich self behandeld wierd. Maar gemerkt dat wy nu alleenlik van geschapene Engelen spreken; en dat de meeste Uitleggers onser gesindheid enen ongeschapenen, dat is, Gods Soon daar by verstaan, daar ik my niet tegen stelle: so wil ik slegs met weinigen te kennen geven, wat ik daar over in de Schrift heb aangemerkt. Somen siet op 't gene God self aan Moses en sijn volk verklaard heeft, dit zijn de woorden. Siet ik sende enen Engel voor uw aangesigte, om u te behoeden op desen weg, ende om u te brengen tot de plaatse die ik bereid hebbe. Hoed u voor sijn aangesigte: ens. want hy en sal uwe overtredingen niet vergeven; want mijnen naam is in 't binnenste van hem. ens. Mijn Engel sal voor uw aangesigte gaan, en sal u inbrengen tot den Amoryten. ens. Daar na weerhaalt hy die toesegginge, niet tegenstaande dat sy dese besondere gunste door afgoderye verbeurd hadden. Gaat nu henen, leid dit volk daarhenen ik u geseid hebbe: siet, mijn Engel sal voor u aangesigte gaan. Exod. 32: 24. Ende noch eens: Ik sal enen Engel voor uw aangesigte senden. cap. 33: 2. Moses hier mede noch niet genoegsaam, so 't schijnt, gerust gesteld, klaagt, dat God hem gebied het volk op te leiden, sonder hem te laten weten, wie hy met hem senden soude: ende geeft niet duisterlik te kennen, dat Gods aangesigte soude moeten mede gaan, om hem gerust te stellen? 't welk hem Gad toestaat cap. 34: 12, 17. So datmen hier kan vinden den Engel van Gods aangesigte, die Israël in alle hunne benawdheid verlost heeft. Iesa. 63: 9, 11. §. 6. Maar so gy de historie leest, op wat wijse God het volk uit Egypten heeft geleid; De Heere toog voor hun aangesigte: des daags in ene wolkenkolomme, dat hyse den weg leide; ende des nachts in ene vuurkolomme, dat hyse luchtede; om voort te gaan dag ende nacht. Exod. 13; 21. Desgelijx besluit hy 't verder verhaal, met woorden van den selfden sin. De wolke des Heeren was op den Tabernakel by dage; ende 't vuur was 'er by

{==93==} {>>pagina-aanduiding<<}

nachte op, voor de ogen van Israëls gansche huis, in alle hunne reisen. Exod. 40: 38. Desgelijx word achter na, by 't melden van Gods wonderen en weldaden, sijnen volke dies tijds op 't besonderste bewesen, van geenen Engel; maar alleenlik van de Wolk- en Vier kolomme gewaagd. Nehem. 9: 14. 19. Psal. 78: 14. en 105: 39. Ende wanneer namaals geseid word, dat God self, dat is, sijn aangesigte met hen ging; ('t welk na allen stijl van spreken noch meer is dan oft een Engel met hen ginge) so word het mede op die Wolke uitgeleid. Moses verweet hen, datse niet geloofd hadden aan den Heere hunnen God, die voor uw aangesigte (seit hy) op den weg wandelde: Des nachts in het Vuur, op dat hy u den weg wese, daar in soudet gaan; ende des daags in de Wolke. Deut. 1: 33. §. 7. Merkt hier nu noch by aan, dat God Ex. 23: 21 van dien Engel seit mijn Naam is in 't midden van hem; en dat Moses daarna verhaalt, cap. 34. v. 5. hoe de Heere nederwaarts quam in de Wolke, ende uitriep den Naam des Heeren. So was dan s' Heeren Naam in 't midden van de Wolke, waar uit die gehoord wierd: sulx het schijnt, dat hy die Wolke, daar besteld ten teken en met een ten middel sijner tegenwoordigste werksaamheid (so te spreken) tot hoede van sijn volk, den naam van Engel, dat is Bode, geeft. Siet hier de Vuursuil en de Wolkensuil met een. God quam op Sinai nederwaarts in Vuur; bekleed met wolken en met donkerheid; en uit het midden van dat Vuur sprak hy tot het volk: Deut. 4: 15 en 5: 5, 6. namaals quam hy neder in de Wolke, ende riep den Naam des Heeren uit. Het gene hy eerst uit het vuur sprak, was de verklaringe van sijnen Wille, en de 10. voorwaarden des Verbonds: en 'tgene hy tsedert uit de Wolke sprak, was de beschrijvinge sijner Volmaaktheden, daar hy sulken groten naam van heeft, Volgens dien so is 't gene sy dies tijds van Gods Wil en Wesen weten moesten, in die vurige Wolk geweest, en uit deselve gehoord. Wat plaats dat hier Gods Soon in heeft, dien Engel des Verbonds Mal. 3: 1. met reden ook genaamd den Engel van Gods aangesigt; Ies. 6: 9. of hoe hier in met een de Heilige Geest benoemd mag zijn: vers 10. 11. sulx komt hier niet te pas; om dat wy niet als van Gods Engelen, en hun verschijnen, of bedrijf ontrent de menschen spreken. §. 8. Die dit voorschreven met onsydig opmerken gelesen heeft, sal daar uit alleenlik dit vermerken, dat ik op de bespiegelinge, die men gemeenlik op dien Engel maakt, door welken Gode de Wett uitsprak, of die 't volk door de woestijne voorging, of d'Engelen door welken de wett in handen van den Middelaar besteld is, niet vast en ga. 't Bewijs daar uit getrokken voor 't een of ander sonderling gevoelen, laat ik voor rekeninge van de genen die daar meer in sien dan ik: mits datse my ook schuldig blyven, om de swarigheden die ik daar heb aangewesen, op te lossen. Maar dunkt iemant dat ik Christus Godheid enigsins te kort doe, so ik niet rond uit verklare, dat ik hem in desen Engel sie: dien wil ik wel waarschouwen, Christus Godheid niet ten toon te stellen met de wijsen die so veel beslags van noden hebben, om den neerstigsten en verstandigsten ondersoeker, en noch so

{==94==} {>>pagina-aanduiding<<}

veel meer, om de tegensprekers te overtuigen. En so dit ons voorregt is indien tijd des Nieuwen Testaments, dat God voortijds wel veelmaal en op veelerlye wyse tot de vaderen gesproken heeft door de Profeten; maar in dese laatste dagen eerst tot ons gesproken door den Sone: Heb. 1: 1. hoe sy dan den Sone tot de vaderen doen spreken, wanneer 't daar toe de tijd noch niet en was. Ook en kan ik dat onderscheid van weerdigheid tusschen Wett en Euangelium niet sien, dat ons Paulus daar ter plaatse leert; uit insigt, dat de Wett door Moses, die maar een dienaar was, maar 't Euangelium door Iesus, die de Soon en Heer is, aangekondigd is: indien de Zoon self de Wett heeft uitgesproken, of 't volk na 't aardsch Canaan geleid heeft. §. 9. Ondertusschen moet uit al 't voorseide nu genoegsaam blijken, dat van de wijse, hoe d'Engelen van Gods wege den gelovigen ten dienste staan, niet veel en blijkt: hoewel de Schrift seid, datse 't doen. Des wil ik het nu in een betrekken, 't gene dus verre gesteld is. Te weten. 1. De Schrift seit ons, dat God Engelen in sijnen dienst gebruikt; ter hoede der gelovigen, en tot straffe der godlosen. 2. Maar nergens seitse, hoedanig de werkinge der Engelen daar in zy. 3. Somtijds wel, datser verkondigers af zijn, 't gene om der sekerheid huns woords wille geacht word als ofse 't deden. 4. Doch somtijds met ene wijse van spreken die klaarlik te verstaan geeft dat God self, en geen Engel het werk doet, daar de dienst eens Engels in benoemd word. 5. Bij wijlen noemtse Engelen, insgelijx om hunder besendinge wille, diemen bemerkt dat menschen geweest zijn.

6. Ook word wel een uiterlik teken van Gods besondere tegenwoordigheid sijn Engel genoemd.

§. 10. Dus verre 't gene in de Schrift hier af te vinden is: waar uit ik nu die vier gevolgen trekke. 1. Dat aangaande de wijse, op welke de Engelen werken, ofte iets aan de menschen doen, niet sekers uit de H. Schrift te halen is. 2. Maar dat het alles dient, watmen daar af leest, om Gods bedrijf ontrent der menschen kinderen, na menscheliken aart van spreken, op ene hemelstatige wijse te verbeelden. 3. So nochtans, dat de Engelen waarlik iets doen, in 't gene dat de menschen, de geesten en de lichamen betreft. 4. Maar nergens blijkt dat selfs de goede Engelen onmiddelik op geest of lichaam werken, gelijk eens menschen ziel op haar eigen lichaam doet. §. 11. Dit wilmen dat hier wederom op uit sal komen, dat ik geene Engelen gelove. Ik segge dan noch eens, dat ik mijn geloof daar af I. §. 3, 4. met klare woorden duidelik beleden; ende in 't vervolg met bondiger bewijs dan men gemeenlik daar van geeft, bevestigt hebbe. Maar wanneer ik segge dat de Engelen waarlik niet en doen 't gene de Schrift van hen schijnt te seggen: dat is, dat het niet en blijkt. En verder gaat mijn schrijven niet, dan om te tonen dat het gene men gemeenlik van de kragt der Geesten uit de

{==95==} {>>pagina-aanduiding<<}

werkingen, in schijn hen toegeschreven, by brengt, sulx niet en bewijst. Gelijk ik dan den Hemel noch de Aarde niet ontkenne, noch de Sonne, Maan, en Sterren lochene; wanneer segge, dat de Hemel eigentlik Gods troon, noch de Aarde sijn voetbank, noch des Hemels lichten sijne heirscharen zijn: so ontekenn ik ook geen Engel ofte Geest; al is't dat ik ontken, dat het eigentlik geseid is, 't gene in desen van het word geseid.


XVI. Hoofdstuk. Besondere Bewaar-Engelen van Volkeren of menschen, zijn in Gods Woord niet te vinden.

§. 1. DIe twee voorname Schriftuurplaatsen geopend zijnde, so leid de weg gemakkelik tot de genen die ons in Daniel ontmoeten; en uit welken voornamelik dat gene, dat de Bewaarengelen betreft, gehaald moet worden. Immers van d'Engelen der onderscheidene Landschappen en Volkeren, heeft men, buiten sijne schriften, niets van 't goddelik dat daar na gelijkt. Dit staat ons nu dan na te sien. Doch om geen een ding tweemaal te schrijven; wil ik den Leser wijsen op het gene ik daar op in mijne Uitlegginge over dien Profeet, besonderlixt over het X. Capittel, vers 13, 20, 21, en 11: 1. en 12: 1. gesteld hebbe. 't Nodigst evenwel, en 't gene byna alle 't ander kortelijk begrijpt, verveelt my niet by desen te weerhalen. Doch eerst sal ik de woorden stellen. De gene die met Daniel in een Gesigte sprak, seit voor reden waarom hy niet eerder tot hem quam. De Vorst des Koningrijx van Persen stond tegen over my, een en twintig dagen: ende siet, Michaël, een van d'eerste Vorsten quam om my te helpen: ende ik wierd alleen gelaten by de koningen van Persen. vers. 20. Weet gy waarom dat ik tot u gekomen ben? Doch nu sal ik wederkeeren, om te strijden tegen den Vorst der Persen ende als ik sal uitgegaan zijn; siet so sal de Vorst van Griekenland komen. vers 21 en daar en is niet een die sich met my tegen dese versterkt, dan uwe Vorst Michaël cap. 11:1. Ik nu, ik stond in 't eerste jaar van Darius den Meder, om hem te sterken en te stijven. Hebbende daar na in 't brede verhaald, wat ongemakken den joodschen volke in gevolg van tijden overkomen souden; so seit hy noch cap. 12:1. Te dier tijd sal Michaël opstaan die grote Vorst, die voor de kinderen uwes volks staat. Nu sal ik hier by malkanderen stellen, 't gene ik daar op elke plaats heb aangetekend. §. 2. Die Vorst des Koningrijk van Persen en kan der Persen Koning self niet zijn: om dat het geen gebruik van seggen is, Vorst des Koningrijx, maar Koning van Persen; van welke dese Vorst hem self uitdrukkelik onderscheid, wanneer hy terstond daar op seit, dat hy gelaten wierd by de Koningen van Persien. 't was ook een Vorst die hem tegenstond: maar de Koning van Persien die doe was, stond het volk voor daar Daniel voor bad. Daar beneffens moet dese sulk een Vorst zijn als Michaël; die, gelijk Gabriel, voor enen Engel bekend is. Men sal door den eenen tot kennisse des ander en mogen komen: en dan oordeelen, wat van dese Vorsten te houden zy. Drie der selven worden in dit eene vers betekend. D' eerste is degene self

{==96==} {>>pagina-aanduiding<<}

die daar in spreekt. De tweede is de Vorst des Koningsrijk van Persien die hem tegenstond) en de derde Michaël, die hem te hulpe quam. De Vorst van Persien en de Vorst van Griekenland, zijn de Koningen der selve volkeren, en dienvolgens menschen, van die drie genoegsaam onderscheiden. Welke hemelvorsten tsamen strijden, so 't schijnt, elk voor sijn eigen volk. Doch om 't volk van Daniel, als Gods eigen volk zijnde, was dat eigentlik te doen: welke door den strijd der Persen en de Grieken, gelijk tusschen hamer en ambeeld saten. Dese Vorst die met Daniel spreekt, scheen 't eerst quaad te hebben: dan hy prijst Michaël den Vorst van Daniel (uwe Vorst, seit hy, om dat hy sijn Volk voorstond) dat hy hem te hulpe quam; so dat hy 't veld behield. Siet, wat hier over nu te denken valt: wie dese Vorsten zijn; welke hunne voogdy over volkeren en landen; en hoedanig hun strijd onder malkanderen geweest zy, elk door sijn volk en land. §. 3. Nergens dan hier word van sulken Vorsten gemeld: behalven den Vorst van 't heir des Heren, die tegen over Iosua stond; en wiens woorden, so 't schijnt, tot Iosua gesproken, op den name van den heere self verhaald zijn. Ios. 5: 13, 14, 15. en 6: 1. Maar hier by Daniel werden meer Vorsten dan een, ende die als tegen malkanderen strijdende vertoond; die den volke des Heeren vrind of vyand zijn; elk voogd over een besonder volk en land, en ondervoogden van den groten God. Het blijkt dat dese Vorsten Engelen zijn: Michaël altoos: want die word uitdrukkelik also genoemd. Des isset voegelik, dat men door d'anderen insgelijks alsuke Geesten; niet alleenlik goede, maar ook quaden versta: want sy d'een tegen den anderen zijn, gelijk d'een den anderen tegen sijnen vyand helpt. Het is een van dese Vorsten die het spreekt; en van die Heiligen, van die wachters, van welken op het 3. cap. 13. en 23 vers gemeld is. Sulken benaminge word mede wettelik op Gods Engelen gepast: heilig in aansien hunner onbevlekte nature en standvaste gehoorsaamheid, tot des Scheppers eer en dienst; en wachters, in opsigte van hun ampt. Denkt mede datse van die duisendmaal tien duisenden zijn, die der godlike Majesteit rond om den troon ten dienste staan. §. 4. Wat seggen wy dan: dat d'Engelen Bestierders van de Volkeren zijn elk in hun eigen land? Dat is hier uit niet te sien. Maar alles vergeleken, is hier niet meer af te maken, dan dat God de weereld, en besonderlik sijn volk, so wel regeert en bestuurt, dat het hen geen Koning op der Aarde na doen sal; schoon hy nog so trouwen Landvoogden over d'onderhorige volkeren besteld hebbe. Ende of 't somwijlen schijnt, dat het tegen alle gedachte sijner voorsienigheid aanloopt; echter altijd noch de hand des Heeren boven blijft. Dat ik het dus, en niet na de letter versta: dat doet de stijl van spreken, die geheel oneigen is; en den aart van een Gesigte, waar in dit alles vertoond is; 't welk de deugden en eigenschappen door sekere personen verbeeld. Dus houd ik my aan den regel, Scriptura symbolica non est argumentativa, de Schrift by gelykenis spreekende bewijst niet. In desen heeftmen slegs op 't oogmerk, niet op d'omstandigheden te sien: welke anders nergens toe

{==97==} {>>pagina-aanduiding<<}

dienen, als om aan de vertoninge de gedaante van een historie te geven. Daar over zijn ook de geleerden doorgaans redelijk wel eens. Van Iob, als ook van Micha, 1 Kon. 22; 19- 24. sullen wy haast diergelijk verstaan. De sin is hier: dat d'Engelen of Vorsten die over Gods volk staan, en daar voor strijden: sijne godlijke sorge tot hoede van sijn volk, en tot straffe hunder vyanden te kennen geven: en de vyandige Vorsten den loop des Weerelds tegen Gods volk aan; of tegen eenig volk of land, dat God voor dien tijd ongelukkig maken wil. En wie weet, of dese wijse van spreken en verbeelden van der Heidenen gewoonte niet ontleend zy; om hunne Daimones, door deselve na te boosten, te bespotten: als niet magtig zijnde, om na hunnen sin met de volkeren te spelen; maar dat God self, die alles weet, wel sorge dragen sal, dat het anders in de weereld niet en ga, dan hy wil dat het sal gaan. En sulx, dat niemand die Daimones, maar hem alleen na d'ogen sie. §. 5. 't Gene voorts by oude tijden veler Kristenen gevoelen was, dat ieder mensche sijnen Engel heeft, goed en quaad: dat is, so veel de Schrift belangd, al te los gegrond. En buiten de Schrift ( so in 't IV. Hoofdstuk al getoond is) vindmen daar af geen bewijs. 't Gene enige niewe Kristenen, die 't joodsche kleed noch niet geheelik uitgetrokken hadden, van Petrus seiden, dan het sijn Engel was, die 's nachts aan de deur quam kloppen; Hand. 12: 15. word daar toe niet wel gepast. Want voor eerst, was 't niet van twee, maar als van eenen geseid, het is sijn Engel: sonder te betekenen, of 't sijn goede of quade Engel was. Daar by blijkt, dat de genen die so spraken niet en wisten watse seiden: als 't geen goeden Engel zijn kon, die sich voor den man self uitgaf, wiens Engel dat hy was; noch een quade, die genegen om hem leed te doen, hem niet aan 't huis van Maria, maar liever in de gevangenis gesocht moest hebben. Daar beneffens komt my wonderlijk voor, dat iemants Engel of Bode (so het sommigen hier vertalen willen, om dat gevoelen te ontgaan) aan de stemme des genen, wiens Engel of Bode hy is, soude te kennen zijn. Ende als 'tal geseid is, het seggen van die luiden was geen Euangelie: also sy daar in dolen konden, schoon het een gemeen gevoelen was. Sy spraken dus, niet als Kristenen doe tegenwoordig, maar als Ioden van ouds. Lichtfoot brengt uit hun boek Debarim Rabba fol. 290: 4. hier by te pas. Daar is geschreven, hy heeft my van 't sweerd van Pharao verlost. Daar op seid Bar Kasra, dat een Engel in de gedaante van Moses nedergekomen, hem heeft doen vluchten: so dat de genen die Moses quamen vangen, meinden dat die Engel Moses was. Aldus, die doe geloofden, dat elk mensche sijnen Engel heeft, meinden volgens mede, dat elk Engel de gedaante, en met een de stem van sijnen mensche heeft. §. 6. 't Is waar, dat de geringsten onder Gods volk, tot de kinderkens toe, hunne Engelen hebben, die sijn aangesigt in den Hemel sien: also het onse Heer uitdrukkelik getuigt. Matt. 18: 10. Maar hy en seit niet, dat elk der selven, hoofd door hoofd, sijnen besonderen Engel heeft. Dan dit

{==98==} {>>pagina-aanduiding<<}

wilder slechts uit volgen: dat Gods Engelen ook der gelovigen Engelen zijn; self tot de kinderkens toe: 't welk Paulus al lang op alle d'Engelen geseid heeft, datse als gedienstige Geesten uitgesonden worden, om der genen wille die de saligheid beerven sullen. Hebr. 1: 14. En so is hier de sin, gelijk Lichtfoot mede seer wel seit: eo more quo ministrant Angeli ad ultioribus, ministrant & illis; op gelijkerwijse als d'Engelen den volwassenen dienen, so dienense desen ook. Engelen der gelovigen, (of der kinderkens) seit Camero, zijn de gene die als boden uitgesonden worden; niet van de gelovigen, maar aan de gelovigen: gelijk Paulus Rom. 11: 13. Apostel der Heidenen; dat is, niet van de Heidenen gesonden, maar aan de Heidenen. Voorts moetmen denken, dat hy niet en seit, elx Engel van die kleinen; maar in't gemein, hunne Engelen. 't Gene voorgaat geeft genoeg te kennen, dat Christus meer niet seggen wil. Siet toe dat gy niet eenen van dese kleinen veracht: Want ik segge u lieden, dat hunne Engelen, ens. Gy en moogtse niet te gering achten om tot my te komen, die by God so weerd geacht zijn, dat hunne Engelen sijn aangesichte sien. Maar hoe siense dat? Gelijk Salomons knechten voor sijn aangesigte stonden: 1 Kon. 10: 8. so vertoont sich God als een groot Koning, die geen geringer dienaars dan Engelen ten hove lijd, welke by duisendmaal tien duisenden voor hem staan. En dit is nu de heerlikheid, die de Heere Iesus der gelovigen kinderkens versekert: dat die heerlike staatdienaars aan het Hemels Hof, ook hunne Engelen; dat is in 'sHeeren dienst, tot hunner hoede zijn. Sy staan dan wel ten hove, sy hebben daar hun volk; en dat selfs by de genen, die naast aan den groten Koning staan. §. 7. Doch laat het also zijn, dat Christus elken kinde sijnen Engel geeft: dat wint noch weinig uit. Want voor eerst is 't seker, (hier na sullenwe daar af de proeven sien) dat hy menigmaal der Ioden meiningen, waar of niet waar, so als die zijn, tot gronden van sijn seggen neemt. Dat mogt hy hier ook doen, om hen maar te overtuigen. Want men kan niet beter, als iemant met sijn eigene redenen slaan. Neemt dan, oft hy dus gesproken hadde: Gy gelooft; dat ieder mensche sijnen Engel heeft, van geboorten af, en also de kinderen ook. Nu seg ik 'er by, dat deser kinderen Engelen van de genen zijn, die wel meest met God verkeeren, dat is, dit zijn kinderkens die besonderlik in Gods genaade staan. Hier siet hy op, en dit is 't al wat uit die woorden volgt. Daar aan sal niemant twijfelen, die maar gedenkt het gene ik X. §. 11. ens. van den stijl der Schriften seide: daar ik uit bewees, datmen alles wat in desen word geseid, na de letter niet en mag verstaan: om duisend ongerijmdheden, die daar uit te volgen stonden te vermijden. Maar also nooit het minste van d'Engelen gewaagd word, daar hen God niet menschelijker wijse als Dienaars sijner Majesteit, die hy als Koning van 't Geheel Al besit, en besonder tot behoudenisse van sijn volk vertoont: so en volgt uit al dat seggen en verschijnen van de Engelen niet; dan alleenlijk dat God de weereld seer besonderlik met en onweerstaanbare kragt regeert, over koning, over heerschappy, en al: Voorts dat het hem daar inne nooit

{==99==} {>>pagina-aanduiding<<}

aan middelen ontbreekt; die hy telkens sulken kragt of namen geeft, als de saken of de menschen, daar het dan te doen valt, best vereischen.


XVII. Hoofdstuk. En wat de quade Engelen betreft, veelmaals word by de naam van Duivel of Satanas iet anders dan een bose geest verstaan.

§. 1. VAn de goede Engelen eischt de order nu datwe tot de bosen over gaan. Deser is de duyvel 't hoofd, wiens engelen d'andere bose Geesten genaamd zijn. 't Welk men tweesins mag verstaan: of, dat hy d'andere voor sijne Boden gebruikt; gelijk 't woord Engelen oorspronkelik betekent: of datse slechs dien name neffens Godes Engelen behoudende, onderscheids halve des Duivels Engelen heten; om datse van God afgevallen en van sijnen aanhang zijn. Hoe sy 't daar in eens wierden, of wat hy over hen te seggen heeft, of hoe sy 't met malkanderen maken, en wat hun bedrijf is: van dit alles vindmen taal noch teken in de Schrift. Van den val der Engelen, en den staat daar sy tsedert hunnen vall in zijn, is IX. §. 2--10. getoond, dat Petrus noch Iudas in hunne brieven niet sekerlik so te verstaan zijn, als men doorgaans tot op heden heeft geloofd. En so dat niet vast en gaat, mogt ons noch wel meer ontvallen: dat is, mogelik bevinden wy, dat de Schriftuur ook op andere plaatsen so breed van den Duivel niet en spreekt alsmen meind. Derhalve wil ik die ten eersten nasien, die hem noemen so als sijn naam is; en daar na, daar hy met andere namen aangewesen en omschreven word. §. 3. Desen aangaande moetmen echter weten, dat het altijd de Duivel niet en is, die in den griekschen text Diabolos genoemd word: immers dat en gaat niet vast; sulx de verscheidenheid der vertalingen genoegsaam meld. Want de plaatse nasiende, daar dit woord in 't grieksch gelesen word, so bevind ik datter 17 van de 24 zijn, daar eene of meer oversettingen van d'andere verschillen. Ik salse aantekenen, op dat het de Leser sie. In plaats van Duivel set de Syrische vertalinge Lasteraar Matt. 4: 1. Iud. v. 9. Vyand Luk. 8: 12. Bose, Act. 10: 38. Aanklager c. 13: 10: Efes. 4: 27. en Bedrieger, Openb. 12: 9, 22. en 20: 2. D' Arabische gebruikt elfmaal een woord dat so veel als een Schalk of Bedrieger te seggen is: Hand. 10: 38. en 13: 10. Efes. 4: 26. en 6: 11. 1 Tim. 3: 6, 7. 2 Tim. 2: 16. Hebr. 2: 14. Iak. 4: 7. 1 Pet. 5: 8.1 Ioh. 3: 8, 10. Iud. v. 9. Eens heeftse Vyand gesteld. Luk. 8: v. 12. De Persische vertalinge heeft eens Vyand, Luk. 8: 12. eens Lasteraar. Ioh. 8:44 ende eens de lasteraar Duivel. Matt. 4: 1. het een door 't ander verklarende. Dit bewijs, datter plaatsen zijn daarmen door Diabolos iemand anders dan den Duivel mag verstaan: en de kragt van 't woord, voor desen al geseid XII. §. 4. brengt dat self mede, also die bose geest dien name nergens anders door gekregen heeft, als om dat hy de verklager onser broe-

{==100==} {>>pagina-aanduiding<<}

deren, Openb. 12: 10. ende alsoo een lasteraar, een quaadspreker en vader der leugenen is. Ioh. 8: 44. Nu dewijlemen niet vast mag gaan, om te weten wat de Schrift ons van den Duivel leert sonder wel te weten dat hy 't is van wiense spreekt: so laat ons alle plaatsen doorgaan daar ons die naam Diabolos ontmoet. §. 3. Voor af dientmen dan te weten, dat het woord Duivel, als van eenen geseid, niet noodsakelik maar een persoon betekend, die so genaamd zy. Want gelijk de Kanaanyter, d' Amoryter, ens. Gen. 15: 19, 20, 21. een geheel volk of geslagte te kennen geeft; so kan 't hier ook wel zijn. Maar t'elker plaatse moetmen sien, welken sin d'omstandigheden en de draad der rede medebrengen; 't welk de gemeene regel van regtmatige uitlegginen is. Men vind altoos een goed deel spreuken, daarmen desen naam Diabolos bequamelik op bose menschen passen mag: alsomen gelijke wijse van spreken vinden sal, die sich self verklaren datse maar op menschen sien. Dit is d'eerste. Matth. 13: 39. De vyand, die 't onkruid onder de tarwe saait, is de Duivel. Seg, Lasteraar: te weten, die de gesonde leere tegenstaat, niet sonder lasteren en schelden. Dit deden d'ongelovige Ioden die den Apostelen wederstonden en lasterden; Hand. 13: 35. en vers 6. mits datse over al hun quaad saad saaiden tegen de leere des Euangeliums. En om de waarheid te seggen, sy verdienen geenen beteren naam, die om de moord aan den Heere Iesus begaan, en de vervolginge tegen d'Apostelen verwekt, Gode niet en behagen; en die alle menschen tegen zijn, die sy ook verhinderen te spreken. 1 Thess. 2: 15, 16. Derhalven mag sulk een met regt, en als by uitnementheid de vyandige mensche genaamd zijn: also God noch sijne gelovigen nooit groter vyand hadden. Siet daar den Duivel, Aanklager, Tegenstander, Lasteraar, die het woord wech neemt, Luk 8: 12. §. 4. II. Efes. 4: 11. Geeft den Duivel geen plaatse. So ik nu segge, geeft den Lasteraar geen plaatse: is dat anders als wanneer hy seit; Siet toe, dat uw goed niet gelasterd werd? Rom. 14: 16. Te weten, hy vereischt sulken leven van de Kristenen, datse geen oorsake van lastering aan de wederpartye geven. 1 Tim. 5: 14. Hier op mag Iacobus nu wel seggen, wederstaat den Duivel: dat is den lasteraar en tegenspreker; so sal hy van u vlieden. Iak. 4: 7. Want sulk volk vermag toch tegen de waarheid niet, indien wy maar voor de waarheid staan. 2 Kor. 13: 8. So magmen ook die Tegenpartye verstaan, welken Petrus mede noemt Diabolos. 1 Pet. 5: v. 8. zijnde een slag van menschen die onsen goeden wandel in Christus lasteren. Dat volk moet men beschaamd maken, met ene goede conscientie te bewaren, so hy ons te voren heeft geleerd. 1 Pet. 3: 16. Die Duivel gaat rondom als een brieschende leew: want wy hebben altijd volx genoeg om ons heen, dat ons op die wijse wel verslinden soude, mogtense na hunnen sin begaan. Doch daar tegen is goede raad: weest nugteren en waakt. Sulk een brieschende Leew was Nero in aansien van Paulus; die hem daarom ook so noemt. 2 Tim. 4: 17. §. 5. III. De listige omleidingen des Duivels, daar door zijn bequamelik

{==101==} {>>pagina-aanduiding<<}

alsulke streken te verstaan, als Elymas onder anderen gebruikte, om Sergius Paulus om te leiden, en van 't gelove te vervoeren. Want hy was een Magos, dat ons volk in 't duitsch noemt Tooveraar: seer t'onregte, gelijk ik hierna op sijn plaatse tonen sal. Maar hy was een Filosoof, en met al sijn pogen daar op uit, dat hy den Stadhouder mogte sylagogein, als ten rove vervoeren door sijn Filosofie; gelijk Paulus seit dat die menschen doen, Kol 2: 8. Hier toe gebruikense alle arghlistigheid: om listiglik tot dwalinge te brengen, Efes. 4: 14. Derhalven mag dit hier ook dus vertaald zijn: de listige omleidingen des tegensprekers; gelijk 't Paulus t' Athenen vond, Hand. 17: 18. En tot Efesus, daar hy so veel werks hadde eer hy eens gehoor kreeg was van sulk volk geen gebrek. Hand. 19: 14, 15, 16. ens. Immers aangesien dat veele, en misschien de meeste en voornaamste uitleggers, dat vechten met de beesten, 't gene Paulus seit dat hy t' Efesen genoodsaakt is geweest te doen, 1 Kor. 15: 32. van woorden-strijd met beestige menschen, die hem daar bejegenden, verstaan: wat belet my te geloven, dat die Duivel, of Diabolos, Lasteraar, so wel een soort van menschen is, als de genen die hy beesten noemt. §. 6. IV. In diergelijken sin soud ik ook dat oordeel des Duivels verstaan, daar ons Paulus voor waarschowt: 1 Tim. 3: 6, 7. gelijk het ook van anderen, en van onse Oversetters selve op de kant, vertaald word, het oordeel des Lasteraars; dat is der quaad sprekende menschen die so gereed zijn om enen leeraar wanneer hy sich door jonkheid ofte onbedreventheid ergens in te buiten gaat, daarom te lasteren. Of so het al den Duivel self alhier bedieden mogte; men soude 't oordeel, niet dat van hem geveld word, maar dat over hem gegaan is, daar door konnen verstaan: Dat hy namelik, een nieuweling zijnde, en door schielike verheffinge tot het voortreffelijk Opsienders ampt opgeblasen wordende, niet en mogte varen so als in 't begin de Duivel voer, wanneer hy sich te seer verhief. §. 7. V. Met den strik des Duivels 1 Tim. 3: 7. en 2 Tim. 2: 26. acht ik 't mede so gelegen. Want die methodiai, listige omleidingen zijn rechte strikken, om ons te vangen, met woorden die de menschelike wijsheid leert, gelijkse Paulus noemt. 1 Kor. 2: 4, 13. Diense eens daar mede gevangen hebben, dien konnense voorts wijs maken watse willen; so men heden noch genoech in 't Pausdom siet. En dan verscheelt het mede niet, of men 't woord Duivel te dier plaatse op den bosen Geest of op de bose menschen past. Want indien met 't van de menschen wil verstaan, so is de meininge nu al geseid: maar dan isser mede buiten swarigheid, het zy dat een voornaam mensche by uitneementheid soo word genoemd; of alleenlik seker aart van bose menschen: ende also veel in een begrepen, door den selven naam betekend. Maar laat men 't woord van Duivel toe in sulken sin, dattet die bose Geest of Geesten door gemeind zijn: so mag de strik des Duivels seer bequamelik bedieden sulken t'samenknopinge van ongeregtigheid, gelijk als Petrus sprak; Hand. 8: 23. als oft een mensche met ondeugden doornaaid ware, die noch onherboren, ende als dood in sijne sonden slaapt. Sulk een is

{==102==} {>>pagina-aanduiding<<}

dan met een niet beter als gevangen: een slaaf en dienstknecht van de sonde, gelijk 'er Paulus duidelik van spreekt. Rom 6: 16. En dag mag men vryelik seggen, dat na den wille des Duivels is; al so wel als gesegd word, na den wille des vleesches ende der gedachten, Efes. 2: 3. te kennen gevende, dat sulk een leven der onherborene menschen met des Duivels aart seer wel over een komt, even eens gesind zijnde als de Duivel. §. 8. VI. Al so gemakkelik is het ook van menschen te begrijpen, wanneer de Heere Iesus in sijnen brief aan die van Smyrna schrijft; Siet de Duivel sal sommigen van u in de gevangenisse werpen: dat hy daar onder den name van Duivel dat quaad slag van menschen verstaat, dat de gelovigen vervolgen, en der selven sommigen in de gevangenisse werpen soude. Want dat kan doch de Duivel self sonder dienst van menschen niet verrigten. Zijn dan die de menschen, wanneerse sulke dingen doen, niet Duivels genoeg? Want die den Kristenen so hatig is, dat hyse in gevangenissen smijt, die en sal sich mede niet ontsien deselve te belasteren en te beschuldigen. Ia dat sal hy willen, en dat sal hy moeten doen, om hen onder enigen schijn van regt in pijn en banden te doen komen. Een quaadaardig mensche kan daar af boven anderen sijn werk wel maken, hoedanig een die sware vervolginge in Polycarpus tijd, als landvoogd van den roomschen Keizer heeft gesticht. So als Paulus den keiser Nero te dier oorsake enen Leew genoemd heeft, 2 Tim. 4: 17. so mogt hier ook Iohannes sulken vyand van de Kerk wel Duivel noemen. §. 9. Dus verre daar de naam {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

of Duivel in den griekschen text des niewen Testaments te vinden is; en op alsulken wijse bygebragt, dat het beter op de menschen, dan op 't hoofd der bose Geesten past. D'ander naam, Satan word twintig maal in 't Oude en 34 maal in 't Niew Testament gebruikt: niet sonder merkelijk onderscheid. In den hebreewschen text, daar dit woord eigen is, zijnde oorspronkelik hebreewsch, komt het nooit so voor, datmen 't noodsakelik op den Duivel passen moet; hoe wel 't onse Oversetters meest in sulken sin gebruiken, latende 't hebreewsch 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Satan als dan onvertaald: gelijkse doen Iob 1: 6, 7, 8, 9, 12. en 2: 1, 2, 3, 4, 6, 7. Psal. 109: 6. Zach. 3: 1, 2. Maar op d'andere plaatsen hebbense 't Wederparty of Tegenpartyder verduitscht: te weten, Num. 22: 22, 32. 1 Sam. 29: 4. 1 Kon. 5: 4. en 11: 4, 23, 25. Behalven datse 2 Sam. 19: 22. 't woord Satan hebben laten staan, hoewel in den selfden sin. Laat het ons eens omkeeren, en behouden den hebreewschen name Satan, daar sy dien vertaald hebben; daar tegen dien vertalende daar sy 't Hebreewsch gelaten hebben; so salmen sien, datter geen reden geweest is om het over al niet even eens te doen.

§. 10. Eerst daarse 't vertaald hebben. Self een Engel des Heeren stelde sich in den weg tegen Bileam ten Satan. Num. 22: 22. en verklaarde ook rond uit: Siet, ik ben uitgegaan, u tot enen Satan; dewijle dese weg van my afwijkt vers 32. Die Satan dan een Engel des Heeren zijnde, was altoos de Duivel niet. Desgelijx David, een mensche zijnde wierd verdacht aan 't hof van

{==103==} {>>pagina-aanduiding<<}

Achis; dat hy met hem ten oorlog tegen Israel gaande, sijn eigen volk toevallen, en also hen tot een Satan worden mochte. 1. Sam. 29: 4. Salomo nam den bow des Tempels voor, wanneer der geen Satan noch quade bejegening was, om hem door oorlog (dat is de hand der menschen, niet des Duivels, 2 Sam. 24: v. 13, 14. 1 Kon. 21. 12, 13.) gelijk sijnen vader David, op te houden. 1. Kon. 5: 4. Doch op 't einde van sijn leven verwekte hem de Heere enen Satan: welke was Hadad de Edomyt, van des Konings zaad in Edom; ende also sekerlijk geen Duivel, maar een mensche cap. 11: 14. Ook verwekte hem de Heere enen Satan, Rezon den Zone van Eljada, die gevloden was van sijnen heer Hadadezer den koning van Zoba. vers 23. Buiten twijfel ook een mensch also men nooit van Duivel hoorde, die in koningen dienst was. Dat selve blijkt ook noch te klaarder, de wijle hy de Satan van Israël geweest was, alle dagen van Salomo, en dat hy regeerde over Syrien. vers 25. Om die reden hebben 't ook onse Oversetters op alle die plaatsen verduitscht, ende (als geseid) in stede van Satan het woord wederparty of tegenpartye gesteld. Waarom dan niet 2 Sam. 19: 32. daar David sijner suster sonen dus toespreekt: Wat heb ik met u te doen gy sonen van Zeruja, dat gy my heden ten Satan soudet zijn? Want de sin doch al deselfde is. §. 11. Nu, daar sy 't woord Satan gelaten hebben, sonder vertalen. By Iob in 't 1. en 2. cap. komt het elfmaal in den selfden sin. Maar waarom ware die kinderen Gods, die voor God verschenen, geen menschen, so wel als de gene die d'eerste maal also genoemd zijn? Genes. 6: 2. En dit is hier de tweede maal. Van waar komt die veranderinge? Indien dan buiten reden: waarom is die Satan, dat is, tegenparty of aanklager; (want Sitna insgelijks enen twist of aanklagte betekent. Gen. 26: 21. Ezra 4. 6.) die in 't midden van hen verscheen, ook geen menschen kind; te weten, een boos mensche, daar gekomen om Iob aan te klagen? Wel sekerlijk was het sulken Satan, welken David sijnen vyand wenscht. Psal. 109: 6. Want hoe kan de sin gemakkelijker vloeijen, als dat hy eene selfde sake, eens geseid, noch eens weerhaald; met verandering van woorden, doch op eenen selfden sin, nadruks halven; na eigenschap der hebreewsche tale, meest in gedichte, en also in Salomons Spreuken, en in de Psalmen seer gemeen? Dus seit hy haar: Stelt enen Godlosen over hem; en de Satan sta aan sijne regterhand. De Godlosen ende Satan moet hier een en deselfde zijn, sal d' hebreewsche sin bestaan. Hy wenscht sijnen godlosen vyand, dat een ander immers so godloos als hy, sijn aanklager zy; en dat die hem in regten verwinnen, ende also als de regterhand over hem krijgen mag. Van 't gene men by Zacharias leest, sal ik namaals wat besonderliker spreken. §. 12. Dit uit het Oude: nu vindmen noch den naam van Satan eens, en Satanas ('t welk het selfde is) 33 maal in 't Niew Testament. Eens heeft de Heere den Apostel Petrus so genoemd, om dat hy sich door onverstand tegen sijn voornemen stelde: sulx op twee plaatsen beschreven staat. Matt. 16. 23. Mar. 8: 33. Buiten dat word die ook op bose geesten in 't gemeen gepast: want wanneer d'eene Satanas den andere uitwerpt, dan isser meer dan

{==104==} {>>pagina-aanduiding<<}

een, Matth. 12: 26. Marc. 3: 23, 26. Luk. 11: 18. Doch die dese bose geesten zijn, sal hier noch ondersocht worden: zijnde hier genoeg, dat Satanas in dese plaatsen de naam des genen niet en is, die anders Duivel op hem self alleen genaamd word.


XVIII. Hoofdstuk. Daar de Schrift kennelik of waarschijnelik, of in sekeren opsigte van hem spreekt; moetmen acht geven, hoemen regt verstaan sal watse seid.

§. 1. BUiten de voorseide zijnder genoeg andere plaatsen, diemen niet wel anders als van den Duivel self, die 't hoofd der bosen Engelen is, verstaan kan. Ik segge, niet wel: want als 't naawde, soudemen hier en daar noch wel wat anders vinden, en tonen dat het noch so klaar niet is. Doch laat ons aan de ruimte blijven: want ik van de gemeene uitlegginge buiten nood niet afgaan wil. 1. Matt. 25: 41. De Duivel met sijne Engelen, (d'arabische vertalinge seit, met sijne heirscharen) aldus onderscheidentlik genoemd, moet van dien bosen geest verstaan zijn, van welken wy nu spreken: wiens Engelen van hem en van de vervloekte menschen, over welken Iesus 't oordeel velt, op 't duidelixst onderscheiden zijn. 2. So is ook die oude Slange, welker eigene naam is Duivel ende Satanas. Openb. 12:9. en van welken onsen Heere self in de woestijne versocht wierd: Matt. en Luk. 4. doch van welk laatste geval ik hier na in een besonder hoofdstuk spreken wil. 3. Ioh. 8: 44. De Vader der leugenen, die een menschen moorder van 't begin af is, kan beswaarlik mede iemant anders wesen, dan de Slang, die Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft. 2. Kor. 11: 3. My dunkt, dit spreekt van self. Want mitsdien dat ons die geschiedenis uit Genesis bekend is, so valtet ons gemakkelik van self so toe, dat Christus daar op siet. Een breeder ondersoek over dit stuk sal ons ook noch een geheel kapittel strekken. 4. Ook en weet ik anders geenen Duivel uit te vinden, die in Iudas voer: Ioh. 13. 2. also het was de Satan, die hem 't schendig voorraad ingegeven hadde. 5. So kan ik mede lichtelik verstaan, dat het deselfde is, wiens Kinderen de bose menschen genaamd zijn. 1 Ioh. 3: 10. want in dien sin heeft Christus selve geseid: gy zijt uit den Vader den Duivel. Ioh. 8: v. 44. 6. Desgelijx dien 't geweld des doods wierd toegeschreven, Hebr. 2: 14. is deselfde Duivel, besonderlik met nadruk daar genoemd; so dat het op geen menschen passen kan. Laat het ook den selfden zijn, van welken veelen overweldigd waren, die Christus weer genas. Hand. 10: 38.

{==105==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 2. Wat nu 't woord Satan aangaat, so vind ik buiten voor aangetogene plaatsen niet veel, of men mag doorgaans den Duivel in sekeren sin daar door wel verstaan. Want sy spreken van den Satan, die onsen Heer in de woestijne versocht; Matt. 4: 10. Mark. 1: 13. Luk. 4: 8. die het saad van Gods woord uit de herten der menschen steelt: Marc. 4: 15. welken de Heere Iesus als enen bliksem uit den Hemel vallen sag; Luk. 11: 18. die sekere vrouw 18 jaren lang gebonden hadde, Luc. 13: 16. die in Iudas Iskariot voer; Luk. 22:3. Ioh. 13: 27. die d' Apostelen begeerde te siften gelijk tarwe; Luc. 22: 31. die 't herte van Ananias en Saffira vervulde; Hand. 5: 3. van wiens magt de mensche sich tot God bekeert; Hand. 26: 18. sonder 't welk sy van hem overweldigd zijn; Hand. 10: 38. wien de God des vredes haast onder onse voeten verpletteren sal; Rom. 16: 20. aan welken Paulus ongeregelde Christenen overgeven wil; 1 Kor. 5: 5. 1 Tim. 1: 20. voor wiens versoekingen sich een Christen wachten moet; 1 Kor. 7: 5. 2 Kor. 2: 10 die sich in enen Engel des lichts veranderen kan; 2 Kor. 11: 14. die d' Apostelen eens en andermaal belet heeft na Thessalonica te reisen; 1 Thess. 2: 19. in wiens werkinge de komste van den sone des verderfs bestaat: 2 thess.2 v. 9. achter welken sich enige jonge weduwen t'Efesen af gewend hadden; 1 Tim. 5: 15. die 't geweld des doods gehad heeft; Heb. 2: 14. die onder de Ioden tot Smyrna al eer een Synagoge, en te Pergamus sijnen troon en woonstee hadde; Openb. 2: 9. 13. Wiens diepten die te Tyatiren niet en kenden; vers 24. uit wiens Synagoge te Filadelfia sommige bekeerd zijn: Openb. 3: 9. die anders (gelijk geseid is) de grote Draak en d'oude Slange genaamd word, cap. 12: 19 en 20: 2. ende eens uit sijne gevangenisse moet ontbonden zijn. cap 20. 7. §. 3. Om 't regt verstand van dese dingen na te speuren, wil ik den Leser bidden, dat hy my niet weigere, voor af enige setregels toe te staan. Dese eerst: dat de Schrift altijd na waarheid, en tot Gods eere spreekt; al is 't datse vaak verblomde redenen gebruikt, en datse Gode, die daar self d'auteur af is, niet ongerijmds toeschrijft. 2. Dat besondere Schriftuur-plaatsen niet en mogen verstaan worden in alsulken sin, als met den gedurigen draad en stijl en inhoud der geheele godlike Schrifture strijdig is. 3. Dat verscheidene stellingen of vertellingen op eene selfde sake of persoon gepast; so sy tegen malkanderen strijden souden, wanneerse na de letter wierden uitgeleid; of beide, of ten minsten een van beiden oneigentliker wijse te verstaan zijn. Want het kan niet wesen, dat de mond der waarheid eigentliker wijse iets op d'eene plaatse seggen soude, en op d'andere iet anders dat daar tegen strijd. 4. Dat de Duivel in persoon, als een schepsel, in geenen deele tegen God den Schepper; maar alleenlik tegen sijns gelijke schepselen mag vergeleken worden. Want tusschen God en het schepsel is een oneindig onderscheid. Geen der goede Engelen, hoe hoog misschien boven d' anderen verheven, heeft ooit die eere gehad: en de Opperengel self draagt die wet in sijnen na-

{==106==} {>>pagina-aanduiding<<}

me, Mi-cha-eel, dat is te seggen, Wie (is) als God? Nu en mag de Duivel, sijner boosheid halven, en om dat hy so langen tijd, en so bijster verre van God is vervreemd; noch niet eens by Michael, die geduriglik met God leeft, vergeleken zijn. Hoe soud hy dan by God? Dus verre is 't de Leser, meen ik, met my eens. §. 4. Hier op wil hem nu door de Schriften leiden, die al eens en andermaal zijn bygebragt; om uit de selven enige aanmerkingen te nemen. Voor eerst, gelijktse in getal en sprake by de genen die van de heilige Engelen gewagen, en die ik in 't X. hoofdstuk verklaard hebbe: en gy sult moeten seggen, dat'er veel meer, en die veel breeder, van den Duivel spreken. Wonderlijk dan evenwel dat den volke des Heeren des vyands heir, sijne rustingen en krijgsdaden so veel beter souden bekend zijn, dan geheele legers sijner Engelen, die hy hen als tot een lijfwacht geeft. Hoe nodig 't zy of wesen kan dat men de kragten en de lagen van den vyand kenne: noch nodiger en nader is het, datmen van sijne eigene kant versekerd zy, wat volk en wapening men self ter weere brengen kan. Luk. 14: 31. Neemt dat ons de H. Geest den bosen vyand dus vervarelijk beschrijft, om ons in vreese te doen leven, tot waken en tot bidden te verpligten: waar blijft dan de vertroostinge der Schriften, daartoe dienende, op dat wy nochtans hope hebben souden? Rom. 15: 4. Segt gy dat de Schrift Gods Geest daar tegen stelt, dat heeft hier geen bescheid. Want daar uit besluit ik dies te meer, dat de Geest wat anders meent, dan een verworpen schepsel, tot een so magtig Koningrijk verheven, met den Schepper self te vergelijken. Veel eer sal hy schepselen tegen schepselen stellen, de goede Engelen (als geseid) tegen de bosen; op dat de tegenstellinge gelijkmatig zy. §. 5. Daar by gaat dit ook noch seer oneven toe, dat wanneer van Gods en sijns volx Engelen gesproken word, maar eens Michaël hun hoofd, Open. 2: v. 7, 9. en anders God of Christus self daar in benoemd staan; so dat d'Engelen doorgaans by menigten gedacht worden: maar de Duivel word geduriglijk alleen genoemd; ende maar tweemaal van sijne Engelen in 't gros, Matt. 25: 41. Openb. 12: 7. eens van eenen Engel des Satens gewaagd. 2 Kor. 13: 7. Dit staat even eens, of de Satanas sijn volk weinig van doen hadde; ende alleen magtig ware, om allen Gods Engelen werk te geven. Waarom word Michaël niet so wel als de Duivel; of des Duivels Engelen so wel als die van Michaël genoemd, so het gelijke partyen zijn? Te weten in den aart: of indiense 't ook in magt niet zijn; wat maakt dat versmachte schepsel, den Duivel, nu soo groot, dat hem so veel legioenen van Gods Engelen, die kragtige helden, niet bedwingen konnen; en dat Godt self [om soo te spreken] moet tegen hem te velde gaan? §. 6. Dit moest ik dan noch seggen: dat de Duivel selden tegen d'Engelen, maar meest al tegen God en Christus self gesteld word; ende hem ene heerschappije toegeschreven, die tegen God en Christus koningrijke evenaart, so lang als dese wereld: ja ene magt die breder dan Gods eigen koningrijk strekt; daarbinnen woelende, en daar buiten, so verr als

{==107==} {>>pagina-aanduiding<<}

God land heeft, heerschende. Maar Gods lieve heilige Engelen hebben (so 't schijnt) niets te seggen: de Duivel is een heerschende; en sy slegs gedienstige Geesten. En so men de vertoningen by Daniel en 't 10. cap. al eigentlik verstaan moeste ('t welk ik echter XV. §. 3. 4. anders heb getoond) of dan schoon een Engel Vorst over enig volk of land mogt zijn; van des Duivels Engelen soude daar terstond een tegen staan; waar uit die strijd ontstond die den profete wierd vertoond. §. 7. So gy segt, dat evenwel Gods koningrijk over alles heerscht, Psal. 103: 19. en dat des Satans rijk is onder sijn bedwang: ik sta dat toe, so spreekt de Schrift; doch dit en neemt de swarigheid niet wech, maar vergrootse noch. Want hoe kan God heerschen daar de Duivel heerscht, op sulken wijse alsmen daarvan spreekt; Want so de Midianijten heerschten over Israël wanneerse magtig waren om jaarlijks met krijgsbenden in hun land te vallen, en hun vee en vrugten te vernielen; so men leest: Rigt. 6: 1- 5. wie kan lochenen dat de Duivel meester is, wanneer hy de vrugt des Euangeliums in den akker van ons hert vernielen kan; daar hy Gods gesanten, en den weg onveilig maken kan; De Filistijnen heerschten over Israël, in Simsonstijd. Rigt. 14; 4. Dat bleek doe meest, wanneerse hem bonden en verblinden, en in de gevankenisse smeten; so daar na cap. 15: 16. verhaald word. Heerscht dan ook de Duivel over 't kristen Israël, niet, wanneer hy ene dochter Abrahams 18. jaar gebonden houd, wanneer hy de sinnen verblind, wanneer hy sommigen in de gevangenisse werpt? Maar hy moet niet heerschen: hy mag wat spartelen; maar 't heerschen dat komt Christus toe. Want hy moet als Koning heerschen, tot dat hy alle sijne vyanden onder sijn voeten gebragt sal hebben. 1 Kor. 15: 25. §. 8. De Profeten hebben wel so breed gesproken van de heerlikheid der Kerke, in den tijd des niewen Testaments; dat het veelen uitleggeren geschenen heeft, op den staat der saligheid in den hemelen geseid te zijn: sonder datse 't minste gewagen dat de Duivel sulk een groot geweld sal doen. Iohannes de Doper eerst, en daar na Christus self hebben so geroepen, dat het Koningrijk der hemelen naby gekomen was: sonder iets te melden van een Duivels koningryke, dat daar tegen overstond; ja dat daar binnen sich verhief, dat daar over heen klimmen, en den loop des Euangeliums beletten soude. §. 9. Maar ook hoe kan de Duivel dus regeeren? hoe kan hy de Kerk in 't algemein, en elk een der gelovige also bestrijden, sonder dat hy kennisse van saken heeft; Lieve, segt my eens, wat weeter doch de Duivel af, waar God sijn volk heeft, en wat hy met hen doet? d'Engelen wetent niet, die God geduriglik om boodschap send, en achten 't voor geluk, datse door dit middel als van ter sijden iet daaraf vernemen. Sulks is X. §. 4. al eens geseid. Wat gedachten hebben wy van God en van sijn Koningrijk? Bestiert hy dat min wijsselik, dan de koningen der Aarde doen? Lekt sijn raad so ligt

{==108==} {>>pagina-aanduiding<<}

uit, dat het de bose vyand aanstonds weet? En weet hy 't niet, hoe sal hy sijne dingen aangaan, sonder kennisse van saken? wat baat arglistigheid; so 't niet is, dat hy de toegangen, de swakste en d'opene plaatsen bespied; om te sien waar voor hem best is in te boren? Of leit die vaste stad, dat hemelsch Ierusalem, dat meesterstuk van Gods eigene vestingbow, voor sijns rijx weerspannelingen en bandyten open? Isser dan geen wacht? heeft de Heere der Heirscharen geen Engelen in dienst? laat hy den Duivel dan losbandig heen door gras en koren lopen? Soud ons de Schrift dat leeren? soude God self daar so van spreken? Onmogelik: die de waarheid self is, beliegt hem selve niet. §. 10. En wat elk eenen der gelovigen betreft: soude dat na de letter so te verstaan zijn, dat de Duivel so besonderlik op hunne sinnen werkt? Segt dan eens , hoe versoekt hy ons? wat weet hy waar wy bequaam toe zijn? Is de Duivel in de plaats van God, dat hy onse gedachten weet? Zijnse hem beter bekend dan den Engelen self? Ik hebbe reeds getoond X. §. 2, 3, 4. hoe 't 'er op aan komt, dat sy iet van onse dingen weten insonderheid van 't gene datmen denkt. So hy dan niet weet hoe den mensche 't hoofd staat, dien hy ergens toe versoeken wil? so moet hy dubbeld sott zijn om die kans te wagen: want het mogt hem tegen lopen so hy mistaste. Hoe so? By aldien een dief iemant tot het stelen mogt versoeken, dien hy niet en kende, het mogt by avonturen eens een schouten dienaar zijn; en so soude hy in plaats van dien te verleiden, hem self verraden. Was het dan niet wel versocht? Wederom; so hy 't saad des Euangeliums besonderlik uit 's menschen herte steelt; hoe weet hy dattet daar is? Want ik seg al wederom, dat de Duivel onse herte niet en kent. Aan de tekenen, sult gy seggen word hy 't lichtelik gewaar. Wat zyn dat dan voor tekenen? weten d'Engelen die mede niet? word hyse eer van buiten om gewaar, dan sy in 't midden van Gods volk? Hoe is 't dat ons de Schrift dan ook geen Engelen vermeld die ons ten goede versoeken, so wel als hy ten quade: geen Engelen die 't goede saad in onse herten also wel bewaren, als een Duivel die het steelt? §. 11. Dit seg ik noch te meer: aangesien de Duivel Gods gevangen en verwaten is, en de Engelen sijn leger dat ons dekt. Dit seit de Schrift; en meer ook niet; nooit in 't besonder, de Engelen doen dit of dat. Maar dien geketenden helhond schrijftse wonderlike dingen toe, en besonderlik al 't gene flus §. 2. is aangetekend. Hoe kan dat een gevangen doen? Wat geweld kan hy met den dood doen, die alreeds ter dood verwesen is? Loopt hy so geboeid over alle akkers heen, daar Gods Woord gesaaid word? Is hy overal by, om elk een so tot het quaad te brengen, door versoeken en verleiden? Word hy (gelijk de Schrift al wederom figuurlijk spreekt, Openb. 20. 1, 2, 3, 7.) somtijds wel eens los gelaten: buiten dat leit hy echter aan den band. Hoe versoekt hy dan, hoe verleid hy dan, hoe quelt hy dan Gods kinderen altijd? Want de lessen die ons de Schriftuur in desen geeft, zijn met geenen tijd bepaald: ook staan alle plaatsen daar voor open. Noch

{==109==} {>>pagina-aanduiding<<}

minder wil hem heerschappye voegen, het zy binnen, of het zy ook buiten Iesus Koningrijk. Een gevangen, wat heeft die te seggen? 't Luid wonderlik, dat gevangenen partygangers zijn; en datmen van het leger niet besonders hoort, dit of dat word daar mede uitgeregt. Doe de Satan Paulus plaagde, men verneemt niet eenen Engel by dat uytverkoren vat om hem te bewaren en te helpen. Sulx alles doet my seggen, datmen al het gene, als gemeld, van den Duivel word geseid, na de letter niet en mag verstaan. §. 12. Wat besluit ik dan? dat de meninge der Schriften niet en is, ons te leeren wat de Duivel metter daad is werkende: maar 't gene de verdorventheid des menschen self veroorsaakt, word den Duivel als den eersten stichter van het quade toegeschreven. Gy zijt uit den Vader den Duivel, ende wilt de begeerte uwes Vaders doen, was 't verwijt dat de Heere Iesus aan die bosen Ioden dede. Ioh. 8: 44. In sulken sin word dan ook geseid, dat hy doet het gene bose menschen doen: om dat geen mensche quaad doet, dan uit die verdorventheid die oorspronkelik van den Duivel is. Hy heeft aller eerst dat vuur ontsteken: word dat volgens onderhouden, slaat de vlamme verder heen, raakt de gansche straat of stad in kolen; het word sijn werk geacht, die de brand in 't eerste huis gebragt heeft. En dat men reden; want sonder dat soud'er niet de minste schade zijn geschied; al 't vuur is uit dat vuur ontstaan, dat hy eerst ontsteken heeft. Al en heeft hy verder daar de hand niet in, noch deel in de plondering die doorgaans by den brand ontstaat; al is hy weg gegaen na dat hy 't eerste vuur heeft aangeboet; al weet hy niet met al hoe 't verder gaat: het is nochtans na sijnen sin, dat de brand vast voort gaat; geen onheil staater toe dat hem niet te wijten is. Want door dat eerste werk so is hy daar de Vader af gelijk als Christus verder seit dat hy een menschenmoorder van 't begin af is; self de eerste leugenaar, en also een vader van de leugen. Die dan moord of liegt, die doet een Duivels werk: ende magmen seggen dat de Duivel self dat doet; om dat hy d'eerste oorsaak van des menschen boosheid is, daar dat doen uit spruit. Dat dit de sin en 't oogmerk van de schrift is, daarse van den Duivel spreekt, sal ik nu op ieder voorval in 't besonder tonen.


XIX. Hoofdstuk. Tot dien einde moetmen noch enige Schriftuurplaatsen wat besonderliker overwegen.

§. 1. DE vooraangetogene Schriftuurplaatsen die nu nader te ondersoeken staan, spreken op die wijse, ofte worden op het minst gemeenlik so verstaan; datse ons den Duivel schijnen te beschrijven: hoedanig dat hy is, wat hy vermag, en wat hy doet; hoe sijne manier is, en wat lot of loon hy heeft. 1. Van sijnen Aart schijnt ons de Schrift te seggen, dat hy listig is, ende also Eva door arglisstigheid bedrogen heeft: 2 Kor. 11: 3. als hebbende diepten die

{==110==} {>>pagina-aanduiding<<}

niet wel te kennen zijn. Openb. 2: 24. Des hy ook verstaan word de Vader der leugenen te zijn. Ioh. 8; v. 44. 2. Van sijn vermogen: (1.) dat hy den sondaar onser sijne magt heeft so lang als die sich niet bekeert: Hand. 26: 18. (2.) dies hem ook 't geweld den doods word toegeschreven. Hebr. 2: 14. 3. Sijn bedrijf is: In 't gemein, (1.) het bose te werken, 2 Thess. 2: 9. (2.) Gods Woord wech te stelen, Mar. 4: 15. (3.) Gods kinderen versoeken, 1 Kor. 7: 5. 2 Kor. 2: 10 en (4.) dag en nagt voor God beschuldigen. Openb. 12: 9, 10. In't besonder deed hy eertijds velen menschen aan de Zielen quaad: (van de Lichamen hier na te spreken) dewijl hy (1.) d'eerste ouders heeft ten val gebragt, Ioh. 8: 44. 2 Kor. 11: 3. 1 Tim. 2: 14. (2.) den Saligmaker heeft versocht, Mat. 4. Luc. 4. (3.) d'Apostelen begeerde te siften Luc. 22: 31. (4.) In Iudas en Ananias voer, Luc. 22:3. Ioh. 13: 17. Hand 5: 3. (5.) Paulus belett in sijne reyse dede, 1 Thess. 2: 18. (6.) te Smyrna en te Pergamus sijn volk hadde. Openb. 2: v. 9, 13. 4. Sijne Wijse van doen: dat hy sich dikmaals veinst een Engel des lichts te zijn. 2 Kor. 21: 14. 5. Sijn tegenwoordige staat, dat hy Gods gevangen is. Openb. 20: 7. 6. Sijn nakende Verderf, wanneer hy van den Hemel vallen sal. Luc. 11: 18. Rom 16: 20. Waar op sal volgen de straffe des eewigen vuurs, dat hem en sijn Engelen bereid is. Matt. 25: 41. Openb. 20: 10. §. 2. Dese dingen laat ons nu wat nader overwegen. Daar toe heeftmen, na mijn oordeel, d'uiterste omsigtigheid van noden. Want somen slegs vlak wech op die spreekwijsen toetast, die de voorverhaalde dingen op den Duivel passen: so salmen onvermijdelik enen God van hem maken, diergelijke nooit geweest is. Sulx te begrijpen dientmen wel te onthouden, 't gene voor desen getoond is XII. §. 5. dat de naam van Duivel en Satanas maar aan eenen bosen geest, die van allen 't hoofd is, toegeschreven word; 't welk een merkelik nadenken geven moet, of sulken schepsel alleen, het mag so groot en magtig wesen als het wil, alle die dingen in eigener persoon bedenken of verrigten kan, die hem volgens al 't voorseide worden toegepast. Daar beneffens eens voor al gesteld, het gene in het naastvoorgaande hoofdstuk is geleerd, so en sal 't niet swaar zijn, om al 't gene dat hier nu van stuk tot stuk is by gebragt, in diervoege te begrijpen; dat den Duivel, als den eersten oorsprong van het quaad, toe te schrijven zy, als wat dies van de menschen word gepleegd. Dus noemen wy duivelsche boosheid, het gene boven mate boos is, als of 't de Duivel self niet erger soude konnen maken. Dunktet iemant dus niet wel te voegen: so wil ik noch wel eens gaan sien, of de namen Satan en Duivel op verscheide plaatsen niet so wel of beter op alsulke menschen als op 't hoofd der bose geesten zy te passen; schoon ik om vergeefschen twist te mijden, al te voren XVIII. §. 1. 2. toegegeven hebbe, datmen die wel van dien bosen geest of geesten mag verstaan. §. 3. Ondertusschen wil ik mijnen leser te bedenken geven, dat de Schrift gewoon is van den Duivel so te spreken als sy van den menschen doet. Te

{==111==} {>>pagina-aanduiding<<}

weten, datse hem een Nageslagte toepast; en 't gene daar van ooit te seggen valt, op den eersten Vader past. Want de Slange heeft so wel haar Zaad als de Vrouwe: Genes. 3: 15. Dit zijn de Kinderen der Bosen, het onkruid van de weereld. Matt. 13: 38. Hier in sijn Gods kinderen en des Duivels openbaar: die de sonde doet, is uit den Duivel; want de Duivel sondigt van den beginne: Hier toe is Gods Soon geopenbaard, dat hy de werken des Duivels verbreken soude. 1 Ioh. 3: 10, 8. Siet gy niet, Leser, so klaar als den dag, dat des Duivels werken zijn de sonden, die de bose menschen als kinderen des Duivels doen? Hierom seide Iesus tot de verhardde Ioden: gy zijt uit den Vader den Duivel, ende wilt de begeerten uwes Vaders doen. Ioh. 8: 44. Siet hoe de Satan iet begeert, gelijk hy d'Apostelen begeerde te siften: wanneer die sondige begeerten in den mensche gaande worden, die oorspronkelik (gelijk nu dikmaals is geseid) van den Duivel zijd. Uit sulken oorsaak mogt Elymas ook met regt een kind des Duivels heten. Hand. 13: 10. §. 4. Nu in't besonder, so veel des Duivels Aart betreft, so als ons die betekend word: 't bedrog aan onser aller moeder Eva gepleegd, staat ons noch hier na besonderlijker te verklaren. Derhalven hier de plaats 2 Kor. 11: v. 3. ditmaal voorbygaande, heb ik van des Satans diepten Openb. 2: 24. slegs te seggen, dat het duivelsche scherpsinnigheden zijn die bose menschen te werk stellen, om de waarheid te bestrijden, waarin sy den Duivel in 't verleiden onser Ouderen gelijk zijn: waarom ook Paulus sulke menschen by Jannes en Jambres vergelijkt; menschen verdorven zijnde in 't verstand. 2 Tim. 3: 8. So dat ik door dese diepten des Satans die bedriegerye der menschen versta, om listelijk en met arglistigheid tot dolingen te brengen. Eph. 4: 14. Ende komt dit dan op een uit met het gene XVII. §. 5. over Efes. 6: 11. op diergelijke wijse van spreken geseid is. In diervoegen als hy de Vader der leugenen genaamd word; Ioh. 8: 44. so is hy 't ook van alle diepsinnigheid die tot verleidinge strekt: het een is hem so na als 't ander. §. 5. 't Vermogen dat den Duivel inde Schrift word toegepast, word in diergelijken sin seer wel verstaan: de Magt des Satans. Hand. 26: 18. zijnde anders niet dan de magt der duisternisse, Luc. 23: 53. dat is der bose menschen, die het licht schuwen, om dat hunne werken niet verdragen konnen; Ioh. 3: 20. die daarom ook werken der duisternisse genaamd zijn. Rom. 13: 22. Derhalven word ook dese magt des Satans met de duisternisse vergeleken: want de geheele reden is, dat Paulus van God geroepen was, om de menschen te bekeeren van de duisternisse tot het licht, ende van de magt des Satans tot God. Die van God also geroepen zijn, danken hem dan ook, dat hy hen getrokken heeft uit de magt der duisternisse, ende over geset in 't Koningrijke sijns geliefden Soons. Kol. 1: 13. Die Duysternisse dan van 't aangeboren quaad is de gedurige party van 's menschen geesteliken stand, die om gelijke reden by 't licht vergeleken word. Anders, om te blijven by den eersten sin, so magmen seggen, dat de Satan magts genoeg heeft over sulke menschen, die de verdorventheid hunder nature en verduisterdheid huns verstands en verhardinge hunder herte volgende, daar af hy de

{==112==} {>>pagina-aanduiding<<}

eerste algemeine oorsaak is, sich tot God niet en bekeeren: al is 't dat hy vorders niet besonderlijx in hen werkt: ja al is 't ook dat hy niet eens weet wie datse zijn. §. 6. Op den selfden sin word hem 't Geweld des Doods ook toegeschreven Heb. 2: 14. also hy den eersten mensche tot de val gebragt heeft; daar de Dood, als ene besoldinge der sonde noodsakelik op volgen moest. Rom. 5: 12. en 6: 23. Met dese eene reden hadde ons Beza konnen voldoen, gelijk hy op die plaats heeft aangetekend: Mortis imperium habere dicitur Diabolus, à quo exortum est peccatum, quod mors est consecuta. Van den Duivel word geseid, dat hy 't geweld des Doodts heeft, om dat de sonde van hem haren oorsprong heeft, daar de Dood op gevolgd is. Des hadde hy niet van node gehad daar by te voegen: quod nos quotidiè ad peccandum sollicitat, ut in aeternae mortis exitium nos secum pertrabat: dat hy ons noch dagelijks tot sonde port, om ons in 't verderf des eewigen doods te slepen. Want ik wil van ieder een verwachten dien dit so goed dunkt, dat hy my een eenig bewijs van sulx uit de heilige Schriften tonen sal: so veel minder staats maak ik op meer andere redenen, die van d'uitleggers by desen gevoegd worden; waarin elk den rijkdom van sijnen geest betoont, om iets naders te versinnen dan men voormaals daar afwist. §. 7. Wat voorts des Duivels Bedrijf belangt: de werkinge des Satans, 2 Thess. 2: 9. (so de Duivel hier al moet verstaan zijn) wat is die anders dan de werkinge der sonde, die oorspronkelik uit den Satan is; in aansien, als geseid, van des menschen val in 't Paradijs? 't Is toegeevender wijse dat ik dit noch segge: wantmen anders niet genoodsaakt word te denken, dat door Satan hier dat opperhoofd der bose geesten word verstaan. Sulken mensche, meen ik, is voor Satans, dat is Tegenstanders en Verleiders genoeg, die hem tegenstelt, ende dat onder anderen door verleidinge der ongeregtigheid v. 4, 10. Die een nasaat van Petrus heten wil, moet niet qualik nemen, so men hem met den selvden name noemt, welken Christus dien Apostel selve gaf: Matt. 16: 23. also 't seker is dat hy 't er vry wat meer na maakt. Dit seg ik echter niet om my daarmede te behelpen: maar om den Leser des te beter te overtuigen, dat sulk bewijs geen kragt heeft, als men hier uit nemen wil, om den Duivel meester van der menschen gedachten te maken; als of 't quaad door sijn besonder ingeven geschiedde: also 't genoeg is, dat al 't quaad uit die eerste overtredingen voortkomt, die van hem den oorsprong heeft §. 8. De Satan, die Gods Woord uit der menschen herte wech neemt, Matt. 4: 15. word genoeg ontdekt uit het 19. v. daar de sorgvuldigheden deser weereld, ende verleidinge des rijkdoms, ende begeerlikheden ontrent de andere dingen, (welke alle uit de eerste verleidinge des Duivels in den mensche plaats gegrepen hebben) het Woord verstikken en onvrugtbaar maken. Want ik kan niet sien, hoe dese dingen so veel hinder uit hun self aanbrengen konnen; en dat tot het ander Duivels hulp, boven 's menschen eigene boosheid, soude nodig zijn. Ia het sal een ieder met my seggen, dat

{==113==} {>>pagina-aanduiding<<}

lichter is, den genen die aan den weg der verdorvene weereld (self ook noch verdorven zijnde , bloot ligt, de vrugt van 't heilig Woord te onthouden: dan den genen die op enen afgescheidenen akker word besaaid, en het reeds met vreugd ontfangen heeft, daarna tot ergernis te brengen. Nochtans so word de Satan daar in niet benoemd. vs. 16, 17. Het zy dan de Satan aan den weg, het zy de vervolgingen op steenachtigen grond, het zy de verleidingen des weerelds onder de doornen: het is des menschen eigen-erflike verdorventheid, die van den Satan ontstaan, en door 't verdriet of vermaak des weerelds-versterkt, den mensche hindert in 't aanhoren van Gods Woord. §. 9. Het voordeel dat de Satan over iemant krijgt, door dien dat hy hem versoekt, 2 Kor. 2: 10 en 1 Kor. 7: 4. soud ik even eens verstaan. De Satan krijgt voordeels genoeg, wanneer het quaad, dat hy eens in de weereld heeft gebragt, rijkelik voorstaat: en de versoekinge die de mensch ten quade lijd, word met regt aan hem, om deselfde reden toegeschreven. Anders, om te seggen, welk de naaste oorsaak zy dat een mensche versocht word: Iacobus seit het klaar, sonder van den Duivel iets te melden. cap. 1: 13, 14. Dat had hy echter moeten doen, mitsdien dat hy dese tegenstellinge maakt: Niemand als hy versocht word, segge dat hy van God versocht word: want God en versoekt niemant met quaad. Dat sal ook niemant so licht seggen, alsmen heden seit dat de Duivel ons versoekt. Die verschoninge bragt Eva ook ter baan. Doch Iacobus, getoond hebbende, dat het Gods werk niet en is; hadde niemant nader dat te wijten, dan den Duivel; indien hy gedacht hadde, dat het sijn bedrijf kon zijn. Maar hy vind buiten God geen oorsaak dan den Mensche self: Die word versocht, seit hy, als hy van sijne eigene begeerlikheid afgetrokken en verlokt word. Van de versoekinge aan den Heere Iesus self geschied, sal ik hier na in 't besonder spreken. §. 10. Dat hy de Verklager onder broederen heet, diese langen tijd dag en nacht voor onsen God verklaagd heeft: Openb. 12: 9, 10. is blijkelijk genoeg by verbeeldinge geseid. Want wat is dat, voor God? Is dat niet te seggen voor sijnen troon? en is die in den Hemel niet? Hoe komt de Duivel in den Hemel, na dat hy in de Hel verstoten is: somen dese dingen eigentliker wijse wil verstaan? Om den regten sin van dese plaatse uit te leggen, had ik van node 't gantsch beloop van dat Gesigte te verklaren, 't welk echter nu mijn werk niet is. Ondertusschen mag ik so veel hier wel seggen, dat daar van den tijd gesproken word, in welken sich de goede God aan den armen mensch versoenbaar stelt: ten einde niet de geheele weereld door den Duivel meer verleid zy: dat is, in die verdorventheid gelaten werde, daar hen d'eerste verleidinge toe bragt. Dit is 't algemeen verderf, dat in de weereld is, door de begeerlikheid; gelijk het Petrus noemt. 2 Pet. 1: 4. So lang als de mensch niet ontvloden is, so is 't oft hem de Duivel self verklaagt; door dien hem sijn gewisse knaagt over gemeinschap met dat Duivels reedsel, de sonde: want so lang ons herte ons veroordeelt, so heb-

{==114==} {>>pagina-aanduiding<<}

ben wy geene vrymoedigheid tot God. 1 Ioh. 3: 21. Daar beneven staat de bose wereld, 's Duivels maaksel, Gods kinderen met allerhande lastering en dreiginge gedurig te beswaren: 't welk altemaal oorspronkelik een werk des Duivels is. Als dat ophoud, so schijnt die Verklager der broederen nedergeworpen; en roemen de gelovigen in God: Wie sal beschuldigingen inbrengen tegen Gods uitverkorenen? God self is 't die regtveerdigt. Wie is 't die verdoemt? Christus is 't die gestorven is. ens. Rom. 8: 33, 34. §. 11. Dit geseid zijnde, so veel des Duivels werken, dat is die hem in sekeren opsigt worden toegeschreven, in 't gemeen betreft: so en weet ik niet of 't al nodig is, dat ik my lang ophoude, en besondere daden, als van hem verrigt, noch nader uit te leggen. 't Voornaamste is dat eerste werk, dat den val der eerste Ouderen veroorsaakt heeft; en hoewel hier nu de plaats is om daar af te spreken, so vereisch nochtans 't gewigt der sake dat wy een besonder hoofdstuk daar van maken. Desgelijkx sal 't ook der moeite weerdig zijn, van des Heeren strijd met den Duivel in de woestijn afsonderlik te spreken. Het XX. en XXI hoofdstuk sullen het beslag deser twee voorname saken zijn. 't Gene verder van den Duivel word geseid, dat hy Paulus met vuisten sloeg, en sekere vrouw veel jaren lang gebonden hield: dit alles wil hier na noch wel te passe komen. §. 12. D'overige exempelen flus §. 1. met een gemeld, zijn uit het voorseide wel te weten. De Satan socht d'Apostelen te siften als te tarwe Luc. 22; 31 in sulken sin als Rachel hare kinderen beweende, na datse lang al dood was. Ierem. 31: 15. Matt. 2: 18. Te weten, gelijk het Rachel toegeschreven word het gene Rachels nageslagt bedreven heeft: also kan ook den Satan worden toegepast, het gene der verdorventheid, die van den Satan is ontstaan mag eigen zijn. Al op den selfden sin kan hy in Iudas ingevaren zijn; Luc. 22: 3. Ioh. 13: 27. of Ananias 't herte vervuld, Hand. 5: 3. of Paulus op de reis gehinderd hebben, 1 Thess. 2: 18. te Smyrna te Pergamus sijn volk en troon gehad: Openb. 2: 9, 13. voor so veel als de boosheid, die oorspronkelik van den Duivel was, in Iudas en Ananias gaande wierd: en de vyanden des Euangeliums den Apostel veelerley beletsel hebben toegebragt; of godloosheid in die beide steden d' overhand genomen hadde. §. 13. Paulus schijnt verder te gaan, wanneer hy de bose menschen, zijnde valsche Apostelen, van den Satan self uitdrukkelik onderscheid: seggende, dat hy sich wel in een Engel des lichts veranderen kan. In die verandering en is eigentlik de swarigheid niet: aangesien het gene van de valsche Apostelen geseid was, datse sich in Apostelen van Christus veranderen, sulx genoegsaamlik verklaart; te weten, dat het van den schijn diense van sich geven, en niet van enige verandering des wesens te verstaan zy. Maar hoe heeft sich ooit de Duivel self so aangesteld, als oft hy had geweest een van de Engelen des Lichts? My dunkt, indien hy dat slechs eenmaal heeft gedaan, dat sulx genoegh is om van hem te spreken. Te weten,

{==115==} {>>pagina-aanduiding<<}

neemt eens dat d'Apostel hier op 't werk des Duivels nopende den val der eerste menschen spreekt: geeft hem dat alleen geen genoegsame reden, om den selven na te geven, dat hy sich wel anders kan vertonen dan hy is? Want te seggen, dat heeft de Satan selve wel gedaan: of dat kan de Satan self wel doen; of ook, de Satan self die doet het wel: dat heeft al eenen sin. §. 14. 't Gene vorder §. 1. op de vijfde plaats by my is aangetrokken, bevestigt noch mijn seggen dies te meer: te weten, dat de Duivel sulken kragt niet heeft gelijkmen meint. Want dat hy Gods gevangen is blijkt self uit sulken vryheid noch, als God hem laat voor enen tijd. Want hy kan nooit ontbonden worden, gelijk van hem Openb. 20: 7. voorseid word, so hy niet eerst gebonden is. Te meer, so die ontbindinge maar is voor enen kleinen tijd, na dat hy trouwens wel geheele 1000. jaar gebonden was geweest. vers 3. Dat binden en ontbinden op den Duivel dus gepast, kan niet anders dan by wege van gelijkenis verstaan zijn: sulx my een iegelik geern toestaan sal. Maar dan is binden so veel als bedwingen of bepalen, dat hy niet kan doen al wat hy wil. Want enen Geest en passen eigenlik de ketenen niet. Nochtans word vs. 1, 2. van ene grote keten gewaagd, waar mede hy gebonden wierd voor duisend jaar. Den Afgrond, daar hy in gesloten en versegeld blijft, in eigentliken sin, ende sulx als sekere plaats, en gelijk onder d'Aarde aangemerkt, wil hem also weinig voegen. Dus moet het dan so veel te seggen zijn, als dat hem sijne magt om quaad te doen benomen word, gelijk enen quaaddoender die in 't ergste gat op 't aller nawst gevangen sit. §. 15. Laat ons, by toegevinge, die bindinge des Satans op die wijse eens verstaan. Wie van so veel uitleggers, als over dat boek meer dan over enig ander deel des Bybels, voor en na geschreven hebben, heeft ooit anders gedacht, of die tijd was lang voorby? Altoos die heden anders spreekt heeft geen gehoor. Nochtans verschillense meest in den tijd, van 't begin en einde deser bindinge. Maar oftmen dien eene eewe meer of min 't zy vroeger ofte later neemt: wie van d' uitleggers, (seg ik noch eens) van 't begin af tot op heden toe, heeft niet geklaagd, dat de Duivel te sijnen tyde uitgelaten was? Wanneer lag hy dan gebonden? Duisend jaren is een lange tijd: veele geleerde mannen zijnder buiten twijffel t'elker eewe geweest, gedurende de tien, die voor of na uit 's Weerelds loop, of uit den staat der Kerke moesten konnen merken, of de Duivel los gelaten of gevonden was. Het schijnt derhalven, dat dit niemant noch te regt heeft uitgevonden. Volgens dien besluit is wederom als voren; dat uit een getuigenis der Schrift, waar af d' uitlegginge als noch onseker is, niet sekers mag besloten worden. Het sekerste van allen is, Dat God der menschen boosheid (onder Satans naam verbeeld, als eerste oorsaak van het quaad) in sekeren opsigte voor enen tijd intoomt; en daarna voor enen korten tijd na sijn believen laat, begaan. §. 16. Eene plaats isser in de Schrift, die hier mede vergeleken, aan dit

{==116==} {>>pagina-aanduiding<<}

seggen licht sal geven; daar God seit, dat hy Israels sonden in de diepten der Zee werpen sal. Mich. 7: vers 19. Want een lichaam dus wech geworpen sal men nooit meer sien. Dat is dan so veel te seggen, als dat God hunder sonden nimmermeer gedenken; en dit wederom, dat hyse voor altoos volkomelik vergeven sal. Op gelijke wijse word de vergevinge der sonden by Zacharias afgebeeld. Want siet, ene plate loods wierd opgeheven, ende daar was ene vrouwe, sittende in 't midden der Efa. ('t welk in 't Hebreewsch de naam der grootste maat van droge waren is.) Ende hy seide, dese is de Godloosheid: en hy wierpse in 't midden van de Efa, en het loden gewigte op den mond derselve. Zach. 5: 7, 8. So als de Godloosheid by een boos wijf vergeleken, in een korenmate gesmeten, en met ene loden plate daar in dicht besloten word: so word ook de Satan (magmen denken) by gelijkenisse neergeworpen, Openb. 12: 9, 10. so dat hy als een blixem van den Hemel valle. Luk. 10: 18. Sulx hy ook in den Afgrond opgesloten blijven moet, wanneer het Gode belieft, dat hy de volkeren niet meer verleiden sal; dat is, verleidinge der Sonde, welke van den Duivel in den hof van Eden sijnen oorsprong nam, op die wijse niet meer duren sal. §. 17. Den strijd tusschen Michaël en de Drake, die met eenen d'oude Slange, de Duivel en de Satanas genaamd word, Openb. 12; 7, 8. magmen mede anders niet verstaan. Want wie sal sich konnen verbeelden, dat dit eigentlik geschied zy? Niemant gelooft, dat den Duivel na den val des menschen, immers na d' Opstandinge onses Heeren, (wanneer dit gesigte, van dingen die noch eerst geschieden souden, aan Iohannes vertoond is) ooit meer plaatse in den Hemel heeft, daar nochtans die felle strijd gesien is. Ook en is de Satan doe niet eerst gevallen, noch geworpen uit den Hemel; maar wanneer hy in de eerste sonde viel, so elk gelooft: Daar beneffens soude 't konst om seggen zijn, hoe die strijd toch in sijn werk mogt gaan; en waarom dat so vinniglijk gevochten is. Was 'et om der menschen saligheid of verdoemenisse niet? Met wat wapening kon Michaël die voor, en de Draak hem tegenstaan? Ik wil wel eens sien, wie my dit beter uitleggen sal, dan het den Apostel Paulus seit: want ik ben versekerd; dat noch Dood noch Leven, noch Engelen, noch Overheden, noch Magten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen; noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons sal konnen scheiden van Gods liefde, die in Christus Jesus onsen Heere is. Rom. 8: 38, 39. Dat is so veel geseid, dat al ware 't ook de Duivel uiter hellen, by manier van spreken, so en mogt hy Gods gelovigen niet deeren. §. 18. So als de Gevangenis, sodanig sal dan ook de Straffe van den Duivel zijn. De vervloekten sullen op den jongsten dag verwesen zijn in 't eewig Vuur, dat den Duivel en sijnen Engelen bereid is. Matt. 25: 41. Is dat eigentlijk Vuur, hoe sullen dan de Geesten branden? Maar hoe komt het Beest met den valschen Profeet eerder in dat Vier van de Duivel self, dien dat bereid was? Want de Duivel, seit Ioannes, wierd ge-

{==117==} {>>pagina-aanduiding<<}

worpen in den poel des Vuurs ende Sulfers, alwaar het Beest en de valsche Profeet is. Openb. 20: 10 De Swavel eigentlijk verstaan, sal hem also weinig deeren als het vuur. Maar gelijk de hemelsche, so worden ook de helsche dingen by de aardsche vergeleken; dewijle wy noch op Aarde zijnde, deselve best gewend zijn. Desgelijx worden geestelike dingen door lichamelike, die van lager betragtinge zijn, onser swakheid halve best verklaard. §. 19. Wat wil dit altemaal dan seggen, also het anders niet dan gelijkenisse zijn? Ik antwoorde eenvoudig heen. I. Dat de Duivel door die eerste sonde in het Paradijs gedaan oorsaak is van alle quaad en al watter quaads geschied, hem derhalven ook met reden toegeschreven word. II. Dat God het quaad, dat uit den Duivel is, en in de menschen heerst also bestuurt, dat hy 't altijd binnen sekere palen houd: en wanneer hy seker groot en algemeen verderf belet, ophoud of bedwingt; dat sulx so veel is als den Duivel binden om dat hy sijne werken bind. III. Dat hy eindelijk al 't quaad, dat menschen doen, op den dag des groten Oordeels sal te niete maken: dan verleidden mensche teffens met den Duivel, diese eerstmaal heeft verleid, en sijn boos geselschap na verdienste straffen; en dat die staffe sonder eind of mate wesen sal. Dit dan daar by latende, so en salmen niets gevonden hebben uit al 't gene tot noch toe gesien is, dat de Duivel, na dat hy in 't begin der scheppinge den mensche verleid heeft, t'sedert self in persoon iet meer op den selven werkt of vermag: maar wel, dat al 't quaad, dat ooit gebeurt, of noch heden in de weereld word gepleegd: uit die oorsaak so word aangemerkt als of 't de Duivel dee.


XX. Hoofdstuk. De verleidinge der eerste menschen door den Duivel is beswaarlik te verstaan.

§. 1. MAar noch zijn wy door ons werk niet: dan de grootste swarigheden sullen ons, so 't schijnt, hier eerst ontmoeten; wanneer wy overdenken, hoe de Duivel Eva door de Slange heeft misleid, den Saligmaker self in de woestijne heeft versocht, met den Engel Michaël enen swaren twist gevoerd, de nederlaag en den dood van Saul in schijn van Samuel voorspeld. Dit moeste strekken tot bewijs van sijn verstand: het volgende tot proeve sijns vermogens; dat hy Iob aan lijf en goed en bloed geplaagd, en Paulus self na sijnen hemelvaart, met vuisten, door eenen sijner Engelen geslagen heeft. Doch so moet de Leser weten, dat ik ongehouden ben, alle swarigheden op te lossen, die ons licht ontrent den sin van

{==118==} {>>pagina-aanduiding<<}

't een en 't ander, of de wijse hoe 't geschied zy, soude konnen tegen komen: wanneer dat eene slegs mag blijken, daar wy al dit werk om doen; te weten, wat de Duivel op 't gemoed des menschen ooit vermogt, om het tot de sonde te bewegen. Echter 't werde dan bevonden so als 't wil, so en sal 't getuigenis der Schrift, dat den oorspronk van des menschen sonde uit den Duivel is, by ons niet den minsten twijfel lijden. Wanneer ik dan het ondersoek, wat de Duivel in 't voorseide sulk vermag, beginne, daar de Schrift, en self met een het menschelijk geslagt begint, so wil ik my te vreden houden, met dat gene slechs te overwegen, daarmen dat bewys uit haalt; sonder my met een volslagen onderregt over 't gansche werk der verleidinge, hoe dat te verstaan zy, te bemoeijen. 't Selfde wil ik van den Leser ook bedingen wanneer ik dat van Christus Mat. 4. en van Michael beide met den Duivel strijdende, en van die Vuist slagen des Satans behandelen sal: also het even veel is, wat sin dat die plaatsen hebben; wanneer men slechs genoegsaam kan betonen, dat de magt of kragt des Duivels, om te werken op 't gemoed des menschen, daar uit niet bewijslik is. Want een welgeregeld schrijver sal hem self altijd bepalen, om te blijven by dat stuk, dat hy in 't begin heeft voorgesteld, om het tot een voorwerp van verhandeling te maken: sonder datmen hem in 't minst verdenken mag als oft hy dat in twijfel trokke daar hy niet af spreekt, om dat het buiten sijn bestek, en also met eene buiten dat van sijnen Leser is. §. 2. So veel als dan des Menschen val betreft, dit was het eerste werk, daarmede sich de Duivel kenbaar maakte, waar uit bleek datter Engelen zijn: en schoon van God, en dienvolgens goed geschapen: echter in dien staat niet lang gebleven zijn, nadien dat self de mensch van 't goed door hun bedrog vervallen is. Hoe sulx geschied zy, word van Moses eerst omstandiglik verhaald, Gen. 3. daarna van Christus Ioh. 8: 44. en van Paulus 2 Kor. 11: 3. aangewesen. De drie plaatsen t'samen vergeleken, sullen d'een door d'andere des te beter te verklaren zijn. Ende sietmen daar in eerst, dat Paulus even eens als Moses blotelik de Slange noemt, die Eva door arglistigheid bedrogen hebbe: sonder 't minste van den Duivel te gewagen: maar dat Christus sonder Slang te noemen, dien menschenmoordenaar uitdrukkelik den Duivel noemt. Dat echter dese beide namen Openb. 12: 9. worden t'saam gevoegd, te weten, d' oude Slange, dat die is de Duivel of de Satanas: sulx doet ons lichtelijk geloven, dat de Saligmaker en Moses en Paulus op een en deselfde sake sien. §. 3. Salmen echter 't regt bescheid van desen handel weten, soo dientmen op 't verhaal, dat Moses daar af doen, voornamelik te letten. Want die slegs iet van 't een of ander ding te passe brengt, in ene rede die van geheel wat anders spreekt; verklaart de sake niet so wel, als hy die daar af eigentlik sijn werk gemaakt, en 't geheele stuk omstandiglijk beschreven heeft. So laat ons dan voor eerst besien, wat en op wat wijse dat ons Moses daar van schrijft: daar na, wat redenen 't mogen geweest zijn, om so verscheidelijk daar af te spreken, als het schijnt

{==119==} {>>pagina-aanduiding<<}

dat Christus en d'Apostel Paulus doen. Doch in sulx te doen, wil ik geensins aan de waarheid van 't verhaal, dat daar af in Geneses te lesen staat, getwijfeld hebben: maar alleenlik tonen dat de woorden dus of so gekeerd, gescheiden of te samen vergeleken, sulke sin niet mede brengen, als van noden is om die magt des Duivels, die wy ondersoeken, daar uit te besluiten. §. 4. De val der eerste Ouders word by Moses aan de listigheid en 't bedrog der Slange toegeschreven: sonder datter enig ander schepsel word genoemd, door welke Eva wierd verleid. Hoe die verleidinge geschied zy, word in de vijf eerste verssen geseid: daarna vervolgens, hoe de Vrow de schuld ook op de Slange wierp; en voorts de straffe die derselver van God aangekundigt wierd, op het 13, 14, en 15. vers. In 't eerste word die oorsake der verleidinge niet alleenlik ene Slange; maar ook eigentliker wijse een onder het gedierte des velds genoemd, het welk de Heere God gemaakt hadde. Te weten, die hadde op den selfden dag onder anderen geschapen het kruipende gedierte des Aardbodems na sijnen aart; en dat selve neffens 't ander naderhand aan 't gesag des menschen onderworpen. Gen. 1: 24, 25, 26. 't Kan ook niet anders als natuurlijk verstaan zijn, dat de slange listiger was dan al 't gedierte des velds: te weten, dat sekere behendigheid der bewegingen van lichaam en levendige Geesten, hoewel verstandeloos, der uitwendiger gelijkheid halven, listigheid genoemd; self den beesten toegeschreven word: waar in 't een het ander overtreft gelijk de Vos in sulken sin voor loos gehouden, en Herodes om die reden ook een Vos van Iesus self genoemd is. Luk. 13: 31, 32. Want so door den naam van Slange enig ander schepsel betekend wierd; hoe soude 't niet veel eerder met den Mensche, die door desen list misleid is, als met het gedierte der Aarde vergeleken worden? Blijkt derhalven, dat het eigentlijk een Slange was, daar af hier gesproken word. §. 5. Doch nu spreekt hy daar beneffens van de Slange als van eene: niet tegenstaande datter veelderhande aart van slangen; en van elken aart te minsten ook een paar, als manneken en wijfken in 't begin geschapen zijn. Want so gingense namaals in de Arke: dat is de kiste, om met Noach tot de voortteelinge na den watervloed bewaard te zijn: zijnde ook de mensch de eenigste van alle schepselen, die 't begin der scheppinge ongepaard bevonden wierd. Gen. 2: 20. Soder dan ten minsten een paar Slangen was, hoe word 'er dan in 't gansche werk maar eene slang genoemd; maar eene slang beschuldigd? maar eene slang gevonnisd en gedreigd? Om dat het een van beide was, onseker 't manneken of 't wijfken? Hoe staat'er dan {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hannachasch de Slange, als of maar eens dies tijds daar voor mogt zijn bekend geweest. Dat kan wel op de kunne sien, met ander slag van dieren vergeleken: gelijk de mensch, het peerd; en also de slang, dat slag van schepselen of van beesten: 't welk dan even eens is oftmen seide, de menschen, peerden, slangen, te weten de Slangen was, of de slangen waren listiger dan enig ander dier of slag van dieren, die God gemaakt hadde. Maar dan

{==120==} {>>pagina-aanduiding<<}

stoot sich wederom de sin, door dien dat het geheel verhaal niet anders is geschikt, gelijk geseid is, dan dat het maar een eenig beest was, daar de text af spreekt. §. 6. Noch groter is de swarigheid die in de reden ligt, waarom de Slange boven andere schepselen bequaam geacht is om den mensche te bedriegen: Te weten, datse boven anderen listig was. Doch dese Listigheid wien ging de Slang daar in te boven? den Mensche? Neen, maar al 't Gedierte des velds: of de Mensche self moest onder dat Gedierte insgelijx begrepen zijn. Doch dat en is de stijl der Schriften niet, die door 't gedierte des velds nooit anders dan beesten verstaat: en Moses heeft het self wel duidelik van den Mensche onderscheiden, wanneer hy beider scheppinge beschreef; Gen. 1: 24, 25, 26, 28, 29, 30. ende spreekt in de beschrijvinge van den Sondvloed al deselfde taal. Gen. 7: 21. en 8: 16, 17. en 9: 2, 9, 10. Nu en bevindmen echter niet, dat de Slang in listigheid al 't andere gedierte overtreft? maar wel, verscheidene andere de Slang daar in te boven gaan. Die te beschrijven soude hier te lang vallen; ende mein ik datse al te wel bekend zijn, om bewijs daar af te eischen. 't Is waar de Saligmaker schrijft de Slangen loosheid boven andere, maar niet boven alle dieren toe, wanneer hy seit: Zijt voorsigtig als de Slangen, maar eenvoudig als de duiven. Lichtelik sal iemant toestaan, dat het schaap immers so eenvoudig is, indien niet eenvoudiger dan de duif: die nochtans veel andere, schoon niet alle dieren in eenvoudigheid te boven gaat. So ook de Slang in listigheid. Ik en denk ook niet, dat iemant seggen sal, dat de Slange dies tijds listiger was danse nu is: Of die dat seit sal het my bewijsen moeten; want het niemant vry staat al te seggen wat hem lust. §. 7. En dan isset noch bedenkelijk, hoe dat een reden wesen kan, waar om dat enig Beest bequaam geweest zy om den Menschen te bedriegen, dat het listiger was dan andere beesten; so het ook den Mensche self niet in listigheid te boven ging. Want alle sulke listigheid den beesten niet dan by gelijkenisse, als geseid is, toegeschreven word; alsoder eigentlik geen listigheid kan zijn daar geen verstand is. Daarby so isset kennelijk, dat geen dier so gaaw, so behendig, of (so als 't hier heet) listig is; dat door der menschen list en lagen niet gevangen word. Geen aart noch trap van loosheid in de beesten, die door sneegheid van het menschelik vernuft niet overtroffen word. Ende was dan noch de Mensche voor den val so veel te scherper van verstand, als hy onbedorven was: hadde volgens dien te minder nood, om van een beest misleid te worden. Des isset onbegrijpelijk, wat reden dat een vrouwmensch hebben konde, om te seggen gelijk Eva; de Slange, dat is, een dom beest heeft my bedrogen, dat ik at. §. 8. Om dese swarigheid dan wech te nemen, seitmen dat de Duivel door de Slange sprak. So heb ik 't self ook over 20. jaren in mijn boek over den Catechismus neffens anderen verklaard. Dat waar zijnde , so schijnt dat hy een lichaam aandoen, inneemen, daar door werken, en in 't besonder

{==121==} {>>pagina-aanduiding<<}

spreken kan: en dat noch wel door 't lichaam van een beest. Doch dit stellende vergrootmen noch de swarigheid, so veel als hier de Slang betreft. Want had de Duivel tong en stem van doen, om met den Mensch te spreken, en moest hy die dan leenen van de Slang? Wat reden geefter Moses af? De listigheid waar in dit beest al d'anderen te boven ging. Wy hebben nu terstond gesien, dat het al Lichamelik is wat listig heet, en sonder seden of verstand, wanneermen van de Beesten spreekt. Derhalven sal alsulke listigheid wel dikmaals dienen om den mensch Lichamelik te loeren, t'overvallen, te vangen en verslinden: gelijkmen sulx van veelerhande beesten, maar minst van Slangen weet. Doch wat raakt dit de Ziel om den mensch met listige omleidingen van schijnreden te bedreigen? Geen beest, hoe listig en hoe loos vermaard, heeft daar het minst vermogen toe. §. 9. Gelijk 't verstand de Slang ontbreekt, sy deugt noch al so weinig tot de spraak. Noch tong noch long, noch 't holl van haar gehemelte is tot een duidelik geluid; veel min tot woorden, so als andere stomme schepselen, bequaam. Koos de Duivel dat de Slang, om datse listig was, tot spreken; wat hielpet so de selve ook niet spraaksaam was? De listigheid had hy buiten twijffel aan hem selve wel; maar niet de spraak. Daar was een Lichaam toe van doen. Waarom nam hy dan geen Aexter of geen Papagaai, die tong en stemme heeft om te spreken? Waarom ook het lichaam niet veel liever van een Aap, die den mensche meest gelijkt? geen ongelijker Lichaam van gestalte dan der Slange by dat van een Mensch. Het is dan geensins te begrijpen, waarom dat de Duivel door de Slang, daar so veel keurs van veel bequamer schepsels was, de Vrow toespreken en bedriegen kon. Segt niet, dat God geen ander schepsel aan den Duivel heeft vergund: want so dat de reden ware, Moses hadde 't selve wel geseid; die nochtans de listigheid der Slange als de reden noemt, waarom dat de verleider haar uit al 't gedierte daar toe nam. §. 10. Stelt nu noch evenwel, dat de duivel door de Slange sprak; en siet of God dan self wel ooit so groten wonder heeft gedaan? Twee duisend jaren en noch meer had de Weereld al gestaan, eer dat ooit een beest door Gods ingeven heeft gesproken: en soude dan de Duivel so aanstonds, wanneer de Schepper pas sijn werk voleindigt had, noch groter proeve van die kunst gegeven hebben? Waarom segg ik, groter? Vergelijkt my Bileams Esel eens met dese Slang; en gy sultet selfde seggen. De slange mogt so listig, en den Esel so bott zijn alsse waren: noch die listigheid vorderde, noch die bottigheid hinderde in 't minst aan de spraak, die hen beide toegeschreven word. Het verstand van den genen die hen dede spreken, moest den sin en 't beleid aan de reden geven, daar af sy beide even veel, dat is, niet met al verstonden. Die dan 't Lichaam en de leden van een beest tot de spraak gebruiken wil, toont so veel te groter konst, als het gene hy daar toe gebruikt min bequaam is: gelijk het groter kunst is op een reddeloos speeltuig vois te maken, als op een dat wel gesteld is. Nu en sal my niemand lochenen, dat een Esel minder onbequaam is om te spreken dan de

{==122==} {>>pagina-aanduiding<<}

slang. Want die heeft noch een kragtig geluid; dese niets dan een gesissel en geblaas. Waar wil dit nu heen? Ik weet het niet: maar dat het God alleen is, die wonderen doet; Psal. 72: 18. en 86: 10. en die daar in wonder stelt, dat hy den stommen sprekende maakt. Exod. 4: 11. Mark. 7: 11. Dit van menschen geseid, die stom of blind geboren zijn, dat niemant helpen kan dan God: Ioh. 9: 32, 33. so is 't noch groter wonder een beest te doen spreken en van twee wonderen 't grootst, dat een Slang noch eerder dan een Esel spreekt. §. 11. Ik voeg hier nu noch by, dat (behoudens d'eere der eerbiedigste Majesteit) de Duivel ongelijk meer geestigheid in 't spreken door de Slang, dan God self door den Esel heeft betoond. Want die sprak slegs als een slaaf of onderdaan; ben ik niet uwe Eselinne? ens. maar de Slange stelt sich meesterlik in, niet alleen tegen de Vrouwe, maar self tegen God: wanneer hy haar over 't gene God en sijn gebod betrof te vrede stelde. Daarenboven was de reden van de Eselinne slegs ene klagte over ongelijk; dat haar de meester sonder oorsaak, en tegen betere verdiensten sloeg; maar de Slange spreekt by wege van een beter onderrigt, dat sy quansuys aan de Vrouwe geven wil; over 't gene sy van haren Man, en door hem van God den Schepper self ontvangen hadde. Siet dan eens, hoe groot des Duivels wonderdaden, die een verwaten schepsel is, boven die van God den Schepper selve zijn; indienmen wil, dat de Duivel door de slang gesproken heeft. §. 12. Doch te vergeefs bemoeitmen sich in desen voor Gods eere, by aldien hy self nochtans die aan den Duivel geeft. Seit God dan, dat de Duivel door de Slange sprak? niet met het minste woord. Nochtans wanneer een eselinne sprak: schoon ieder een verstaat, dat sulx uit eigener nature niet en was; so staater evenwel noch by, dat God den mond der eselinne geopend heeft. Num. 22; 28. Waarom word hier insgelijx dan niet geseid, de Satan of de Duivel opende de mond der Slange? dan haddemen versekerd konnen zijn, dat de Duivel sulken baas is, die de beesten, self de stemmelose slangen kan doen spreken. Want om enen esel, die (als geseid) noch van self een groot geluid kan slaan, word het wel gemeld, wie de meester was, die dit werktuig, in sich selven onbequaam, tot so ongewonen werk gebruikt heeft; schoon geen mensch ooit heeft getwijffeld, of God magtig was om sulx te doen. Maar al even eens of de Duivel door verscheide proeve dies tijds al bekend geweest mogt zijn, van sulke wonderen te konnen doen; sonder dat uit Moses gansch verhaal van de Scheppinge tot hier toe, 't allerminst gemerkt kon worden, datter Duivel in de weereld was: so seitmen aanstonds vast, dat het Duivels werk was, 't gene God, om dat het quaad was, niet en paste; zijnde onbeswaard om voorts te denken, dat de Duivel daar toe so veel kragts heeft als hy boosheid heeft. §. 13. En heeft hy niet, sult gy nu seggen, wie was 't dan die daar sprak? Ik segge voor eerst; de selfde die van God in 't uitgesproken

{==123==} {>>pagina-aanduiding<<}

vonnis daar op aangesproken is. Daar staat wederom, dat de heere God tot de Slange sprak. Maar hoe sprak God self tot een dom beest, dat geene spraak verstaat? Evenwel word dat schepsel noch al, gelijk voren, onder al 't gedierte des velds gerekend: dewijl het daar by vergeleken, en boven al vervloekt word. Echter word op 't selve als een vloek gelegd het gene 't van naturen had, op sijnen buik te gaan, want het kruipende gedierte (gelijk als eens geseid is) van God self na sijnen aart also geschapen was. Gen. 1: 25. Hoe kan dat ene straffe zijn, het gene van naturen is: ja 't gene der natuur so eigen is, dat het sonder sulx niet en is het gene 't is? Want men noemde nooit Slange die niet en kroop. Aristoteles noemtse {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

van nature voeteloos: H.A. I. 1. c. 6. en van den gang der Dieren schrijvende in een besonder boek, so bewijst hy in 't 8. hoofdstuk, dat het lichaam ener Slang geen voete lijd.

§. 14. Men seit, dat misschien de woorden, op den buik te gaan, van swaar en moeyelik kruipen te verstaan zijn; of dat dese Slang te voren niet en kroop. Ik soude 't mede wel geloven, so de Schrift dat seide; te weten, dat dit beest een aart van slangen was, die niet en kruipen; of datter stonde, voortaan sult gy moeyeliker gaan op uwen buik. Want so heeft God tot den mensch gesproken: door den val, Gy sult eten: Gen. 2: 16. maar na den val, In 't sweet uws aangesigts sult gy eten. cap.3: 19. Desgelijx voor den val sette God den mensche in den hof van Eden, om dien te bouwen: cap. 2: 15. maar na den wal so was sijn seggen, Als gy den aardbodem bouwen sult; hy en sal u sijn vermogen niet geven. Wederom tot man en vrouw tsamen desen eersten segen sprekende, Weest vrugtbaar en vermenigvuldigt u: cap. 1: 28. so was het even veel oft hy tot de Vrouwe in 't besonder seide, Gy sult kinderen baren. Maar na de verleidinge was die tot eene straffe: In smerte sult gy kinderen baren. cap. 3: 16. Daarom seg ik, hadde God sulx mede van de Slange willen seggen, hy haddet wel geseid. §. 15. Paraeus meint het schier gevonden te hebben: mitsdien dat de Slang hier onder het gedierte der aarde gerekend word; en dat het kruipende gedierte cap. 1: 24. daar van onderscheiden is. Meint derhalven, dat het gene eerst op voeten ging, zijnde onder dat gedierte der aarde begrepen, mits desen sijnen aart veranderd heeft, en nevens 't kruipende gedierte gerekend is. Maar wat de benaminge betreft, hy en heefter mogelijk niet op gelett, het gene wederom by Micha staat, daar de Slang uitdrukkelik onder 't kruipende gedierte word verstaan: Sy sullen 't stof lekken als de slange, als kruipende dieren ter aarde sullense sich beroeren uit hunne sloten. Mich. 7: 17. En de verandering aangaande, so en moetmen niet meinen dat de val des menschen, of het quaad van enig beest hem aangedaan, desselfs natuur veranderd heeft. Dat God geschapen heeft na sijnen aart, houd sijner aart, maar verandert slegs in sekere omstandigheid. De joodsche verdichtselen over dese Slange,

{==124==} {>>pagina-aanduiding<<}

eerst wanschapen en daarna verschapen ende wat dies meer is, zijn voor Kristenen niet weerdig om te melden. §. 16. Nu salmen uit het bovenstaande moeten sluiten, dat de Slange voor den val geen slang geweest is, sose op voeten ging: en dat dienvolgens 't gene dat geseid word, de slange was listig, en de slange sprak de Vrouwe toe; so veel te seggen zij als offer stonde, een van 't kruipende gedierte dat niet en kroop, of dat naderhand in ene slang veranderd is: was voor dien tijd het listigste, en sprak so tot de Vrouw. Om die verandering te tonen, so hadde Moses van te voren wel geseid, hoedanig dat het beest was, eer 't in ene slang veranderd wierd: om de swarigheid voor te komen die wy nu hebben, om te begrijpen hoe ene slang so listig was, en sulke woorden spreken kon. Maar had hy dat gedaan, hy soude ons genoodsaakt hebben, om te geloven dat de slange diemen heden siet, het selfde dier niet is, dat den mensche verleid heeft: dewijle 't geen slangen lichaam hebben konde, so 't op voeten ging: en dat die verandering des lichaams het geheele dier verandert; 't welk sonder redelike ziele zijnde, buiten 't lichaam niets met allen is. §. 17. Al evenveel ook wat de slang te voren mag gegeten hebben; men sietse heden 't Stof niet eten, so als dat hier met een ter straffe word geseid. Daar is byna niets dat ene slange niet en eet: allerhande kruiden allerhande vleesch; ja geheele menschen en beesten, als 't van die grote slangen zijn. Sulx hebben Aristoteles en Plinius altijd geleerd, ende word noch heden in de Indien en elders so bevonden. Des niettemin so spreekt de schrift op andere plaatsen desgelijx, als of de slangen niet dan stof te eten hadden. Want stof sal de spijse der slange zijn: Ies. 65: 25. en de Heidenen, wanneerse by maniere van spreken het stof lekken sullen, daar in doen gelijk de slangen. Mich. 7: 17. Dit laatste met ene andere spreuke vergeleken, sy sullen 't stof uwer voeten lekken: Ies. 49: 23. soude ons konnen doen geloven, dat het stof eten hier ter plaatse niet so seer op 't voedsel siet, daar sich de slange mee behelpen soude; als wel op den laagen en verachten staat, waar toe sy moest verworpen zijn. Maar 't gene daar geseid is, dat stof de spijs der slange wesen sal, is te klaar, om het deser wijse uit te leggen. So dat hier wederom een oplosselike swarigheid in steekt. §. 18. De Vyandschap tusschen Vrouw en slang, en beider Zaad is mede niet so klaar. Indien men 't na de letter wil verstaan: so moet het Vrouwen zaad het menschelik geslagt: en dat van de slang 't gedierte van dien aart, dat daar uit soude worden voortgeteeld, betekenen. D' uitleggers nemen 't ook voor eerst in desen sin. Maar dan sietmen noch al niet, dat de vyandschap tusschen Mensch en slange, schoon genoegsaam kennelik; echter groter zy dan met seer veel andere dieren, wolven, beiren, tijgers, luipaarden, en boven al de krokodillen. Behalven datter slangen zijn, die den menschen gansch geen leed maar noch wel enige diensten doen. So en is ook niet wel te begrij-

{==125==} {>>pagina-aanduiding<<}

pen, hoe God dese vyandschap tusschen de Slang en den Mensche setten soude, dewijle men met goede redenen geloven mag, dat deselve natuurlik; en beneffens de Sympathie en Antipathie, dat is Medeneiginge en Tegenstrijd der nature van alle lichamen, ingeschapen is. Indien niet: so is de vrage wederom, waarom dat sulken vyandschap niet weiniger in andere schepselen, als in de Slang gevonden word; of waarom dese meer als d'ander daar in genoemd? §. 19 Eindelik men soude konnen seggen, dat de vyandschap van 't Vrouwen-saad (de menschen in 't gemein daar door verstaan) na dien tijd veel verminderd is, wanneer gehele volkeren, tot op desen dag de vriendschap van de Slang gesocht: en niet alleen, gelijk onse eerste Moeder in het Paradijs gehoor gegeven; maar self goddeliken dienst bewesen hebben aan de Slangen; gelijk by ouds d' Ophitae, so veel geseid als Slangsgesinden, sich daar in te groffelijk verliepen. Van deselven schrijft Tertulianus: Serpentem magnificant in tantum, ut illum etiam ipsi Christo praeferant: Ipse enim, inquiunt, scientiae nobis boni & mali originem dedit. Sy verheffen de Slange so hoog, datse die self boven Christus stellen: want door haar, seggense, hebben wy de kennisse van goed en quaad. Van d'oude Heidenen schrijft AElianus I. 17. c. 5. datse by d' Egyptenaren {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

ischuroos, dat is, kragtig geëerd wierden. Desgelijx heeft Maximus Tyrius de Indis serpentes venerantibus, van d' Indianen die de Slangen vereeren sijne 38. Dissertatie of Redenvoeringe gemaakt. Wat het hedendaagsch Heidendom betreft: de Makassaren houden 't voor een groot geluk, sommige Slangen in huis te hebben. Die van Calicuit geloven dat de Slangen self Gods geesten ofte kragten zijn: des werden ook de genen dieder ene doden, met de dood gestraft. Die de weereld t'huis bereisen, mogen sulx uit Balby, Balde en Di Barthema verstaan. D'oude Samogyten selfs hier in Europa, maken 't na Olaus meldinge niet beter.

§. 20. Op dit alles hoor ik gaarne 't gene hier Baldaeus seit, te weten: 't Is een teken dat sy van het Slangen Zaad zijn, en noch niet in Gods Verbond: alwaar vyandschap gesteld is tusschen het Vrouwen Zaad en de Slange, den Duivel ende sijn boos zaad. Dus komtet dan eindelik op den Duivel uit, die de Slange was, of die door de Slange sprak: ende om die reden de grote Draak en d'oude slange genaamd zy. Openb. 12: 9. Paulus houd sich blotelik aan den naam van slange: 2 Kor. 11: 3. maar hoe komt Ioannes aan den Draak? Ik wil my hier niet ophouden om de reden te ondersoeken; also die draak in Gesigte vertoond word, en dat het van toekomende, niet van voorledene tijden spreekt: so dat uit desen weinig dien aangaande te besluiten is. Dit alleenlik; dat de Vyandschap, in 't Paradys verkondigd, tusschen 't Zaad der Vrouwe en der Slange tot op heden duurt: in dier sin, dat door de naam van slang of Draak de Duivel; en door zijn Zaad, desselfs Engelen, dat is bose geesten die van sijnen aanhang zijn, verstaan werden. Maar dan mag-

{==126==} {>>pagina-aanduiding<<}

men door het Zaad der Slange geen bose menschen (gelijk gemeinelik geschied) verstaan: also de nergens Duivels Engelen genoemd; maar uitdrukkelik, so 't schijnt, de vervloekte menschen van deselven onderscheiden worden. Matt. 25: 41. Daartegen, aangesien de naam van 't Zaad der Vrouwe, by uitnementheid op de Heere Christus word gepast; so moest Michaël, hoofdvyand van den Draak, geen Engel zijn, gelijk ik echter XII. §. 3. tone dat hy is: en sijne Engelen, in d' Openbaringe also genaamd, en konnen de Gelovigen niet wesen, die de Schrift over al van de Engelen onderscheid. §. 21. De swarigheid die ik daar melde word vergroot, door 't gene in dat selfde Gesigte van de Vrouwe die het Manneken baarde, van den Draak vervolgd wierd, en na de woestyne vlugte, verhaald word. Want het Soonken, daar die Vrouw van swanger ging, op Christus geduid zijnde; so en kan hy Michaël niet zijn, die de Vrouw te hulpe quam, om haar teffens met haar kind tegen den Drake te beschermen. Derhalven kan 't niet missen, somen iets van den Duivel, als by name van de slang in dien vloek betekend, uit dese plaats besluiten wil; of men moet ontkennen, (t' gene echter overal voor waar is aangenomen) dat Christus 't Zaad der Vrouw zy: want dit toegestaan, so en is de Duivel wederom de slange niet. Maar aangesien dat ik dit niet seggen wil; so moet het my ook vry staan, het bewijs, datmen tot verklaringe des vloeks in 't Paradijs, uit dat Gesigte van Ioannes, en uit die manier van spreken neemt, af te wijsen. §. 22. Dus blijven wy al wederom met Moses hier alleen: want Paulus seit gelijkerwijs als hy, dat het de slange was, die Eva door arglistigheid bedroog. En moetmen daar den Duivel by verstaan? so kan men met de straffe nergens heen, die hem word opgelegd, hoe hy, die geenen buik heeft ende nooit en ging op sijnen buik sal gaan. By gelijkenisse (hier onnodig breder uit te leggen) salmen sulx noodsakelik verklaren moeten: en derhalven seggen, dat de slang alhier in plaats des Duivels word genoemd. Indien hier, waarom ook in al 't voorgaande niet: en volgens dien dit gansch verhaal by Moses (gelijk velen onder d'oude leeraars meinden) verbloemder wijse te verstaan? Doch moetmen dan al wederom met het gedierte der aarde verlegen zijn; dat noch iemant ooit, mijns wetens, op des Duivels volk, 't zy bose Geesten of godlose Menschen, gepast heeft; maar wel sijn Zaad. En soude daar in ook noch dese swarigheid te vinden zijn: datter bose menschen voor den Vall, of bose Geesten buiten 's Duivels Zaad of Engelen geweest zijn. §. 23. Gy siet wel, Leser, neemt'et vry so als gy wilt: het gene datter geseid word kan niet eigentlik verstaan worden; het zy datmen 't op de slange, of op den Duivel, of ook op alle beide passen wil. Niet op de slange: datse sprak, datse listig was, datse Eva bedroog, en diergelijk. Niet op den Duivel, die nergens genoemd, noch door 't minste teken gemeld

{==127==} {>>pagina-aanduiding<<}

word; die onder 't gedierte der aarde niet en is, die buik noch kop, noch stof of anders iet tot spijse heeft. Niet op beiden: het zy tsamen, of nu d'een, dan d'ander in 't besonder. Tsamen niet: om dat een alleen gedurig word genoemd; dat de Schrift ook nergens elders in dit stuk de Slange met den Duivel tsamen voegt; en dat hier niets geseid word dat op beide tsamen past. Also weinig kan de text gescheiden worden, om 't een deel op de Slang, en 't ander op den Duivel toe te passen: om dat de stijl en t'samenhang geen scheiden lijd, en dat de Slang 't begin en 't einde van de gansche reden is. §. 24. Hoewel noch niemant, dat ik wete, alle die verhaalde swarigheden heeft geseid: so heeft my echter neffens anderen wel toegeschenen, en ik hebbet mede opentlik also geleerd; dat het gansch verhaal wel na de letter op de slange, maar verbeeldender wijse op den Duivel moest verstaan zijn. Maar nu ben ik so gerust niet meer, nadat ik alles uit den grond heb opgehaald. De redenen die my beswaren zijn geseid: en een letterlijken sin is nochtans een sin. Doch wy hebben, mein ik, klaar genoeg gesien, dat d'historie, alles na de letter genomen, niet waar kan zijn. Schrijft Moses dan het gene iemant soude derven denken dat niet waar en is? dat zy verre! maar in sulken sin verstaan, die waar kan zijn Verbloemder wijse, wil ik seggen; datmen anders wat versta, dan de woorden in den eersten opsigt mede brengen. Segt iemant dat die stijl in geen gebruik is, daarmen van geschiedenissen spreekt: ik en sal my met geen wereldlike schrijvers, die daar vol af zijn, behelpen; de Schrift selve komt ons hier genoeg te baat. Doch 't bewijs moet noch een weinig wachten; dewijle 't in de volgende verhandeling te vinden is, en ik hier (schoon ongehouden, als in 't eerst bedongen is, §. 1.2.) in't voorbygaan seggen moet, hoe ik ondertusschen 't werk des Duivels in 't verleiden van den eersten Mensch versta. §. 25. Ik heb hier voor IX. §. 1. wel aangewesen, dat den eersten oorsprong van de sonde, na uitwijsen van de Schriften, uit den Duivel is. Of dat door raad of quaad exempel zo geschied, of op wat andere wijse, dat en seitse niet. Want so als het Moses hier verhaalt, so was 't de slange die het dede, en die 't echter (als getoond is) niet kon doen. D'andere plaatsen zijn beknopt en duister; die den Val des menschen met seer weinig, en verbloemde woorden melden. Van den beginne, seit Iohannes, dat de Duivel sondigt; 1 Ioh. 3: 8. en waarin? dat hy een Menschenmoorder was, seit de Saligmaker. Ioh. 8: 44. Waar uit sommige besluiten dat het 's Duivels eerste misdaad mag geweest zijn, den mensche tot den val te brengen. En so dat de meninge is, so schijnt dat sulx door leugen is geschied: also de draad van 's Heeren woorden mede brengt, dat hy eerst een leugenaar geworden is, wanneer hy in de waarheid niet meer staande bleef; en dat hy van de waarheid af viel, wanneer hy een Menschenmoorder wierd. Dan moetmen noch alvast stellen, dat die menschenmoord in 't veroorsaken van des menschen jammerliken staat, en 't

{==128==} {>>pagina-aanduiding<<}

einde den dood, tijdelijk en eewig heeft bestaan. Want uit den Vader den Duivel (of, so als Iohannes seit uit den Duivel) te zijn, dat en is anders niet, dan den Duivel in de sonde na te volgen, en gelijk te worden: gelijk het is Abrahams kinderen te zijn, datmen sijne werken doet: so als de Heer in 't 39. v. uitdrukkelik te kennen geeft. Hoedanig nu des Duivels werk of werkinge in desen zy geweest; Christus self noch sijn Apostel spreken daar af niet een woord. §. 26. Doch om Moses met hen beider over een te brengen, salmen moeten stellen, dat sy spreken van dat gene daar hy dit verhaal af doet, sonder dat hy eens den Duivel noemt. Paulus van des menschen eerste sonde sprekende, wie daar af de oorsaak was; schrijft het mede aan de slange toe; en seit dat Eva door arglistigheid van haar bedrogen is: 2 Kor. 11:v. 3. buiten twijfel daar op wijsende 't gene Moses op die wijse heeft verhaald. Maar dan brengt hy ons niet verder dan ons Moses heeft gebragt: die sulx van de slange seit, het gene wy nu stellen dat de Duivel heeft gedaan; na dien het hem van Iesus onsen Heere self, en van Iohannes toe, geschreven word. Buiten twijffel hadde Moses reden, na den tijd wanneer hy schreef, en den staat des volx in sulken tijd, om het gansch verhaal onder sulk bedrijf ener slange te verbeelden. Al en past het werk den slangen niet; nochtans die iet wil schilderen, brengter sulke streken en coleuren toe, als het sinnebeeld vereischt. Derhalven moeste dit verhaal, dat des Duivels werk onder dat van ene slang vertoond, so gesteld zijn, dat de slang door 't gansch verhaal ten voorschijn quam. Maar te denken dat de Duivel waarlik door de slang gesproken, of alsulke redenvoering met de Vrow gehouden heeft; schoon ik 't eertijds als een ander heb geloofd, so geloof ik 't nu niet meer. Die dan meint, dat ik in desen al te ongelovig ben, dien bid ik dat hy met my noch wat verder ga; en hy sal wel sien, dat wy maar te lichtgelovig zijn geweest. §. 27. Doch daar mede wil ik geensins seggen, dat de sake, die op sulken wijse word betekend, of als ene omstandige geschiedenis verhaald, niet waar sijn soude: maar wat daar in seker of onseker zy. Seker is de val des menschen uit den Duivel: onseker, hoe de Duivel dien te wege bragt. Hy sprak, segt gy, door de slange; of so niet, hy heeft nochtans daar in gewerkt, en door 't gene dat de Duivel dede is de mensch ten val geraakt. Dit stem ik toe: maar dat nu daar uit besloten word, dat die Geest onmiddelik op 's menschen Ziel of Lichaam heeft gewrogt, sulx neem ik noch niet aan. Het kan op veelerleije wijse wel gevonden worden, dat noch heden menig mensch tot sonde komt, door iemant die met daden, woorden noch gedachten op hem in 't besonder werkt. Hoe was het anders dat door Bileam in sijn af zijn, schoon door seker middel, Israël gebragt wierd tot den val? Num. 31: 16. Daar is so veel gebeurd, ende kan so veel gebeuren, daar den mensch de weg en wijse van verborgen is: datmen lichtelik misdoet door onseker gissen, over saken die God niet gewild heeft dat wy weten souden: en besonder, hoe dat voor den val de menschen met de Engelen

{==129==} {>>pagina-aanduiding<<}

verkeerden, ende wat doe wel geschieden konde, door gemeinschap onderling in dien staat der volkomenheid, dat nu niet geschieden kan. Over sulx soude noch al niet ter sake te besluiten zijn, al kondemen betonen, dat de Duivel doe onmiddelik iets op den mensche had gewrogt. Verdere verklaringen, hoe des menschen val zy toegegaan, ben ik den Leser hier niet schuldig; en met minder had ik wel voldaan: also hier niet van 's Menschen staat of kragt; maar van 't gene dat een Geest vermag, uit alles dat hier door den Duivel soude mogen gedaan zijn, te ondersoeken stond.


XXI. Hoofdstuk. De versoeking onses Heeren door den Duivel, schriftmatig en na reden uitgelegd, bewijst al mede niet.

§. 1. WAnt om voor vast en ongetwijfeld aan te nemen, dat een geschapen geest, en die van God verworpen is, op der menschen ziel of lichaam werken kan: hier voor is al getoond hoe veel dat daar aan vast is. Heeft de Satan uiterlijk sulken praat met de menschen al gevoerd, doe de Weereld eerst begon; hoe en leestmen dat niet meer? Selfs na verloop van viermaal duisend jaren, in die vermaarde t' samenspraak met den tweeden Adam, daar de Duivel wel uitdrukkelik genoemd word en is dat niet geschied. Want al ist dat beide Lukas en Mattheus dat omstandelik verhalen: so moetmen echter sich wel hoeden datmen alles na de letter niet versta. Of men moest met een geloven, dat Moses en Elias beide even seer op den berg personelik geweest, en met den Saligmaker t' saam gesproken hebben; gelijk dat eens en andermaal, ja driemaal word verhaald. Matt. 17: 3. Marc. 9. 4. Luc. 9: 30, 31. Nochtans was Moses niet lichamelik gelijk Elias, na den hemel opgenomen: maar gestorven; en wel sekerlik begraven, want God heeft het self gedaan. Deut. 34: 6. Was hy nu dan van den dood verreesen, en lijfhaftig in den hemel opgevaren: wonder dat de Schrift so groten wonder niet en meld. Die dan van sulx als in gesigten is geschied, so spreekt, als iet dat na de letter word verstaan; die weet, als Petrus, ook niet wat hy seit. §. 2. So wil 't hier mede gaan, besien wy eens ter dege dit verhaal. Niet dat ik seggen wil, dat dese strijd des Heilands met den Duivel, op eenerley wyse als die verandering in heerlikheid geschied zy. Want die was uitwendig blijkbaar, in 't aanschouwen van drie sijner liefste leerlingen: maar dese tusschen Christus en sijnen versoeker alleen. Daarbenevens ging Iesus sigtbaarlik den berg op, daar hy soude verheerlikt worden: maar hier word slegs geseid, dat hy van den Geest gedreven wierd in de woestijne; sonder daar by te melden, dat het iemant

{==130==} {>>pagina-aanduiding<<}

heeft gesien, of in den tijd van ses weken geweten waar hy was. Dan ik wil alleenlik tonen, dat dit verhaal geen bewijs en geeft van 't gene men beweeren wil: te weten dat de Duivel magtig is den mensch met woorden of met werken te vervoeren, of enige beweegingen in sijn gemoed of Lichaam te drukken. Want dat daar toe nodig zy, alles na de letter te verstaan: ende sulx echter daar uit niet en blijkt, om dat het een history is, die derhalven letterlik soude moeten verstaan zijn. Ia wel: so veel als het den genen op wiens getuigenis 't verhaal berust, op die wyse voorgekomen is: waarin by wijser, self de gene wien alsulx bejegend was, in twijfel stond, of het in der daad of alleenlik in gedachten was geschied. Altoos Paulus self, so veel als hem betrof, en wist niet of 't in den lichame of daar buiten was geschied, dat hy was geweest in 't Paradijs. 2 Kor. 11: v. 3. §. 3. Nu wat dese plaats belangt, ik en sie 't gemeen gevoelen niet gemakkelijker te weerleggen, dan dat ik 't na de letter neme. Stelt eens, dat de Duivel, so slim, so loos, so veel ervaren is; dat hy de menschen versoekt, kettery en doling sticht, alle heimelike guiteryen weet en werkt; ja dat hy de grootste godgeleerde in kennis is, gelijkmen sich gemeenlik niet ontsiet te spreken; op hope van hem als den tweden Adam te verleiden, gelijk hy aan den eersten heeft gedaan: hoe is die noch so bot, dat hy Christus niet en kent? So gy Gods Sone zijt, seit hy: want het doe al in 't gebruik was den Messias dus te noemen. Maar wat meint hy dat het wel te seggen is, Gods Soon te zijn? Sal hy die Gods Soon is, behoeven, om van steenen brood te maken, of sijnen snoodsten vyand te gevalle wonderen te doen? ja self van boven nederwaarts te vallen; en also niet beter als des Duivels gek te zijn? Sal hy wel Gods Sone zijn die sich van den Duivel laat bedriegen? Sal Gods eigen Soon niet weten, wien sijn Vader over alle Koningrijken deser weereld heeft gesteld? sal hy daar den Duivel een goed woord om geven; ik swijge, nedervallende hem aanbidden? Siet met een, hoe hier de Duivel sijne gauwigheid betoond heeft, om met Schriftuur om te gaan. Want die bleek, meinense, wanneer hy de woorde uit den 91. Psalm verminkte: 't welk hy sekerlik met voordacht niet en konde doen, of hy moeste Christus voor so plomp aansien, dat hy self de Psalmen niet en wist, wat daar in stond of niet. En siet, sulk bewijs is datmen van de geestigheid des Duivels geeft. §. 4. Dit sag mogelik een seker schrijven, die onlangs in 't latyn ene verklaringe, die hy selve niew noemt, en dien immers so ongehoord is als de mijne, over dit verhaal heeft aan den dag gebraght. Hy wacht sich van des Duivels groot verstand of kragt uit desen te bewijsen, na den letterliken sin, dien hy ganschelik verwerpt, maar stelt sulx voor af vast, als geen bewijs behoevende, also niemant, seit hy, daar aan twyfelen mag, die de H. Schrift sleghs met een half oog heeft in gesien. En

{==131==} {>>pagina-aanduiding<<}

dies kan hy lovi oculo (dat is licht daar overheen lopende) sien, dat de Duivel den Heer in de woestyne versoekende, onder anderen uit de mirakelen, die hy naderhand eerst gedaan heeft, aldoor af wist, dat hy de beloofde Messias was. Hy maakt den Duivel tot veel groter Godgeleerde, dan ooit iemant in de weereld is geweest: die Gods raad van 's menschen verlossinge uit Gods eigen woorden in den Lusthof al verstond. So dat d' Ouderlingen tot Efesen, door al 't prediken van den hoogverlichten Paulus niet meer geleerd hebben, dan de Duivel al 4000. jaar te voren wist. Want als d' Apostel meent wat groots verrigt te hebben, so en weet hy echter anders niet te seggen, dan dat hy hen Gods raad verkondigd heeft. Hand 20: 27. §. 5. Na sijn gevoelen, moet de Duivel mede een seer geestelijk Theologant zijn: al te groot van verstand, van wel te weten, om lichamelike stenen te betekenen, wanneer hy seit, Seg dat dese stenen broden worden. Maar dat verstond hy geesteliker wijs, in desen sin: seg dat de Heidenen (dat zijn de stenen sich self door eigen kragten salig maken; dat is een brood des levens worden. Want de Duivel wist almede de verborgentheid van de roepinge der Heidenen? welke d'Apostelen noch niet en wisten, wanneerse al ten rijxten beschonken waren met den H. Geest, als uit derselver Handelingen cap. 10 en 11. genoegsaam blijkt. De Duivel verstond dan beter de Profeten, dan degenen die van God gesonden waren om deselve uit te leggen. Dese roepinge der Heidenen, seit dien schrijver, socht de Duivel Christus af te raden. Dog daar mede laat hy 't wederom slegt liggen: dat die Gods raad en besluiten weet ook niet en weet datse onveranderlik zijn: of die Gods Soon so wel kent, niet en denkt dat Gods Soon insgelijx den Duivel kent. So dat sich de Duivel hier moest hebben laten voorstaan, dat Gods Soon, vrywilliglik en voordachtelik uit den Hemel neergedaald, om de menschen te verlossen: sich van den Duivel soude laten weerom sturen, en onverrigter saken henen gaan. §. 6. Het tweede voorstel des Versoekers, werpt u selven nederwaarts: is by desen schrijver mede geestelik verstaan, en so veel als oft de Duivel seide: werpt u selven uit de Ioodsche Kerk, die gy aangenomen hebt van de vuile besmettingen haarder dolingen te suiveren; dit is geen werk dat Godes Sone past. Nochtans komende tot de derde besoekinge, so vervalt hy tot den letterliken sin. Dien berg gist hy dat de Libanus is: maar 't vertonen van de Koningrijken der aarde niet aan 't uiterlijk gesigt, maar aan de gedachten geschied te zijn. Doch tot sulk ene vertoninge hadde, mijns bedunkens, de Duivel geenen berg van node: elke plaatse, self de diepste valley was daar toe bequaam. Of 't was, om dat de Duivel ook al wist, dat de berg Libanus ene geestelik beduidinge had in de Schrift, gelijk deselve Duivel sulken diepsinnigheid, hoge geleerdheid, grote ervarentheid in kerkelike saken, ende besonder voorsiennigheid in 't beleid van alle sijne handelingen toe te schrijven: dat geen Doctor

{==132==} {>>pagina-aanduiding<<}

in de Godgeleerdheid ooit tot dit volmaaktheid kan gekomen zijn? §. 7. So groot als hy hier dan sijn verstand in toonde, so bleek ook sijne kragt. Want heeft hy Christus waarlik met sijn lichaam uit de woestijne na Ierusalem, en daar op des Tempels hoogste dak gevoerd; so hebben 't duisenden van menschen moeten sien: of 't is by nachte geschied; echter dat en staater niet. Maar doe hy hem alle Koningrijken van den berg liet sien, was 't buiten twijfel licht schoon dag. Maar segt my eens die de weereld meest bereisd heb; die d' Alpes en de Pyreneën, den Olympus, den Atlas, Thabor, Libanus, en Sinai beklommen hebt: hoe veel koningrijken hebt gy daar wel konnen sien? Maar siet hier wederom een groter wonder, dan God self op sulken wijse heeft gedaan. Hy toonde Moses een der kleinste koningrijken van de weereld, het land Kanaan, van enen berg: Deut. 34: 1, 2, 3. maar de Duivel (somen 't mede na de letter wil verstaan) toonde teffens alle koningrijken van de weereld, die by duisenden zijn; en sommige wel twintigmaal so groot als ooit het rijk van Israël geweest is. §. 8. Noch nader: was den Aardkloot doe niet rond gelijk hy noch is? Hoe kond hy dan vertonen, en dan in eenen ogenblik, (gelijk als Lukas schrijft) de koningrijken die aan d'andere zijde van den Aardkloot waren? Of had de Duivel konstglasen, dergelijken nooit vernomen zijn: waar mede hy dat verre af en achter rugge was, naby en regt voor ogen brengen konde. So moest het insgelijx met al de heerlikheid der Koningrijken gaan: indien daar veel tot heerlikheid behoort, dat uiterlik niet is te sien. De koningklike schatten, hun hof stoet, wapening, en diergelijk, is meest al binnen muurs en onder dak: om die te sien, heeftmen op de bergen niet te klimmen; maar daar af, soder iemant op mogt wesen. In deser voegen magmen klaarlik sien, dat dit verhaal van Christus en den Duivel na de letter niet en moet verstaan zijn. §. 9. Dit hebben veele in dat deel al aangemerkt, daar ik nu van spreke. Men heefter allerhande gissingen op gemaakt, of het dus of so niet soude mogen gebeurd zijn: om noch al, so veel als mogelik, vast te houden, dat de Duivel 't konde doen. Ten laasten komen sommigen so verre, datse 't enen indruk op de sinnen noemen, by welken dit den Saligmaker door kragt der inbeeldinge vertoond zy. My en mag het dan niet qualik afgenomen worden, so ik segge, dat al 'tgene hier verhaald word in dien sin te verstaan zy. Indien het een deel der historie oneigentlik verklaard mag worden; waarom ook het ander niet? Veel gemakkeliker is 't, dan een evendragtige sin, dan dat allerhande uitlegginge, hier dus, daar so, aan verscheidene delen eener selfde reden toegeschreven word. Want ook enige onser eigene schrijvers sulx geloven, over saken die so vreemd niet wesen souden, sose waarlik al gebeurd waren, als dit is. §. 10. Dat laat ons nu eerst sien: en daar in eerst wat de Schrift seit,

{==133==} {>>pagina-aanduiding<<}

daar na hoe onse leeraars dat verklaren. het begin van 't woord des Heeren tot Hosea was, gaat henen, neemt u ene vrouw der hoereryen, ende kinderen der hoereryen. So ging hy henen, ende nam Gomer ene dochter van Diblajim; die ontving ende baarde hem enen sone, ens. Ende sy ontving wederom ende baarde ene dochter; ens. noch ontvingse ende baarde enen sone. Hos. 1: 2, 3, 6, 8. Wat seggen onse uitleggers van dit werk? Gebied God den Profeten hoererye, die hy 't volk verbied; en daar over hy het selve door Profeten, en noch mede door Hosea self bestraft? Hos. 4: 11, 18. Paraeus beweert met vele redenen, dat het figuurlik te verstaan zy. Iunius ontrent ook so: Assumes (fidelicet prophetiâ; id est, prophetato hunc typum, te similem esse homini qui assumpserit sibi uxorem & liberos hujusmodi. Neemt u) namelik door profezye, seit hy: dat is, profeteert dit voorbeeld, dat gy als een mensche die sulken vrow en kinderen genomen heeft. Onse Oversetters met duidelike woorden: om dat hier geseid word, neemt een hoer met hoerkinderen; en daar na, dat de Profeet deselve hoerkinderen by die hoeren gewonnen heeft: daar uit blijkt dat het niet in der daad also geschied zy. Hoe dan? So als sy weinig daar te voren seggen: door een gesigte in den Geest inwendiglik, by maniere van parabel of gelijkenisse. So ook wanneer God den profeet Ezechiel gebood, eerst 390. dagen te liggen op sijne slinker; en daar na noch 40. dagen op de regter zijde: cap. 4: 6. so seggense; Men houd dit van den Profeet geschied te zijn, niet dadelik in sijn persoon, maar in een profetisch gesigte ens. §. 11. Wilmen nu ook eens op dese wijse van dit doen des Duivels met den Heere Iesus spreken: ik meine datmen daar toe al so grote reden heeft. Van den Geest wierd Iesus wech geleid in de woestijne: om versocht te worden van den Duivel. So schrijft Mattheus: en Lukas, dat hy vol des H. Geestes was. Stefanus vol zijnde van den H. Geest, sag Iesus staande aan de regterhand. Hand. 7: 55. Is dat lichamelik geschied? Dat en hoor ik niemant regt uit seggen: en wat was de Geest in sulken volheid nodig tot een vleeschelijk gesigt? God wilde dan, dat hier sijn welgeliefde Soon in de eensaamheid geweken, sich den Duivel eens verbeelden soude: als den genen die den menschen so veel ramps had aangebragt, wiens werk hy nu dan tegen ging; en die sich ook met alle kragt daar tegen stellen soude, so hy konde. Hy die in alles is versocht geweest als wy, (doch sonder sonde) Hebr. 4: 15. door vasten en door bidden lang geoefend in den Geest; sag, so als hem docht, den Versoeker komen, die hem dus en so tot den afval socht te brengen. De droefheid, anxt en vrese (die Paulus seit dat hem in de dagen des vleesches overquamen Hebr. 5: 7.) hebben hem, gelijk daar na op 't einde in den hof, Matt. 26: 37. daar op 't begin in 't woeste land bevangen. En d' uitkomst was byna gelijk: hier, dat hem d'Engelen quamen dienen; en daar, dat een Engel uit den Hemel hem versterkte. Luk. 22: 43. Een klaar bewijs, dat de tweede Adam vaster dan de eerste stond.

{==134==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 12. Dunkt iemant, dat hier swarigheid in steekt, so ik het dus verklaar? en dat die dan so groot wel is, datmen liever dan mijne uitlegginen toe te staan, den Duivel, die 't van elders niet en is, uit dese plaats so groot wil maken, datmen eindelijk met hem verlegen staat? Liever seg ik dan, dat ik de Schrift in sulke dingen niet versta; dan die so te verklaren, datter misverstand uit rijsen moet. Het is veel veiliger iets niet te weten, dan so verstaan, datmen 't onmogelik niet goed kan maken. En hoe is het goed te maken, datmen aan den Duivel toeschrijft het gene hem te groot is, het gene hem ten God maakt, het gene nergens toe dienstig is; het gene God niet en verheerlikt, maar verkleint? D'Engelen, Gods kragtige helden, die altijd voor sijn aangesigte staan, hebben ten hoogsten maar met sondige menschen gesproken: en soude de vervloekte Duivel Gods eigenen Soon op sulken wijse aangesproken, en gins en weer geslingerd hebben? Heeft ooit goeden Engel iemant so van d'eene plaats na d'andere vervoerd, daar hy self niet wesen wilde: en dat tot ene sake die so seer was tegen sijnen sin? D'Engelen (seg ik noch eens) hebben nooit, so veel men leest, tot hem; maar altijd slegs van hem tot anderen gesproken: hoe komt een hels gevangen dan aan d'eere, dat hy self sijnen groten Regter, so vry, so stout, so onverdragelik verwaand toespreken derf? Verre zy 't van ons, de Schrift in sulken sin te nemen, die self onbetamelijk om te denken is. §. 13. Maar, segt gy waarom onbetamelijk? Betaamde 't God (gelijk d'Apostel leert, Heb. 2: 10. den opperleidsman onser saligheid door lyden te heiligen; en moest hy eens den Duivel, die 't geweld des doods hadde te niete doen: (v. 14.) wat ongerijmdheid steekter in, so hy hem in d'uiterste vernedering ook eens in tweestrijd met den Duivel bragt? En so hem God de Vader self op't einde van sijn leven in de handen der onregtveerdigen geleverd heeft: (Hand. 2: 23.) waarom ook dan aan den Duivel niet? Op dese redenen moet ik dit tot antwoord passen: dat sijn lyden (so als 't onse Catechismus wel verklaart) op 't einde van sijn leven swaarst geweest is; maar doe had hy van den Duivel geenen last, dat het ook al vry wat veel verschilt, van bose menschen slegs gevangen, en van d'eene plaats na d'andere natureliker wijs geleid, geslagen en gewond te zijn; of van dat hoofd van alle boosheid, den Duivel self onnatuurlik by het lijf gegrepen, en door de lucht gevoerd te werden. Wie en siet niet, dat dit was het uiterste dat de Saligmaker lijden konde; van God self verlaten, en met helschen anxt bevangen zijn? Maar geheel in 's Duivels magt te wesen en van hem na sijn believen gins en weer gesleept te worden; in plaatse van den Vader noch te konnen bidden, en van hem ter uiterste benawdheid ook verhoord te zijn; (Heb. 5: 7.) nu reeds met dat hy sijnen dienst begint, geheel van God vervreemd, en selfs tot een vervloekt aanbidden des verdoemden Duivels aangesocht te worden; dat komt my waarlik voor, als 't ongerijmdste dat men schier bedenken kan. Te meer also hy geen getuigen van dit allergrootste lijden hadde, so wel als

{==135==} {>>pagina-aanduiding<<}

namaals in den hof. Want had hy swakken troost van sijne slaperige leerlingen; van wilde domme beesten had hy altoos niet. Behalven dat die 40. dagen, (gelijk het Marcus meld, cap. 1: 13.) het andere slechs weinig uren heeft geduurd. §. 14. Nochtans die sulke grote dingen aan dien bosen geest betrouwen, meinen dat het Christus self tot eere strekt, sijnen vyand groot te maken. Wat eere heefter dan de grote Heiland af, seggense; indien die sware strijd met den Duivel, dien hy so ridderlijk afsloeg, niet na waarheid so geschied is, als de letter mede brengt. Maar wat eere (vraag ik wederom) had de Heere van den swaren strijd in den hof Getsemane? Swaarder buiten twijfel dan die in de woestijne was; daar geen Engelen eerst op 't einde quamen als 't gedaan was, die hem dienden; maar een Engel midden in den strijd, die hem versterkte? Luk. 22: 44, 45. Is 't geen wonder, dat de menschen sulken eere stellen in 't vechten met enen vyand, die geboeid en geketend is: of geenen vyand in de weereld voor de menschen vinden konnen; soder geen uit de gevangenis gehaald, of ten minsten uitgelaten word? Want wat heeft hy doch daar aan, dat hy slechs voor enen tijd is los gelaten, om Gods Soon te quellen? weet die niet dan sijn vyand, uit de Hell tegen hem opgeborsten, wederom ter Helle varen moet? En sal hy dan met sulke woorden, dat dien helhond de geheele weereld eigen is, wel te bekoren zijn? Neen, sult gy buiten twijfel seggen; also de heiland self wel beter wist, en beter socht. Maar dan was het seker ene geringe versoekinge; die den minsten strijd niet konde werken op sijn welgesteld gemoed. §. 15. Die nu meinen, dat geen swaarder strijd is voor den mensch, dan dien hy met den Duivel heeft; of den Engelen (so 't schijnt) d' eer niet en gunnen, datse by Gods Soon of kinderen verkeeren, of de Duivel moeter in gekend zijn: die konnen hier te regte raken, sose Lichtfoot maar geloven; die mede niet begrypen kan, hoe Christus in so swaren strijd kon wesen, doe hem de last van Gods ondragelike gramschap drukte, so 't de Duivel niet geweest is, die hem vervaarde. Quamvis enim non referatur in terminis, promptum tamen mihi est persuaderi, quod Diabolus apparuerit Christo in specie aliqua visibilis. Want (seit hy) al word sulx niet uitdrukkelik verhaald; so laat ik my echter lichtelik wijs maken dat de Duivel in sekere sightbare gedaante aan Christus verschenen zy. In forma scilicet aliqua dira & horrenda, quâ Christum perterrefaceret: te weten, in sekere schrikkelike en vervaarlike gedaante, waar mede hy Christus verschrikken mogte. Dat was in den hof: maar in de woestijne meint hy, dat de Duivel formam angeli boni, vel potius speciem aliquam Spiritus Sancti, de gedaante eens goeden engels, ofte veel eer enige gelykenis des Heiligen Geestes aangenomen hadde. Waar blijft gy hoogverlichten Apostel, die het voor wat groots acht, so sich de Satan in enen Engel des lichts veranderen kan? 2 Kor. 11: 14. Dese Engelsche Schriftgeleerde kan sonder Schriftuur en tegen reden wel geloven, dat sich de Duivel in God self veranderen kan! Wie schrikt niet van alsulke taal?

{==136==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 16. Doch nu hoor ik wederom, dat ik om den Duivel niet so groot te hebben, Christus self noch meer verkleine; so het enen indruk geven konde op sijn welgesteld gemoed, 't gene van de Koningryken deser wereld en derselver heerlikheid gemeld is. Dat van steen tot brood te maken, en van 't hoogst des Tempels af te springen, merk ik niet datmen my sal tegenwerpen. Op dat ander dan, kan ik niet versinnen, waarom Iesus by hem self niet denken konde, dat hy van sijner Godheid wege meester zijnde van al wat in de weereld heerlijx is: niet en soude konnen gedacht hebben op den armelijken staat, daar hy sich van selfs in gaf. Dat hy d'eere sijner wonderwerken (als magtig om van steenen brood te maken, en sonder sich in 't minste te beseeren van de hoogste steilten af te springen) by de menschen soekende, door deselve lichtelik tot groten staat geraken konde; gelijk alreeds het volk, noch weerelds gesind, ten aardschen koning hem verheffen wilde. Ioh. 6: 15. Siet daar een proefstuk van alsulke aanbiedingen des Satans, om door gunst te soeken by de weereld, die in 't bose ligt, (1 Ioh. 5: 19.) en daar in den Duivel, eersten stichter van het bose aan te bidden: tot een groot bewind en hogen staat te klimmen. §. 17. Dit weinig acht ik hier genoeg geseid, om alleenlik aan te wijsen, hoe gemakkelik dit werk van 'sHeeren aanstrijd met den Duivel op gelijken wijse mag verklaard zijn, als degene dien hy namaals in den Hof heeft uitgestaan: blotelik in wisseling bestaande van vervaarlike gedachten, met de gene die hem sijn gesond verstand, en volheilige wille telkens opgaf, om den indruk van dat droevig voorbeeld te versetten. En dus heb ik, so my dunkt, dese plaats aangaande duidelik genoeg getoond, dat het bewijs 't gene men daar uit van 's Duivels grote kragt en kennis haalt, gansch niet en deugt. Want wy sien, dat het na de letter verstaan, veelerhande ongerijmdheid met sich sleept; ende geestelik verklaard zijnde, geensins dienen kan tot bewijs van uiterlike werkingen, diemen wil dat de Satan daar in heeft gedaan. Wil iemant dat ik op een ieder stuk in 't besonder seggen sal, hoe ik het self versta; dat soude hier niet voege, sonder mijn gevoelen dien aangaande breder te verklaren, om niet qualik verstaan te zijn. Doch dewijle sulx te lang vallen soude, ende ik daar toe niet gehouden ben; zijnde slegs mijn werk om 't gene anderen dunkt bewijs te zijn te ondersoeken; so laat ik dat vervolgens hier berusten.


XXII. Hoofdstuk. Dat de Schrift van David seit, hoe hem de Satan porde om het volk te tellen, geeft al mede geen bewys.

§. 1. SO als de twede Adam de versoekinge te boven quam, daar de eerste voor besweek: David, die tusschen beiden was, schoon de

{==137==} {>>pagina-aanduiding<<}

vader van de Messias, echter mede Adams kind, kon daar tegen niet bestaan. Immers in de Schrift word dat so gemeld, dat de Satan magtig schijnt geweest te zijn, dien man na Gods herte op 't kragtigste ten quade te overreden. De geschiedenisse, waar by dat zy voorgevallen, word op twee plaatsen verhaald: met so veel verscheidenheid van tale, dat het eene byna regelregt tegen 't ander schijnt te strijden. Want op d'eerste plaatse, 2 Sam. 24: 1. leestmen dus: De toorn des Heeren voer voort te ontsteken (dat is, ontstak noch meer) tegen Israël; ende hy porrede David tegen hen aan, seggende, gaat, telt Israël ende Juda, Maar op d'andere 1 Kron. 21: 1. staat: dat de Satan tegen Israël opstond, en hy porrede David aan, dat hy Israël telde. Wat gemeenschap heeft God met den Duivel, dat hen beide een selfde daad word toegeschreven? Dese swarigheid moetmen uit den wege doen, blotelik om der eere wille des allerheiligsten Gods; alsoude my sulx in mijne sake hinder doen. §. 2. En dat soude 't sekerlik, indienmen stelde dat op eenerleye wijse niet bewerkt is, 't gene op eenerleye wijse als Gods en des Duivels werk verhaald word: want aanporren en aanporren is een. Somen dan, God aangaande, hier op seggen mag, dat hy niemant aanport of versoekt ten quade: Iak. 1: 13. so moet volgen, dat het ook den Duivel niet moet worden toegeschreven, uit dien dat hier geseid is, hy porde David aan; dewijle 't selfde eerst van God geseid is. Onderscheid alhier te maken, dat een selfde werk Gode toegeschreven word, als opperstierman van al 't gene dat een schepsel doet; en den Duivel als de naaste onderoorsaak: (waar henen ook d' Arabische vertalinge, ofte eer verklaringe helt) dat en geld hier niet; de taal is even eens. Dat schaad niet, sult gy seggen: want ook Absaloms bloedschandig byslapen Gode self word toegeschreven; Ik sal dese sake doen, seit God. 2 Sam. 12: 12. Maar seit hy ook; Ik sal by uwe wijven liggen; 't gene Absalom gedaan heeft? cap. 16: 22. Wat saken was 't dan die God soude doen? 't Gene hy geseid hadde: ik sal uwe wijven uwen naasten geven: En dat heeft hy door sijn onberispelik bestuur also gedaan. Maar wat soude Absalom doen? by die wijven liggen; en dat heeft hy door sijne eigene boosheid, en Achitofels raad also gedaan; Absalom ging in tot de bywijven sijns vaders, voor de ogen des ganschen Israëls. So verschilt dan hier het doen van God en Absalom, als geven scheelt van nemen; als die de sonde straft van die de sonde doet. Maar tot de tellinge des volx, also dat schijnt, wierd David van den Duivel aangepord, en wierd hy aangepord van God. §. 3. In den latynschen Bybel van Iunius en Tremellius vindmen, om die swarigheid te mijden, op d'eerste plaatse 't woord adversarius, tegenparty, tusschen in gevoegd Perrexit ira Jehovae accendi in Jisraelitas: quum incitasset adversarius Davidem in eos: dicendo, age numera Jisraelem & Jehudam. Dat is: De toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen de Israëliten; wanneer de tegenpartye David aangepord hadde, seggende, gaat, telt Israël en Juda. De reden daaraf word op de kant

{==138==} {>>pagina-aanduiding<<}

in de Aantekening gemeld, dat die aanvullinge genomen is uit 1 Kron. 21: 1. om dat namen die uit sekere daad hunne oorsprong hebben, na den aart der Hebreeuwsche tale dikmaals nagelaten worden: wanneerder 't oorspronkelik woord, die daad betekenende, by staat, waaronder het als dan verstaan word met een begrepen te zijn. Maar 't bewijs dat hy daar af geeft uit Gen. 28: 21. is te duister en te verre gehaald; self heb ik een gevonden, dat klaar en by der hand is. Van Esther word gemeld, dat sy om tot den koning te gaan {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

tilbasch malcoeth, sich kleedde met het koningrijk, of des koningrijx; daar 't woord 

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

lebuschei of 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

malbuschej klederen uitgelaten is. Want de volle sin is, dat Esther sich bekleedde met klederen des koningrijx dat is, Koninglyke klederen, wanneerse tot den koning ging. Dus beken ik, dat de woorden lijden, te deser plaatse insgelijx dat in te voegen, gelijk sy doen: 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Vaijaseth massijth, ende een aanrader ried hem aan, of een ophitser hitste hem op; dat is, iemand heeft hem aangeraden of opgehitst. Ende sulx past hier te meer, om dat het woord massijth aanrader of ophitser, 2 Kron. 32: 11. en Ier. 43: 3. staat: in plaats van 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

massijth hoe o jeesch lemassijth, hy is een aanrader: een ophitser, een verleider; of van 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

jassijth, hy verleid, hy hitst u op.

§. 4. Op dese wijse word Gods eere wel bewaard, dat die self d'aanrader deser sonde niet en was; also 't sulken sin op beide plaatsen aan den Satan toegeschreven word. Maar dus doende moetmen noch te meer verlegen staan, hoe so groten werk den Duivel toegeschreven word? want de naam van Satan is aldaar in 't grieksch Diabolos vertaald. So was het dan de Duivel die David aanporde, die hem ophitste, of die 't hem ingaf, dat hy 't volk soude tellen. Maar hoe gaf hem die dat in; of hoe heeft hy hem uitwendig of inwendig daar toe aangepord? In uiterliken schijn des lichaams? Dit moest dan 't enigste exempel in den Bybel zijn, daar sulx enigsins gemeld word: en daar nochtans weinig blijk van is, als in een van allen d'andere gevallen, daar diergelijk gebeurd mogt zijn. Sulx hebben wy in vorigen gesien: en leestmen nergens 't allerminst bewijs in Godes Woord, dat de Duivel ooit met menschen in lichamelijken schijn gesproken heeft. Wilmen 't nu inwendig hebben: so moetmen eerst de redenen weerleggen, waarom ik niet gelove, dat een Geest die van anderen aart dan de Ziel des menschen is, beter met deselve, dan d'een ziel met d'andere, sonder behulp van lid of lichaam spreken kan: waar over 't VII en X. hoofdstuk van den Leser werde nagesien. §. 5. Salmen dan om so kleinen oorsaak seggen, dat de Duivel, ofte wie 't ook sijner bosen Engelen geweest mogt zijn, uit hellen te Ierusalem gekomen zy, om den koning te overreden: sonder datmen eerst eens overslag make, watter al werx aan vast is, om dat so te doen? Want hoe? Maakt den Satan toe so als gy wilt: in wat gedaante meint gy dat hy mag verschenen zijn? Ener slange, of van enig ander beest?

{==139==} {>>pagina-aanduiding<<}

Dat en spreekt niet; so als David nu te meer al wist. Eens menschen? Hoe dan? als vriend of vyand van den man? Als een Engel des lichts? Waarom staater dan niet by, dat de genen die met eigenen name genoemd word, niet met eigener gedaante verscheen? was 't in vyandlijken of vervaarliken schijn; gelijk Lichtfoot, goede man, den Duivel schildert, die Iesus Davids sone in den hof verscheen? XX. §. 14. Hoe heeft hy hem dan meer geloofd, dat Ioab en het gansche hof: die hem ten besten gunden en ten meesten vreesden; sose hem niet wel en rieden, dat hy 't hen vergelden mogt? Schildert hem so als gy wilt: en bewijst dat hy 't kan doen. Word dat hier geseid, so is 't bewijs volbragt. §. 6. Is het dan ook wel door ingevinge geschied? So geloof ik dat men 't liefst sal hebben willen: te weten, dat de Duivel op 't gemoed van David heeft gewrogt, om hem sulke gedachten te doen hebben, dat hy 't volk eens tellen moest. Maar siet daar wederom den tweeden God der Manicheën? die wel quaad is, maar het goed en quaad in 's menschen herte, so wel als God self, kan sien. Tegen dese dolinge schrijf ik dit geheele boek; ende is derhalve 't geschil self dat wy betwisten: dienvolgens mag het als bewesen niet tot verklaringe dienen, noch voor bewijs verstrekken. Heeft de Duivel iet gebragt in Davids herte; so heeft hy ook geweten wat in Davids herte was. Dat wist God alleen, die de herten kent; des was hy 't ook alleen, die daar in de minste veranderinge maken konde. Seitmen, dat dien bosen Geest door taal of teken iet daar af tot kennisse gekomen zy: so behoortmen ook te konnen seggen (want de Schrift en meld het niet) wat voorteken 't zy geweest, waar door de Duivel de gedachten en genegentheden van des konings ziele in sijn lichaam wist? §. 7. Voor my, ik ben niet gaaw genoeg, om uit weinig woorden, en die twijfelachtig staan, een breed en vast besluit te maken. Satan stond op tegen Israël, of een Satan. In 't hebreewsch staat niet {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

de Satan, maar slegs 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Satan. Het was dan een satan, een aanklager, een ophitser, een tegenparty, die David porde om het volk te tellen. Maar was David sonder vyanden op Aarde, datter uit de Hel een komen moest, om hem quaden raad te geven? Was het in sijn eigen hof al klaar? Sekerlijk, alle Achitofels hadden sich noch niet verhangen, of hy hadder wel niewen onder sijne eigene sonen gevonden; gelijk korts daar na by Adonia en sijnen aanhang bleek. 1 Kon. 1. Ende zijn hem beide sonen van Zeruja sijne suster ten satan geweest: eerst Abisai, 2 Sam. 19: 21, 22. en doe Ioab: 1 Kon. 1: 6. die hier Satans Satan was om dat hy David van dat tellen afried, daar hem andere toe rieden; die daarom sijn vrienden niet waren, schoon hyse daar voor hield. Want hy volgde hunnen raad, den anderen verwerpende; gelijk daarna Rehabeam dien raad liefst volgde, die met sijne eigene genegentheid meest over een quam. 1 Kon.

{==140==} {>>pagina-aanduiding<<}

12:8. So was dan menschelik vermogen voor al genoeg, om David hier te stoten daar hy wesen wilde: geen Duivels ingeven of aandrijven behoefde dat te doen. §. 8. Nu magmen lichtelijk begrijpen, hoe dese dingen t'saam te brengen zijn, dat des Heeren toorn tegen Israel ontstak, en dat een satan of ophitser tegen dat volk opstond, die David aanporde, of ophitste om het volk te tellen. Want het seit in der daad anders niet, dan dat God sijn volk Israël, om hunner sonde wille (daar hy altijd regts genoeg op hadde) willende kastijden: de tijden en gelegentheden, door sijne onnaspeurlike voorsienigheid, wijselik also bestierd heeft; dat sich David, van self moedig op den vleescheliken arm, ('t gene der menschelike swakheid, in den besten sich noch dikwijls openbarende, seer gereed is) door den eenen of anderen grootschen hoveling en smeichelaar heeft overreden laten, om eens 't gansch getal sijner strijdbare manschap op te nemen. Waarin hy sich voorwaar, uit verscheide redenen, die van elders bekend zijn, grotelijx besondigde: en dewijle hy daar over op die wijse met sulk een dodelik verlies van sijn volk gestraft is; so droeg dat volk den toorn des Heeren in sich self, gelijk hy in sijn volk.


XXIII. Hoofdstuk. De twist des Duivels met Michaël is insgelijx van geene kragt om sulx te bevestigen.

   §. 1. NOch eene plaats isser, die wat twijfelings kan maken over 't groot verstand en bewind, datmen meint dat de Duivel heeft ontrent den mensch; en namentlijk in saken des Geloofs en onser Zaligheid. 't Zijn de woorden van Iudas, diemen op 't 9. vs van sijnen Sendbrief leest. Michaël de eerste engel, doe hy met den Duivel twistede, en handelde over 't lichaam van Moses; durfde geen oordeel van lasteringe tegen hem voorbrengen: maar seide, de Heere bestraffe u. De woorden schijnen dit op 't minst te seggen; dat de Duivel niet alleenlik ook van Moses, en also van goddelike dingen weet; maar ook omgang met Gods engelen heeft, en van sulke saken met hen reden voert. Daarom dit wat nader in te sien, so laat ons ordentlik eerst van de twistende partyen spreken, daarna welk dat lichaam van Moses zy, en wat voor twist tusschen die twee daar over zy geweest.

§. 2. Wat aangaat de Personen, die in desen twist betrokken zijn: ik hebbe, mijns oordeels, over Dan. 12. v. 1. klaar genoeg getoond, dat Michaël Christus selve niet en is. Do Visscherus mijn eerwaarde amtgenoot in dese stad, over desen Sendbrief schryvende, stemt my daar in toe. Doch so het echter iemant anders dunkt, het komt daar niet op aan: maar hoe dese Michaël met den Duivel, en dat over 't lichaam van Moses, twisten

{==141==} {>>pagina-aanduiding<<}

konde; of wie hy mag geweest zijn die hier duivel, dat is, (als wy weten) lasteraar genaamd word. Want dat is also licht van enigen mensche, dien name waardig, als van den Duivel selve te verstaan. Self konde sulk een wel een lid of leeraar van de kerke zijn: indien de geschiedenis daar af d'Apostel spreekt, in sijnen tijd is voorgevallen. Want sulk een was Diotreses die den heiligen Ioannes op sijnen ouden dag noch sulken spijt toe dreef, met bose woorden snaterende tegen hem; gelijk hy self klaagt. 3 Ioh. 9. 10. Altoos hoe 't eigentlik met Michaël en desen duivel mag geweest zijn; dat verhaal is veel te duister, om daar uit iet sekers van de aart, van 't verstand, of van de magt des Duivels te besluiten. §. 3. Dit sal ons noch klaarder blijken, so wy enen ruimen tijd te rugge sien, om die geschiedenis uit de schriften van het oud Verbond te halen in gedachte dat het wel deselve wesen mogte, die by Zach. 3: 2. ingesigte word vertoond. Te weten: dat hem God vertoonde Josua den Hogenpriester, staand voor het aangesigte van des Heeren Engel: en de Satan stond aan sijne regterhand, om hem te wederstaan. Doch de Heere seide tot den Satan: de Heere schelde u, gy Satan; ja de Heere schelde u, die Jerusalem verkiest. De twee partyen, en de twist dien sy te samen hadden, soude hier wel in te vinden zijn: maar 't lichaam van Moses, daar die twist om is te doen geweest, maakt de meeste swarigheid, hoemen 't sal verstaan. Lichamelik, om uit het graf te halen, tot afgodery; dat de Duivel wilde, maar den Engel niet: of geestelijk, daar by verstaande desselfs lichaam van Wetten, in lichamelike oefeninge van Godsdienst bestaande; gelijk het Paulus noemt 1 Tim. 4: 8. Waar over de vrage dies tijds was: hoe verre dat deselve met de komst van Christus, die nu geesteliker dienst vereischt, moest begraven, dat is afgeschaft; ofte als noch levendig gehouden worden. §. 4. In den eersten sin genomen mogt de twist, wanneer dat Iudas dit so schreef, wel lang verleden zijn. Te weten, van den tijd wanneer het eigen Lichaam, waar in de Ziel van Moses heeft gewoond, nu versch in een verholen graf, door Gods besondere voorsienigheid besteld is: Deut: 34: 6. sulx men echter nooit in boeken las, dat diergelijken twist, letterlik verstaan, daar over ooit geweest is; of waar in die bestond. Men seit, over de plaats, waar doch 't voorseide lichaam mogt begraven zijn; dien de Duivel weten, en aan de menschen wijsen wilde. Tot wat einde? Om 't Ioodsche volk, van self toch al te seer tot Afgodsdienst geneigd, door sulk een waardig voorwerp te verleiden. Maar die dat seit, hoe salmen weten dat hy 't wel geraden heeft? Gissen kan missen. Om de sekerheid, ik rade liever niet. Wat doe ik dan? Het gene ik uit de woorden des Apostels self niet halen kan, dat soek ik in geen boeken die niet meer voor handen zijn; schoonmen doe na allen schijn wel wist, uit welken schriften dit verhaal getrokken was; het gene misschien dat van Moses Hemelvaart geweest is, waar af Origines, Clemens en Athanasius gewagen. Want al is 't dat Iudas de geschiedenisse self niet voor waarachtig houd, so kan hy daarom wel iets t'hunder leeringe daar uit te berde brengen, die het daar voor

{==142==} {>>pagina-aanduiding<<}

hielden: hoedanige misschien de Ioden dies tijds zijn geweest. Maar so hem dit besonderlik buiten boex van God was ingegeven, so konde hy, uit iet dat hem alleen bekend was, de gemeente van den pligt, die allen even eens betrof, niet overtuigen. §. 5. Indienmen 't in den laatsten sin dan wil verstaan: so was 't een vraaghstuk dat doe veel behandeld wierd: alsomen door 't beright daar af gedaan, Hand: 15. alsmede uit den brief aldaar gesteld, en dien van Paulus aan de Galateren en Colossenssen voornamelik bespeuren mag. Hoewel my om verscheidene redenen dunkt, dat dit al te verre gesocht is: so en kan ik echter ook in 't ander niet berusten. 't Is uit Iudas woorden wel te merken, dat hy als van een bekende sake spreekt. Want mitsdien dat hy den Kristenen vertonen wil, hoe weinig hen dat lasteren en schelden past, daar sommigen so gereed toe waren: so wil hy hen door 't loffelik exempel van Michaël vermanen, sich daar voor te hoeden; die, hoewel so groten Engel zijnde, den Duivel self, doe hy met hem twistede, geschroomd heeft na verdiensten uit te schelden. Wistmen nu te dier tijd die history niet: so wistmen niet wat Iudas daar by seggen wilde: gelijk wy 't nu niet weten. Nochtans was 't nodig, dat sy 't wisten, aan welken hy dit doen persoonlik schreef. Maar soder eertijds sulken twist tusschen die twee hoofden der goeden en der bosen Engelen geweest is: waar quam die twist van daan? Was 't uit geleerdheid of uit onverstand, dat dit geschil ontrees? Wilde mogelijk de Duivel so wel van Gods verborgentheden spreken, daar hy al te weinig af verstaat; als de gene die 't hoofd van Gods eigene Engelen is, welke begeerig zijn, (seit Petrus 1. b. 1: 12.) in die dingen in te sien? En was hy wel bequaam een wijs woord voor den dag te brengen, dat weerdig ware voor sulk enen als Michaël om 'er na te horen? ik swijge dat hy daar noch op antwoorden, en lang en veel, en als tot scheldens toe, hoewel sonder schelden, met so snoden vyand disputeeren soude. Wat schijn van waarheid hebben die gedachten? §. 6. Die 't Lichaam van Christus noch niet eens verstond, dat is, die Iesus self so weinig kende, dat hy met den genen dien hy Gods Soon wist te noemen, niet wetende wat Gods Soon te seggen is, den spot bestond te drijven: (so verre men 't verhaal daar af als van gebeurde saken neemt) waar quam hem toch soo schielijk die geleerdheid nu van daan, dat hy over sulken onderscheid van Gods huishoudinge met sijne kinderen so ernstig ondersoek wil doen? in vier duisend jaren had hy niet so veel geleerd, dat God drie in een is, dat de Soon eens wesens met den Vader is, dat hy boven d'Engelen is, en sich geensins aan den Duivel onderwerpen kan: en heeft hy nu in twintig jaar, of daar ontrent, so neerstig gestudeerd, dat hy derf bestaan te disputeeren, hoe verre dan de Wett van 't Euangelium verschilt? Die wijsheid die in Gods verborgentheid bestaat, die God niemant openbaart dan den menschen die hem vresen, Psal. 25: 14. welke de Oversten deser weereld

{==143==} {>>pagina-aanduiding<<}

niet gekend hebben; 1 Kor. 2: 6, 7, 8. hoe komt de Duivel die so te verstaan? So hy d'Overste deser weereld is: (dat sullen wy haast sien) waarom heeft hy dese dingen nooit sijn eigen volk geleerd? want hy toch om anders geene reden so neerstig, alsmen meent, in den Bybel leest, als om daar uit stof tot twistinge te neemen. Wat had hy schoonder hoop van geoefende studenten konnen hebben, om tegen de sonen der profeten in dispuit te brengen? Ik houde my versekerd, wist hy wat, hy haddet tot alsulken einde lang al aan sijn volk geleerd. §. 7. Het wil dan dus niet voegen, dat de Duivel met den Opperengel om alsulken sake heeft getwist. Maar somen door dat lichaam mogt Jerusalem verstaan, dat uitdrukkelik daar in benoemd word, so als 't verhaal by Zacharias leid: so souder geen de minste swarigheid meer zijn, om te seggen, dat d'Apostel d'oge heeft gehad op dat gesigte. Want Esdras ons verhaalt, en Zacharias selve meld, dat hy beneffens Haggai den Profeet, het volk, na de verlossinge uit de ballingschap in Babels landen, tot den Tempels hertelik vermaanden. Esr. 5: 1. Zach. 4. Dit was tot den Godsdienst, na de Wet van Moses nog te plegen, tot dat de Messias quam. Mal. 4: 4. Laat dan Ierusalem, den Tempel, de Wett van Moses, tsamen sijn Lichaam hier genaamd zijn. Ik bekenne dat het wat gesocht is: maar 't vorige noch meer. Dan salder echter met Michaël en den Duivel geen swarigheid meer zijn, wiemen door deselve mag verstaan. Het was niet een Engel uit den gemeenen hoop; maar so 't schijnt, de Engel des heeren by uitnementheid also genaamd, voor welken Iosua in dat gesigte stond. D'Apostel hadde reden om hem Michaël te noemen, die sich in vorige profezye Dan. 12: 1. vertoond hadde als de besondere bewaar-engel van Gods volk. In mijne uitlegginge over dien profeet heb ik dat stuk verklaart. So moetmen Michaël dan houden voor den genen die voor d'herstellinge van dat Lichaam is. Doch ten tyde des profeets dede sich d'ander Satan, dat is, tegenstander op: hoedanige Tatnaj en Starbosnaj waren? uitdrukkelik daar in benoemd, dat sy Iosua en Zerubabel tegen stonden. Esr. 5: 2, 3. Ende komen dan de woorden van Michaël by, en van dien Engel by Zacharias ganschelik over een. Want in 't grieksch staat {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

epitimeesai soi ho kyrios, het gene hier de Heere schelde u, en ginder de Heere bestraffe u vertaald is. Doch om reden dat het met den naam des lichaams van Moses noch so klaar niet is, so en sie ik mede niet datmen hier op vast mag gaan, gelijk het ook de Heer Visscherus voor waarschijnlijk, ende geensins ongerijmd; maar nochtans niet voor het naaste houd.

§. 8. Wat maak ik dan van desen Twist? Niet meer dan van verscheidene andere dingen in de Schrift vermeld, daar niet van te maken is. Waarom? door dien dat de bescheiden, daar 't regt verstand van alles uit te halen was, niet meer voor handen zijn. Men segge my, wat voor Cherubim 't waren, die God stelde tegen 't oosten des hofs Eden; ende een vlammig lemmer van een sweerd, dat sich omkeerde, om te bewaren den weg na den boom des levens?

{==144==} {>>pagina-aanduiding<<}

Gen 3: 24. wat d' Urim en Tummim geweest zijn? wat gebruik die van Korinthen hadden van den Doop ontrent de Doden? 1 Kor. 15: 29. en veele diergelijke dingen, daar tot noch toe niemant so veel kennis af gegeven heeft, datmen sich daar op verlaten mogt. Daarom, so lang als my niet duidelik verklaard kan worden, waar dese twist van Michaël en den Duivel in bestond; ja datmen self om Michaël, wie daar door te verstaan zy, noch niet eens is: so en neem ik ook 't bewijs niet aan, datmen daar uit halen wil, om te tonen, dat de Duivel veel van dese dingen weet. §. 9. Het dunkt my by dese gelegentheid niet ongevoegelik te zijn, te seggen, 't gene ik al voor lang heb aangemerkt: dat het een gemeen misbruik is, op alsulke plaatsen in de Schrift te bouwen daar wy minst bescheid af hebben; en de gene die van self klaar, of welker sin gemakkelik te vinden is, nochtans anders te verstaan. Het eerste merk ik dat uit dese oorsaak meest ontstaat, dat de menschen al te seer niewsgierig zijn, om te weten, 't gene men so licht niet weten mag: daar by genegen tot de eere van iets meer te weten, dan een ander weet; en daar door den roem te hebben van uitvindinge der verborgentheden, die voor ieder een niet open staan. Gelijkerwijse als het met de genen gaat, die meer werx maken van d'oude tijden en derselver zeden na te speuren, dan 't gene heden in de weereld ommegaat; welk echter al so seer merkweerdig, en so veel te klaarder voor onse ogen is. Dienvolgens ware 't ons veel nutter, het hedendaagsch gebruik datmen selve weet of weten kan; dan de exempelen der ouden die so seker noch so klaar niet zijn, tot ondersoek te brengen, ende ons enkelik of voornamelik met de oudheid op te houden. Desen regel heb ik dan my selven ook gemaakt, ende ben dien in 't beleid van 't eerste boek gevolgd. Hier moest ik anderen volgen, die met sulke bewijsen, uit de duisterste plaatsen der Schriftuur getrokken, voorgaan. Maar de Landbeschrijvers doen also, datse breedtst van onse landen spreken, en die ons de naaste zijn; van de afgelegenste, als min bekend, so veel te weiniger en slegs in 't gemein, so verre als van deselven geen besonderder beschryvinge te krijgen is. Onder d'Aarde graven, of tot in den Hemel klimmen, om dat gene na te speuren dat op 't vlak der Aarde, en onder ons gesigt genoeg te vinden is: sulx docht den wijsen nooit geraden, ende past derhalven voor den ondersoeker van de hoogste wijsheid minst. §. 10. Van dit slag nu zijn de stukken die tot hier aan toe verhandeld zijn: de verleidinge der eerste ouders door den Duivel of de Slang, de versoekinge des Heeren Iesus in de wildernis, den strijd der Drake tegen Michaël, de twist des Duivels met den selven over Moses lichaam; welke dingen alle even duister zijn. En waar toe zijnse ons dan nutt? Hoewel de tijden by lang verloop en ommekeer d'eene plaats der H. Schrifture eertijds, d'andere op heden meer of min verstaanbaar maken, en 't besonderste gebruik daar af verleenen of ontwenden moesten: so blijft de Schrift nochtans by een, om den t'samenhang der goddelike raadsbesluiten, en 't vervolg sijns huisbeleids ontrent sijn volk niet te verminken. Daar beneffens blijft voor ons,

{==145==} {>>pagina-aanduiding<<}

uit sulken plaats niet wel verstaan, nochtans altijd noch 't een of ander leerstuk over; dat ons gelove sterkt, en onse zeden vormt. Gelijk uit Adams val, op sulken wijse ons beschreven; dat de sonde ons van Adam, ende Adams val geensins van God, maar uit den bosen quam; schoon niet te weten, hoe? uit de versoekingen des Heilands; hoe swaar hem 't aanbegin van sijnen dienst, gelijk het einde van sijn lijden, viel: uit 's Duivels twist en strijd met Michaël, hoe seer het hemels volk de magt der sonde tegen staat; en hoe seer des menschen aangeborene verdorventheid, in 't allereerst door Duivels list veroorsaakt, sich noch heden tegen t werk des tweeden Adams weert; en hoe d'Engelen, die onveranderd by de waarheid staan, ten beste van Gods volk en dienst genegen zijn. §. 11. Van den tweeden slag zijn de stukken die noch volgen moeten: van waarseggende Geesten in de Schrift gemeld: van Iob als van den Duivel menigwerf geplaagd; van menschen die van bose Geesten ingenomen waren, gelijk van Geesten uit der menschen lichamen uitgedreven; van allerleye namen en benamingen verkeerdelik den Duivel toegepast: en diergelijke meer. Dit alles na behoren ondersocht, en sonder voorgenomen oordeel nagespeurd, was klaar genoeg te weten: so dat geheel wat anders te verstaan was, danmen sonder sulken ondersoek, op 't algemeen seggen, en 't gesagh van leeraars (die ten eersten mistastende, door niet wel toe te sien, te gemakkelik van d'anderen gevolgd zijn) aangenomen heeft. Dit hoop ik nu in 't volgende te tonen; ende ben te vreden, dat d' opmerkende en bescheidene Leser daar dan af oordele, so als hy 't verstaat.


XXIV. Hoofdstuk. Van Waarseggende Geesten word in de H. Schriften niets gemeld, dat op den Duivel past.

§. 1. DE duisterheid der voorverhaalde geschiedenisse, die ons belett dat gene van des Duivels grote kennisse te seggen datmen doorgaans liefst daar af geloven wil; schijnt echter niet te wesen in de genen die wy nu voor handen nemen, als al te duidelik daar afsprekende. Te weten, datter Geesten zijn geweest, die uit levendige menschen, of in schijn der doden, beiden tot levenden gesproken hebben: ende sulx van dingen die toekomende, of anders voor den mensch verborgen waren. Dese worden in den nederduitschen Bybel waarseggende Geesten genaamd: ende alleenlik sommigen menschen als hun eigen toegeschreven; so dat hen de Schrift daar van benoemt, datse hadden eenen waarseggenden Geest. In 't hebreewsch word alsulken Geest {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

oob. in 't Grieksch 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Pythoon of 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

pneuma pythonos genoemd: gelijkmen insonderheid op twee plaatsen daar van leest. 1. Sam. 28. en Hand. 16: 16. Die twee geschiedenissen, so als

{==146==} {>>pagina-aanduiding<<}

daar verhaald staan, wil ik hier slegs ondersoeken: latende al 't gene voorts tot Waarseggerye behoort, tot het derde boek. Daar sal 't ons ook te stade komen, den oorspronkeliken sin en 't gebruik der woorden oob en Pijthoon te overwegen. Zo veel als hier dan ter sake dient, staat alleenlik aan te merken, wat in beiden verhaald word, datmen op den Duivel passen mag. Daar af geeft ons de Schrift (als geseid is) twee besondere exempelen: 't een in 't oud, en 't ander in 't niew Testament. §. 2. Laat ons beginnen van 't gene dat ons in de godlike vertellingen eerst voorkomt. Dat is 't gene Saul tot Endor by de Toveres bejegend is: 't welk den geleerden onder ons, tegen 't Pausdom over de verschijninge der Zielen twistende, vry wat werx gegeven heeft; daar sich d'een dus, d'ander so, voor en na, heeft af gemaakt. Hoe sy 't maakten, liever haddense te seggen, dat de Duivel in den schijn van Samuel; dan dat Samuels eigene Ziele, na den dood, eens wederom in haar eigen lichaam, of in schijn desselfs verschenen was. Dat versta ik heden anders niet, dan datse wilden heidensch wesen, om voor al niet paapsch te zijn: den Duivel liever laten profeteeren, dan de Ziele des profeets. Billik, so sy sich bedunken laten: om so kostelike ziele den besweeringen der hexe niet te onwerpen; des latense den Duivel daar voor staan. Dieder waarlik niet te goed toe is, al staat hy onder het gebied van sulk een wijf: is hy echter daar toe wijs genoeg? daar van soek ik nu 't bescheid. §. 3. Die dat meinen uit de hex te halen, lopen selve in 't gevaar, van onder haar te staan; dat is, om door de loosheid van een wijf misleid te zijn. Sulx is van anderen genoeg getoond. Reinhold Schott, en na hem Abraham Paling hebben dat bedrog al wel ontdekt. D'eerste is (gelijk I. B. XXII. §. 7. geseid) een Engelsman, d'ander (so my beright word) een linnenpersser tot Haarlem geweest. Weinig eere voor geleerde mannen, dat sulken man meer schranderheid betoont dan sy. Nu onlangs is dat ook van den heer Antonius van Dale behandeld, in dat onweerleggelik boek, dat hy van d' Orakelen in duitsch beschreven heeft. En wy hebben noch eerlang wat naders dien aangaande van de selve hand te hopen; (die God lange tot so nutten werk beware!) in sijn Ondersoek van alle die soorten van heidensche Voorseggingen, die so Levit 19: 26. Deut. 18: 10. en 11. als elders in 't oud Testament worden vermeld; en wat daar over so de H. Schrifture self, als Maimonides en ander cordatere Ioden (ook de cordaatste Heidenen en Christenen, wanneer die buiten papen intrest waren) hebben geseid en gevoeld ontrent die stoffe: gelijk sijn E. in enen brief van den 6. Febr. 1690. aan my te kennen gaf. En ik hope dat sijn Prodromus, dat is Voorloper, noch voor mijn werk het licht sal sien. §. 4. Om dese reden acht ik nu voor my niet nodig, dat stuk so breed als d'andere te verhandelen: dewijl ik wel versekerd ben, dat sulk een beproefd schrijver, so veel als noch aan d' anderen ontbreken mogt bequameliker vullen sal, dan ik moed heb om het self te doen. Doch al

{==147==} {>>pagina-aanduiding<<}

watmen hier met reden van my eischen magh, is, mijns oordeels, dat ik iets tot noodruft segge: om mijn eigen werk niet gebrekkelik uit te geven, so de swarigheid ten minsten niet en wierde wech genomen, die den Leeser der gemelde boeken noch onkundig, en terwijl 't voornaamste noch verwacht word, hinderen moghte. Echter komtet op dat gene daar wy nu in besig zijn niet meest aan; te weten, of de Duivel in gedaante van al sulke menschen als hy wil verschijnen, en het toekomende voorseggen kan: dewijle 't eerst noch moest bewesen worden, dat de gene die na 't seggen van de toveres den dood aan Saul voorseid heeft, warelik in Samuels gelijkenis aan haar verscheenen, en de Duivel selfs geweest zy. Want so dat niet is, so valt met een 't bewijs dat daar op steunt. §. 5. Maar wat isser doch in dit verhaal, daarmen sulken grote sake uit besluiten magh? Het seggen van de Vrouw, en 't voorseggen van den Geest. De Vrouw en seit nochtans niet datse self den Duivel siet; maar Saul seit dat het Samuel is. Doch die Samuel opkomen dede, dat was de waarseggende Geest. So moest het wesen, soud 't na Sauls begeeren gaan: voorseg my (seit hy tegen 't wijf) door den waarseggende Geest, en doet my opkomen die ik u seggen sal. vs. 8. En daar na: wien sal ik u opbrengen? Hy seit, brengt my Samuel op. v. 11. Daar na volgt, dat de Vrouwe Samuel sagh. v. 12. en dat Saul, horende haar sijne gedaante beschrijven, daar uit vernam dat het Samuel was. v. 14. Wat wil dit nu seggen? Dat sulx in waarheid so geseid is? Wel dan isser de Duivel buiten. Het was Samuel die Saul toesprak. vs. 15. Samuel derhalven, en niet de Duivel, van dien dese voorsegginge quam. Ter bestemde plaatse sal ik wel doen sien, dat het geen van beiden is geweest. Ondertusschen moetmen my hier tonen dat Oob een Geest te seggen is, die Waarseggen kan; en dat deselve, om te voorseggen, sich in sulke gedaante als hy wil vertoont, na 't believen van een wijf. Doch dit is 't gene dat noch ondersocht moet worden; kan derhalve geensins voor bewijs verstrekken. §. 6. Of dat echter uit de voorsegginge self te halen is, dat laat ons nu besien. Hoe dan? Om dat geen mensche weten konde 't gene daar in wierd voorseid. Dat derf ik ontkennen; en met een 't gevolg, te weten, dat het daarom van den Duivel was. Mijn ontkennen gaat op tweederleije reden vast: het was geen waarseggen, 't gene hier geschiedde; en so als 't geseid is konden 't 100. menschen uit hen selve raden. 't Gene ik segge, dat het geen waarseggen was; is om dat die Samuel, die in dit spel vertoond is, geseid heeft dat niet na en quam. Dat was: morgen sult gy en uwe Sonen by my zijn. vs . 19. Niet dat ik het daar op nemen wil, dat Saul en sijne sonen niet en konde komen daar hy was, die doen scheen te spreken. Want dan soude het voor Saul meer te wenschen dan te vresen zijn geweest, dat sulken bosen mensch als hy, mogt wesen daar de heilige

{==148==} {>>pagina-aanduiding<<}

man Samuel was. Maar so 't de Duivel was die sprak: wat groter leugen kon die vader van de leugenen uitstoten; dan dat Ionathan, een soon van Saul, sulken deugdeliken man, die mede in dien slag gesneuveld is, soude komen daar de Duivel was? §. 7. Ik neme 't op de plaats niet, maar op den staat, daar in de doden zijn; die in 't Hebreewsche scheool, in 't Grieksch haaidees, in 't Latijn inferi, in 't Duitsch onderaardschen genoemd word: want de Zielen in sich self onsightbaar, na den dood niet meer vernomen; en de Lichamen onder d'aarde zijn. In sulken sin sprak Iacob, wanneer hy beter niet en wist, of Iosef sijn beminde soon was dood. Ik sal rowbedrijvende tot mijnen Soon in 't graf (scheol ah staat daar in 't Hebreesch) nederdalen. Gen. 37: 33. En daarna over Benjamin, so hy dien ook moeste missen: Gy soud mijne grauwe hairen met hem ten grave (lischeool) doen nederdalen. cap. 29: 31. Iacob meinde niet by sijne sonen in een selfde graf te kome; daar sagh de goede Vader, doe hy dat sprak, de allerminste kans niet toe; maar wel om hem te volgen na de doden toe, gelijk de prediker dat best verklaart. Pred. 9: 3. Derhalven was hier ook de meininge, gy sult so wel dood zijn als ik. Was dan de Duivel dood? of had hy ook, gelijk de menschen een dood lichaam, dat sijn eigen was, onder aarde? So dit de Duivel heeft geseid, hoe grof loog doe de Duivel dan? §. 8. Doch nader evenwel: Morgen, seit hy, sult gy by my zijn. In 't hebreewsch, beken ik, is {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

machaar morgen veeltijds onbepaald een toekomende tijd te seggen. Uw soon moght morgen (dat is, na desen vragen; Exod. 13: 14. Deut. 6: 20. Ios. 4: 6, 21. en desgelijx, uwe kinderen moghten u morgen vragen; Ios. 22: 24, 27, 28. So ook, als gy heden, (dat is, nu tegenwoordelik, te deser tijd) wederspannig zijt, so sal sich de Heeren morgen (dat is, namaals) grotelix vertoornen. v. 18. Anders is het evenwel so veel als de naast volgende dagh. Morgen is de ruste, de heilige Sabbath des Heeren; Exod. 16: 23. Morgen sal den Heere een feest zijn cap. 32: 5. Morgen is de niewe Mane. 1 Sam. 9: 16. en 19: 4. 1. Kon. 19: 2. en 20. 6. 2. Kon. 7: v. 1, 18. en 10: 6, 2. Kron. 10: 16, 17. Esth. 5. 8. en 9: 13. alwaar uit d'omstandigheden duidelik te merken is, dat de naastvolgende dagh, en geen verder tijd, verstaan moet worden. Hoe dan hier? Ik segge: even eens gelijk tot die van Iabes geseid wierd, morgen sal u verlossinge geschieden; en gelijk sy seiden tot de Ammonijten, morgen sullen we tot u uitgaan. 1 Sam. 11: 9, 10. Dat was van den eersten dagh te verstaan, dien God na dat woord komen liete. Hier ook: om datter geen reden is, gelijk ik d' eerstgenoemde plaatsen, om het anders te verstaan. En so de waarsegger meint morgen, dat is, na desen sult gy sterven; so heeft hy niet met al voorseid

§. 9. Maar nu is de tijd wel uit te rekenen, hoe lang dat Saul ten minsten noch geleefd moet hebben; en dat hy 's anderen daags noch niet gestorven is. Doch laat ons tijd en plaatsen t'samen voegen; al-

{==149==} {>>pagina-aanduiding<<}

somen tijd behoeft om van plaats tot plaats te trekken. Voor eerst so blijktet, dat de laaste legerplaats des Filistijnen is geweest tot Afek, en der Israelyten by Jisreël vers. 11. En na dat sulx geseid is, word de geschiedenis van David met die van Ziklagh verhaald, welke 't 30. Kapittel geheel vervult: daar dan terstond op 't begin des 31. hoofstux het vervolgh van den strijd der Filistijnen met Israël word aangehecht. Doch wanneer sich Saul na Endor toe begaf, so was het leger van de Filistijnen noch te Sunem, en dat van Israël op Gilboa. cap. 28: 4. Ik sie dat dese 3. plaatsen in 't land van Samarien, na de kant van Galileen, onder den stamme Issaschar, niet verre van malkanderen, tusschen de beke Kison en 't geberghte Gilboa gelegen zijn; dat Endor, na uitwijsen der kaarte van Adrichomius, noordelijxt na de kant van die beke, en Iisreel ten zuiden aan 't gebergte leit. Sunem vind ik een weinig na de westkant af, tusschen Endor en Iisreel, ruim twee uren gaans van elke plaats gelegen: Afek van Sunem in 't zuidwesten anderhalf; ende also ruim twee van Iisreel. Over sulx was 't Filistijnsche leger Iisreel niet sonderling genaderd, wanneer het sich van Sunem af na Afek begaf: maar mogelik dat het daar bequamer stonden om slag te leveren. Nu moetmen rekenen, dat Ziklach, daar David zijn verblijf hadde, ontrent 36. uren zuidwaart aan van Iisreel, ende also 40. van Endor lag. §. 10. Laat ons nu eens rekeninge maken. In den optoght der beide legers tegen malkanderen, so quamen en vergaderden de Filistijnen, en legerden sich te Sunem: desgelijx vergaderde Saul gansch Israël, en legerde sich op Gilboa cap. 28: 4. Dus na by malkander hadden sy 't een leger 't ander in 't gesichte. Doe Saul dan 't Leger der Filistijnen sagh, so vreesde hy: en dat dede, dat hy, van God verlaten, sich na Endor tot de toveres begaf. vers. 5--8. Daar ging hy dan na toe, terwijle de Filistijnen noch by Sunem stonden. Hy quam tot Endor in de nacht, vs. 8. en ging van daar noch in deselfden nacht vs: 25. Des kond hy 's Morgens vroeg in 't leger zijn, sonder datmen hem gemist hadde: alsoo hy niet als in die nacht was uit geweest. Die gansche dagh dan noch voor handen zijnde, was lang genoeg voor beide heiren om te slaan. Maar daar quam het noch niet toe, voor dat de legers opgebroken, en tegen malkanderen aan getrokken waren. Al was 't niet ver, van Sunem tot aan Afek toe: het eischte nochtans tijd. Legers zijn so lichtelik, noch so ras niet te bewegen: 't is met kleine daghreisen datse optrekken. Misschien wierd hier de dagh dan mede verspild. So niet: het blijkt vervolgens, dat de slagh dien dagh niet is geschied. §. 11. Maakt eens rekeninge. De Filistijnen van Sunem Afek sich bewegende, bestookten de Israeliten in hunne legerplaats by Iisreel. In dien optoght hadde sich David met de sijnen by 't heir der Filistijnen gevoegd; so dat hy my met Achis was in d' achtertogt. D'over-

{==150==} {>>pagina-aanduiding<<}

sten van 't Filistijnsche heir, hem wantrouwende, doen hem met sijne benden t'huiswaart keeren. cap. 29. Neemt, op 't kortste gerekend, dat alle die omstandigheden op eenen selfden dagh gebeurd zijn, na dat Saul des nachts tot Endor was geweest: nochtans en quam het tot geen slaan, so lang als David by de Filistijnen was; die hem daar by niet lijden wilden; uit vrese, als geseid, dat hy niet in der slagh tot den vyand overginge. Nu is 't seker, dat David eerst den dagh daar aan, te weten 's morgens vroegh, met sijn volk vertrokken is: en dat was noch (na allemans kennisse) spoedig genoegh. Daar na volgt nu, dat de Filistijnen op togen, op 't leger van Israël aan, na Iisreel: v. 11. sulx dan sekerlijk niet eerder, dan op den tweeden dagh, na die nacht dat Saul tot Endor was geweest, geschied is. En noch en weetmen niet of de slagh wel op dien dag is aangegaan. §. 12. Dit is van voren aan; nu laat ons ook van achteren eens tellen. 't Was op den derden dagh, dat David uit het leger met sijn volk te Ziklach quam. cap. 30: 1. Laat hem al noch op den selfden dagh zijn voortgetrokken, om d' Amalykyten te achterhalen: 't zal veel zijn. Want na mate van 36. mijlen weghs, dat die plaats van 't leger was, konde hy niet wel so vroegh op den derden dagh aldaar gekomen zijn: dan hy noch de Stad besag, hoese van d' Amlekyten verwoest was, en den Heeren raad vraagde, wat hy doen moest: en dan noch ontrent ses uren weghs voorttrekken, so verre als Ziklach van de beke Besor lag, daar hy 200. mannen liet. vs. 9. Met d' overige 400. voortgetogen, so sloegh hy de vyanden, van de Schemeringe tot aan den avond van haar lieder tweeden dagh. Siet daar ten minsten vier dagen, na dien dagh dat Saul by Samuel moest zijn, soude 't spook of de Duivel waarheid spreken Maar also die met den slagh den Amelekyten nu ten einde was gelopen, (want het op den avond was) so en konde David niet voor 's anderen daags daar aan wederom te Ziklach zijn. Dit moest dan de vijfde, na den dood van Saul, geweest zijn. Nu laat ons sien, wanneer dat David eerst daar af de tijding kreeg. §. 13. Als hy van den slagh der Amalekyten wedergekomen, en twee dagen te Ziklach gebleven was; (dat zijnder zeven) so geschiede 't op den derden dagh, (dat is nu d' achtste) dat, siet, uit het Heirleger van Saul een man quam, ens. die seide, dat hy self uit het heirleger van Israel ontkomen, dat het volk uit den strijd gevloden, en dat Saul en sijn Soon Jonathan dood waren. 2 Sam. 1: 1--4. So haastig quam buiten twijfel dese man gelopen, als de vluchtelingen doen: dies te meer noch, dewijl hy bodenbrood aan David hoopte te verdienen: in welken gevalle elk sich pleegt te spoeden, om d'eerste tijdinge te brengen. En buiten twijfel was hy d'eerste ook; so als aan alle omstandigheden, en voornamelik aan Davids ernstig vragen na redenen van weetenschap genoegsaam bleek. Wel hoe dan? dese man, die alleen en onbelemmerd reisde, (want de kroon, so hy des konings tulband noemde, vs. 10. en 't arm-

{==151==} {>>pagina-aanduiding<<}

gesmijde kond hy gemakkelik in sijnen reissak bergen) hoe quam die op den achtsten dag te Ziklach aan; daar David met een heir, en krijgsbehoeften daar toe nodig, binnen de drie dagen quam? Sal een man die haast heeft acht dagen onder wege zijn, om ene rijse die een gemeen pasganger in drie dagen afgaan kan? Dewijl hy dan buiten twijfel aanstonds uit den slagh gelopen, eerst op den vijfden dag na Davids komst te Ziklach hem al daar de boodschap bragt: so besluit ik met seer goede redenen, dat de slag, en met een de dood van Saul, wel vijf dagen na den dag dat hy van Endor ging, gebeurd is. §. 14. Het was dan ganschelik mis geraden, so veel als den dag betrof. Aan de personen, daar de voorsegginge meer af spreekt, hapert ook al iets of wat. Gy en uwe Sonen sult morgen by my zyn. So daar alle sijnen sonen door betekend zijn: so is 't al weer niet waar: want Isboset een van Sauls sonen ten minsten noch twee jaren, over elf van de twaalf stammen Israels regeerde; terwijle David alleen koning over Iuda, en met d'ander in oorlog was. 2 Sam. 2: 10. en 3: 1 en 5: 5. Doch hier op wil ik nu so hart niet staan, om datmen soude mogen seggen, dat de woorden van geen andere sonen, dan die met Saul in 't leger waren, te verstaan zijn; en dat het wel kan zijn, dat Isboseth in 't leger niet en is geweest. §. 15. Ik seide daar beneffens, dat het voorts maar raden is geweest; en seer lichtelik te raden 't gene die waar seggende Geest quansuys den dwasen Saul te voren kalde. Dat alle man niet wist, dat openbaart hy self; en geeft den waarseggenden Geeste stof tot raden, en blijk om wis te gaan, so veel als doenlijk is. Ik sal hier na met anderen bewijsen, dat het wijf self al dit spook gemaakt heeft, daarmen sulken groot gevoelen van des Duivels kennisse uit smeden wil. Doch dit sal beter passen in het derde deel? daar ik van de Waarseggers en Toveressen spreken wil, die met sulke kunstjes ommegaan; en sal de Leser sien, hoe meesterlijken proef dat des hex daar van in desen heeft gedaan. Ondertusschen moet ik van den anderen waarseggenden Geest, daarmen in 't nieuw Testament af leest, noch ook wat seggen. §. 16. Te Filippi, stad van Macedonien, was een sekere dienstmaagd, hebbende eenen waarseggenden Geest, welke haren heeren groot gewin toebragt met waarseggen. Dese volgde Paulus na, roepende: dese menschen zijn dienstknechten des Allerhoogsten Gods, die ons den wegh der saligheid verkondigen. En dit dede sy vele dagen lang. Maar Paulus t'onvreden zijnde, keerde sich om, ende seide tot den Geest: ik gebiede u in den naam van Jesus Christus, dat gy van haar uitgaat. Ende hy ging uit ter selfder ure. Hand. 16: 16, 17, 11. De Leser sal my hier wel borgen tot in 't ander deel; om hem daar te seggen, wat voor menschen waren diemen seide dat enen waarseggenden Geest hadden; gelijk ik 't selve in 't begin §. 1. noch eens begeerd en beloofd hebbe. Maar hier komt 'et op de waarsegginge aan, die in desen geschied is; om te weten of die van

{==152==} {>>pagina-aanduiding<<}

den Duivel was. Dien aangaande seg ik dan, dat sulx geensins blijkt het zy datmen 't uit den inhoud deser waarsegginge, het zy uit die verborgentheid die daar in steekt, het zy uit die ontmoetinge, die dese Geest van Paulus heeft gehad, besluiten wil. §. 17. D'inhoud deser so genaamd waarsegginge was waar: dat sal niemant loochenen. Maar was die daarom van den Duivel? Is dat de Geest dan die getuigt dat de Geest waarheid is? Den heiligen Goddeliken Geest word dat enkelik toegeschreven. 1 Ioh. 5: 6. Maar wat dien onreinen Geest, den Duivel belangt; die is een leugenaar, en een vader van de leugen. Ioh. 8: 44. Sprak dese geest dan waarheid, gelijk hy dede: waarom was hy dan geen goede geest, van de genen die in de waarheid staande bleven, wanneer de Duivel met sijne Engelen daar van verviel? Gy sult seggen, dat de Duivel ook wel waarheid spreekt; in hope dat het niet geloofd sal worden, omdat hy het seit. Laat dat zijn: en dat het daarom was, dat Paulus over sijn getuigenis t'onvreden wierd; als vreesende, dat sijn Euangelium daar door by die Heidenen verdacht mogt worden. Seer wel, indien de Heidenen alsulke geesten ook voor Duivels hielden, gelijk als ons volk doet. Verre van daar: dan volgens hun gevoelen moest het wel een goede geest zijn, die een so groot gewin aanbragt, als d'historie van desen hier getuigt. vs. 19. En daarom na der Heidenen eigene meininge, so en konde sulken geest geen Duivel zijn. §. 18. Nochtans indien deselve Geest een Engel had geweest, dan had hem Paulus, sult gy seggen, geensins uitgedreven; noch t'onvrede geweest, dat een Engel 't best van sijne leer getuigde. Sulx heeft (beken ik) groten schijn: en so weet ik ook niet anders veel daar toe te seggen, als dat het wel geweest kan zijn, so verre alsmen gelooft, dat een Engel, (insonderheid een goede) des menschen ziele sulken indruk geven kan; dat dese dienstmaagd, die ingevingen eens goeden Engels misbruikende, door deselve te veel of t'ontijde te openbaren: daar over van den Apostel met regt bestraft; en echter daar mede voortvarende; eindelik door Gods regtveerdig oordeel, en door den dienst van Paulus daar van beroofd is. Dit en dunke niemand vreemd; aangesien dat self de ingevingen van Gods Heiligen Geest wel misbruikt zijn, en dat misbruik van Paulus in de gemeinte van Korinthen bestraft. 1 Kor. 14. So konde iemant wel door den H. Geest spreken, 't gene volgens dien opregte waarheid was; ende nochtans qualik spreken met den Geest spreken, en met verstand of tot stichtinge spreken, dat zijn twee verscheidene dinge. v 14, 15, 17. Het kan pas geven, als iemant door den Geest is sprekende, dat een ander kome te spreken, en dat d'eerste swijge vs. 30. God is geen God van verwerringe, maar wil dat alle dingen met ordre geschieden. vs 40. Derhalven hadde Paulus groot gelijk, dat hy dese dienstmaagd dat nalopen en roepen over straat verbood; als peerlen voor de verkens stropende, derhalven ook onwaardig, om dien schat noch langer te besitten.

{==153==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 19. Doch dit en seg ik niet; om dat het mijn gevoelen is; maar om alleenlik aan te wijsen, hoe veel werx datmen behoeft, om uit sulk een geval als dit iets te bewijsen, van 't gene hier ter sake dient. Want ook, als 't al geseid is, watmen seggen kan: was het wel so groten saken, dat dese waarseggende Geest niet minder dan een Engel konden zijn, of (om't gemeen gevoelen by te houden) met Duivels verstand begaafd moest wesen; om te konnen weten, dat Paulus en Sylvanus Menschen waren, die als dienstknechten des Allerhoogsten Gods, den weg der saligheid verkondigden? Gaven sy sich self niet opentlijken daar voor uit? was dat niet genoeg by alle man bekend? 't zy dat se 't self gelooft of niet; sy heeft'et licht te seggen: en misschien sochtse daar haar voordeel by. Wat voordeel toch? Wat sal ik seggen, als ik noch eens van dese dienstmaagd spreekt, in 't derde boek; daar ik op 't stuk van de Waarseggers en Wichelaarsters komen sal. So lang gelieve my de Leser dit te borgen.


XXV. Hoofdstuk. Noch Job noch Paulus, zijn van den Duivel self lichamelik geplaagd geweest.

§. 1. GElijk dat porren, dat twisten en dat waarseggen, werken waren die 't Gemoed betreffen: so volgen noch twee proeven, om te weten, wat de Satan op het Lichaam, van den mensch vermagh. Die zijn aan Iob en Paulus te bemerken: beide so naamkundig van den Duivel, (alsmen meint) geplaagd geweest. Met onderscheid nochtans: want by velen wel aan Paulus iet getwijfeld word; dan van Iob dat staat so vast gelijk een muur. Wat ik lees of hore, niemant is my voorgekomen, die dat enigsins in twijfel trekt. Ik hebbe 't self geloofd; doe noch, wanneer ik in mijn boek de Vaste Spijse schreef, dat Iob en Paulus betoverd waren, doe hen dat wedervoer daar de Schrift af meld. Ik meinen dat mijn Leser sich vermaken sal in dat te lesen, 't gene doe tot mijnen laste quam, en hoe ik my daar op verantwoord hebben. Aan die verantwoordinge houd ik my noch: behoudens dat gemeen gevoelen, daar ik mede noch in was, eer ik dit stuk uit den grond opgehaald, en mijne gedachten van dit vooroordeelen ontslingerd hadde, daar my allemans taal en leeraren overlevering in benesteld hield. Dus had ik 't doen gesteld. ‘ §. 2. 't Gene by Iob 1. en 2. mitsgaders 2 Kor. 12. gelesen word, kan ik anders niet begrijpen of 't was enkel Toverye. Want iemant door Duivels hulpe beschadigen, met siekten en andere plagen te quellen, dat noemen wy gemeenlijk betoveren. Nu wetenwe wel, datter de Tovenaars selve natuurliker wijse niet in werken: al watse bedrijven is maar beuselarye. Hoewelse sich inbeelden, datse vry wat

{==154==} {>>pagina-aanduiding<<}

uitregten, en dat de grillen die sy in 't werk stellen, sulk enen kragt hebben: welk des Duivels bedrog is, om sijn arm volk in sijnen dienst te behouden; doende alsdan sijne werkingen door duisend kunsten, juist als de Tovenaars hunne lessen op seggen. Als iemant dan betoverd is, so en is hem metter daad van die menschen niet met al geseid: maar die 't werkt dat is de Duivel. So hy sijnen dienst knechten, menschen der sonde, enig vergif leert toemaken, of hen tot iet anders gebruikt, daar mede sy de menschen beschadigen; dan doense wel iets: maar de Duivel is de werkbaas, die sulx voor hen doet. Doch so een boosaardig mensch uit eigene boosheid iemant beschadigt, sonder Duivels leere, raad en hulpe; dat noemtmen geen Toverye. Volgt derhalven, dat al 't quaad van betoverd te zijn daar in bestaat, dat hy van den Duivel geplaagd is; het zy door dienst van menschen ofte niet. Indien 't inwendiglijk geschied, tot belemmering van d'uitwerkinge der sinnen, so noemen wy 't Besetenheid. Iob en Paulus waren niet beseten, maar betoverd: Paulus sonder dienst van menschen, 2 Kor. 12: 7. maar Iob op beiderleye wijse. Siet Iob 1: 19. en 2: 7. wederom cap. 8: 15, 17. Doch kan my iemant beter leeren: ik wil geerne bekennen, dat ik, Gode dank, het toveren niet en versta. §. 3. 't Is al twintig jaar geleden, dat ik dit so schreef; tijds genoeg om bet te leeren, gelijk ik doe solang ik leve. En so heb ik vast geleerd, datmen dikmaals in den Bybel leest het gene daar niet in en staat. Dus gaat 't hier met Iob. Mijn seggen sal ik eerst bevestigen; en dan eens horen, wat het voor bewijs is dat een ander heeft. Voor eerst dan acht ik seker, dat God aan den Satan niet meer toegelaten heeft, dan hy self begeerd hadde: Maar hy hadde geen verlof begeerd, om self aan Iob te doen het gene hy hem quaads wilde: maar dat God het soude doen, tot wien hy seide, Strekt uwe hand uit, en tast aan alles wat hy heeft. Iob 1: 11. Of meintmen dat de Duivel even grote gunst by God hadde als Salomon, welken hy meer segens gaf dan hy gebeden hadde? Siet (seit de milde gever alles goeds) ik hebbe u gegeven na uwe woorden: self ook dat gy niet begeerd hebt heb ik u gegeven. 1 Kon. 3. 12, 13. Waar quam dat by toe? Jedidja, dat is Gode lief, (want so was hy om des Heeren wil genaamd, 2 Sam. 12: 25.) een soon van David Godes Lieveling, (so word die naam verduitscht) was Gode weerd en aangenaam: die hem ook van self verscheen, en bood hem sijne gunst; Begeert wat ik u geven sal. vers 5. Niet licht kon hy te veel begeren, dien so rijkelijk geboden wierd: die ook so bescheiden in sijn bidden was; niet om rijkdom, noch de ziele sijner vyanden; maar verstand om Godes volk te rigten: vs. 11, 9. Maar hier hebben wy den Satan voor, Godes vyand en der menschen. Verre van daar, dat God hem self verschijnen soude: dan hy verschijnt wel stoutelik voor God. En wat was sijn begeeren? Vernielinge des rykdoms waar mede Iob

{==155==} {>>pagina-aanduiding<<}

van God gesegend was, en de ziele van Gods vriend: hoewel hem die geweigerd is; verschoon, seit God, sijn leven. cap. 2: 6. Genoeg den bosen vyand toegestaan, ter proeve van Gods knecht; al maakt hem God geen God. §. 4. Ten tweden is het ongerijmd, enig werk of daad aan ene ander oorsaak toe te schrijven, dan de gene die uitdrukkelik daar in benoemd word. Wie maakte Iob de runderen en eselen af handig? De Duivel? Neen: de Sabeërs deden enen inval ende namense. vs. 14, 15. Wie warense die hem de kameelen roofden? de Chaldeërs. vers. 17. Waar ontstak het vuur, dat de schapen met de jongen verbrandde? Quam dat van den Duivel uit de Hel? Neen: maar Gods Vuur viel uit den Hemel. vs. 16. Wie stiet het huis onder de voet? de Duivel met sijne boxvoeten en Satyrs hoornen? Neen: maar een grote wind quam van de woestijne, ende stiet aan de vier hoeken van 't huis; ende het viel op de jongelingen datse storven. vs. 19. §. 5. Mijn derde reden is, dat de geduldige Iob en sijn ongeduldig wijf, geen van beiden op den Duivel dachten, dat hen die met so veel ongelukken plaagde: maar de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, seit de goede man. v. 21. Wat seit het bose wijf? Houd gy noch vast aan uwe opregtigheid? Segent God., en sterft: cap. 2: 9. God, namelik, en niet de Duivel, was het dan na haar gevoelen, die 't hen dede: gelijk het Iob ook self van haar verstond; mitsdien hy haar tot antwoord gaf, datmen wo wel 't quaad als 't goed, op dese wijse moest van God ontvangen v. 10. Een wijf so onverstandig als dat was, soude heden so verstandig niet meer spreken: terwijle men alles watter quaads of vreemds gebeurt, terstond den Duivel toeschrijft, als offer God geen raad toe wiste. So doet men hier: daar God noch menschen, daar de man self die sulx alles leed, de vrow die 't aanging, en die alles sag, vier boden na malkanderen, van geenen Duivel weten; daar blijftmen noch al seggen, dat de Duivel 't heeft gedaan. §. 6. Ia wel: doch God ten voorsten; maar de Duivel door toelatinge van God. Ik weet wel, dat is 't oude woord, dat hier na noch eens ter dege ondersocht sal worden. So laatmen quanswijs God aan d'eere: die als opperstierman 't gansche werk bepaalde: maar d' onderoorsaak mogt daarom wel de duivel zijn; die de Sabeërs en Chaldeërs by hopen aanvoerde, die 't vuur van den hemel, en den wind uit de woestijne komen dede. Is 't mogelijk? waren gansche hopen van gewapende Sabeërs en Chaldeërs dan geen domme schapen en weerlose jongers magtig; haddense daar toe de hulp des Duivels noch van doen? Den Hemel sal hy sich wel wachten ooit so na te komen, dat hy als Promethus God sijn vuur onthale, om den brand te brengen op der Aarde. Voorts hy mag so windig wesen als hy wil: God sal hem in sijne schatkameren niet laten, om den wind daar uit voort te brengen; die houd d' Almagtige voor hem self. Dit sullen wy hier na noch sien.

{==156==} {>>pagina-aanduiding<<}

Want hier is 't ons genoeg, dat de Satan niet genoemd word, noch op 't minst gekend word in 't uitwerken van enig ding, dat Iob in desen wedervaren is: altoos ik hebbe 't niet gemerkt: weet een ander beter, dat laat ons horen. §. 7. Voor eerst spreekt God wel duidelik den Satan toe: Siet, al wat hy heeft zy in uwe hand; alleen aan hem en strekt uwe hand niet uit. vs. 12. Daar na noch eens: Siet, hy zy in uwe hand, doch verschoon sijn leven. cap. 2: 6. Sekerlijk hebben dese woorden groten schijn, om wel dubbeld te bewijsen 't gene ik daar effen noch so sterk ontkende. Want wat is duideliker geseid, als dat God Iob in de hand, dat is, na allen stijl der hebreewsche tale, in de magt des Satans overgeeft? En wat heeft hy noch daar by te seggen, aan hem strekt uwe hand niet uit; en wederom, verschoont sijn leven: by aldien de Duivel dese magt of kragt niet heeft, om den menschen quaad te doen, so verre als 't hem God niet en belett? Eer ik antwoorde, wil ik geerne bekennen, dat ik de Schrift op alle plaatsen, daar die wijse van spreken voorkomt, nagesien; ende doorgaans bevonden hebbe, dat in iemants hand te zijn, in dien sin, als geseid is, verstaan moet worden: het zy dat sulk een selfde hand aan hem legt, of dat hy 't door anderen doet. Over al nochtans is dat so niet: maar het heet ook in iemants hand te geven, somen hem dat genoegen geeft dat hy soekt; en 't gene hy sulk enen die hem in den weg is self doen soude, so hy konde: Doch waar toe het hem aan regt of magt, of aan gelegentheid ontbreekt; waar af ik hier op elx een stuk te berde brengen sal. §. 8. So veel als 't regt aangaat; dat magmen, na my toeschijnt, sien aan den moedwilligen doodslager, die in geen vrystad vry mogt zijn. Maar so hy derwaarts sich begeven hadde; so moesten d' oudsten sijner stad senden, ende nemen hem van daar; ende hem in de hand des bloedwrekers geven, op dat hy storve. Deut. 19: 12. Niet om dat hem de bloedwreker self mogt doden: want hoe wel op sommige plaatsen in dien schijn gesproken word; so seggen sy echter meer niet dan dat de Bloedwreker den doodslager by ontmoetinge dodende; daar voor aan den halse niet gestraft mogte worden. Doch de sake in regten bepleit zijnde, so en vindmen nergens uitgedrukt, dat hem vry stond het vonnis van 't geregt met eigen handen uit te voeren: maar staat beter te geloven, dat op desselfs aanklagte 't vonnis van den regter gewesen, door de genen die daar toe gesteld waren, uitgevoerd wierd. Getuigen mogten iemant steenigen, als onpartijdig zijnde; en dat in saken God betreffende, over godslastering of sabbatschendinge: Lev. 24: 14. Num. 15: 35, 36. maar geenen aanklager of bloedwreker heeft sulx ooit, na godlike of menschelike wetten, daar regt in 't land was, vry gestaan. §. 9. Oft iemant evenwel dat van den Bloedwreker anders soude willen verstaan, met wien ik niet hardnekkig twisten wil; die sal nochtans dit volgende niet lichtelik ontkennen. Te weten: daar het Israel mogt aan de magt ontbroken hebben, om het door de wapenen uit te voeren, 't gene

{==157==} {>>pagina-aanduiding<<}

God beloofd hadde van de Amoryten, ik hebse in uwe hand gegeven: dat heeft hy self volbragt met hagelsteenen van den Hemel. Want daar warender meer die van hagelsteenen storven, dan die de kinderen van Israel metten sweerde doodden. Ios. 10: 8, 11. So was 't ook namaals de gelegentheid, die Sisera in 't eerst wel diende, om Baraks of sijns volx eigene handen te ontvlugten; ende hem in die van Iaël te doen vallen, huisvrouw eens Kenijters, die niet van Israel, maar van 't oude volk des lands, en met den vyand self in bondgenoodschap was. Nochtans hadde God aan Barak belooft, en Debora hem ook voorseid, dat hy Sisera in sijne hand geven soude. Rigt. 4: 7, 14. Al is dat maar een deel der overwinninge geweest, het was het minste niet: en de eigentlijkste sin der belofte is door Iaëls hand volbragt; om dat geen man van 't gansche heir der Kanaanijten so seer in de hand van Israël, daar elk sich wakker weeren mogt, als hun opperveldheer weerloos door den slaap geraakt is in de handen van die vrow. §. 10. Om dit dan nu te deser plaatse toe te passen; so neemt eens, dat het Gode beliefd heeft, den bosen vyand so veel toe te geven, dat hy Iob in sulken swaren lijden sag. Voor dien tijd was hy so verre in sijne hand? gelijkmen seit in sulken geval; nu heb ik hem vergenoeg, ik heb hem in mijne handen, ik weet nu raad met hem: Dat is, doe ging 't den Duivel regt na sijnen sin, wanneer het Iob so qualik ging: gelijk de bloedwreker te vreden was, wanneer 't geregt slegs 't vonnis wees, al even veel wie daar de hand aan sloeg. Ende gelijk de Amorijten in de hand der Israelijten waren, wanneer hen God door hagelsteenen dede sterven: daar sy selve niet met al toe konden doen: also hier de Satan, wanneer dat God ende niet hy den wind liet waajen, die 't huis van Iobs kinderen om verre stormde. Eindelik, so als Sisera in Baraks hand geraakte, wanneer die vreemde vrow hare handen aan hem sloeg; daar Barak nochte niemant van sijn heir af wist: also konde Iob in de hand des Satans wesen, wanneer Sabeërs en Chaldeers hem sijn vee ontroofden, sonder dat de Duivel self het alderminst daar in bedreef. §. 11. Datter nu staat, maar, of alleenlik, verschoon sijn leven: dat kan ook, so veel de woorden elk op sijn selve belangt, aldus vertaald worden, maar let op sijn gemoed. Want hier staat in 't Hebreewsch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

schemor nafscho, gelijk Psal. 37: 37. 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

schemor tham: 't welk by d' onsen vertaald is, let op de vromen. Daar staat dan noch by: ende siet na den opregten: waar door het eerste lid noch nader word verklaard. En 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

nafscho is in 't hebreewsch so wel sijn gemoed, als sijn leven te seggen; so den taalkundigen genoegsaam bekend is. En dan soude 't so veel betekenen, als, siet hoe hy te moede wesen sal. Te weten: niet, gelijk de beschuldiger meende, dat hy den moet verloren geven soude; al wast dat boven sulken stapel van so sware rampen, sijn gebeente en sijn vleesch ook noch wierd aangetast. Dus bleek het ook haast, dat hy daar op noch in 't minste niet besweek; schoon hem sijne eigen huisvrouw daar toe niewen stoffe gaf.

{==158==} {>>pagina-aanduiding<<}

Want verre van daar door in sijnen moed verswakt te zijn, so antwoord hy met enen graaw: Souden wy 't goede van den Heere ontvangen? en het quade niet ontvangen? In dit alles en sondigde Iob met sijnen lippen niet: vers 10. 't welk nochtans de Satan meinde dat hy soude doen, so hem 't water eens tot aan de lippen quame. Voor enen tijd besweek hy wel, so verre dat hy sijnen dag vervloekte. cap. 3; 1. doch wederom bekomen, hield hy noch al vast aan sijne opregtigheid; so seer datter sijn eigen wijf over verwonderd stond. cap. 2: 9. Dat meer is: na dat hy verder op sijn verhaal gekomen is, so verklaard hy rond uit, dat het al meer daar op aan komen moeste, eer hy sijnen God verliete. Daar ga, (seit hy) over my wat het zy: Siet so hy my doodde, soude ik niet hopen? cap. 13: 13, 15. De woorden dan in sulken sin vertaald en verstaan, brengen geensins mede, dat de Duivel op dat na, te weten dat hy Iob niet aan sijn leven komen moeste; de magt van Godt verkregen hadde, om hem aan sijn lijf te komen. §. 12. Ik wil wel eens sien, wie my dese vertalinge en verklaringe, wanneer ik die vast wil houden, ontwringen sal: hoewel ik daarom noch niet soude verlegen staan. Daar tegen sal ik hem die 't my betwist, in d' uiterste verlegentheid brengen. Te weten, om my eens te seggen, hoe sich God van den Duivel ophitsen laat, ende nochtans in Duivels magt niet is? Want gy hebt my, (seit God tot den Satan) tegen hem opgehitst, om hem te verslinde sonder oorsake. Soude hy niet mogen seggen, Job zy in uwe hand; het scheelt weinig op hy seit hier, dat hy sich self in sijne hand stelt; door dien dat hy sich van hem laat ophitsen, om den regtveerdigen te verslinden. Is 't minder op 't gemoed te werken dan op 't lichaam? Ophitsen; en aanporren komt den mensche aan de leden niet, maar aan sijn hert So wie sich dan van enen anderen laat ophitsen; is die voor so verre niet genoeg in 's anders magt? Maar nu word dat aanporren dat de Satan David dede, en 't ophitsen dat sich God liet doen van Iob, in 't hebreewsch op enerleye wijse geseid; daar {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

vaijasseth, en hier 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hasithani, gelijk sy weten die de taal verstaan. So waar als 't dan is, dat de Satan op den onafhankeliken en onveranderliken God het minste vermoge heeft om hem op te hitsen: so vast gaat ook 't besluit, dat hy Iob aan 't lichaam heeft geplaagd, om dat hem God in sijne hand of magt gegeven heeft. Want het buiten allen twijfel meer is, iemants gemoed te overreden, dan sijn lichaam te beschadigen. Hy hadde dan al eerder en veel meerder magt op den Almagtigen (foey godslastering!) eer hy eens de magt kreeg over Iob.

§. 13. Ik mag dan wel lijden datmen 't so late; verschoon sijn leven: te weten, in alsulken sin, als of God den bloedwreker gevergd hadde, geen aanklagte op den hals te doen; wel aan den lijve te komen, maar niet aan 't leven. Want verder was de gedaagde noch niet in sijne magt, (dat heet in sijne hand) dan om den eisch te mogen doen, en daar in by den regter aangenomen te worden; gelijk gesien is. So sal dit hier de sin dan zijn. Ik hebbe my dus verre van u laten ophitsen, dat ik Iob be-

{==159==} {>>pagina-aanduiding<<}

roofd hebbe van goed en bloed: nu laat ik my noch veel verder overreden, dat ik hem self aan sijne gesondheid hinder doe. Hebt dan noch so verre uwen wille van den armen man. Maar so gy uwen moed niet koelen kont, sonder dat gy hem ter dood siet afgefolterd: daar toe en sult gy my niet overreden; spreekt my daar niet van, dat sal u nooit gebeuren. Dese uitlegginge wijkt lang so verre van den letterliken sin niet af, als de andere noodsakelik daar af moet gaan, waar mede dat ophitsten word verklaard. §. 14. Doch wat heb ik hier mijn hoofd te breken, om 't gene oneigentlik en twijffelachtig is geseid, met mijn gevoelen te verdragen? Siet daar staat met klare woorden: de Satan ging uit van 't aangesighte des Heeren; ende sloeg Job met bose sweeren van sijne voedsool af tot sijnen schedel toe, cap. 2: 7. Wie sloeg Iob? De Satan? Dat staater niet: maar de Heere; die dat alleen kan doen. Want hy doorwond, en sijne handen heelen. Waarom is hier uitgelaten 't woordeken Hy? Om dat het in 't hebreewsch niet uitdrukkelijk en staat? Daar was 't in sulken val als dit is, na den aart van die en andere talen, niet van node. In 't duitsch kan men 't selve missen, wanneer twee verscheide daden aan een selfde persoon, die te voren genoemd is, toegeschreven worden; maar in 't hebreewsch word het woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

hu, dat is HY nooit anders dan nadrux halve op sich self gesteld, ende buiten dat altijd in het werkwoord mede begrepen. Doch so eischt het alhier de eigenschap der duitsche tale, (en de hebreewsche laat het toe) dat het woordeken HY uitdrukkelik gesteld werde; om dobbelsinnigheid te mijden, opdat niemant denke, dat Gods eigen werk aan den Satan toegeschreven word.

§. 15. Onse Oversetters, die al mede, so 't schijnt, in dat gevoelen waren; hebben 't daarom so vertaald, dat de Satan word verstaan de gene geweest te zijn, van wien twee dingen geseid worden: dat hy uitging van 't aangesigte des Heeren, en dat hy Iob met bosen sweeren sloeg. Maar waarom geen drie? Te weten, dat het ook de Satan was, die sich met een potscherf schrabde: ja noch ten vierde, dat hy in d'assche neder sat. vers. 8. Want al staat hier HY in 't duitsch; 't hebreewsch en eischt dat niet uitdrukkelik: schoon sy 't hier wel tweemaal gesteld hebben, daar 't laatste HY altoos niet meer van node was dan in 't voorgaande vers. Ia noch veel minder also 't qualik staat in 't duitsch, (wanneer het nadrux halve niet geschied) 't woordeken HY meer dan eens te seggen, daar verscheidene dingen aan een selfde persoon of oorsaak toegeschreven worden. Beter soude 't luiden dus gesteld: hy nam sich een potscherf, ens. ende sat neder, voor hy sat neder. Men weet, dat dit beide van Iob geseid is: daarom eens HY te veel. Maar 't ander, al gelooft men 't vast so: men weet het echter niet, dat het beide op den Satan geseid is, sijn uitgaan, en dat slaan. Doch het gaat so met de vertalingen, Leser: Oversetters worden dikmaals uitleggers; so als sy den sin verstaan, so schikkense de woorden: in plaatse van de reghte betekenis der woorden uit derselver af komste, gebruik en schikkinge eerst

{==160==} {>>pagina-aanduiding<<}

na te speuren; en daar uit dan den sin, na eisch der saken te verklaren. §. 16. So segg'ik dan, dat hier niet de minste reden is, om dit van den Satan te verstaan: dat is, om de woorden buiten eische en eigenschap der hebreewsche tale, tegen de natuur aan op een schepsel uit te leggen over saken die den Schepper eigen zijn. Wat de tale belangt: de Hebreen geven ons in desen ruimer keure dan veel anderen doen; te weten, datse niet so duidelik onderscheiden als wy, met de Grieken en Romeinen, aan wien van twee personen, die genoemd worden, de daad , die daar by gemeld word, toe te schrijven zy. Onder seer vele exempelen is dese duisterheid nergens klaarder te sien, dan daar Moses sijn wedervaren met God en met sijne eigene huisvrouwen verhaalt. Want het geschiede, seit hy, op den weg in de herberge, dat de Heere hem tegen quam, ende socht hem te doden. Doe nam Zippora een steenen mes, ende besneed de voorhuid sijn soons. Ende hy liet van hem af. Wie is die HY? In 't hebreewsch staat dat woord niet eens, ende in 't latijn of grieksch behoeftet niet: maar in 't duitsch kanmen 't hier niet missen. Ik segge, wie is de gene die van den anderen afliet? en van wien liet hy af? 't Was de Heere: die lang te voren genoemd was, dat hy Moses doden wilde, ende die nu (door dese besnijdenisse al versoend) van hem afliet. Maar sijn soon, die besneden wierd, was laatst genoemd: waar door men soude mogen denken, dat Moses van sijnen soon afliet. De schikkinge der reden is 't alleen, welke doet, dat dit aflaten op dien name gepast moet worden die daar verdst af staat. So veel te gemakkeliker hier: om dat de Heere, van wiens aangesigt de Satan uitging, de laatste genoemd, en also de naaste is. §. 17. Want de sake betreft: wy sullen hier na (boven 't gene hier voor X. §. 6--15. van d'Engelen geseid is) noch duideliker tonen, dat het in de magt des Satans niet en is, al wierd 't hem duisendmaal toegelaten; sulke dingen alsmen hem gemeenlik toeschrijft, en besonderlik 't gene Iob tot hier toe wedervaren was, te verrigten. Doch dat behoeft hier nu noch niet. Want also het eene altoos seker, en het ander noch onseker is; te weten, dat het God kan doen, en of 't de Duivel ook doen: wat reden kander zijn, om het aan den laatsten toe te schrijven; daarse beide by malkanderen, en (gelijk geseid is) de Almagtige God self de laatste genoemd is? So besluit ik dan datmen de woorden dus verstaan moet, als offer stonde: De Satan ging uit van 't aangesigte des Heeren; ende de Heere sloeg Iob met bose sweeren. Hy dede dat, die dat sekerlik kan doen. §. 18. Maar als 't al geseid is, was 'er so veel omslags wel van node? Want wie kan ontkennen, dat dit gansch verhaal aangaande Iob met verbloemde redenen, na den stijl des ouden tijds, is opgeschikt? De sekerheid en waarheid der geschiedenissen sta ik toe; schoon by velen, al van oude tijden af daar aan getwijfeld is. Maar om meerderen indruk van so merkelijken voorval op des lesers hert te geven: so word de sake in 't vertellen met omstandigheden overkleed, die so niet geschied zijn als de letter mede brengt. Wy zijn al te wel gewoon, den heiligen Geest dus menscheliker wyse van

{==161==} {>>pagina-aanduiding<<}

God self te horen spreken; om niet te geloven, dat hy 't van de Engelen, die maar schepselen zijn, insgelijx wel soude doen. Hier is dat beide te sien. Of soude iemant wel so dwaaslijk van God konnen denken: dat hy, dien alle sijne werken van eewigheid af bekend zijn, (Hand. 15: 18.) ook, gelijk de menschen, op sekere tijden openbaren regt dag houd? Dat hy den Satan, dien helschen bandrekel, eerst de weereld door sal laten wandelen; ende dat meer dan eens: ende daarna noch onder sijne ogen laten komen, so gemeensaam met hem spreken, als of hy sijns gelijke ware? Sal sich God dan van den Duivel laten ophitsen, om sijnen liefsten vrienden, hem te gevalle quaad te doen? Wat schuld hadde onse eerste moeder Eva dan, of heeft de mensche heden noch, so hy voor des Duivels versoekingen beswijkt? Wat had hy David dan so swaar te straffen, indien hy self so wel als die sich van den Satan overreden laat? §. 19. Ik moet my sekerlik verwonderen, hoe 't mogelik geweest is, dat de menschen die geschiedenis van Iob, tot bewijs van 's Duivels groot vermogen, so gereed, so algemeen, so onbekommerd hebben aangenomen: sonder eens op de swarigheden, die daar onvermijdelik op volgen moeten (welbedacht te zijn. Wat dunkt u, Leser, van 't verhaal dat Micha voor den koning Achab dede; wanneer die hem vraagde, of God sijnen oorlog tegen de Syriers voorspoedigen soude? Ik sag den Heere sittende op sijnen troon, ende al het hemelsch heir staande neffens hem, tot sijnen regter en slinker hand. Ende de Heere seide: wie sal Achab overreden, dat hy optrekke, ende valle, te Ramoth in Gilead? D'een nu seide, aldus; en d'ander seide, also. Doe ging een Geest uit, ende stond voor 't aangesighte des Heeren; ende seide, ik sal hem overreden. Ende de Heer seide, waar mede? Ende hy seide: ik sal uitgaan, ende een leugengeest zijn in den mond van alle sijne profeten. Ende hy seide: Gy sult overreden, ende sultet ook vermogen; gaat uit, en doet also. 1 Kon. 22: 19--22. 2 Kron. 18: 18--21. Gaat God met de bose geesten te rade? neemt hy de leugen te bate? geeft hy hen self last, om de menschen door sulke middelen, by hem self verboden, en vervloekt, tot sonde, en daar door ten val te brengen? wie heeft sulx ooyt gehoord? §. 20. Wat is hier dan af te maken? Het selfde als van Iob: wiens historie onse Oversetters ook met dit vertoog van Micha vergelijken. Dit zijn hunne woorden over dat van Iob. cap. 1: vers. 6. Dit word geseid by gelijkenisse van weereldsche prinssen: die, om rekenschap te eischen van hunne dienaars, over 't gene sy hen belast hebben; deselve voor haar ontbieden. Vergelijkt. 1. Kon. 22: vers. 19. met d' aantekening. Hoe salmen 't een en 't ander dan verstaan? Te weten, dit is de sake. God wil door sijnen verborgenen raad, Achab, om sijner sonden wille, in den syrischen krijgh om den hals doen komen: des onthoud hy hem, door sijn regtveerdig oordeel, so veel genade als hy nodig hadde, om na goeden raad te luisteren; dewijl

{==162==} {>>pagina-aanduiding<<}

hy tot den quaden uit sijns selfs verdorventheid genegen was. Dat wil hem Micha door dien toestel van gelijkenissen tonen: en met een dat het Gode ernst; en dit quaad wel vastelik, als met rijpen rade, en genoegsaam overleg van middelen, die daar toe dienden, van hem besloten was. En wat Iob aangaat: door die verbloemde vertellinge wil Gods Geest verklaren, hoe het sijner Voorsienigheid beliefd heeft, sijnen knecht Iob, na so vele zegeningen, op de hoogste proeve van geduldigheid te stellen: so verre dat sijn snoodste vyanden en benijders van 't geluk, dat God hem gunde; self de Duivel uiter hellen, (so te spreken) souden moeten toestaan, dat hy was een voorbeeld van standvastige godvrugtigheid. Dus leert ons dat verhaal, wat Iob heeft konnen lijden; maar geensins wat de Duivel ooit kon doen. §. 21. Met weinig moeite salmen nu begrijpen konnen, wat het was dat Paulus wedervoer: dat hy by enen Engel des Satans, die hem met vuisten sloegh, en een doorn in sijn vleesch was, verbeeld. 2 Kor. 12: 7. Want somen op de stellinge der grieksche woorden acht geeft; hy en seit niet, dat het was {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

angelos tou Satan een engel des Satans; maar blotelik 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

angelos Satan, 't welk een Satans engel of engel Satan te seggen is. Behoeft dien volgens niet noodsakelik van dien eenen Satan, by uitnementheid also genaamd, verstaan te worden: maar magh al so wel op enigen tegenstander in 't gemein, die self, of door iemant anders van hem gesonden, den Apostel plaagde, gepast worden. En sulk een van den anderen gesonden, om den heiligen Apostel te quellen, magh, voor so veel hy van desselfs satan of vyand gesonden is, sijn Engel, dat is Bode; en voor so verre als hy self mede hem een vyand is, een engel satan, dat is vyandige bode genoemd zijn. 't Quaad dat hy hem dede was 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, kolafixein, dat is vuistslagen, stokslagen, kinnebakslagen geven; 't gene by ons in onduitsch bastonneeren en suffletteeren heet. Sulx is niet altijd na de letter te verstaan: ende past nochtans de letterliken sin, daarmen niet geern afgaat sonder reden, hier de naaste; om eenen Satan ofte Satans Engel te verstaan, van de genen die met stokken en roeden gewapend zijn: te weten menschen van den Gereghte of van wapenen, hoedanige den Apostelen doorgaans tegenstonden, en de gelovigen vervolgden. §. 22. Derhalven weetende, dat een Engel, (so veel als den naam betreft) niet anders dan een bode: en Satan so veel als tegenstander, aanklager en lasteraar te seggen is: wat behoeven wy die vuistslagen verder te gaan soeken, dan by sijne bose vyanden, die de waarheid tegenspraken, en sijnen goeden naam met lastering beswaarden? Scherpe pylen waren dat, als van enen maghtigen, en als gloejende jeneverkolen; Psal. 120: 4. Dat hem sulx niet weinig wedervoer, heeft hy dikmaal duidelijk geklaagd. Ende kan seer wel zijn (al en vindmen 't niet bescheidelik beschreven) dat d'Apostel korts na die verwonderlike openbaringe, in 't begin des kapittels verhaald, enigen besonderen swaren overlast van bose vyanden heeft uitgestaan. Sulx alles te verdragen, dat viel den vleesche swaar: des bad hy

{==163==} {>>pagina-aanduiding<<}

God so vuriglijk, in vrese dat hy eens beswijken moght; en wierd daar op van God vertroost, dat hy geenen nood en hadde. §. 23. So weinig als 't dan blijkt, dat Paulus van God self aan den Satan ofte eenen sijner Engelen verlaten was: so duister is het mede te verstaan, hoe andere van hem aan den Satan overgegeven, of de gemeinten tot sulx te doen vermaand zijn. Hy self seit, dat hy Hymenaeus en Alexander, over loogeninge, so 't schijn, (2 Tim. 2: 18.) van d'Opstandinge, aan den Satan overgegeven hadde, om hen 't lasteren af te leeren. 1 Tim. 1: 20. Insgelijx besluit hy, den bloedschandigen te Korinthen aan den Satan te doen overgeven; tot bederf des vleesches, om den geest daar door te behouden. 1 Kor. 5: 5. Doch het hebben sich al van ouds af vele uitleggers gepynigd, om te mogen weten, wat dit voor een werk geweest mag zijn: doe wel gebruikelik, so 't schijnt, by d'Apostelen; maar al vroeg na hunne tyden in ongebruik geraakt: immers door so veel als 't woord betreft, dat d'oude kristen leeraars al so weinig verstonden als de onsen hedendaags. Sulx blijkt uit de twijfelachtige verklaringen die sy daar afgeven; d'een dus, en d'ander so. §. 24. Om dese reden scheid ik hier met weinigh woorden af: also ik my niet voorgenomen hebbe, den eigentliken sin van dese plaatsen te verklaren, die ik niet versta. Sulx te bekennen, acht ik my te minder schande, om dat ik sie datse heden niemant recht verstaat. Liever blijf ik hier dan staan, als met menigte van uitleggers, so niewen als ouden, overal in 't wild te lopen. My is dat genoeg, dat uit dese geen bewijs voor des Duivels grote maght te halen is: so lang als niemant sekerlijk en weet, dat de sin sodanig is als dat bewijs vereischt. Maar ik heb al lang voorsien, datmen my met enen hoop Besetenen ontmoeten sal, en aan deselven dat doen sien, dat ik tot hier toe tegenspreke. Doch dat is een stuk, daar ik met den meesten ernst op uit geweest ben, om het na te speuren: en wat ik eindelik gevonden hebbe, dat sal ik den Leser duidelik voor ogenstellen. Eerst laat ons dan besien, wat voor bose Geesten 't zijn geweest daar mede sy beseten waren; en dan, waar in dat die besetenheid bestond.


XXVI. Hoofdstuk. De Duivelen in de Schrift als veele gemeld, zijn van des Duivels Engelen verscheiden.

§. 1. IK hebbe, daar ik dit stuk in 't voorby gaan raakte XII. §. 5, 6. my verpligt, en de saak vereischtet ook van dat onderscheid te spreken, dat tusschen den voorseiden Duivel en de Duivelen is. Die en zijn des Duivels Engelen niet. Gansch anders is hun naam in 't hebreewsch, en ook in 't grieksch. Twee namen vindmen in 't hebreewsch des ouden Testaments, dat onse Oversetters Duivelen ver-

{==164==} {>>pagina-aanduiding<<}

duitsch hebben: maar ik sal hen selve doen bekennen, dat geen van beiden na behoren is vertaald. Het eerste is {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

schedym, ende staat Deut. 32: 17. en Psal. 106: 37. De woorden van Moses hebben sy aldus vertolkt: Sy hebben den Duivelen geofferd, niet Gode: en het op de kant aldus verklaard; desen afgoden, door welken de Duivelen gediend worden. (Of dit wel is, daar af sal hier na noch iets te seggen zijn) verg. 1 Kor. 10: 20. het hebreewsche woord betekent Verwoesters: also de Duivelen met reght genoemd worden; gelijk de Engel des afgronds de Verderver genoemd word. Openb. 11:9. Of dit hier de naam van Duivelen is, daar komtet noch niet veel op aan: maar is my genoegh, dat het hebreewsch woord, so sy bekennen, Verwoesters betekend. Wy sullen haast vernemen, wie dat die Verwoesters zijn. D'andere plaats hebben sy aldus: Daarenboven hebbense hunne sonen en hunne dochteren den Duivelen opgeofferd. Daar by seggense in d'aantekeninge anders niet dan dit, Siet d'aantekeninge Deut. 32. 17. En dat was ook genoegh. In 't latijn vind ik het op beide plaatsen Daemonia vertaald; desgelijx in 't italiaansch Demonii. De fransche Bybel seit op d'eerste plaats, Idoles. dat Afgodsbeelden; en op d'andere Diables, dat Duivelen te seggen is. D'Engelschen hebben 't een so wel als 't ander Devils, en d'Hooghduitschen Teufel vertaald.

§. 2. Het ander hebreeusch woord is {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Schirym, ende komt ons driemaal in den Bybel voor: Lev. 17: 7. 2. Kron. 11: 15. en Iesa. 13: 21. D'eerste plaatse hebben d'onsen dus verduitscht. Sy en sullen niet meer hunne slagtofferen den Duivelen, den welken sy nahoereeren, offeren. Maar op de kant hebbense dit: Het hebreewsch woord betekend eigentlik degenen die ruigh ende gehaard zijn, als bokken; en die den menschen in sodanigen gedaanten by wylen verschenen; (sose meinden) ende van de Heidenen afgeschilderd, op godsdienstige wyse vereerd worden. Siet van dese ook 2 Kron. 11. 15. De tweede plaatse daar sy hier op wysen spreekt van Ierobeams afgoderyen; ende is van hen aldus vertaald. Hy hadde sich Priesteren gesteld voor de hooghten, en voor de Duivelen, en voor de kalveren die hy gemaakt hadde. Siet voor eerst hoe hier de Duivelen en de Kalveren tsamen over eene kam geschoren staan: hoe veel beter pasten hier de Bokken? Onse Vertaalders, gelijk hier 't selfde woord staat in't hebreewsch, en door een selfde woord van hen verduitscht is; wijsen ook op de kant na de voorgaande plaats, sonder iets daar by te doen. So doense ook ter derde plaatse, daar sy Iesaias woorden dus vertalen: de Duivelen sullen daar (te weten in 't verwoeste land van Babel) huppelen. Dus hebbense dan een selfde woord, op die drie plaatsen even eens verduitscht, en even eens verklaard. Maar van d'andere vertalingen isser by na geene die hen mede stemt: dat laat ons nu ook sien.

§. 3. {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Schedym hebben de Grieken telkens door 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

maar 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Sehirym op die drie plaatsen driesins vertaald. Een bewijs hunder ongewisheid, om den reghten sin te weten. Lev. 17: 7: 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

mataioi, en

{==165==} {>>pagina-aanduiding<<}

2 Kron. 11: 15. {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

idola. 't Eerste woord geeft ydele of dwase goden, (so Gods Geest met reght der Heidenen afgoden noemt) het ander Afgodsbeelden te verstaan. Iesa. 13: 21. hebbense 't gelijk 't ander 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daimonia vertaald. D' italiaansche Bybel heeft op de twee plaatsen demoni en demonij; maar in de laaste satiri, satyrs, somen by ouds de boschgoden na der Heidenen meininge noemde. De fransche stelt de twee eerste malen diables: maar de laaste lutons, spoken; als beter, so 't schijnt, passende ook die plaats. Iunius en Tremellius hebben hier scopes in 't latijn gesteld, en op de kant verklaard. Hunne woorden stel ik dus in 't duitsch. Bystere Vogels, die sich als Satyrs bewegen (sy meenen ook al datter Satyrs zijn) alleer ongeluksvogels, raaw van geluid; daar Homerus 5. Odyss. af meld. In 't latijn wordense mede asiones, en in 't fransch op ene eigene wijse dames genoemd: welke vogel anderen na-aapt, vleit en op sekere wijse huppelt; gelijk Plinius in 't 13 boek der Nat. Hist. 23. c. spreekt. Daarom hebben wy, gelet op 't naastvoorgaande lid van dit vers, en 't woord huppelen datter by staat; het liever dus overgeset dan het selve op de satyrs of fauni of tragopanadas, of diergelijke wanschepsels toe te passen. De gemeene latijnsche oversettinge en die van Zurich, neffens andere, hebben 't na de letter pilosi, dat is, hairige vertaald. Coccejus heeft'er het selfstandig woord, datter by verstaan moet worden, hirci bokken, in de plaats gestelt. D'engelsche vertaalder maakter mede satyrs af. Luther en Piscator hebben hier in 't hoogduitsch feltgeister gesteld; doch op de twee andere plaatsen mede, als geseid is, teufel.

§. 4. Uit so veel verschillende vertalingen, met de texten selve vergeleken, sal de Leser lichtelik drie dingen konnen sien. Voor eerst, dat volgens 't gene daar sy in te samen stemmen, ja self daarse schoon verschillen genoesaam blijkt, dat die twe hebreeusche woorden geheel wat anders betekenen, danmen gemeenlik door Duivelen verstaat: volgens dien, dat in 't geheel oud Testament van geen Duivelen gemeld word. Ten anderen, datse evenwel doorgaans en byna een pariglik den text na dien sin hebben willen schikken, (is 't niet overal, 't is ten minsten in de eene of andere plaats) dat de Duivel in 't spel komen moghte. Waar dit by toekomt, sal een weinig verder te verneemen zijn: dan het derde moet ik hier wat breeder seggen; te weten, dat hunne vertalinge op die vijf texten niet en past. Want deself leit so den aart noch oorsprong van de woorden niet; en den inhoud noch de tsamenhang der rede eischtet niet; die 't ook eens deels niet en lijd. §. 5. Het en leit, segge ik, in den aart noch oorsprong van de woorden niet. Want waarom word schedym, eigentlik verwoesters, meer op Duivels, dan schodeed verwoester op eenen Duivel gepast: dewijle die beide woorden van een selfde grond woord schadad afgeleid, ende also van eenerley betekenisse zijn? Nochtans word Iesa. 33: 1. wee u, gy Verwoester, schodeed, op den koning van Assyriën: en daar dit woord meer voor komt, van niemant op den Duivel; maar van ieder een op sekeren men-

{==166==} {>>pagina-aanduiding<<}

sche geduid. En belangende 't woord sehirym, gehairde of ruiharige, so de Bokken in 't besonder om hunder ruigharigheid wille in 't hebreewsch genoemd worde; waarom het ook 24. maal van onse eigene Oversetters bokken verduitscht is: wat reden haddense, om alleen op dese drie plaatsen Duivelen daar af te maken? §. 6. Den inhoud noch de t'samenhang der rede eischte dat ook niet: noch in 't een woord noch in 't ander. Niet in schedym. verwoesters. Want hoewel het in die beiden plaatsen op de Afgoden geseid is, so zijn d' Afgodsbeelden, of der Heidenen verdichte Goden woest genoegh, om so te heten: dewijle sy woest en afschuwelik van maaksel, (so veel de beeltenissen belangt) en woest van omslagh, in den dienst diemen hen bewees; met eene d'oorsaak van de verwoestinge des volx Israel geweest zijn. Sulx word hen daar over Deut. 32: 19. 20. uitdrukkelik gedreigd; en Psal. 106: 40. wel duidelik gemeld, dies wegen de toorn des Heeren tegen sijn volk ontsteken is, ende dat hy aan sijn erfdeel enen grouwel heeft gehad. Was dat niet verwoestinge genoegh? §. 7. Wat het ander woord belangt: sehirym bokken of diergelijk vertaald, pasten immers in de laatste plaatse, Ies. 13: 31. vry wat beter dan dat van Duivelen; dat daar gansch geen plaats en heeft. Wat doen de Duivelen by dat geselschap van wilde dieren, schrikkelike gedierten, Jonge struyssen en draken; so sy d'andere namen in deselfde reden meest na gissinge vertaald hebben? Waarom mogen daar geen Bokken by? Of krieltet over al van Duivelen, daar sich 't wild gedierte houd? Wat gedachten hebben toch de menschen, en met name so geleerde mannen, van Duivelen, datse die doen huppelen in de woestijnen? Is dien duiveldans tot eere of vermaak van dat wild gedierte aangesteld? Want menschen souden daar niet meer te vinden zijn. Wie is so vernuftig onder al die wilde beesten, dat hy die Duivels in sijn geselschap daar voor kent? Of is dat der Duivelen eigen vermaak: segt my toch, geleerde luiden, hoe dat dit huppelen der Geesten in sijn werk mag gaan? §. 8. Waar komt dit dan by toe, dat d' Oversetters meestendeel, en insonderheid de onsen met de Duivelen so gereed zijn, om hen in den Bijbel plaats te maken? Datse gelijkelik met het gemeen gevoelen belangende de bose Geesten ingenomen, en met dat vooroordeel tot de vertalinge gekomen zijn. Anders, so sy onverschillig waren, als ontrent andere saken daarse self geen sonderling begrijp af hadden: wat swarigheid haddense te maken meer dan elders, om het na de letter te vertalen; ende hunne meininge in de kant-tekeninge te verklaren? So hadde geen eenvoudig Leser door 't woord Duivelen, in den text gesteld, misleid geweest. Gelijk als Psal. 68: 31. Scheld het wild gedierte des riets, de vergaderingen der stieren, met de kalveren der volkeren. Hier haddense ook wel een van drieen, of immers van beiden, de stieren of de kalveren tot Duivelen konnen maken: want hier toch ook na veler meininge op de heidensche, en besonderlik egyptische Afgoden gesien word. Onse Oversetters bekennen dat mede, seggende

{==167==} {>>pagina-aanduiding<<}

hier by op de kant: dat sommige alhier den Kalverdienst der Egyptenaren verstaan. Anders latense de hebreewsche woorden in het duitsch wel staan, wanneerse de vertalinge niet seker zijn: als van Dudaim, Gen. 30. 14, 15. van Urim en Tummim overal; en van verscheidene gedierten diemen niet eten mogth, den Solham, den Hargol, en de Hagab, Lev.11: 22. en honderd andere meer. So doende soudense ons insgelijx met de Shedijm en Sehirijm niet verbijster hebben. §. 9. Maar d'Afgoden der Heidenen, zijn die anders iet dan Duivelen? sult gy seggen; ende seit Paulus niet, dat het gene sy den Afgod offeren, sulx den Duivel self geofferd word? 1 Kor. 10: 22. Als het daar dan doch op aankomt, waarom dan dit woord, daar 't kennelik op d'Afgoden geseid word, niet ten eersten Duivelen vertaald? Dit isset, wel te weten, dat qualik verstaan so veel dolingen gebaard heeft. Des sal ik nu wat breder daar van spreken. Sulx heb ik ook al in 't begin des eersten boex beloofd en voor af geseid, dat Paulus in die plaats het woord Daimonia, ende niet Diaboloi gebruikt; welk, als geseid is, in den ganschen Bybel anders dan van menschen (en dat sleghs driemaal) niet en staat. Maar het woord {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daimoon, en 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daimonia word in 't niew Testament wel 63. maal gevonden, en van d' Oversetters altijd Duivelen vertaald: behoudens eene plaats, Hand. 17: 18. daar sy liever Goden hebben willen stellen; om dat het misschien den burgers van Atenen beter paste, om te seggen dat Paulus een verkondiger van niewe Goden, dan van niewe Duivelen was. Waar uit het schijnt, dat ik d' Oversetters dus verre aan mijne zijde hebbe; die beweere I. B. V. §. 5. dat de Heidenen, hunne Goden voor geen Duivels houdende, ook den Duivel niet aanbidden. Dan wat hunne vertalinge belangt: sy waren genoodsaakt, daar sy 't woord Doimonia over al even eens door Duivelen vertaald hebben, schoon het seer verscheidelik te passe komt; hier ook so te doen. Want een eenige stem word door 62. al te ruimelik overstemd; om in 't minst te twijfelen, of dat niet de ware en de eenigste sin is van een woord, dat so menigmaal, en op so menigerhande wijse in de Schrift te passe komt. Magh men een uit 63. plaatsen afscheiden, om het anders te vertalen, dan 't op alle d'andere vertaald wil zijn: so en sie ik geene sekerheid altoos, in 't ondersoeken van den sin van enig woord. De Critici, dat is Letterkundigen, sullen my dat toestaan, die geen besonder belang in enige oversettinge hebben.

§. 10. Mijn seggen word noch meer bevestigd, uit dien dat andere oversettingen het grieksche woord over al gehouden: zijnde in 't italiaansch demoni te lesen, so dikmaals als in 't grieksch daimoon, of daimoniun staat. Maar daarmen diabolos leest in 't grieksch, hebben sy diabolus in 't latijn, ende in 't italiaansch diavolo gesteld. So leestmen in 't syrisch Testament schido en schide, daar in 't grieksch daimonia staat: zijnde 't selfde woord, waarmede Ies. 13: 11. 't hebreewsch sehedym vertaald hebbe; gelijk het ook derselfde herkomst is. Daimoon vind

{==168==} {>>pagina-aanduiding<<}

ik by hem met davio vertaald. Maar voor diabolos hebbense 't woord satana dat van gelijke kraght is, gesteld. Andere talen, in welken 't niew Testament is overgebraght, souden ons door hunne verscheidenheid noch meer verwerren. Waar sullen wy dan eindelijk met die Daimones en Daimonia heen, daar ons nederduitsche Oversetters overal, dat is 62. maal Duivelen af maken; even eens ofter Diaboloi, daar dit woord van afkomt, geschreven ware? Dat laat ons nu besien. §. 11. De sake sal gemakkeliker zijn te vinden, by aldienmen sleghs onpartijdig, alle vooroordeelen aan een kant gesteld, op twee regelen acht wil geven, die my geen taalkundig schriftgeleerde wraken sal. Beide rusten die op eenen grond, die in hoedanigheid der H. Schrijvers, en derselver taal bestaat. Van af komst waren sy Hebreërs, en spraken self hebreewsch: maar sy schreven grieksch. Dat was, gelijk wy weten, om datse ten behoeve van verscheide volkeren schreven; en dat de grieksche tale doe by grieksch en ongrieksch volk, zedert Alexanders tijden, rondom henen in 't gebruik was. Luiden van verscheiden sprake, so seer als de Ioden en Romeinen waren, quamen daarin over een, dat sleghs d'een den anderen, gelijk Lijsias aan Paulus dede, had te vragen, kont gy grieksch? Hand. 21: 37. en daarmede was het wel, dan kondense malkanderen verstaan. Dit gesteld, so magh men vryelik geloven, dat de Schrijvers van 't niew Testament de grieksche woorden in dien sin gebruikt hebben, als by den Grieken, en dienvolgens by den Heidenen gebruiklik was. Want die tot het Kristendom bekeerd zijn, hebben te betekenis der woorden niet veranderd. Waar uit volgt, dat sy door Daimones en Daimonia betekend hebben, 't gene de Heidenen daar door verstonden. Of het moeste zijn, 't gene nu de tweede regel is (dat hunne eigene tale) de hebreewsche wel te weten: die ook de tale van den Bijbel is, so verre als 't oude Testament sich strekt; hen of door gewoonte, ofte nadrukshalven, daar van af wijken dede. Dien aangaande is het openbaar genoegh, datse sich wel dikmaals na den stijl des hebreewschen Bijbels schikken. Maar dat heeft hier geen plaats; na dat wy gesien hebben, dat sodanige Duivelen daar in onbekend zijn; ende ten hoogsten maar op vier plaatsen, 2 maal door Sehedijm en noch twee maal door Sehirym; (so even beide verklaard) iet dat op der heidenen afgoden siet, betekend is. §. 12. Nu en kan mijnen Leser niet onbekend zijn, wat der Heidenen Daimones waren: want dat heb ik in 't eerste boek II. 9--------- 12. uit oude schrijvers aangewesen; ende met een, wat eere, en om wat reden aan deselven wierd bewesen. III. 2. V. 4. 5. Daar na heb ik getoond, dat d' Afgoden der hedendaagsche Heidenen van gelijken trant is, als die oude was. Dat de Sitte en de Juhlen der Lappen, VI. 3. Dinstipan der Littouwers, §. 8. de seven hoogste en 26. mindere Goden der heidensch Persianen, VII. 7, 8. de Tiedebaik en Gokis der Iapanders, §. 9. de Dewetaas en Ratsjesjaas der Koromandelesen,

{==169==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 11, 12, 13. de Fetissos der Guineërs, IX. §. 3. de Ichiri, d' Ommekous de Maboyas en Zemeëns der Kanibalen, X. 12, 14, 16, 17, 18. alle van denselven slagh zijn: en dat de Godsdienstige eere aan desen als middelaars en bewindhebbers, in stede der opperste Godheid bewesen word. Door Daimones zijn dan der Heidenen Afgoden te verstaan: de welke, na hun gevoelen, al 't bestuur den menschelike saken van der hoogste Godheid wege aan sich hadden: en daar van {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, Scheidsluiden en Bestelmeester der menschen genaamd zijn. Hier van zijn de gelukkigen by de Grieken van ouds endaimones die wel met de Daemons staan; en d' ongelukkigen kakodaimones, die met de Daemons qualik staan, genoemd. Want eu wel, en kakoos qualik te seggen is. De Daemones van welken wy waanden dat hen enig quaad toequam, sonder datse 't wisten verdiend te hebben, wierden mede Cacodaemones, quade Daemons genoemd. §. 13. Hier by staat dit noch in 't besonder aan te merken, so alsmen ook bespeuren mag uit het gene ter aangemelde plaatsen getoond is: dat de Heidenen in 't onderscheiden, in 't benoemen en 't waardeeren hunder Goden seer oneffen zijnde geenen naam echter meer dan dien van Daimones gebruikt hebben; so verre dat dikmaals de Goden en de Daemones een selfde ding by hen was. Uit twee plaatsen van Homerus sal ik dat wel klaar doen blyken. D'eerste is, Iliad. T. daar Agamemnon onder anderen dus tot Ulysses spreekt; sijnen raad toestemmende.

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


Dus tuigt my mijn gemoed, ik wil dien raad wel sweeren; En doch door valschen eed den Daemon niet onteeren.

Siet hoe hy hier Daemon noemt by wien hy sweeren wil. Dog of dit iemant noch enigen twijfel liete: siet hier een ander dat doorgaat Iliad P. Achilles reden gevende, waarom hy Hector, der Goden lieveling, in 't wreken van Euforbus dood niet derfde tegen staan; so seit hy.

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


Die enen Daemon self bestaan derf te bevechten; Ik segg', alsulken man by enen God geëerd, Sijn aanslagh gaat verloren, Veel ramp is hem beschoren.


{==170==} {>>pagina-aanduiding<<}

Daar word in den tweden regel God genoemd die in den eersten Daemon hiet. Des besluit ik noch eens, dat de Daemons der Heidenen Afgoden zijn. §. 14. De Schrift betuigt dat self. Eerst daar die van Athenen den Apostel enen verkondiger {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

kainoon Daimonioon, van nieuwe Goden noemde. Hand. 17, 18. Want om te bewijsen, dat sulx niet waar was beriep, sich Paulus op den dienst des onbekenden Gods. vs. 23. Die God hen onbekend, 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Theos agnoostos wierd dan by die Heidenen onder de Daimonia begrepen. Tot derselver leeringe en dienst voorseide Paulus door den Geest dat sommigen, ter laatste tijd uit het Heidendom bekeerd, wederom vervallen souden. 1. Tim. 4: 1, 2. Want gelijk hy seit 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}


{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

baptismoon didachee, leeringe der dopen, Hebr. 6: 2. in dien sin, dat hy de leere, welke handelt van den doop, daar by verstaat: also mein ik, dat het Daillon hier ook niet qualik heeft, die sulx van den Afgodsdienst, die aan de sogenaamde daemones bewesen wierd, verklaart. So dit onsen Oversetters in den sin gekomen ware, sy hadden mede daimonia op dese plaats geen duivelen gemaakt. En aan dese daimonia was 't mede, geen Diaboloi of duivelen; (so staat'er niet) dat de Heidenen in 't algemeen, na Paulus bedied, offerhande deden, en aan welker tafel sy deelachtig waren: 1 Kor. 10: 20, 21. gelijk Ioannes seit, datse die aanbaden Openb. 9: 20. Desgelijx de verleidende geesten, (welken name Paulus ook gebruikt, 1 Tim. 4:1.) zijn geen geesten der duivelen; 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, dioboloon; maar der daemons, {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daemonum; welke uitgaan tot de koningen der aard. Openb. 16: 14. Van dese daemons, en niet van duivelen was Babylon ene woonstede geworden. Openb. 18: 2. Even eens als ook hier voor §. 3: uit Ies. 13: 21. is verstaan.

§. 15. Wat seg ik dan? dat een Afgod iet is? Wy weten dat een Afgod niet is in de weereld, ende datter geen anderen God en is dan een. 1. Kor. 10: 19. en 8. 4. Om die reden wordense mede in 't hebreewsch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

elilym nietigheden genoemd. Dat hebben onse Nederlanders 14 maal Afgoden, ende eens Ezech. 30: 13. nietige afgoden verduitscht. De sake self word 1 Kron. 16: 26. en Psal. 96: 5. daar 't selfde woord in den grondtest is, nadrukkelik geseid. Alle goden der volkeren zijn afgoden: maar de Heere heeft de Hemelen gemaakt. In 't duitsch eigentlik, alle goden der volkeren zijn Nietigheden: ende word daar dan bequamelik tegengesteld, dat de Heere de hemelen gemaakt heeft; en daar door getoond, dat hy geen Niet, maar Iet is: ja dat hy groot en seer te prysen, en boven alle Goden vreeslik is? gelijk in 't naastvoorgaande vers geseid was. Waarom noemtse dan de Schrift self Goden? Om dat gene te betekenen, dat de Heidenen meinden iets te zijn. Maar uit haar selve noemt syse ydelheden, om te tonen datse in sich self niet met allen zijn. Dus worden ook de daimones in de Schrift genoemd; niet om datser waarlik zijn: maar om te betekenen dat gene dat alleenlik in der Heidenen inbeeldinge is, hoewel het niet en is. So noemen wy d'Ideen

{==171==} {>>pagina-aanduiding<<}

van Plato, d' Intelligentien van Aristoteles: niet om te geloven datser zijn: maar om te betekenen 't gene sy daar door verstaan. Waarlik hebben de koningen van Assyrien, seide koning Hiskija, alle de landen verwoest, ende hunne Goden in 't vuur geworpen. Waren 't dan Goden? Hy noemtse so, om dat hen die volkere daarvoor hielden: maar om sijn eigen gevoelen evenwel te seggen, het waren geen Goden. Ies. 37: 18, 19. Segt van gelijken: dat de Schrift dan Daimones noemt, om datse van de Heidenen in 't gemeen, en van sommige Ioden geloofd wierden; maar datter nooit Daimones geweest zijn. §. 16. Dat nooit en was, daar quam ook nooit iet af. Hoe zijnder dan in Christus tijd so veel Besetenen geweest? Die wierden in het Grieksch {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daimoniz omenoi, als ofmen seide, beduivelden genoemd: indien de Daemone Duivels zijn; 't welk ik bewesen hebbe, Neen. Dertien maal word dat woord in d' Euangelien gevonden; ende noch eens 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

, 't welk sy vertalen duivelsch. Iak. 3: 15. Dese Daimones zijn 't, en geen Diaboloi, Duivelen, (hoewel het onse Oversettinge so noemt) die Christus en d'Apostelen uitdreven. Matt. 4: 24. en 8: 16, 28, 21. en 9: 32, 33, 34. en 10: 8. en 12: 22, 24, 27, 28. en 15: 22. en 17: 18. Marc. 1: 32, 34, 39. en 3: 15, 22. en 5: 12, 18. en 6: 13. en 7: 26, 29, 30. en 16: 9, 17. Luk. 4: 33, 35, 41. en 8: 29, 30, 33, 35, 36, 38. en 9: 1, 42. en 10: 17. en 11: 14, 15, 18, 19, 20 en 13: 32. Deselve zijn 't die de Schrift 9 maal bose en 21 maal onreine geesten noemt. Sulk een word mede eens een geest eens onreinen duivels (daemons) een geest der krankheid, en een waarseggende geest genaamd. Luk. 4: 33. en 13: 11. Hand. 16: 16. Sulken Duivel, dat is, een daemon was 't waar mede Christus vyanden waanden dat hy en Iohannes beseten waren. Matt. 11: 18. Luk. 7: 33. Ioh. 7: 20. en 10: v 20. §. 17. Maar hoe seit D'Apostel dan van die Daimonia: Sy geloven dat God een is; maar sy tsidderden? Iak. 2: 12. Want met reden sult gy seggen; geloven dese iet van God, so zijnser evenwel: aangesien hy niet geloven kan die niet en is. 't Is reght: die op den name der Daimones den mensche antwoord geven, ik segge, de heidensche Priesteren, geloven dat de Godheid in der daad maar een is: gelijk als uit de t'samenstemminge der voornaamste Heidenen, van oude en van hedendaagsche tijden blijkt I. B. II. 4. VII. §. 2, 5, 6. De beelden in der Heidenen afgodstempelen worden in de Schriften so genoemd, als de verdichte Goden self by hen genoemd zijn. Want de H. Geest seit 'er niet meer of danmen siet: en 't gene men siet is maar silver goud, een werk van 's menschen handen. Psal. 115. vs. 4. Buiten dat en isser niets dan de blote inbeeldinge der verblindde menschen. Die inbeeldinge doet dan mede, datse d'ingebeeldde Goden vragen; en doet hen meinen dat die antwoord geeven, wanneer de Priester hen bedriegt. Gelijk de Schrift nu het gene uiterlik geëerd word den naam des Afgods geeft die niet en is: so is het gelij-

{==172==} {>>pagina-aanduiding<<}

kerwijs te denken, datse dien ook geeft aan dien die op den naam des Afgods spreekt, hoewel die niet en is. Die Papen dan schoon 't volk door veelerley verdichtselen verleidende; geloven echter datter maar een eenig godlik wesen is: en door wroeginge van hun gewisse, wanneer dat by gelegentheid eens wakker word, sy tsitteren wanneerse daar aan denken. §. 18. By aldien dat iemant vreemt dunkt, die lette sleghs op 'tgene datmen elders leest. Ierem. 51: 44. Ik sal besoekinge doen over Beel te Babel, ende ik sal uit sijnen muil uithalen dat hy verslonden heeft. Is een beeld (gelijk dat van Beel) bequaam om besoekinge te ontfangen? hadde dat in waarheid iets verslonden? Of hadde sulx d' Afgod self gedaan, die nooit in wesen was? Neen, sult gy seggen: maar de Duivel, die onder dien naam, en in dat beeld geëerd wierd. Al wederom de Duivel? Leest dit dan ook eens: Also seit de Heere; ik sal ook de Drekgoden verdoen, en de nietige Afgoden doen ophouden. Ezech. 30: 13. Sal dan de Duivel noch eens sterven? of heeft hem God doe al verdaan, na den inhoud der profezye, die door de hand van Nebucadnetsar vervuld is: hoe regeert hy dan nu noch so sterk, alsmen seit dat hy doet? Is dat noch niet genoegh: so leester dit noch by: Beel is beschaamd, hunne Afgoden zijn beschaamd. Ierem. 50: 2. Schaamt sich dan de Duivel ook? Of schaamt sich het afgods Beeld? Geen van beiden denk ik wel: maar die 't bewind hebben over den Afgodsdienst. So seg ik dan even eens tsidderen de Daimones, als d' Afgoden beschaamd zijn. Volgens dien blijkt uit desen niet, datter waarlik Daemons zijn, de gene die men t'onregte Duivelen noemt.


XXVII. Hoofdstuk. De menschen diemen seide van deselve beseten of gequeld te zijn waren sonderlingen siekten onderworpen.

§. 1. WY hebben nu de Daemones tot niet gemaakt, die anders ook onreine en bose Geesten genaamd zijn. Nu, dat niet en is, dat doet of werkt ook niet. Hoe hebben dan die Duivels of onreine Geesten sulke werkingen gedaan, als d' Euangelium ons vermelden, in en door de genen die van hen beseten waren? Dat laat ons ondersoeken. De schijn is, dat dikmaals een of meer Daemons (so wil ik vervolgens altijd spreken, in plaats van Duivelen, daar in 't grieksch de Daimones en niet Diaboloi genoemd zijn) eens menschen Lichaam ingenomen en beseten hebben: invoegen datse hem deden spreken: of meesten tijd sware siekten en pijnelijke quellingen, self ook raserny en dulligheid toebraghten. Welker elendigen seer veele, door de kragt en goedheid onses Heilands, en den dienst sijner Apostelen, daar van

{==173==} {>>pagina-aanduiding<<}

verlost zijn; de Daemons of onreine Geesten van hen uitgedreven zijnde. In 't gemeen word dien aangaande van Iesus geseid, datse tot hem braghten, onder anderen, die van den Daemon beseten waren, en dat hy die genas: Matt. 4: 24. in gevolge dies ook van d' Apostelen, dat hy hen maght gaf over de onreine Geesten, om deselve uit te werpen cap. 10: 1. Bysondere voorvallen worden dien aangaande verhaald: die hier na besonderlik te volgen staan. §. 2. Ende wierd dit uitwerpen der Duivelen by den Heere self, also wel als by sijne afgesondenen, voor een bewijs van sijne godlikheid, en wettige sendinge opgegeven: waar toe hy Herodes ook liet seggen, Siet ik werpe Daemons uit; Luk. 13: 34. en self tot de Fariseen seide, dat hy sulx door Gods Geest of vinger; dat is door goddelike kragt te wege braght. Matt. 12: 28. Luk. 11: 20. Insgelijkx by sijn afschied enige Tekenen aan de sijnen belovende, die hen souden volgen, so seide hy onder anderen, en dat ten eersten: in mijnen name sullense Daemons uitwerpen. Marc. 16: 17. D'Apostelen ook met besondere blijdschap, als verwonderd, seiden; Heeren ook de Daemons zijn ons onderworpen in uwen name. Luk. 10: 17. Sy bewesen ook, dat hun Heere met den heiligen Geest ende met kragt gesalfd was, uit dien dat hy was genesende alle die van den Duivel (daar staat nu eens diabolos) overweldigd waren. Hand. 10: 38. Dit gaat altemaal daar henen, dat het schijnt iets boven de Natuur te zijn: en dat de Duivel sulken grote maght over de menschen heeft, die door geenerhande middel, dan alleen door Gods Onmiddelbare kraght te overwinnen zy. §. 3. Doch somen op dit alles nader ondersoek wil doen, het doet sich haast veel anders op; waar af den Leser te overtuigen, ik hem eerst wil bidden, dat hy enige dingen in acht wille nemen, die hem noodsakelik tot nabedenken brengen moeten. Het eerste is, datmen van sulken menigte der Besetenen in geenerhande boeken elders leest: waar uit men reden heeft sich te verwonderen hoemen niet een exempel daar van vind in al den tijd noch door alle de boeken van 't oud Testament; self ten tijde dat de Ioden tot den dienst der Daemones vervallen waren, gelijk 't in tijde van Manasse was. En had de Duivel nu dan so veel groter magt op 't volk, nu 't selve van 600. jaren af den Afgodsdienst verlaten, en genoegsaam als versworen hadde? Ik weet niet wat men hier op seggen kan, als dat de Duivel doe besonderlik is uitgelaten; op dat hy die gekomen was om des Duivels werken af te breken, gelegentheid hadde, om sijne kragt te tonen; gelijk het met den blindgeborenen was. Ioh. 9: vers 3. Maar dan ontstaat een tweede swarigheid. §. 4. Want alhoewel het niet en strijd tegen Gods gerechtigheid, dat een soon of dochter Abrahams, Luk. 13: 16. gelijk Maria Magdalena, Marc. 16: 9. Luk. 8: 2. en die blindeman self, buiten sijne of sijner ouderen besondere schuld, of ene sonderlinge wijse van God zy besocht geweest: so moet het echter vreemd voorkomen, dat nergens dan onder Gods volk

{==174==} {>>pagina-aanduiding<<}

de Duivel sulken heerschappye heeft; en datmen niet een enig teken van dien aart in gansch Egypten sagh, wanneer God den verstokten Farao naamkundig heeft verwekt, om aan hem sijne grote kraght te tonen, ende om mijnen naam (seit hy) te vertellen op de gansche Aarde. Exod. 9: 16. Geheel anders: maar om te tonen, dat Moses quam om 't volk verlossingen van God te doen; so wierd Egypten geplaagd, maar Israël verschoond: wanneer ene dikke duisternisse van drie dagen over gansch Egypten was; maar by alle kinderen van Israël was 't licht. Exod. 10: 22, 23. En by aldien 't 'er op aan quam, ik meine dat ik stoffe meer dan nodig uit de Profeten halen soude, dat het den Israelyten beloofd is, die na de babylonische gevangenisse ten groten deele hier in van de Heidenen onderscheiden zijn: dat hen God, nu alleen, sonder omsien na d' Afgoden, by hen gediend; ook van de plagen der Afgodendienaars vry bewaren of verlossen soude. §. 5. Ten tweden merk ik aan: dat dese {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

daimonizomenoi, dat is eigentlik, so als 't woord daimoon gemeenelik verstaan word, beduivelde, bedaemonde (of liever begeestigde soud ik seggen) of 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

energoumenoi besetene menschen; en gevolgelik de onreine geesten so genaamd, altijd by de siekten genoemd worden; en also genoegsaam onder de siekten en quellingen, die doe omgingen, gerekend. Want in 't gemein gesproken, so braghtense tot hem alle die qualik gesteld waren, met verscheidene siekten en pijnen bevangen zijnde, ende van den Duivel beseten (van enen Daemon moest het wesen) ende maansieken, ende geraakten: en hy genas deselve. Mat. 4: 24. en 8: 16. Marc. 1: 32. Luk. 6: 18. en 7: 21. Daarom seide ook de Heere self; Siet ik werpe Daemons uit: en make gesond. Luk. 13: 32. En Petrus insgelijx van hem, dat hy was geneesende geweest (buiten siekten hadde hy beter geseid verlossende) alle die van den Duivel overweldigd waren. Hand. 10: 38. Op geene andere wyse word ook van d'Apostelen geseid; dat op enen tijd, wanneerse vele Daemons uitwierpen, so salfdense ook vele kranken met oli, en maaktense gesond. Marc. 6: 13. Dat was wanneer de Heere self noch by hen was: desgelijx ook na desselven Hemelvaart, so braghtmen tot hem kranken, en die van onreine geesten gequeld waren; welke alle genesen wierden. Hand. 5: 16. en 8: 7. en 19: 12.

§. 6. Laat ons 't selfde nu eens in 't besonder sien: waar toe niet nodig is, alle voorvallen, die daar af verhaald staan, op te halen; so wy slegs bemerken, dat eene selfde quellinge in eenen selfden mensche, op d'eene plaats den naam van daemon of onreine geest, en op d'andere van siekte heeft. De soon van sekeren man was, na sijn eigen seggen maansiek: Matt. 17: v 15. ende also hy daar by stom was, so word elders geseid, dat het een stomme geest was, die hem quelde; Marc. 9: 17. Luk. 8: 39. en desgelijx dan by Mattheus wederom, dat de Daemon van hem uitvoer, wanneer hy genesen wierd. v 16, 18.Dat meer is, het schijnt dat de siekte self den naam van Geest heeft in de Schrift: also deselve van de vrow, die 18. jaren krank

{==175==} {>>pagina-aanduiding<<}

geweest was, op die wijse spreekt, datse enen Geest der krankheid hadde. Luk. 13: 11. §. 7. Het derde is insonderheid aanmerkens weerdig: Te weten, datmen nergens in den Bybel vind, dat het uitdrijven der bose Geesten ooit door Gods Profeten is voorseid. Maar Mattheus eens verhalende, hoemen op eenen avond vele van den Daemon beseten tot den Heere Iesus braght; en dat hy de geesten uitwierp met den woorde, en alle de genen die qualik gesteld waren, genas: so merkt hy daar op aan, dat in desen vervuld is 't gene gesproken was door den profeet Jesaia, daar hy seit: cap. 53: 4.) hy heeft onse krankheden op sich genomen, en onse siekten gedragen. Matt. 8: 16, 17. Merkt in 't voorby gaan, dat in den griekschen text van Mattheus niet en staat van den Duivel, nochte van den Daemon, maar alleen beseten: en dat onse Oversetters evenwel die ingevulde woorden niet en onderscheiden, (gelijkse anders so sorgvuldelik doen, na veeler oordeel meer dan 't nodig is) deselve met andere letters, of ook tusschen twee haaxkens stellende; so als te deser selfe plaatse het woord onse by dat van siekten is gevoegd. Waar uit blijkt dat het hen gelust heeft, den Duivel mede in te schuiven ter plaatse daar hy niet te doen en heeft. En so veel als nu de sake self betreft: so men uit die plaatse daar uit Iesaias bygebracht bewijsen moet, dat de Messias Daemons uitwerpen moest; so volght noodsakelik, dat de Besetenheid eene van de Siekten is, die de profeet seit, dat hy dragen, en sijn volk daar af verlossen soude. §. 8. Dit blijkt mede uit het antwoord, dat de Heere self aan de leerlingen van Iohannes gaf; behelsende 't bewijs, dat hy de Messias was, die komen soude, en dat men geenen anderen verwachten moeste. Gaat henen, seit hy, en boodschapt aan Joannes 't gene gy hoort en siet: de blinden worden siende, ende kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd, en de doven horen, de doden worden opgewekt, ende den armen word het Euangelium verkondigd. van 't uitwerpen der Daemons en spreekt hy niet een woord. Matt. 11: 4, 5. ende sulx niet tegenstaande dat hy ter selfder ure vele van siekten en qualen, en (daar wel op te letten staat) ook self van bose geesten genas; so als Lukas uitdrukkelik daar van schrijft: die nochtans de woorden onses Heren mede verhalende, insgelijkx de bose Geesten daar in niet en noemt. cap. 8: 21, 22. Maar wanneer hy naderhand van die sake aan Herodes weten liet, so scheen hy alles wat hy genas onder 't uitwerpen der Daemons te begrijpen. Want dit waren sijne woorden: Gaat henen, segget dien vosse? Siet ik werpe Daemons uit, en make gesond. cap. 13: 32. §. 9. Het vierde dat hier bystaat aan te merken, is 't geen onsen Heere Iesus in eigener persoon van d' ongelovigen Ioden wedervaren is: het zy datse tot hem self, of tot anderen van hem spraken. Ongewoon van anderen te horen 't gene hy dikmaal sprak, of te sien de werken die hy dede, schreven sy hem toe enen bosen Geest die hem daar toe dreef.

{==176==} {>>pagina-aanduiding<<}

Wanneer hy hen verweet, datse na sijn leven stonden: sy niet willende daar van overtuigd zijn, borsten uit in dese woorden: Gy hebt enen Daemon; wie soekt u te doden? Ioh. 7: 20. En tot anderen tijden seidense hem achter na, Hy heeft enen onreinen Geest. Marc. 3: 30. En dat was, om dat hy dede, sonderling ontrent onreine geeste, (so als sy die noemden) het gene sy niet begrepen hoe het in sijn werk moght gaan. Hy heeft enen Daemon (onse Oversettinge seit, hy heeft den Duivel) ende is uitsinnig. Ioh. 10: 20. Waar uit blijkt, datse enen Daemon, of onreinen geest toeschrijven den genen die niet wel by sinnen is. Schoon sy sulx van Iesus gelovende, al te sondig doolden: echter gavense genoegh te kennen, dat indien 't waar geweest hadde, het hen even veel zijn soude, te seggen dat hy dul, of van enen bosen geest beseten was; de sin was even eens. Ende word van sulx onse Oversetters in hunne uitlegginge op de kant over Ioh. 7: 20. self erkend. Want op de woorden, gy hebt den Duivel (so als sy 't vertalen) tekenen sy aan op No. 33. dat het is te seggen; gy raast als een beseten en uitsinnig mensche, ende gy lastert ons. §. 10. Uit dit alles dunkt my dan, datmen wel besluiten magh: dat dit slagh van Daemons, bose of onreine Geesten, of geesten eens onreinen Daemons, sekere bose siekten waren, die de herssenen belemmerden, en daar door de inwendige sinnen, besonderlik d' inbeeldinge krenkten: by tijden sich verheffende, gelijk de koortse; ook wel met koortsen vermengd, en met stuipen, d'een swaarder dan d'ander, tot raserny en dulligheid overslaande; waar uit die sware toevallen, van sommigen in d' Euangelien verhaald, ontstonden. In sulken sin wierd aan den genen die somtijds enen overval van dulligheid hadde, een onreine geest; of daemon toegeschreven: ende waren ook d' uitwerkingen der sogenaamde bose geesten, dikmaals en voornamelik deselfde als van dulligheid; gelijkmen aan verscheidene die d' Euangelien vermelden heeft gesien. Matt. 8: 28, 32. en 17: v 15. Marc. 5: 3, 4, 5. Luk. 8: 27, 29. en 9: 39. Onder sulke dulligheid heeft sich ook wel blindheid, stommigheid en dovigheid vermengd gehad: Matt. 12: 22. ende wierd dan sulken sware quellinge een stomme en dove geest genaamd. Mark. 9: 17--25. Lukas meld de stommigheid alleen. cap 11: 14. §. 11. Den oorsprong sulker benaminge maghmen uit de Daimones der Heidenen, in 't 1. boek II. §. 9--13. beschreven, en besonderlijk uit dat gevoelen trekken, dat by ouds en noch heden deselve Daemons niet alleenlik oorsaak of bestierders van der menschen hertstoghten; maar ook die hertstoghten self Daemonas genoemd heeft. 1. B. II. §. 12: 13 en X. §. 12. Want in welker voegen de filosofie van Plato en Pytagoras den Ioden dies tijds aankleefde, is al mede 1 B. XII. §. 4, 5, 12. uit Filo getoond, en daarna 1. B. XXIV. §. 13. noch eens te pas gebraght. En 't gene verder in 't besonder hier ter sake dient, is dat my een voornaam Arts, terwijl ik met dit schryven besig ben, reght te paste t'huis brengt; ende zedert van my self ook nagesien, dusdanig is. In Fragm. Galeni ex

{==177==} {>>pagina-aanduiding<<}

Aphor. Rabbi Mosis coll, Expos. IV. in libr. Timiei §. 99 gelijk ik dat bevinde in het II deel van 't IX. stuk der werken van Gelenus pag. 402. daar in 't latijn van woord tot woord aldus te lesen staat. Aliqui antiquorum inspicientes Apoplexiam esse aegritudinem diram, Daemonium nominaverunt. Et ailiqui eam Lunam: Lunam autem dixerunt, quia in circulatione Lunae accidere consuevit. Et Plato imposuit huic morbo nomen Daemonis, quia capiti accidit, & manifestè nocet loco dei, scilicet cerebro. Dat is: Sommige der ouden, insiende dat de Beroerdheid ene bystere siekte is, noemden deselve Daemonium. Sommige de Maan: en dat daarom, dewijle sy gemeenlik met den omloop der Mane komt. Ende heeft Plato dese siekte den naam van Daemon gegeven. dewyle sy het hoofd bevangt, ende klaarlik krenkt de plaatse enes Gods (of des Gods, dat is, daar sulk een God of Daemon, wanneer die in den mensche komt, sich sett) te weten de herssenen. Het blijkt dan uit dit seggen van dien joodschen medecyn, dat het al een oud gebruik was, dus te spreken van de swaarste siekten, die de herssenen ontstellen: dat een Daemon, God of Geest, op sijn Platos te verstaan, dat deel des lichaams in den mensch bevangen hadde.

   §. 12. Noch meer sal ons Hippocrates de vader van de Medezijnen seggen, daar hy in sijn boek 

{== afbeelding

   ==} {>>afbeelding<<}
   
 peri hierees noson van de heilige (dat is de vallende) siekte, voor af de reden geeft, waarom die also genaamd wierd. Der woorden zijn te veel om uit te schrijven; maar dit is de sin. Hy oordeelt datter geene reden is, om aan dese siekte boven andere dien naam te geven: Maar de menschen, seit hy, hebben door onkunde en verwonderinge gemeind, dat deselve godliker natuur en oorsprong wesen moeste; om datse den anderen siekten in geenen deele gelijkt. Doch die reden toond hy dat insgelyx in vele andere siekten ten plaats hebben konde. Dies meld hy de genen die sijns bedunkens d'eerste vinders van desen name konnen geweest zijn: te weten, dat de genen die allereerst dese siekte tot de Goden gebraght (so heeftet Foësius in 't latijn vertaald: eigentlik verheiligd, gelijkmen seit vergodet) hebben 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

afiërosantes, sodanige geweest zijn als de Magi en wypapen en omlopers, en vermetle snorkers; die sich uitgeven voor seer godvrughtig en van grote weetenschap te zijn. Want dit volk onder voorgeven van godlikheid sulker siekte hunne onkunde bedekte; om deselve natuurlik genesende, des te groter eere te behalen. Na dat dan ook de werkingen der siekten waren, daarna benoemdense die van besonder Goden, of Daemones, diemen voor oorsaken sulker besondere werkingen en beweegingen hield.

§. 13. Daar wy dan hebben sulke twee getuigen, Plato en Hippocrates, beide voor des Saligmakers komste in de weereld geleefd hebbende, so verre als de Ioden kennis of gemeenschap van der heidenen gevoelens hadden: moght het lichtelik gebeuren, datse ook derselver tale spraken, om aan sulke siekten sulke namen toe te schrijven. Nu kan ons Iosefus, die ontrent den tijd wanneer dat Christus uit de weereld ging ter weereld quam, ons daar van versekeringe doen. Want die man, so geleerd als

{==178==} {>>pagina-aanduiding<<}

hy by de Ioden was, nochtans vol sotte bygelovigheid, geloofde erger dan self Plato of Hippocrates, datter sulke Daemons waren die de kranken plaagden, en door toverkunst verdreven wierden: also hy in sijn 7. B. van de I: Oudh. cap. 25. van alsulke Daemons meld, welke so genaamd zijnde, de geesten van de snoodste menschen levendig inneemen, en daarna doden. Waar in hy waarlik ook een onverstandig oordeel velt; als of 't een vast bewijs van eigen boosheid ware, so enig mensche van alsulken bosen geest beseten wierde. Nu komt die Rabbi Moses achterna, so veel wijser dan d'anderen; die ons klaarlik toont, dat sulk gevoelen van de siekten uit dat van den heiden Plato quam: die meer Filosoof dan Arts, en daar door in dit stuk der Filosie dus gebrekkelik, den Daemons (immers in den schijn) heeft toegeschreven; het gene Hippocrates, door beiderleije weetenschap verlicht, niet anders dan natuurlik, so als alle siekten zijn, heeft aangemerkt. Ondertusschen sietmen, dat het bygelovig joodsche volk het domste van die veelerley gevoelens, immers in hun spreken, allermeest gevolgd is. §. 14. En om te mogen sien, hoe seer het Iodendom sich na dat heidensch oordeel voegde: so sal ons Lichtfoot uit der Ioden schriften tonen, dat sy ongewone siekten, ook gemeene gebreken so des lichaams als gemoeds, den bosen Geesten toeschreven; of die selfden naam van bose Geesten gaven. Hy spreekt over Matt. 17: 35. uit Ben Majemon in 't boek Gerushin. cap. 2. By aldien iemant enen bosen Geest hebbende seggen moghte, met dat hem die Siekte bevangt. ens. Over 't boek Gittijn cap. 7. §. 1. seggen d'Uitleggers: Kordikus is een Daemon, welke heerscht over de genen die te veel niewen wijns gedronken hebben; of (so als enen Samuel seit) wanneer hem de niewe wijn uit de wijnpers gebeten heeft. By Maimons sone word het dus verklaard: {== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Cordiacus is ene siekte die uit al te grote volheid van de vaten des breins onstaat, waar door 't verstand verbijsterd word; ende is een slagh van vallende siekten. In 't boek Aruch staat 	

{== afbeelding

==} {>>afbeelding<<}

Shibtha is een bose Geest, die den kinderkens op den nekke sitt, en de senuwen desselfs uitdroogt en toetrekt. Desgelijx over Matt. 8: 28. Dit zijn de tekenen van Sota, ofte van enen rasenden: dat hy 's nachts uitgaat, en sich tusschen de graven onthoud, sijne klederen scheurt, en al ter neder smijt wat hem voorkomt. Vorder (seit Rabbi Houna;) die 's nachts uitgaat is kondriacus, dat is, hypochondriacus, die de miltsiekte heeft; die tusschen de graven vernacht, steekt den Schedym (wy hebben XXVI. 3, 4, 5. aangewesen wat die zijn) reukwerk aan; die sijne klederen scheurt, kolikus, dat is melancholicus, een swaarbloedig mensch; en die al wat hem ontmoet ter neder werpt, kardiacus, dat is, die met hertstikkinge gequeld is. Wat verder seit hy dan: By wijlen is hy dul, en dan wederom by sinnen: gedurende die dulligheid stelt hy sich in alles rasende aan: dan wanneer hy wederom tot sijn selve komt, draagt hy sich wyselik in alles, Siet daar, seit Lichtfoot (die anders overdadiger dan iemant an-

{==179==} {>>pagina-aanduiding<<}

ders van den Duivel spreekt) over Matt. 17: 15. een selfde ding, Duivel en Siekte. §. 15. Men moet ook buiten dat niet vreemd achten, dat ongemeen quellingen dies tijds den naam van Geesten by de Ioden hadden. Want het en was buyten de Schrift niet, dat de driften en bewegingen des gemoeds, het zy ten goede of ten quade, mede geesten heeten. Daillon heeftet seer be‘quamelik met dese woorden aangewesen. Somen met aandacht bemerkt verscheiden dingen, aan welken de Schrift den naam van Geesten geeft: men sal bevinden, dat het niet anders dan sekere hertstoghten zijn, door welken de menschen gedreven, of dus of so gesteld zijn. Die andere Geest, die met Caleb was, en is niet anders dan sijn geloof en moedigheid geweest; gesteld tegen d'ongelovigheid en laf hartigheid van sijne met gesellen. Num. 14: 24. De Geest, welken God Sanherib ingeven soude, dat hy een gerughte horen, en in sijn land wederkeeren moeste; was [waarschijnlik] de vrese die hem door 't aanschouwen van 185000 lijken in sijn leger beving. Ies. 37: 7, 36, 37. Dat niew herte en die niewe Geest, welken God wil dat sijn volk sich maken sal; (geestelijke wesens, seg ik 'er by, konden sy niet maken) ‘zijn buiten twijfel niewe gevoelens en genegentheden. Ezech. 18: 31. De Geest der hoererye is de drift die in den menschen is tot dese sonde. Hos. 4. 12. en 5: 4. Wanneer Iesus den twee sonen van Zebedeus seide, Gy en weet niet van hoedanigen Geest dat gy zijt, Luk. 9: 55. so was de meininge, dat se niet en bemerkten van wat hertstoght sy gedreven wierden, om also te spreken alsse deden. Die Geest des diepen slaaps, die den Ioden heeft bevangen Ies. 29: 10. Rom. 11. 8. is niet anders dan die natuurlike ongevoeligheid, waar hen God aan overgaf; hen onthoudende sijne genade. De Geest der sachtmoedigheid 1 Kor. 4: 21: is de sachtmoedigheid self, of de sachtigheid van ons gemoed. Door eenen geest wandelen, 2. Kor. 12: 18. dat is door eene selfde genegentheid, en met eenerley voornemen te werke gaan. §. 16. Hier by moet ik aan den Geest van Saul gedenken; daar de Schrift af seit: Dat de Geest des Heeren van hem week, en een bose Geest van den Heere hem verschrikte; welke van sijne hovelingen een bose Geest des Heeren genaamd wierd. 1 Sam. 16: 14, 15. Wat Geest des Heeren week van Saul? Sodanig als op David quam: niet de godlike werkinge der hemelsche genade, die in hem van moeders Lichaam af al werksaam was: Psal. 22: 10, 11. maar ene heldhaftigheid enen koning over Gods volk betamende. Die wierd doe veerdig over David, als tot koning geschikt; en die week doe van Saul: als van God verworpen zijnde. Die bose Geest was dan, by tegenstellinge, ene droefgeestigheid, natuurliker wijse uit die verwerpinge, hem door Samuel aangekondigd, ontstaande; die somwijlen met verheffinge quam tot heete gramschap en byna tot dulligheid toe; gelijk wanneer hy sijnen eigenen sone Ionathan met de spiesse socht te slaan. 1 Sam. 20: 33. Die dulle droefheid wierd

{==180==} {>>pagina-aanduiding<<}

door 't snarenspel versacht, daar de Duivel nooit voor vlughten sal? Maar voor Saul was dat ene verademinge, en 't wierd beter met hem; so dat de Geest dan van hem week. cap. 16: 23. §. 17. Men heeft hier niet voorby te gaan, 't gene noch al vreemder luid: dat dese Geest van Saul een bose Geest Gods, en Geest (beter een Geest) Gods genaamd word. v 15, 23. dat is, een seer bose geest: omdat de Hebreën, een ding verheffen willende, gewoon zijn so te spreken; in aansien dat het gene Gods is, noodsakelik het voornaamste is. In dien sin hadde Rachel worstelingen Gods, dat is sware worstelingen, met hare suster geworsteld; Gen. 30: 8. Davids leger groeide dagelix aan tot een groot leger, als een Leger Gods; 1 Kron. 12: 22. De grootste bergen, tegen den diepsten afgrond gesteld, zijn de bergen Gods, Psal. 36: 7. en de schoonste Cederbomen de Cederbomen Gods. Psal. 8: 11. Over sulx hadde sich een geleerd man, insonderheid der tale so volkundigh, hier niet nodig veel te quellen, om te seggen hoe een bose geest Gods geest kan wesen; of te tonen, dat die naam den Heiligen Geest ook past: wiens besonder werk het zy, so wel den bosen te verschrikken, als de goeden te vertroosten. De misslagh komt uit die gedachten, datmen door iemants Geest iets buiten hem, en dat selfstandig zy, verstaan wil hebben; 't welk wy nu wel sien dat altijd so niet en is. §. 18. Het komt ook niet oneven uit, dat sulx als daar nu geseid is een Geest genaamd word. In't begin van dit boek I. §. 10, 11. nam ik 't woord in sulken sin als 't gebruik mede brengt, in aansien van het gene dat ik daar ter handen nam: d' oorspronkelijk betekenisse, daar dat gebruik van afwijkt, heeft hier beter plaats. Dus word d' uitwaseming des bloeds, het fijnste van ons Lichaam, dat door de pesen straalt, daar alle kraght van beweginge der leden in bestaat, niet anders dan Geest genoemd. Het gemoed des menschen word ook daar van aangedaan, door de nauwe gemeenschap die de Ziele met het Lichaam heeft. Wie en weet niet, dat de vochtigheden, daar ons bloed uit bestaat, dus of so gematigd, de Geesten die daar uit ontstaan veelsins veranderen, en van sulken, of van anderen aart doen zijn? Vochtigheden segg' ik: die in 't latijn humores genaamd zijn, waar uit wy humeuren seggen; en vervolgens, dat iemant in een goed of quaad humeur is. Desgelijx, dat hem sijn humeur tot dit of dat vervoert; so hy qualijk doet of spreekt, het is de schuld van sijn humeur. Segt veel liever dat sijn Geest sulx alles doet: want die uit d' Humeuren ontstaat, en also de naaste oorsaak is van des menschen doen.


{==181==} {>>pagina-aanduiding<<}

XXVIII. Hoofdstuk. Zo by 't uitwerpen der Geesten, als anders heeft sich de Heere Iesus in sijn doen en spreken na des volks gelegentheid geschikt.

§. 1. WAnneer ik dus tot hier aan toe in 't ondersoek van dese saak gekomen was, so vond ik my so verre wel verlicht, dat die benaminge van daemons of van bose en onreine geesten sulker herkomst waren, als daar nu getoond is: en derhalven op geen andere wijse uitgedreven wierden dan de koorts of andere quaal uit 's menschen lichaam, ofte met een woord gelijk als afgevaagd wierd; so d' Euangelien van 's Heeren wonderdaden klaar getuigen. Maar 't gene my doe noch te krachtig tegen stond, was, dat de Heere Iesus self 't gemeen gevoelen scheen te stijven met sijn spreken en sijn doen: mitsdien dat hy sich daarin so droegh, dat men anders niet bemerken konde, of hy was al mede in 't verstand, dat het waarlik bose geesten waren, die van buiten in den mensch gevaren, hem van binnen deerlik plaagden. Ik en wist derhalven niet of ik verder had te gaan; of het daar by te laten, 't gene des niet tegenstaande uit al 't gene geseid is klaarlik bleek. Want sulx zijnde, maghmen sich van de waarheid, reghtdraads nagespeurd en uitgevonden, niet versetten laten; al is 't dat sich van elders hinderpalen opdoen, daarmen niet over heen kan komen: also ons verstand enig ding wel klaar kan sien, ende nochtans iet datter by staat, door d' onvolmaaktheid die noch in ons is, niet met een begrijpen. Nochtans docht het my geraden, so om my self, als ook om anderen in desen te voldoen, naawkeurigliker na te speuren, wat van desen handel zy. En siet hoe ik dan eindelik hier mede mijn genoegen vond; daar ik hope dat het de bescheiden Leser ook wel vinden sal. §. 2. Te weten, dat onse Heere Iesus, wanneer hy op aarde wandelde, nooit in sijne leeringe liet blijken, dat hy gekomen was, om den menschen de natuurliken oorsaken van 't een of 't ander ding te leeren: noch ook, om de dolingen ontrent de enkele bevattinge der saken; maar alleenlik om de gene die de Zeden en de Godsdienst betreffen, te verbeteren. Sulx blijkt genoegsaam uit verscheidene lessen van hem opentlik gedaan, en de bescheiden, die hy op desen en gene voorvallen gaf: alwaar hy niet voorby gekonnen hadde de dolinge te ontdekken, indien 't sijn oogmerk geweest ware: Het eerste is ten vollen klaar, somen wel doorleest alle die daar van in d' Euangelien beschreven staan; welke ik tot behulp des Lesers opsoeken, ende hier voor ogen stellen wil. I. Matt. 5: 6, en 7. Luk. 6: 20-49. gesproken tot de scharen. II. Matt. 10: 5-42. Luk. 9: 3, 4, 5. tot d' Apostelen besonder. III. Matt. 11: 7--30. IV. Matt. 13. Marc. 4: 2--32. Luk. 8: 4-18. V. Matt. 18. 1-20: VI. Matt. 20: 1-16. VII Matt. 21. 28-44. en 22: 1-14. VIII. Matt. 23. IX. Matt. 24 en 25. Luk. 21: 7-36. X. Luk. 4:

{==182==} {>>pagina-aanduiding<<}

16--21. XI. Luk. 10: 1--16. XII. Luk 12: 1--12. XIII. v 16--59. XIV. Luk. 14: 7--24. XV. v 25--35. XVI. Luk. 15. XVII. Luc. 17: 1--10. XVIII. Luk. 18: 1--18. XIX. v. 9--14. XX Ioh. 5: 19--47. XXI. Ioh. 10: 1--18. XXII. Ioh. 12: 23--36. Men soude 't getal deser lessen groter kunnen maken: maar dit zijn de voornaamste; en waar onder d' overige ook bequamelik te begrijpen zijn. Geen van allen echter, daar iets van natuurlike dingen of derselver nature van den Heere geleerd word; selfs ook niet van saken des Geloofs: het komt alles op de Zeden aan. Dit eene stuk, dat hy de beloofde Messias is, waar af hy geduriglijk 't geheel bewijs uit sijne werken haalt, is 't gene het Geloof, (en sulx ook voornamelik) betreft. §. 3. De vragen die den Heiland van tijd tot tijd zijn voorgesteld, en 't bescheid dat hy telkens daar op gaf, zijn mede van dien aart Sulx is te sien uit alle die plaatsen daarin ons d' Euangelisten daar van melden: welke ik allegaar, so veel alsser zijn, insgelijx aantekenen wil; op dat een ieder te gereeder sie, hoe waarachtig 't zy het gene ik segge. I. Matt. 8: 19. Luc. 9: 57. II Matt. 9: 3. Mar. 2: 6. Luc. 5: 21. III Matt. 9: 11. Mar. 2: 16. Luc. 5: 30. IV. Matt. 9: 14. Mar. 2: 17. Luc. 5: 32. V. Mat. 11: 1. VI. Matt. 12: 2. Mar. 2: 24. Luc. 6. 2. VII. Matt. 12: 10. Mar. 3: 2. Luc. 6: 7. VIII. Matt. 12: 38. Mar. 8. 11. IX. Matt. 12: 47. Mar. 3: 32. Luc. 8: 21. X. Matt. 13: 10. Mar. 4: 10. Luc. 8: 9. XI. Matt. 13: 36. XII. Matt. 13: 54. Mar. 6: 2: XIII. Matt. 15: 1. Mar. 7: 1. XIV. Matt. 15: 12. XV. Matt. 15: 15. Mar. 7: 17 XVI. Matt. 16: 1. Mar. 8: 11. Luc. 11: 29. XVII. Matt. 16: 13. Mar. 8: 27. Luc. 9: 18. XVIII. Matt. 17: 10 Mar. 9: 19. XIX Matt. 17: 19. Mar. 9: 28. XX Matt. 18: 1. Mar. 9: 34. Luc. 9: 46. XXI. Matt. 18: 21. XXII. Matt. 19. 3. Mar. 10: 2. XXIII. Matt. 19: 7. Mar. 10: 10. XXIV. Matt. 19: 16. Mar. 10: 17. Luc. 18: 18: XXV. Matt. 19: 25. Mar. 10: 26. Luc. 18: 26. XXVI. Matt. 19: 27. Matt. 10: 28. Luc. 18: 28. XXVII. Matt. 20: 20. Mar. 10: 35. Luc. 22: 24. XXVIII. Matt. 21: 15. Mar. 11: 27. XXIX. Matt. 21: 20. Mar. 11: 21. XXX. Matt. 21: 23. Mar. 11: 27. Luc. 20: 1. XXXI. Matt. 22: 15. Mar. 12: 13. Luc. 20: 20. * XXXII. Matt. 22:23. Mar. 12: 18. Luc. 20: 27. XXXIII. Matt. 22 34. Mar. 12: 28. XXXIV. Matt. 24: 3. Mar. 13: 4. Luc. 21: 7. XXXV. Matt. 20: 8. Mark. 14: 4. Ioh. 12: 4. XXXVI. Matt. 26: 63. Mark. 14: 61. Luc. 22: 67. XXXVII. Mark. 9: 38. Luc. 9: 49. XXXVIII. Luc. 9: 54. XXXIX. Matt. 8: 21. Luc. 9: 59. XL. Luc. 9: 61. XLI. Luc. 10: 29. XLII. Luc. 10: 40. XLIII. Luc. 12: 13. XLIV. Luc. 13: 1. XLV. Luc. 13: 14. XLVI. Luc. 13. 23. XLVII. Luc. 13 : 31. XLVIII. Luc. 12: 1. XLIX. Luc. 15: 1. L. Luc. 17: 5. LI. Luc. 17: 20. LII. Ioh. 2: 18. LIII. Ioh. 7: 3. LIV. Ioh. 8: 1. LV. Ioh.9: 2. LVI. Ioh. 9: 40. LVII. Ioh. 13: 36. LVIII. Ioh. 18: 19. LIX. Ioh. 18: 22. LX. Ioh. 19: 10. LXI. Ioh. 21: 21. LXII. Hand. 1: 7. Onder alle die plaatsen isser maar eene, daar buiten 't algemeen leerstuk van de Messias iets ver-

{==183==} {>>pagina-aanduiding<<}

handeld word van saken die de leere betreffen; te weten XXXII. die 't bewijs van d' Opstandinge betreft. §. 4. Anders is het met die t' samenspraken, welke de Heere Iesus met verscheidene personen voor en na gehouden heeft. I. Ioh. 3. met Nicodemus, van de Wedergeboorte, II. Ioh. 6. met de Ioden, van het Brood des levens. III. Mat. 16: 13. met sijne eigene leerlingen. IV. Ioh. 4. Met de samaritaansche vrouwe over 't selfde. V. Ioh. 7: 16. in den Tempel. VI. Ioh. 8: 12. al de selfde lere vervolgende, tot bevestinge dat hy de Messias was; VII. Ioh. 10: 23. wederom, op den grond van 't gene hy geseid hadde, dat hy de getrouwe Herder was. VIII. Ioh. 11. by 't opwekken van Lazarus, betonende dat hy d'Opstandinge en t Leven is. IX. Ioh. 14: 15, 16. met sijne leerlingen, handelende van de vrugt sijns nakenden Doods en sijner Opstandinge. X. Luk. 24. met de twe op den weg na Emmaus over sijne Opstandinge. En so daar iets meer op die wijse van gelijken inhoud by d' Euangelisten te bespeuren is. Alles wat ons daar in voorkomt gaat gelijkelik daar henen, gelijk Iohannes self verklaart, dat Jesus is de Christus; en datmen, om ter saligheid te komen, met een boetveerdig hert in hem geloven moet. §. 5. Maar geen besondere hoofdstukken des Geloofs: als van de Scheppinge, besonderlik der Engelen; van de Verkiesinge, van de Reghtveerdigmakinge, van de Erfsonde, selfs van sijne Voldoeninge voor onse sonden; en heeft hy ooit, daaraf men leest, voordachtelik of hoofdsakelik verklaard: dan slechs van sommige der genoemde stukken hier en daar wel iets ter zijden, ende by gelegentheid gemeld. Doch dat en was so veele niet, datmen daaruit enige volkomene verhandeling van enig leerstuk soude konnen opmaken: dan alleenlik om 't van elders opgemaakt door d'eene of andere reden te versterken. Waarom niet meer ? Om datmen uit het gansch beleid van 'sHeeren leeringen en daden siet, hoe hy alleenlik voorgenomen hadde, terwijl hy self op aarde was, door beiderleije middel sich bekend te maken: en 't gene vorder tot de leeringe behoort na sijnen Hemelvaart door d'Apostelen te doen verrighten. In dese voegen is ons dese saligheid begonnen verkondigd te worden door den Heere; maar daarna bevestigd van degenen die hem gehoord hadden; Hebr. 2: 3. ende van hem de belofte ontvangen, dat hen de H. Geest in alle waarheid (daar sy uit sijnen monde maar een deel afwisten) leiden soude. Want so lang als die hen d'ogen niet verlichte, so en kondense die niet dragen, schoon hy hen al verder hadde willen onderwijsen. Ende nochtans warender noch vele dingen, die sy noch te leeren hadden. Ioh. 16: 12, 13. Heeft hy sijne Apostelen, tot 's volx leeringe al te voren uitgesonden, niet verder in dien tijd geleerd: hoe soude hy 't aan 't gros des volks toch hebben willen doen; die geen ooren om te horen, noch ogen hadden om te sien, ende dien also voor dien tijd niet gegeven was, de verborgentheden te verstaan; om welke reden ook de Heere door gelijkenisse tot hen sprak. Mat. 13: 13, 14, 15. Mark. 4: 12. Luk. 8: 10. Ioh. 12: 40. Hand. 28: 26.

{==184==} {>>pagina-aanduiding<<}

§. 6. By aldien dat dit iemant vreemt dunkt, aangesien dat de Saligmaker selve tot sijne Apostelen seit; al wat ik van mijnen Vader gehoord hebbe, dat heb ik u bekend gemaakt: Ioh. 15: 15. so moet hy echter weten, (behalven dat de reden voorgemeld van selve blijkt) datmen dese woorden tegen sijne eigene verklaringe, naderhands gedaan, ende nu so even verhaald, niet duiden magh. Niet al 't gene hy na sijne eewige Godheid besloten, maar na sijne Menscheid, en als Middelaar van God in last ontvangen hadde, den menschen op der aarde te verkondigen; dat hadde hy niet allen man, maar den Apostelen, als vrienden, ook bekend gemaakt. Maar verder ging hy met de stukken, noch 't verklaren van de leere niet: in deser voege was de godlike huishoudinge met sijn volk voor dien korten tijd bepaald. En dat en is geen grooter wonder, dat hy de leeringen die hy voorstellen wil, als dat hy de leerlingen, aan wien hy die voorstelle, en sijn werken tone, wel duidelik bepaalt. Voor eerst, den Apostelen; den anderen is dat niet gegeven. Matt. 13: 11. En so veel als die met hem gemeen hadden, en de hoogste Leeraar openbaarlik leerde, dat was alleenlik voor de verlorene schapen van Israëls huis. Verder was hy in persoon te leeren of lichamelik te helpen niet gesonden. Matt. 15: 24. Ia hy wilde ook niet, dat d' Apostelen so lang als hy op aarde was, verder souden gaan; self tot de Samaritanen niet, welkers steden binnen Israëls landpalen begreepen waren, en die sy in 't doorreisen moesten overslaan, Matt. 10: 5, 6. Nochtans moeste verre 't grootste deel van 't hemelsch koningrijk uit de Heidenen van oost en west vergaderd worden; en dus langen tijd, gelijkmen 't heden siet, de kinderen des koningrijx, dat is het Ioodsche volk, buiten geworpen. Dus had het Iesus self voorseid. Matt. 8: 11. Siet dan, hoe weinig dat het was, het gene Iesus self heeft willen doen of leeren, by 't gene dat hy na dien tijd door anderen heeft willen doen. §. 7. En daarom was 't geen wonder, dat hy sich tegen verscheidene dolingen, dies tijds by 't joodsche volk in swang gaande, niet en heeft verklaard. Selfs niet wanneer hem de gelegentheid daar toe besonderlik scheen te vermanen, en sijn stilswijgen heimelike toestemminge te zijn. Ik sal dat met verscheidene exempelen betonen. Over den blindgeborenen gevraagd zijn van sijne leerlingen, Rabbi, wie heeft gesondigd, dese of sijne ouders, dat hy blind soude geboren worden? so antwoord hy slechs! Noch dese en heeft gesondigd, noch sijne ouders; maar 't is op dat Gods werken in hem geopenbaard souden worden: Ioh. 9: 2, 4. Ondertusschen meld hy 't minste van de doling niet, waaruit de vrage sproot: het zy datse de zielwisseling van Pytagoras geloofden, en dat dese man, te voren in een ander lichaam enige sware sonde had bedreven, eer de ziel met dese laatste geboorte in dit lichaam overging; of dat sy meinden dat een kind dadelike sonde in 's moeders Lichaam kan begaan. Misverstanden beide van sulken groot belang, dat het onbetamelik schijnen mog-

{==185==} {>>pagina-aanduiding<<}

te, de menschen daar by te laten, voor iemant die so bequaam was om hen daar af te verlossen. D' inbeeldinge van een aardsch en weereldsch koningrijk, dat Christus, so sy meinden, oprighten soude, ende hen tot het voornaamst bewind daar van te verheffen; veroorsaakte dikmaals desen twist, wie onder hen de meeste daar toe wesen soude. Matt. 18: 1. Mar. 9: 34. Luk. 9: 46. en 22: 24. Daar uit ontstond ook dat versoek van Zebedeus beide sonen, door derselver moeder voorgesteld; om d'een tot sijne reghter, d'ander aan de slinker hand te mogen sitten in sijn koningrijk: Matt. 20: 20. en de vrage naderhands, Heere sult gy te deser tijd het koningrijk over Israël weder oprighten? Hand. 1: 6. Nochtans heeft hy in vier malen maar eens, en dat bedektelik, de verstaan gegeven, dat het met den staat sijns koningrijks ander dan met die van dese weereld wesen soude; Matt. 20: 25, 26. sonder echter noch den reghten grond en aart sijns hemelschen en geesteliken koningrijks te ontdekken. Op de vrage, Wat doende sal ik 't eewig leven beërven? antwoord hy niet, dat het met geen doen te doen is; maar alleenlik, onderhoud de geboden. Matt. 19: 16, 17. Luk. 10: 25, 28. Veel min sprak hy iets van 's menschen aangeborene verdorventheid, waar door 't hem onmogelik is, Gods geboden te onderhouden. §. 8. Selfs belangende sijn eigene persoon, hoe groflik daar ontrent de menschen doolden; geen van allen dies tijds gelovende dat hy was, of dat de Messias wesen moeste ware God van eewigheid, eens selfden wesens met den Vader; maar alleen een godlik man en groot profeet, het hoogste dat Cleopas noch na sijne opstandinge van hem getuigde. Luk. 24: 18. Sulk een gewightig hoofdstuk des Geloofs beliefden onsen Heere niet als doe noch te verklaren; maar liet de menschen in dien waan, tot dat hy ten hemel gevaren, en aan Gods rechter hand geseten, den Geest uitstortte, die hen dese waarheid leerde. Goede Meester, (seid'er een) wat moet ik doen? en hy daar op anders niet, als wat noemt gy my goed? niemant is goed dan God: even eens oft hy ook geen God en ware, aangesien dat hem die menschen daar voor niet en hielden. Desgelijx versocht, om als een voornaam Arts het dochterken van Iaïrus te genesen: vermits het onderwijlen quam te sterven, so komt men dat den Vader seggen, om den Meester niet meer moeijelik te vallen; Mar. 5: 35. denkende, so 't schijnt, dat hy als andere meesters wel raad wist tegen siekten, maar niet tegen den dood. Wat doet hy? Vreest niet, seit hy, maar gelooft alleenlijk; te weten, dat ik ook uw kind wel wederom aan 't leven helpen sal. Dat hadden ook Elias en Elisa, door Gods kraght en als Profeten wel gedaan. Maar dat hy dit self uit eigene kraghten dede, gelijk het lang na desen bleek, daar af en spreekt hy niet een woord: en laat also dat volk in die onweetenheid, daar 't so hoognodig te geloven is, dat hy in wesen de waarachtige God en 't eewig leven is. 1. Ioh. 5: 20. §. 9. En 't gene nader ter sake komt, over de Geesten self ende hun

{==186==} {>>pagina-aanduiding<<}

bedrijf heeft de Saligmaker sulken taal gesproken, die na de letter verstaan seer ongerijmd is luidende. Hoort hem eens Indien ik door Beelsebul de Daemons uitwerpe, door wien werpense dan uwe sonen uit? Matt. 12: 27. Wie meinen wy dat des Sonen zijn? d'Apostelen, als sonen der Ioden? al te verre gesocht. In dien sin moestense Iesus self voor eenen hunder Sonen kennen. En souden dat de Fariseen toestaan, dat d'Apostelen door God of Iesus kraght de Daemons verdrijven konden; hoe kondense dan tegen spreken, dat het Iesus self dede? Indien sy den Heere des huises Beëlsebub geheten hebben, hoe veel te meer sijne huisgenoten? Matt. 10: 25. 't Was van wel verre van daar, dat sy de Apostelen waarlik voor sodanig erkenden. Welke dan? Hunne eigene Sonen of Leerlingen, die ook Sonen (gelijk men seide sonen der profeten) genaamd waren. Die geloofdense dan dat al mede Daemons uitwierpen. Geloofde 't Christus ook? Dat moest verre van hem zijn: want hy dit werk voor een bewijs uitgaf dat hy de Messias was. cap. 12: 28. daar het ook by 't volk voorgenomen wierd, roepende vast met groter verwonderinge en verbaasdheid dit: Wat woord, (wat seggen of wat saak) is dit, dat hy met maght en kraght den onreinen geesten gebied, en sy varen uit; Luk. 4: 38. Ende noch eens, Daar en is nooit desgelijx in Israël gesien. Matt. 9: 33. Over sulx merktense seer wel, dat het gene de Fariseen voorgaven, van Daemos uit te werpen, niets te beduiden hadde by 't gene sy Christus sagen doen. Nochtans spreekter de Heere self so af, als ofse 't waarlik deden. Geeft hy so veel toe in een stuk dat sijne eere so na by betrof: so maghmen lichtelik sien, dat sijn oogmerk niet en was, de menschen teffens van de dolingen te verlossen, die sy in hun spreken toonde, wanneer hy sleghs op 't gene dat de vrage was behoorlik antwoord gaf; ja dat hy sich self met de dolingen behielp, om den tegen sprekeren met hunne eigene woorden, den mond te stoppen. §. 10. Noch eens. Meinen wy dat sekeren Beëlzebul dat is, God der vuiligheid, of Drekgod; of Beëlzebub, God der vlieden, so genaamd, waarlik d' overste der Daemons was? Dit was buiten twijfel een naam, welken de schriftgeleerden van dien tijd den oversten der Daemons toepasten, na hun eigen verstand; dat waarlik seer verdorven was. Des naams tweevoudige oorsprong geeft dat klaarlik te verstaan. D' Israëlyten noemden Drekgoden, de genen die van nature geene Goden zijn: gelijk Paulus daar van spreekt; Gal. 4: 18. om datse louter drek en vuiligheid waren, vergeleken by den waren God, die so rein van ogen is. En de God der vliegen, meintmen, in aansien van de menigte der vliegen, die op het vleesch der offerhanden vielen; van welken die van Israël, somen seit, geenen last en hadden. Het was dan ene blote versinninge der joodsche leeraars in dien tijd, den oversten der Daemons, dat is der heidensche verdichte Geesten, Beëlzebul of Bëelzebub te noemen: en evenwel laat Christus dit so gaan, sonder hen uit die botte dolingen te verlossen. Sijn werk was derhalve

{==187==} {>>pagina-aanduiding<<}

niet so seer de dolingen te wederleggen; als de zeden te verbeteren. §. 11. Nader kan ik dat doen blijken, met het gene Daillon al voor my heeft aangetekend: met wiens woorden ik het daarom hier ook seggen sal. ‘'t Gene onse Saligmaker Matt. 12: 43. seit van den onreinen Geest, die van den mensche uitgegaan zijn, de dorre plaatsen doorwandelt, soekende ruste, die hy niet en vind; daarna wederkeert in sijn huis daar hy uitgegaan was, en dat ledig vindende, met besemen gekeerd en verzierd: dat hy dan t'seven andere geesten, boser dan hy selfs is, met sich neemt, en datse daar dan t'samen wonen; so dat het laatste van die mensche erger word dan 't eerste: sulx alles is maar by gelijkenis gesteld; ontleend van 't gene men gemeenelijk so onder 't volk te seggen plagh, ende in geenen deele van de Geesten, die sy sig verbeelden, verstaan kan worden. Maar seer bequamelik kanmen 't selve passen op enige ondeugd, daar sich een mensche voor enen tijd af speent; sonder sich echter daar op uit te leggen, dat hy de deugd betraghte: invoegen, dat het selfde gebrek wederom plaats nemende, kraghtiger dan te voren in hem werkt: en daarenboven noch met andere vergeselschapt komt, gelijk 't een gebrek 't ander lichtelik met sich sleept, of m